Deze vormen zelf weer een klasse van de hoofdgroep, die den weinig
aristokratischen en onwelluidenden naam draagt van: =holzakdieren= of
=darmholtedieren=, maar daar die term toch juist zoo goed onze bedoeling
weergeeft, willen wij er in berusten en hem op den koop toe nemen. Want
de dieren van deze afdeeling, waartoe ook de, nog later te behandelen,
~kwallen~ en ~bloempoliepen~ behooren, bestaan feitelijk inderdaad uit
niets meer dan een hollen zak, waarin slechts enkele eenvoudige organen
liggen. Fig. F op bladz. 21, die de doorsnede van een zoetwaterpoliep,
in schets, voorstelt, zal ons dit duidelijk maken.
De lezer kan trouwens ook zelf dit interessante diertje gemakkelijk in
zijn doen en laten bespieden. Men schept uit een vijver of sloot wat
waterplanten, eendenkroos enz. op en plaatst die in een diep bord vol
water; na eenige oogenblikken van rust strekken de diertjes hun armen
begeerig uit en blijven stil zitten, aan een blad of tegen den wand van
het bord gehecht.
[Afbeelding: II.]
Zulk een poliep is eigenlijk niets meer dan een enkele ~holte~ of ~zak~
(fig. F, _H_), die van onderen gesloten en aan bladeren of stelen van
waterplanten vastgehecht is en waarin alleen van boven een soort van
mond (_M_) uitkomt. Men zal begrijpen, dat het dier in onze figuur op
zijn hoofd staat, of liever, daar van een kop geen sprake is: met den
mond naar beneden hangt, want in fig. 1 op de plaat zien wij, dat het,
als een echte wateracrobaat, allerlei standen kan innemen en tevens, dat
er zich om den mond ~vangarmen~, in den regel 6 tot 8 in aantal,
bevinden, die het dier bij die zittende of hangende levenswijze, wel
verplicht was zich aan te schaffen, om aan den kost te komen en zijn
vereischt rantsoen aan versch water binnen te krijgen.
[Afbeelding: Fig. F.