Dwarsdoorsnede van een mossel. (Schets).]

Als wij nu den band van het boek opengeslagen hebben, beginnen wij met

de lezing en wij ontmoeten dan weer aan beide zijden een blad, het

titelblad en het achterste blad, en wel: de beide helften van den

~mantel~ (fig. B, _Mt_), waarvan wij in fig. C bij _h_ den indruk op de

schelp en bij _c_ een inbuiging voor de straks te noemen adembuizen

zien. Dezen mantel vinden wij, in verschillenden vorm, bij ~alle~

weekdieren weer, het is een kenmerkend orgaan voor deze afdeeling en

wordt zoo genoemd, omdat hij het geheele lichaam binnen de ~mantelholte~

(_Mh._ fig. B) inhult. Die mantel nu scheidt aan zijn buitenoppervlakte

een laag koolzure kalk af, vermengd met een chitine-achtige stof (zie

bladz. 4), de _conchyoline_, waardoor zij minder oplosbaar in water

wordt en dit is dan de schelp, die dus geheel en al den vorm van den

mantel weergeeft.

[Afbeelding: Fig. C.

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 33 / 92 题