en ook onder dezen ontmoeten wij reeds dadelijk een goede en trouwe,
zeer gewaardeerde bekende, vooral voor ons, bewoners der
Noordzeestranden, waar zij zelfs het meest bekende van alle schelpdieren
is, namelijk:
de ~gewone mossel~ (_Mytilus edulis_, d. i. eetbare mossel), fig. 10,
die het naast verwant is aan de, vroeger besproken, riviermossel uit
onze binnenwateren. De mossel behoort ook weer tot de, zooeven genoemde,
overgangsvormen, want ook bij haar is de mantel nog bijna geheel
gespleten en is de adembuis of sipho kort en weinig ontwikkeld.
Daarentegen zijn deze eigenlijke mossels gekenmerkt door het bezit van
een sterk ontwikkelde ~baard~- of ~byssusklier~ (zie bladz. 15 en 133)
aan de basis van den dunnen, ronden voet. Met de talrijke, daardoor
afgescheiden, ~byssusdraden~ spint het dier zich aan steenen enz. vast.
De gewone mossel komt aan alle kusten van Europa voor, doch het
smakelijkst is die van de Noord- en Oostzee. De dieren leven gezellig in
groote massa’s bij elkaar en aan onze kusten ziet men de langwerpig
ronde, blauwzwarte schelpen van 6-20 centim., bij duizenden
vastgesponnen aan de steenen hoofden en aan de palen der zeeweringen. De
mossel is, na den oester, het belangrijkste eetbare schelpdier; wel is
de smaak minder fijn, maar daartegenover staat de veel lagere prijs, die
haar, in zekere mate, tot een volksvoedsel maakt, vooral in ons land,
Duitschland, Italië en Frankrijk. De smaak is het beste in den herfst en
den winter. De mossel is veel beweeglijker dan de oester en het
bewegingsorgaan, den voet, zien wij meestal ver buiten de schelp
uitsteken. Ook ziet men daarbuiten de franjevormige aanhangsels van den
mantel. Het slot heeft vier tandjes. Het dier zelf is langwerpig eirond,
oranjegeel van kleur.
Met de vorige komt zeer veel overeen: de ~steekmossel~ (_Pinna
nobilis_), fig. 11, die vooral in de Middellandsche zee voorkomt. De
schelp is zeer groot, tot 30 centim., scheef driehoekig van vorm en
eenigszins waaiervormig, puntig toeloopend. Met die punt wordt de schelp
in den bodem gestoken en met de byssusdraden aan omringende voorwerpen
vastgehecht. De schelp is roodachtig bruin van kleur, straalvormig
gestreept en van buiten dicht bezet met ruwe, holle schubben. De randen
van den mantel zijn volkomen vrij. De voet is kegelvormig en gegroefd en
in de buurt daarvan ligt een groote byssusklier, waaruit zeer fijne,
fraai goudachtig glinsterende byssusdraden gesponnen worden. Deze worden
in Italië, vooral in de buurt van Tarente, reeds sedert eeuwen verzameld
en, met zijde vermengd, tot handschoenen, kragen, beurzen enz. geweven.
Hierbij sluit zich aan het dier van fig. 6, de ~modiola~ (_Modiola_),
welks schelpkleppen zeer dun, fijn en doorschijnend, langwerpig van vorm
en naar boven in een bocht samengedrukt zijn. De kleur is wit, met
bruine stralen, doch de schelp gelijkt uiterlijk zeer veel op die van de
mossel. Het dier komt in de Europeesche zeeën voor, doch het ontbreekt
op onze kusten.
Tot de familie der mossels behooren ook de ~arkschelpen~, naar den vorm
aldus genoemd, en waarvan in fig. 5 de ~gebaarde arkschelp~ (_Arca
barbata_), afgebeeld is. De schelpen zijn lang en vlak, eenigszins
uitgebogen en kruiswijs gestreept. De overlangsche strepen zijn korrelig
en de oppervlakte gebaard. De kleur is in het midden wit, aan de kanten
roodbruin. Het rechte slot bestaat uit talrijke, in een rij geplaatste
tandjes, de slotband is uitwendig. De randen van den mantel zijn geheel
vrij, de voet is zeer kort, dik en stomp. Het dier komt in de
Europeesche zeeën voor, waar het zich, onder het slib, aan rotsen
vasthecht.
