bij welke steeds slechts de indruk van één enkele groote sluitspier in
het midden der schelpkleppen te zien is, terwijl deze laatsten
onregelmatig en ongelijk van vorm zijn en de mantel steeds geheel
gesloten en aan den rand van franjes of papillen voorzien is. Wij
beginnen met den edelsten van dit gilde, de kostelijkste gave voor de
fijnproevers, waarvan wij reeds op bladz. 11 iets verteld hebben,
namelijk: den ~gewonen oester~ (_Ostrea edulis_, d.i. eetbare oester),
die in fig. 21 afgebeeld is. De schelpkleppen zijn hier rond-eivormig,
aan het slot smaller toeloopend; de bovenste klep is vlak en ondiep, van
buiten bladerig, de onderste dieper en dikker, van buiten met gevouwen
overlangsche ribben bedekt. Het slot is puntig, zonder tanden en de
kleine slotband is, aan weerszijden van het slot, in een kleine groef
bevestigd. Het dier zelf is eivormig, langwerpig en zeer glad, de randen
van den mantel zijn dik. De indruk van de sluitspier is onduidelijk. De
voet ontbreekt, als volkomen overbodig, daar de dieren met de geheele
onderste, dikkere schelpklep aan den bodem of aan andere schelpen
vastgegroeid zijn. Er bestaan veel verscheidenheden in vorm, grootte,
smaak en vastheid van het vleesch, zooals Zeeuwsche, Texelsche,
Engelsche koroesters enz., doch deze zijn alleen aan de wijze van
behandeling te danken en geenszins verschillende soorten.
De oesters komen aan de verschillende Noordzeekusten voor op een diepte
van 18 tot 36 meters, liefst op steen- of kleiachtigen, niet op zandigen
bodem. De voortplanting heeft in het voorjaar en den zomer plaats en in
dien tijd worden de dieren niet gevangen, daar zij dan mager, schraal en
taai zijn. Men neemt als regel aan, dat de oesters alleen deugdelijk
zijn in de maanden, wier naam een _R_ bevat, dus van September tot
April, omgekeerd als bij den kreeft (bladz. 61). Het aantal eieren, dat
gelegd wordt, is ontzaglijk groot, dikwijls voor één oester meer dan een
millioen, waarvan er echter slechts enkelen tot ontwikkeling komen. Uit
de eitjes komen eerst larven, het „~oesterzaad~”, doch de jonge oesters
zijn lang niet zoo hokvast als de oudelui; zij zwemmen lustig en vrij in
het water rond en zetten zich eerst later met de diepere schelpklep
vast, waarna de voet, als overbodig, bijna geheel verdwijnt. De dieren
beminnen de gezelligheid; zij leven altijd in grooten getale bij elkaar,
op zoogenaamde ~oesterbanken~.
Na het vangen zijn de oesters nog niet voor het gebruik geschikt; zij
moeten eerst nog, zooals men dat noemt, „~gespeend~” worden in de
~oesterputten~, die men bij ons vooral in Zeeland aantreft en die
bestaan uit groote, met planken of gekalkte dakpannen gevulde, ruimten,
waarop de dieren zich vasthechten en waardoor men, bij eb en vloed, door
middel van sluizen herhaalde malen versch zeewater laat in- en
uitstroomen. De dieren ~spuwen~ dan, zooals de technische term luidt,
dat is: door het zeewater worden alle onzuiverheden weggespoeld en
daardoor wordt het vleesch van den oester blank en smakelijk.
* * * * *
Bij de familie der =hamerschelpen= vormt de slotrand bijna een rechte
lijn en heeft naar voren en naar achteren oorvormige aanhangsels, zoodat
de schelp een eenigszins hamervormige gedaante verkrijgt, zooals vooral
het geval is bij den ~Poolschen hamer~ uit den Indischen Oceaan, minder
duidelijk, maar toch zichtbaar, bij de twee soorten van fig. 1 en 2.
Fig. 1 is de ~paarlemoerschelp~ (_Avicula_), insgelijks uit den
Indischen Oceaan, wier mantel geheel open is en slechts twee
franjeachtige spleten heeft, in plaats van de adembuizen of sipho’s. De
sluitspier, in het midden van de schelpkleppen gelegen, is zeer groot.
De voet is klein, tongvormig en van byssusdraden voorzien (bladz. 133),
die door een insnijding van de rechterklep naar buiten treden. De kleur
is grijsachtig bruin.
De echte ~parelschelp~ of ~parelmossel~ (_Meleagrina margaritifera_),
fig. 2, heeft een afgerond vierhoekige, zeer dikke schelp, die zeer
bladerig en van scherpe randen voorzien en uitwendig groenachtig grijs
van kleur is, met witte stralen, terwijl de binnenzijde paarlemoerachtig
glinstert. Het slot heeft noch tanden, noch lijsten. De dieren leven in
den Indischen Oceaan en de Roode zee en hechten zich op groote diepten
met hun baarddraden aan de klippen vast, zoodat de visschers of duikers
zich, voor de vangst, aan een touw naar beneden laten zakken, om zooveel
mogelijk schelpen tegelijk los te snijden. De binnenwand der schelp
levert paarlemoer en daarin vormen zich de schoone en kostbare ~echte
parelen~, zooals dit op bladz. 31 voor de onechte verklaard werd.
