Daarvan geeft fig. 3 een voorbeeld uit het zoetwater, doch men ziet, dat
het iets geheel anders is dan onze gewone waschspons, die wij later, in
woord en beeld, aan onze lezers zullen voorstellen, zoodat wij de nadere
bespreking dezer dieren tot zoolang zullen uitstellen.
Hier dus slechts een enkel woord over de ~gewone zoetwaterspons~
(_Spongilla lacustris_), die onregelmatige, meer of minder boomachtig
vertakte korsten vormt over steenen, boomwortels, balken van bruggen of
badinrichtingen enz. in rivieren, slooten of vijvers. Uiterlijk
gelijken deze sponsen wel eenigszins op waterplanten, door haar
geweiachtig vertakte lichamen. De takvorming is het duidelijkst in
rustig water; bij sterke strooming vermindert zij en vormen de
dieren--want wij hebben hier steeds met een talrijke kolonie te
doen--meer onregelmatige klompen. Zulk een spons is dus eigenlijk ook
een dierstok, op dergelijke wijze als een poliepenstok, en de
vermenigvuldiging geschiedt ook hier door knoppen, die met elkaar
verbonden blijven en uitgroeien. De kleur is grijsachtig-wit tot geel,
hier en daar ook met groene stukken.
In het inwendige van deze kolonie bevinden zich talrijke holten,
zoogenaamde ~trilkamers~, waarin, door de beweging van trilharen, het
water van buiten, door kleine poriën en kanalen aan de oppervlakte,
toegevoerd wordt en daarmede ook het voedsel, uit kleine waterdiertjes
en rottende plantenstoffen bestaande. De onverteerde spijsresten en het
verbruikte water verlaten, met den waterstroom, door groote
uitstroomingsopeningen, het gemeenschappelijke lichaam weer. De
eigenlijke lichaamsmassa is week, doch deze verkrijgt een zekere
vastheid door de afscheiding van harde deelen, hier door talrijke
kiezelnaalden. Bij de waschspons is dit een hoornachtige stof en wat wij
gebruiken, is dus eigenlijk het skelet van de geheele kolonie. Behalve
door knopvorming geschiedt de voortplanting ook door eieren of ~kiemen~,
dus langs geslachtelijken weg. Deze zinken ’s winters, als de diertjes
zelf van de spons sterven, op den bodem en overwinteren in den modder.
In fig. 2 zien wij nog een andere soort van zoetwaterspons: de
~rivier-zoetwaterspons~ (_Ephydatia fluviatilis_). Zij is zeer algemeen
en vormt vlakke, groenachtige korsten, die als een kussen over haar
onderlaag uitgebreid zijn. Alle sponsen behooren, evenals de poliepen,
tot de minst ontwikkelden onder de dieren; zij zijn zeer eenvoudig van
maaksel, missen zelfs zenuwen en spieren, en ook de netelorganen van de
poliepen.
* * * * *
Doch wij treffen op onze plaat ook nog hooger en edeler gezelschap aan
en op den bodem van het water zien wij, in fig. 4 en 5, een goeden
bekende: den ~rivierkreeft~ (_Astacus fluviatilis_). Het mag trouwens
een wonder heeten, dat wij hem werkelijk nog kennen en nog wel op onze
tafel ontmoeten, want dit patriciërsgeslacht onder de dieren is, evenals
er reeds zoovele onder de menschen verdwenen zijn, het uitsterven nabij.
Vroeger kwam de rivierkreeft, zelfs in ons land, in beekjes in Limburg
en in de rivier de Berkel, tamelijk veel voor, maar nu is hij, ook in
Duitschland, zoo goed als uitgeroeid, deels als gevolg eener vreeselijke
ziekte: de kreeftenpest, doch vooral ook door de onverstandige
roofvangst van den mensch. Toch zijn er in Duitschland nog enkele beken
en rivieren, waar die ziekte nog niet is doorgedrongen en dit is de
reden, dat wij hem nog wel eens te zien--en te eten--krijgen. Over de
=kreeften=, in ’t algemeen, hebben wij reeds vroeger, bij de
vlookreeften (bladz. 3) het een en ander verteld, zoodat wij ons nu tot
eenige bijzonderheden van den rivierkreeft kunnen bepalen.