Nog twee andere soorten moeten tot deze groep gebracht worden: het
~nootje~ of de ~paarlemoerneut~ (_Nucula rostrata_) fig. 18, die in de
Noord- en Oostzee voorkomt en een langwerpig bolle, fijn en
dwarsgestreepte schelp heeft, waarvan de langere en smallere voorzijde
snavelachtig toeloopt, terwijl het slot uit vele tandjes bestaat, die
een hoek vormen--en de ~gemarmerde kamschelp~ (_Pectunculus
glycymeris_), fig. 19, niet te verwarren met de eigenlijke kamschelpen
(blad. 136), doch die bijna rond, gelijkzijdig en tamelijk bol is, met
stevige dikke kleppen, wier spitsen duidelijk uitsteken. De kleur is
lichtgeel of bleekrood, met donkerroode zigzagstrepen en fijne stralen.
Het bochtig gekromde slot heeft aan elke zijde 6-12 scheeve tanden en
een uitwendigen slotband. Men vindt het dier in de Middellandsche en
Noordzee, ook aan onze kusten.
Bij de mossels sluit zich verder nog aan: de ~steendadel~ (_Lithodomus
dactylus_), fig. 8, welks schelp wel iets op een gedroogde dadel
gelijkt, lang uitgerekt, vingervormig en glimmend bruin van kleur en aan
de beide uiteinden stomp en overlangs en dwars gestreept is. De byssus
is zeer klein en gaat later verloren en daar het dier dan geen houvast
meer heeft, boort het zich--waarschijnlijk met behulp van zuren, die het
afscheidt--in kalksteenen en zelfs in hard marmer, soms ook wel in de
schalen van andere schelpdieren. Zij leeft in de Middellandsche zee.
Bekend is de merkwaardige wijze, waarop de steendadels geboord hebben in
de zuilen van den Serapistempel van Puzzuoli bij Napels. Deze zuilen
zijn, over een hoogte van 3 tot en met 5 meters boven den zeespiegel,
geheel en al door deze schelpen doorboord, hetgeen een gewichtig bewijs
is voor de geologische theorie van een ~afwisselende~ rijzing en daling
van den bodem, op dezelfde plaats. Want eerst moet de bodem, met den
tempel, natuurlijk tot eenige meters onder de oppervlakte van den
zeespiegel gedaald zijn, in welken tijd de steendadels zich in de zuilen
vastboorden en daarna moet de kust zich weer, tot een aanzienlijk
bedrag, opgeheven hebben.
* * * * *
Een, ook in ons land, algemeen bekende familie van tweespierigen zijn de
~hart~- of ~zandschelpen~, waarvan aan onze kusten het meest bekend is
de ~eetbare zandschelp~ (_Cardium edule_) van fig. 4. Bij deze familie
zijn de twee gelijke schelpkleppen dik en sterk gewelfd, hartvormig, met
24 tot 26 dwarsgerimpelde, weinig verheven, straalvormig loopende
ribben, waartusschen zich op het midden der schelp smalle voren, aan de
randen diepe en breede groeven bevinden. De mantel is van voren
gespleten, van achteren met franjes bezet en loopt in twee zeer korte
sipho’s uit. Merkwaardig voor deze familie is de aanzienlijke grootte en
kracht van den voet, die bovendien knievormig gebogen is, zoodat de
dieren daarop vrij handig vooruit kunnen springen. Elke klep der schelp
heeft twee slottanden onder de scherpe en sterk gebogen spitsen. De
kleur van deze soort is vuilwit, soms met roestbruine tint.
Van deze, en nog eenige andere soorten van zandschelpen, worden er door
onze visschers aanzienlijke massa’s gevangen, dikwijls tot 100000
kilogram per jaar en zij zouden, ook hier te lande, wegens den smaak en
de voedingswaarde, een uitnemend volksvoedsel kunnen zijn, doch worden
bij ons, helaas, nog veel te weinig genuttigd. Bijna alles wordt, onder
den naam van „~kokkels~, ~kokhanen~ of ~hartschelpen~”, op groote schaal
naar België en Engeland verzonden. Verder worden de schelpen, evenals
die van de, straks te bespreken, strandschelpen, op onze badplaatsen
door de visschers of hun vrouwen voor het versieren van allerlei
snuisterijen: speldekussens, doozen enz. gebezigd, om die aan de
bezoekers te verkoopen. Van beide schelpsoorten worden verder millioenen
aan onze kusten opgevischt voor de kalkovens en het verharden van wegen
en paden.
