Hier is S de eigenlijke schelpklep, waaraan, onder een rechten hoek, een
aanhangsel of tand A bevestigd is. F is de voet, waarmede het dier zich
aan het hout vastzuigt. Het voornaamste onderdeel vormen echter de
wrijfvlakken Z, die, onder den mikroskoop gezien, bezet blijken te zijn
met een groot aantal zeer ingewikkelde rijen van uiterst fijne en
scherpe tandjes; dergelijke rijen van tandjes vindt men ook op het
aanhangsel A, doch deze zijn loodrecht op die van de wrijfvlakte Z
geplaatst. Door het openen en sluiten van de kleppen worden de tandjes
tegen het hout gewreven, waarbij zij door den voet F daartegen
aangedrukt worden en alzoo de gangen uitgraven. Dit geschiedt
buitengewoon snel en somtijds wordt in één zomer al het paalwerk van een
zeewering totaal verwoest.
Tot vóór korten tijd stond men volkomen machteloos tegenover dit kwaad,
hoewel men alles beproefde: drenken met teer, omwikkelen met zeildoek,
beslaan met koper, doch geen middel mocht baten, er scheen geen kruid
gewassen tegen deze kwaal. Aan onze kusten is men toen, reeds lang
geleden, overgegaan tot het beslaan der palen met groote, breedkoppige
ijzeren spijkers, hetgeen alleen behoefde te geschieden in de ruimte
tusschen eb en vloed, omdat de dieren daar alleen leven. Dit middel
heeft nog het best aan de verwachtingen beantwoord. In den nieuweren
tijd brengt men, rondom het gedeelte der palen, waar de dieren kunnen
boren, buizen of een vast omhulsel van beton aan, dat de oppervlakte der
palen volkomen van het water afsluit en de dieren doodt. In ons land
heeft men verder, vooral voor sluisdeuren, zeer bevredigende uitkomsten
verkregen met het Demarara-greenhearthout.
[Afbeelding: XIV.]