De rivierkreeft is in elk geval van veel hoogere afkomst dan de nietige
vlookreeftjes. Hij, en zijn welgedane neef uit de zee, de zeekreeft,
zijn de edellieden van hun geslacht, ook in uiterlijk voorkomen. In hun
hard uitwendig pantser, uit chitine en koolzure kalk bestaande, bezitten
zij een uitstekend verweermiddel tegen vijanden en, naar het bezit
daarvan, worden de kreeftachtige dieren, in ’t algemeen, ook wel
=schaaldieren= genoemd. Daarom leeft de rivierkreeft ook gaarne in
kalkhoudend water, dat ondiep en zwak stroomend is, en welks bodem hem,
onder steenen en in holten, gelegenheid aanbiedt, om zich te
verschuilen. Bij het levende dier heeft die schaal een groenachtig
bruine, hier en daar zwarte, kleur en het is voor menigeen een raadsel,
hoe zij, na het koken, zulk een prachtige roode kleur vertoont, die het
dier tot een waar sieraad van onze schotels maakt. Toch is de verklaring
daarvan zeer eenvoudig: de kleurstof van de schaal is een mengsel van
groen, bruin, blauw en rood, waarvan alleen het laatste onoplosbaar is
in water; bij het koken lossen dus al de andere kleurstoffen in het
water op en slechts het rood blijft in de schaal achter.
Aan het groote voorste pantser, dat het vergroeide kop-borststuk bedekt,
ziet men vooraan ~twee paren sprieten~, een kenmerk van alle
kreeftachtigen en daarvan zijn de twee binnenste kleiner en nog van 2 of
3 aanhangsels voorzien, terwijl de twee buitenste bestaan uit een
breedere basis, waarop een zeer lange en dunne, buigzame draad ingeplant
is. Deze laatsten vooral zijn uiterst gevoelig en daardoor van groot
nut, om onophoudelijk en naar alle richtingen, te tasten en te speuren.
Doch bovendien zetelt daarin ook de reuk, en hoewel dit zeker een
ongewone plaats is, valt het doelmatige daarvan toch niet te ontkennen,
want de dieren zijn daardoor in staat, om, reeds op een afstand, overal
„den neus in te steken”. In de basis van het binnenste paar sprieten
liggen de gehoororganen. De ~oogen~ zijn zeer scherp en bovendien op
beweeglijke steekjes geplaatst, zoodat zij, naar alle richtingen,
terdege kunnen speuren en spieden.
Het kop-borststuk bestaat uit 13 leden, waarvan de 5 voorste de 5 paar,
zeer ingewikkelde mondledematen dragen, dat wil zeggen: ledematen, die
vervormd zijn tot kaken, dienende om het voedsel te betasten en verder
te verdeelen, vóór het in den mond verhuist. Daarop volgen 3 leden,
voorzien van zoogenaamde „~kaakpooten~”, die het midden houden tusschen
kaken en pooten en dienen, om het voedsel van de scharen over te nemen
en naar den mond te brengen. De 5 laatste leden van het kop-borststuk
dragen de 5 paar stevige en krachtige ~borstpooten~, die, behalve voor
de verdediging en het grijpen der prooi, voor het loopen dienen. Op deze
zonderlinge beenen stapt het dier, langzaam en deftig, gelijk een
edelman betaamt, over den bodem ~voorwaarts~, in een waren
„kreeftengang”, doch ~niet~ achterwaarts, zooals de legende het veel
miskende dier heeft aangewreven. Alleen als er plotseling gevaar dreigt,
zwemt hij snel ~achterwaarts~ weg, want dan wordt het smallere, uit 7
leden bestaande achterlijf, dat, wegens de weekere deelen tusschen de
leden, zeer buigzaam en beweeglijk en van breede, platte aanhangsels
voor het zwemmen voorzien is, met kracht naar onderen, dus ~naar voren~
geslagen, waardoor zich het lichaam dan, stootsgewijs, naar achteren
beweegt, hetgeen tot die verkeerde gevolgtrekking aanleiding gegeven
heeft. Die beweging wordt nog bevorderd door de breede, in vijf stukken
gespleten staartvin, waarin het laatste lid van het achterlijf eindigt.