Nog een bekende groep van tweespierigen zijn de ~platschelpen~, met
langwerpige of ronde, vlakke, gelijkschalige schelpen, wier bewoners
vier kieuwplaten bezitten, en twee kortere of langere sipho’s. Van het
geslacht ~platschelp~ komen in het zand van alle zeeën, ook in ons land,
verschillende soorten voor, van welke een bekende op de plaat afgebeeld
is, n.l. de ~dunschaal~ (_Tellina virgata_), fig. 20. Deze schelp is
dwars-eivormig, naar achteren kantig en gestreept, in de jeugd fraai
lichtrood van kleur, later rood met witte of geel met roode stralen. De
mantel is half open en aan zijn breeden rand komt de lancetvormige voet
te voorschijn; de sipho’s zijn gescheiden en zeer lang. Hierbij sluit
zich aan: de ~peperschelp~ (_Scrobicularia piperata_) van fig. 22, van
de kusten der Adriatische en Middellandsche zee, die aldaar, wegens den
gepeperden smaak, veel gegeten wordt. De schelp is 4 tot 6 centim. lang,
plat eivormig, wit van kleur en dwarsgestreept, met kleine slottandjes
en zeer lange, wormvormige witte sipho’s.
Tot de platschelpen behoort ook de bekende ~strandschelp~ (_Mactra
solida_), fig. 16, die aan alle Europeesche kusten zeer algemeen is en
ook bij ons, met nog andere soorten van dit geslacht en met de
zandschelpen, voor het vroeger genoemde doel opgevischt worden (zie
bladz. 141). De schelp is afgerond driehoekig, dik, geelachtig of
grijsachtig van kleur en met blauwe of grijze banden geteekend. Elke
klep heeft een platten, gevouwen slottand, die in een groef van de
andere past. De zoom van den mantel is franjeachtig, de sipho’s zijn
matig van lengte, afgeplat en de voet is smal.
Nog drie andere platschelpen zijn op de plaat afgebeeld. In fig. 25 zien
wij de ~maagdelijke Venusschelp~ (_Venus virginea_), die, met een paar
andere soorten, ook aan onze kusten voorkomt. De schelp is eivormig,
naar achteren stomphoekig, roodachtig van kleur. Het dier is eetbaar,
houdt zich meestal in het slib op en heeft twee sipho’s en een
afgeplatten voet, die tot kruipen dient. Verder: de ~lucinaschelp~
(_Lucina jamaicensis_), fig. 26, uit den Atlantischen oceaan, met
rondachtige, ongelijkzijdige kleppen, die vuilgroen, van binnen
gestippeld en diep gestreept, van buiten bladerig gegroefd zijn, met
concentrische lagen. Aan onze kusten leven een paar andere soorten. En
als derde verwante soort zien wij in fig. 14 de ~echte Venusschelp~
(_Cytherea Dione_), die in Oost- en West-Indië voorkomt. De schelp is 3
tot 5 centim. lang, scheef hartvormig, met concentrische lagen, fraai
licht vleeschkleurig, bij het slot rood. Aan den rand staan, bij het
slot, eenige kranswijs geplaatste stekels. De mantel is aan den rand van
franjes voorzien. De sipho’s zijn lang, min of meer vergroeid en
afgeplat.
* * * * *
Thans is de eigenaardige familie der „~gapers~” of „~gaperschelpen~” aan
de beurt, aldus genoemd, omdat de schelp aan de beide uiteinden steeds
een weinig open blijft, „~gaapt~”. De oorzaak daarvan is, dat deze
dieren steeds blijvend in het zand of slib ingegraven zijn en zich
weinig bewegen; daarom komt, door een insnijding van den mantel, aan het
ééne open uiteinde der schelp de voet naar buiten, waarmede zij zich
loodrecht in het zand graven en aan den anderen kant komt de vergroeide,
zeer lange, slurfvormige adembuis er uit, die boven het zand of slib
uitsteekt (fig. 23), met een vuilbruine huid bedekt is en niet binnen de
schelp teruggetrokken kan worden; bij dreigend gevaar graaft het dier
zich geheel in het zand.
