Die zaak is hier namelijk volgenderwijze geregeld. Ook die vangarmen
zijn hol en hun holte is, zooals wij in fig. F bij _A_ zien, één met de
lichaamsholte, waarin zij ook volkomen teruggetrokken kunnen worden. Zij
zijn voortdurend in levendige beweging, waardoor een strooming van het
versche water naar den mond voortgebracht wordt, niet slechts ten
dienste van de ademhaling--die eenvoudig binnen in den hollen zak plaats
heeft--doch ook voor den aanvoer van allerlei kleine waterdiertjes:
kreeftachtigen, wormen, larven enz., waarmede het dier zich voedt.
Tevens zijn die vangarmen echter, ook op meer directe wijze, behulpzaam
bij het bemachtigen der prooi, want hun buitenzijde--en trouwens ook die
van het geheele overige lichaam--is voorzien van talrijke
~netelorganen~, welke, bij aanraking, een prikkelend gevoel, als van een
brandnetel, teweegbrengen, terwijl bovendien, uit kleine blaasjes aan
de vangarmen, ~hengeldraden~ kunnen uitgezonden worden, zijnde lange,
holle draden, met een scherp zuur gevuld, dat, bij het naar buiten
slingeren, de prooi verlamt. Daar deze merkwaardige strijd- en
verdedigingsmiddelen bij de geheele groep der darmholte-dieren
aangetroffen worden, dragen dezen ook wel den naam van =neteldieren=.
De zoetwaterpoliepen of armpoliepen zijn, zoo klein als zij zijn,
buitengewoon vraatzuchtig en haar honger is eigenlijk onverzadelijk.
Geen prooi laten zij voorbijgaan, ook al hebben zij zoo juist haar
maaltijd geëindigd. Onpartijdigheidshalve voegen wij er echter bij, dat
zij, in geval van nood, ook zeer lang kunnen vasten.
Als nu het een of ander waterdiertje gevangen en door één of meer
vangarmen naar den mond getransporteerd en opgeslokt is, dan komt het
onmiddellijk in de lichaamsholte (_H_), die hier de rol van maag vervult
en wier binnenwand het voedsel op dezelfde wijze verwerkt en verteert,
als onze maagwanden dit met een biefstuk of kippeboutje zouden doen. De
wand van den lichaamszak bestaat namelijk uit twee lagen van cellen,
zooals wij in fig. F kunnen zien: de buitenste laag (_aS_) is zeer dun
en dient als huidlaag en zij bevat de netelorganen, de binnenste (_iS_),
van de buitenste door een tusschenruimte (_St_) gescheiden, noemt men de
„darmlaag”, omdat zij het voedsel verteert. En deze laatste laag werkt
ook krachtdadig mede tot de water-ademhaling, want haar cellen zijn met
tallooze trilhaartjes bezet, die in voortdurende beweging zijn, waardoor
het voedings- en ademhalingsvocht voortdurend door de geheele
lichaamsholte heen bewogen wordt.
Is nu het voedsel verteerd, dan moeten de onverteerde resten ook weer
uit het lichaam verwijderd worden; dit zou een lastig vraagstuk kunnen
zijn, daar er zich aan de tegenovergestelde lichaamspool van den mond
geen uitweg bevindt en er dus geen aars-opening is. Doch de poliep heeft
dit vraagstuk, langs radikalen weg, opgelost, door den mond zoowel voor
in- als voor uitgang, dus ook als aarsopening, te gebruiken en langs
dezen minder gebruikelijken weg worden dus ook de uitwerpselen naar den
grooten vergaarbak: het water, weggevoerd. Dit moge, voor onze
begrippen, een minder smakelijke uitweg zijn, maar .... nood breekt wet,
en een poliep is gelukkig minder kieskeurig dan een mensch, want noch
van een zenuwstelsel, noch van zintuigen zijn bij deze wezens de
geringste sporen aanwezig.
De ~bruine armpoliep~ (_Hydra fusca_), fig. 1, op de plaat, is één van
de vele soorten dezer familie, die in onze zoete wateren voorkomen. Zeer
algemeen is ook de ~groene armpoliep~ (_H. viridis_), in wier huidcellen
bladgroenkorrels voorkomen. Vroeger werden al deze dieren--zelfs nog
anderhalve eeuw geleden--, en met hen ook de bloem- en koraalpoliepen,
nog algemeen tot de planten gerekend, of liever: als een overgangsvorm
beschouwd, want men noemde ze „plantdieren”. Niet alleen gaf de
plantachtige vorm en de overeenkomst van de zee-anemonen en koraaldieren
met bloemen, daartoe wel eenige aanleiding, doch bovendien herinnert de
merkwaardige wijze van voortplanting der armpoliepen zeer veel aan die
der planten en, evenals bij velen van deze, heeft zij op tweeërlei wijze
plaats. Evenals men een geraniumplant niet alleen door bloemzaad (de
eitjes) kan vermenigvuldigen, doch ook door stekken, waaraan zich
knoppen bevinden, zoo brengt ook de kleine _Hydra_ vooreerst eitjes
voort, die in het water komen en daar bevrucht worden door de
voortplantingsstoffen van een ander individu, doch in de tweede plaats
kunnen er ook nieuwe wezens door ~knopvorming~ ontstaan. Heeft men
eenige armpoliepen, met eendenkroos of waterplanten en voldoend voedsel,
in water gebracht, dan ziet men, na eenige dagen, ergens aan het lichaam
van zulk een diertje een kleine uitwas ontstaan (zie fig. F op bladz.
21, bij _K_), wier holte met die van het lichaam samenhangt en aan het
uiteinde eerst armen en dan een mond krijgt. Zulk een knop laat later
los en leeft dan zelfstandig verder.
Deze dieren zijn overigens zeer zelfgenoegzame en weinig veeleischende
wezens, en volstrekt niet teergevoelig, want zij laten zich, schijnbaar
zonder er zich iets van aan te trekken, op alle mogelijke manieren be-
en mishandelen. Bepaald verbazingwekkend is hun onbegrijpelijk
herstellingsvermogen; het is bijna onmogelijk, een poliep zoo te
kwetsen, dat de toegebrachte wond niet in korten tijd geneest. Doch
bijna ongelooflijk is het feit, dat afgesneden stukken van het dier, ja,
zelfs afgesneden vangarmen, weer tot zelfstandige en volledige dieren
kunnen uitgroeien. Juist daarom heeft men aan dit nietige, onschadelijke
diertje den naam van één der afzichtelijkste monsters uit de Grieksche
fabelleer gegeven en het genoemd naar de Lernaeïsche _Hydra_, een
kolossale, vergiftige veelkoppige waterslang, die in het moeras Lerna,
bij Argos, leefde en die voor elken kop, dien men haar afsloeg, er twee
terugkreeg, totdat zij eindelijk door Hercules gedood werd.
[Afbeelding: Fig. G.