UIT HET RIJK DER SCHELPDIEREN.

Het tooneel dezer plaat verplaatst ons weer in het gebied van een andere

klasse der weekdieren: de =plaatkieuwigen= of =schelpdieren=, waarvan

wij vroeger eenige voorbeelden uit het zoete water ontmoet hebben,

terwijl wij thans met een groote verscheidenheid van zeebewoners zullen

kennis maken. Verschillende soorten daarvan zijn in elk zee-aquarium,

zoo ook in dat te Amsterdam, vertegenwoordigd.

De algemeene organisatie van de ~schelpdieren~ of ~mossels~ werd, reeds

bij die vroegere gelegenheid, uitvoerig door ons besproken en wij kunnen

dus den lezer slechts aanraden om, vóór wij verder gaan, die

beschrijving op bladz. 10-15 nog eens aandachtig over te lezen, waarbij

de afbeeldingen B en C op bladz. 12 en 13 weer goede diensten zullen

bewijzen. Thans willen wij dus nog slechts, in het kort, een paar

hoofdpunten in herinnering brengen.

Binnen de beide, uit koolzure kalk en conchyoline bestaande,

~schelpkleppen~, die door een ~slot~, meestal van tandjes voorzien,

beweeglijk verbonden zijn en van buiten door een veerkrachtigen

~slotband~ uiteengetrokken worden, liggen vooreerst de beide bladen van

den ~mantel~, die aan zijn buitenoppervlakte de schelp heeft

afgescheiden en binnen welke de ~mantelholte~ gelegen is. Het levende

dier kan de beide schelpkleppen stevig aaneen doen sluiten door het

samentrekken van ~één~ of ~twee sluitspieren~, die aan de binnenzijde

van de kleppen vastgehecht zijn en waarvan de aanhechtingsplaatsen of

„spierindrukken” later nog steeds zijn te zien (zie fig. C op bladz. 13,

bij _gg_). Binnen den mantel liggen verder weer de platte bladen van

twee paren (zelden één paar) ~kieuwen~, naar welke men deze klasse de

=plaatkieuwige weekdieren= noemt.

Voorts zagen wij, dat bij geen enkel schelpdier ooit „het hoofd kan

omloopen”, noch „het hoofd op hol” kan gaan, want bij allen ontbreekt de

kop volkomen: het zijn ~koplooze weekdieren~. Toch is de onmisbare

~mond~ aanwezig, die bij het ééne uiteinde der schelp gelegen is, doch

die alle organen voor het fijnwrijven van het voedsel, die wij bij de

slakken aantroffen, mist, daar de schelpdieren zich slechts voeden met

mikroskopische diertjes of plantjes, die, met het naar de mantelholte

stroomende, water meegevoerd worden. Bij het tegenovergestelde uiteinde

van de schelp ligt de aarsopening en tusschen deze en den mond een vrij

volledig ~darmkanaal~, terwijl ook het ~hart~ en de ~bloedsomloop~ goed

ontwikkeld zijn, evenals het ~zenuwstelsel~, dat uit 3 paren

zenuwknoopen bestaat, waarvan zenuwdraden naar de verschillende organen

en zintuigen uitgaan. Onder de laatste zijn ~gehoororganen~ voorhanden

en niet zelden zelfs ~oogen~, die aan den rand van den mantel liggen.

Als bewegingsorgaan dient, zooals bij alle weekdieren, de ~voet~, in de

buurt van den mond gelegen, een stevige, dikke spier (zie fig. B op

bladz. 12, bij _F_), die, door beurtelingsche samentrekking en

uitzetting, het lichaam, met de schelp, voortbeweegt of in het zand

graaft. Het is trouwens een armzalig soort van beweging, want de

rivier-parelmossel, die wij vroeger, bij de zoetwater-mosselen, ontmoet

hebben (zie bladz. 31), heeft niet minder dan een half uur noodig, om

een weg af te leggen, zoo lang als haar eigen schelp en als zij grooten

spoed maakt, komt zij, in 9 uren tijds, niet meer dan 80 centim.

vooruit. Onpartijdigheidshalve moeten wij er echter bijvoegen, dat er

uitzonderingen zijn; sommigen kunnen, door middel van dat primitieve

bewegingsorgaan, tamelijk snel zwemmen, andere, zooals de zandschelp,

zelfs zekere akrobatische sprongen doen.

Nog dient opgemerkt, dat de beide randen van den mantel geheel open

kunnen zijn of voor een groot deel onderling kunnen vergroeien; in het

laatste geval blijft er slechts een opening in den mantel vrij voor het

doorlaten van den voet, benevens een onderste en bovenste opening voor

den toevoer en afvoer van water en voedsel, wier randen dan dikwijls

vergroeid en tot ~adembuizen~ of ~sipho’s~ verlengd zijn (zie bladz.

14). Vele schelpdieren groeien eenvoudig met hun schelp aan andere

voorwerpen vast; velen hebben echter, onder den voet, een ~spinklier~ of

~byssusklier~, waarmede zij een bundel „~byssusdraden~”, ook „~baard~”

genoemd, spinnen, om zich aan steenen of rotsen vast te hechten. Naar

gelang van de aanwezigheid van één of twee ~sluitspieren~, verdeelt men

de schelpdieren in twee orden: de =éenspierigen= en de =tweespierigen=.

Wij zullen eerst kennis maken met eenige vertegenwoordigers der

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 70 / 92 题