Op onze kusten, en in alle zeeën van midden- en Noord-Europa, tot in de
IJszee, komen twee soorten zeer algemeen voor, waarvan er één, de
~stompe gaper~ (_Mya truncata_) in fig. 23 afgebeeld is, het zoogenaamde
„kussentje” van de Zuid-Hollandsche strandbewoners. De vuilwitte schelp
is eivormig of elliptisch, zeer bol, dwars gestreept en van achteren
stomp afgerond. De voet is klein en lancetvormig. De tweede soort, die
te zamen met de vorige voorkomt, de ~strandgaper~ (_Mya arenaria_) is
iets grooter (9 centim.) en kan haar slurfvormige adembuis tot het
dubbele van die afmeting verlengen. De dieren leven in massa’s gezellig
bij elkaar en vormen in het noorden een hoofdvoedsel van de walrussen.
Eigenaardige gaperschelpen zijn de ~mesheften~, met lange, smalle en
platte, mesvormige schelpen, die aan de beide uiteinden weer sterk gapen
en met korte sipho’s, die binnen de schelp teruggetrokken kunnen worden.
Zij boren met den bijlvormigen voet loodrechte gaten van meer dan een
voet diep in het zand of slib, waarin zij zich, bij het minste gevaar,
bliksemsnel zoo afdoende terugtrekken, dat men ze meestal niet meer uit
kan graven. In ons land komen drie soorten van ~mesheften~ voor, waarvan
in fig. 24 de ~messcheede~ (_Solen vagina_) voorgesteld is, die een zeer
lange en smalle, bijna rechte schelp heeft, in den vorm van een zeer
platgedrukten cylinder van 12 centim. lang, die aan de beide
uiteinden--doch aan het ééne schuin--afgesneden schijnt. De schelpen,
die men in menigte aan het strand vindt, hebben een groenachtig bruine
opperhuid, met roode strepen daaronder. De mantel is van voren gesloten.
De beide andere inlandsche soorten zijn: de ~zwaardscheede~ (_Solen
ensis_), met een zeer gebogen, plat cylindrische schelp en het
~tafelmes~ (_S. siloqua_), de grootste van onze mesheften, met platte
rechte schelp.
* * * * *
Wij komen thans nog tot een paar tweespierige schelpdieren, die, in
tegenstelling van de meeste der vorige, den mensch niet van nut zijn,
doch daarentegen groot onheil stichten. Het zijn de ~boorschelpen~ of
~pholaden~, die de verderfelijke gave bezitten, om in hout, steen enz.
van de zeeweringen te boren en deze te vernielen.
De ~gewone pholade~ of ~steenboorder~ (_Pholas dactylus_), fig. 12, naar
den vorm ook wel ~vingerschelp~ genoemd, heeft zelf een zeer kort en dik
lichaam, dat geheel omsloten kan worden door de geelachtig witte,
wigvormige, concentrisch gegroefde, 8 centim. lange schelp, die van
voren schuin afgestompt en snavelvormig verlengd is. De mantel komt
buiten de kleppen uit en slaat zich met zijn rand daar omheen, de voet
is dik van voren afgeplat en komt aan den kant van den mond te
voorschijn, terwijl aan de tegengestelde zijde twee zeer groote sipho’s
te voorschijn komen. De schelp gaapt aan de uiteinden en mist de
slottanden en den slotband. De randen der schelpkleppen zijn met zeer
scherpe en harde tandjes bezet, die, bij het openen en sluiten der
kleppen, tegen het hout, den steen of de rotsen, waarin de dieren leven,
wrijven en die stoffen tot een fijn poeder afraspen en zoo de woonruimte
voor het dier vergrooten. Daar het boren echter reeds begint, als de
dieren nog zeer klein zijn, is het begin van het boorgat veel nauwer en
zijn zij gedoemd, gedurende hun gansche leven, te blijven, waar zij
zijn. Tot hun geluk kunnen zij echter de zeer lange, gedeeltelijk
vergroeide sipho’s tot buiten de woning in het water uitstrekken en zoo
voor de ademhaling en voeding zorgen.
Men vindt de pholaden in alle Europeesche zeeën en ook veel aan onze
kusten. Eigenaardig is, dat men in Zuid-Holland de schelpen der ~ruwe
pholade~ (_Ph. crispata_), die echter meer in hout en klei boren, naar
den vorm „wiegjes” en op Walcheren „boerinnehoedjes” noemt, alsmede dat
deze dieren, wegens den peperachtigen smaak, wel gegeten worden en van
den ~paalworm~, dien wij nu gaan bespreken, wordt wel beweerd, dat hij
zelfs de fijnste oesters in smaak en bouquet overtreft.