* * * * *
Tot de éénspierigen zonder adembuizen behoort verder de familie der
~kam~- of ~mantelschelpen~, aldus genoemd naar den vorm der schelp, die
porseleinachtig en niet afgebladerd is en eenigszins op een haarkam of
een uitgespreiden mantel gelijkt. Daarvan zien wij in fig. 17 den ~Sint
Jacobsmantel~ (_Pecten Jacobaeus_), met ongelijke kleppen, waarvan de
bovenste plat is, 14 tot 16 kantige ribben vertoont en roodbruin van
kleur is, terwijl de veel diepere onderste klep straalvormige,
overlangsche groeven heeft. Slottanden ontbreken; het dier zelf is
rondachtig, heeft een open mantel, met zeer dunne draadjes omzoomd en de
voet is klein, gesteeld en knotsvormig. Met deze soort, die in de
Middellandsche zee tehuis is, komen vier inlandsche soorten zeer veel
overeen, waarvan de ~pelgrimsschelp~ of ~kamschelp~ (_Pecten maximus_),
ten onrechte ook wel eens ~Jakobsmantel~ genoemd, vooral bekend en
wegens zijn fraaiheid door verzamelaars hoog gewaardeerd is. Het is het
grootste van onze inlandsche schelpdieren (tot 16 centim.). De diepe
onderschelpen verschijnen bij ons als „schelpen” op tafel voor allerlei
vleesch- en vischschoteltjes; in Engeland worden de dieren zelf gegeten
en in het noorden van Europa wordt de vlakke bovenschelp door de
Groenlandsche schoonen als kam in het haar gedragen.
De kamschelpen zijn niet vastgehecht, kunnen zich zelfs, door het openen
en dichtkleppen van hun schelpen, vrij snel door het water voortbewegen,
als zij vervolgd worden. En daarmede staat een hoogst merkwaardige
bijzonderheid in verband: om den vijand te kunnen ontvlieden, moeten zij
hem kunnen ~zien~ en hoewel oogen bij de schelpdieren wel meer
voorkomen, zijn zij hier toch buitengewoon volkomen en met kwistige
hand, ten getale van 60 tot 80, soms wel meer dan 100, als prachtig
groenachtig glinsterende punten, langs den rand van den mantel
verspreid, zoodat zij het gevaar werkelijk van alle kanten „onder de
oogen zien”.
Op dergelijke wijze beweegt zich ook de ~klapschelp~ of ~Lazarusklep~
(_Spondylus gaederopus_) van fig. 13 voort, die ook overigens veel met
de vorige overeenkomt. Hier zijn de kleppen ongelijk, ruw,
straalsgewijze geribd, 7-8 centim. lang, fraai rozerood van kleur en
sierlijk van vorm door een aantal groote, dorenachtige uitsteeksels van
den rand, waartusschen verscheidene rijen van kleinere stekels. Het slot
heeft van binnen twee groote, stompe tanden, die zoo volkomen passen in
de groeven van de andere klep, dat zij alleen door het afbreken dier
tanden van elkaar gescheiden kunnen worden. Daartusschen is de slotband
bevestigd. Ook deze soort heeft oogen op den rand van den mantel. De
dieren leven in de Middellandsche zee en de schelpen, die met de
rechterklep aan rotsen zijn vastgegroeid, zijn door verzamelaars zeer
gezocht.
* * * * *
Al de tot nog toe genoemde éénspierige schelpdieren zijn gekenmerkt door
het ontbreken van eigenlijke adembuizen of sipho’s. Thans volgen een
paar soorten, die als een overgang van de vorige tot de schelpdieren met
volkomen sipho’s kunnen beschouwd worden, doch waartoe trouwens ook
verschillende tweespierigen behooren. Zij hebben namelijk geen of een
zeer korte sipho, doch de mantelranden zijn geheel vergroeid en er
blijven slechts drie openingen vrij: één voor den voet, één voor den
toevoer van versch water en voedsel en één voor den afvoer van water en
uitwerpselen. Wij laten daarvan een viertal soorten volgen.
Tot de grootste van alle schelpdieren behoort de ~reuzenschelp~
(_Tridacna gigas_) uit de Roode zee en den Indischen Oceaan, die in fig.
15 afgebeeld is. Deze schelp kan tot 1,5 meter lang en 250 tot 300
kilogr. zwaar worden. Zij is wit van kleur, dwars-eivormig, met 8 à 10
groote, geschubde ribben; die schubben zijn kort, gewelfd en staan naar
buiten uit. De mantel van het levende dier vertoont, als de schelp open
is, de prachtigste kleurschakeeringen. Bij Celebes vindt men deze dieren
in menigte tusschen de koralen en zij worden door de inlanders gaarne
gegeten, vooral de kolossale sluitspier, die zij op een drievoet braden
en dan in stukken snijden. Een dier van middelbare grootte levert een
behoorlijken maaltijd voor 4 of 5 personen. De schelpen zelf worden tot
allerlei vaatwerk gebezigd en bij ons wel in tuinen gebruikt, om er
planten in te plaatsen. De grootere dienen ook als wijwaterbakken, de
kleinere, op een voet bevestigd, als aschbakjes.
Tot die overgangsvormen behooren verder nog: de ~astarte~ (_Astarta_),
fig. 3, in de noordelijke zeeën, eirond, bruin of zwart van kleur, 4 à 5
centim. lang, met twee tanden aan elke klep en een bruinrooden voet, en
het ~ossenhart~ of de ~narrenkap~ (_Isocardia_), fig. 9, met
eigenaardige schelp, die uit twee gelijke bol-hartvormige kleppen
bestaat, wier toppen, als een kap, spiraalvormig naar binnen omgebogen
zijn. De deels geopende mantel heeft twee franje-achtige ademopeningen,
doch geen eigenlijke sipho’s. De kleine voet is eivormig. De kleur van
de schelp is roodachtig roestkleurig, met witte kronkelingen en fijne
strepen. Zij komt op rotsen en zandigen bodem in de Middellandsche zee
en den Indischen oceaan voor.
* * * * *
Thans gaan wij over tot de schelpdieren, die ~twee~ sluitspieren
bezitten: de