Het voorste paar borstpooten draagt de geweldige ~scharen~, die niet
slechts dienen om den buit te grijpen en in stukjes te knippen, doch ook
als geduchte wapens ter verdediging. Aan het 2e en 3e paar borstpooten
bevinden zich nog kleinere schaartjes, waarmede de stukjes voedsel aan
de kaakpooten overgereikt worden, die ze, op hun beurt, weer aan de
monddeelen overhandigen. Zooals men ziet, is het een tamelijk
ingewikkelde bewerking, vóór de mondvoorraad te bestemder plaatse en in
goede orde bezorgd is. De ademhaling geschiedt natuurlijk bij alle
kreeftachtigen door ~kieuwen~. Deze liggen hier, als fijne vertakte
plaatjes, aan de beide zijden van het kopborststuk, in de zoogenaamde
„kieuwholte”. Toch kan het dier ook, zonder nadeel, geruimen tijd op het
droge vertoeven. Het kleurlooze of groenachtige bloed stroomt van het
hart, dat in den rug ligt, bij de kreeften door ~gesloten~ bloedvaten
naar de kieuwen; dit is een uitzondering op den algemeenen regel bij de
gelede dieren, waar het bloed anders eenvoudig door de lichaamsholte
stroomt. Ook in dit opzicht hebben de kreeften dus reeds een hoogeren
trap van ontwikkeling bereikt.
De kreeft is een nachtdier; vandaar dat hij ’s nachts, bij het licht van
een lantaren, gevangen wordt. Want over dag houdt hij zich schuil onder
steenen, kribben, boomwortels enz. of ook wel in zelf gegraven holen,
aan wier ingang hij, verdekt opgesteld, voortdurend zit te loeren op een
voorbijtrekkende prooi, met de scharen tot den aanval of de verdediging
gereed, terwijl de lange sprieten er buiten uitsteken en onophoudelijk
bezig zijn, met de omgeving, in alle richtingen, te verkennen (zie fig.
4 op de Plaat). Eerst tegen het duister verlaat hij zijn schuilplaats,
om een wandeling over den bodem te maken, ten einde meer doortastend
naar buit uit te zien. En daarbij betoont hij zich een ware roover, want
bijna alles is hem lief: levende en doode waterdieren van allerlei aard,
wormen, visschen, larven, waterslakken, kikvorschen, keukenafval, ja
zelfs waterratten valt hij aan en houdt deze, met zijn venijnige
knijpende scharen, zoolang onder water, tot zij gestikt zijn. Zooals men
ziet, is deze edelman niet bepaald kieskeurig in zijn middelen en,
hoewel hij ons de heerlijkste tafelgeneugten bereidt, evenmin
zwaartillend in de keuze van zijn eigen menu.
In den winter vertoeft de rivierkreeft diep onder het water in een hol,
doch zonder een eigenlijken winterslaap te houden. Integendeel: dan
wordt van die rustperiode juist voor de paring gebruik gemaakt. Tegen
dien tijd heeft het wijfje de ~eieren~, door middel van een soort
slijm, aan de aanhangsels van haar achterlijf bevestigd, en daaraan
draagt zij die tot aan het voorjaar mee. Dan komen de jongen uit, die
1 à 1,5 centim. lang zijn en reeds grootendeels den vorm van het
moederdier hebben, daar de rivierkreeft, bij uitzondering, geen
gedaanteverwisseling ondergaat, zooals de overige kreeften. Zij voeden
zich met zeer kleine waterdiertjes. De moederlijke bescherming kunnen
zij echter nog in langen tijd niet ontberen en daarom hechten zij zich,
met hun scharen, aan de borstels van de achterlijfsleden der moeder vast
en verlaten die eerst na het eerste vervellen of „ruien”. Zij groeien
zeer langzaam; een kreeft van 10 centimeters is zeker 10 jaren oud.
Het genoemde „ruien” moet ook later nog herhaaldelijk plaats hebben en,
hoewel dit voor het dier een alles behalve aangename bezigheid mag
heeten, zoo is het toch een noodzakelijk kwaad, dat te danken is aan het
harde, onbuigzame keurslijf, waarin de kreeft gekneld zit. Terwijl de
groei van het dier zelf voortgaat, kan het pantser dien natuurlijk niet
meemaken; het wordt te nauw en de eenige uitweg is, om dezen te engen
rok, waar het dier uitgegroeid is, af te werpen en zich een nieuwen,
wijderen te laten aanmeten. En zoo verkeert deze edelman dus in de harde
noodzakelijkheid, om, gedurende zijn geheele leven, herhaalde malen „uit
zijn vel te springen.”