Deze ~paalworm~ of ~boorworm~ (_Teredo navalis_), fig. 7, is nog
oneindig veel schadelijker dan de pholaden. Onnoodig te zeggen, dat dit
dier volstrekt geen worm is, doch slechts zoo genoemd wordt naar het
buitengewoon lang uitgerekte, wormvormige lichaam, dat geheel naakt en
alleen aan het voorste uiteinde van een uiterst klein schelpje voorzien
is, een orgaan echter, dat, hoe nietig en klein ook, de grootste
onheilen aan onze kostbare zeeweringen aanricht.
De paalworm is reeds lang bekend, hoewel het dier eigenlijk in den
Indischen oceaan inheemsch is en vandaar in het hout der schepen naar
Europa overgebracht werd. Aanvankelijk meende men dan ook, dat het
alleen in schepen voorkwam en Linnaeus, de beroemde Zweedsche
natuuronderzoeker uit de 18e eeuw, noemde het destijds: _calamitas
navium_, dat is: het verderf der schepen, waarop ook de Latijnsche naam
_navalis_ wijst. Doch reeds spoedig moest men ondervinden, dat de schade
zich niet tot de schepen bepaalde, doch dat deze booswicht ook de
grootste gevaren opleverde voor de houten zeeweringen, palen,
bruggehoofden, sluisdeuren enz., waardoor aan de kusten der Noordzee
reeds herhaaldelijk dijkbreuken hadden plaats gehad.
De oorzaak van al dat onheil is het onnoozele wormvormige diertje van
fig. 7, welks schelpje niet slechts uiterst klein is, doch bovendien
geheel en al naar het voorste uiteinde van het lichaam verhuisd is en de
beide schelpkleppen vormen hier datgene, wat men gewoonlijk voor den
„kop” van het dier houdt. Ook de mantel, die het wormvormige lichaam
insluit en de mantelholte, waarin de kieuwen gelegen zijn, heeft zulk
een uitgerekte, buisvormige gedaante. Hij is aan de beide uiteinden open
en van voren heeft hij een spleet voor het doorlaten van den voet,
terwijl hij van achteren eindigt in twee zeer dunne buisjes, de sipho’s,
die steeds buiten den boorgang in het water uitkomen, voor het in- en
uitstroomen daarvan. Door den mantel en door de geheele buitenvlakte van
het lichaam wordt een kalkachtige stof afgescheiden, waarmede de
boorgang van binnen bekleed wordt, doch waarin het dier zich, als in een
koker, vrij kan bewegen.
Evenals de pholaden, begint ook de paalworm zijn heilloozen arbeid reeds
als jeugdige boosdoener en is de ingang van het boorgat dus zeer dun,
terwijl de gang, naarmate het dier groeit en verder in het hout
doorboort, ook wijder wordt, zoodat de worm niet weer terug kan. Eerst
in volwassen staat gaat hij te gronde, doch eerst nadat hij terdege voor
een buitengewoon groot nageslacht gezorgd heeft. Daarin is juist het
groote gevaar gelegen, want reeds de nakomelingschap van één enkel dier
maakt in het hout een ontelbaar aantal gangen, die het in alle
richtingen doorkruisen, zoodat het er ongeveer gaat uitzien als een
honingraat en dus niet den minsten weerstand meer biedt. En zelfs de
hardste houtsoorten worden niet gespaard, behalve eenige bijzonder
harde, oliehoudende Australische soorten, zooals dat van den
Eucalyptusboom.
Waarmee boort de paalworm nu eigenlijk? Vroeger heeft men wel gemeend,
dat hier een chemische invloed in het spel was en dat het dier, evenals
de steendadel (zie bladz. 140), een scherp zuur vocht zou afscheiden,
waarin de houtstof oploste. Doch onze landgenoot, profr. Harting, heeft
later aangetoond, dat het proces louter van mechanischen aard is en dat
het zagen uitsluitend geschiedt met de beide, uiterst kleine
schelpklepjes, waarvan in fig. L de rechterklep, op vergroote schaal,
afgebeeld is.
[Afbeelding: Fig. L.