Gedurende dit proces is het dier tijdelijk volslagen hulpeloos en
weerloos en het wekt ons medelijden op, als een werkelijk
beklagenswaardig schepsel. Want de, thans naakte en nog zeer dunne, huid
is nu zeer gevoelig en week en kan licht beschadigd worden, de zoo
gevreesde scharen zijn insgelijks week en dus totaal onbruikbaar. Hij
doet dus, wat in zijn geval ongetwijfeld de verstandigste partij is, en,
alsof hij zich voor zijn naaktheid schaamde, kruipt hij weg en verbergt
zich zorgvuldig, totdat de verharding der huid, door het afzetten van
kalkdeelen, weer tot stand gekomen is. Dit heeft betrekkelijk spoedig,
binnen 6 tot 8 dagen, plaats, want reeds vóór het vervellen heeft zich
in den maagwand een kalkvoorraad verzameld, in den vorm van twee platte,
ronde korrels, de zoogenaamde „kreeftsoogen,” die vroeger wel in de
geneeskunde gebruikt werden. De inhoud van die korrels wordt nu door den
bloedstroom naar de huid gevoerd en, na het verharden daarvan, vormen
zich, uit de kalkdeelen van het water, in de maag weer nieuwe
kreeftsoogen voor een volgende verwisseling van kostuum. Het
merkwaardigste is echter, dat het vervellen zich ook uitstrekt over de
voelers, de oogen, de kieuwen, ja zelfs over het darmkanaal.
* * * * *
Van het gezelschap op plaat II vragen ook weer eenige ~schelpdieren~ en
~slakken~ onze aandacht. Beneden, rechts in den hoek, ligt de
~rivier-parelmossel~ (_Unio margaritifera_), fig. 9, die in
snelvlietende rivieren en beken van Duitschland, België, Schotland,
Zweden en Lapland, doch ook wel in ons land, aangetroffen wordt. De
schelp heeft een slot met groote tanden, waarvan één op de eene klep en
twee op de andere; zij is langwerpig ovaal en effen bruin of zwartbruin
van kleur. Op de plaat is de schelp van het kleinste der beide
exemplaren een weinig geopend en kan men, aan de binnenzijde van de
onderste schelpklep, dicht bij den rand, een parel zien liggen, die uit
koolzure kalk bestaat, welke door den mantel om het een of andere,
toevallig binnen gedrongen, korreltje afgescheiden wordt.
Dit zijn echter niet de echte parels; zij zijn klein en hebben niet veel
waarde, hoewel er, nog in den aanvang der 19e eeuw, in bovengenoemde
landen een vrij levendige handel in gedreven werd. De echte parels zijn
afkomstig van den „pareloester”, die in de tropische zeeën leeft en
waarover wij later zullen spreken.
Boven de parelmossel op de plaat liggen op den bodem nog twee exemplaren
van een ander schelpdier: de ~rivier-horenschaal~ (_Cyclas rivicola_),
fig. 6, met een tamelijk gezwollen schelp, 2 centim. lang, rond van vorm
en zacht bruinachtig-groen van kleur, met donkerder banden geteekend.
Van andere schelpdieren onderscheidt zich deze soort daardoor, dat zij
niet voortdurend ongeveer op dezelfde plaats blijft, doch zich tamelijk
levendig beweegt. Ook graaft zij zich niet in, doch houdt zich tusschen
stengels van waterplanten op.
* * * * *
Ook een paar =slakken= bevinden zich nog in dit gezelschap en genieten,
op den kiezelachtigen bodem, met volle teugen van de geneugten der
waterwereld. Het zijn een paar exemplaren van een ~schijfhorenslak~
(_Planorbis vortex_), fig. 8, wier huisje zeer plat en niet spits is,
doch als een horen opgerold, met windingen, die in één plat vlak liggen.
Daarom worden deze slakjes ook wel „~posthorentjes~” genoemd. Zij hebben
slechts één paar, voor terugtrekken vatbare, puntige, aan de basis
eenigszins verbreede, voelhorens, aan wier voet de oogen geplaatst zijn.
De kleur van het huisje is licht hoornbruin.
Deze soort behoort tot de ~tweeslachtige slakken~, die zoowel in de
lucht als in het water kunnen leven, daar de adem-opening in een holte
voert, wier wanden van talrijke bloedvaten voorzien zijn voor de
ademhaling in de lucht, doch waarin zich tevens kieuwplaten bevinden
voor de ademhaling in het water. Het dier houdt dan ook veel van
stilstaand water, waarin veel waterplanten groeien, vooral eendenkroos,
en het kruipt dikwijls tegen die planten op, tot boven de oppervlakte
van het water, om naar voedsel te zoeken.
* * * * *
[Afbeelding: Fig. H.