de triomf van den worm-stamboom, waartoe de ~aard~- of ~regenwormen~ en
de ~bloedzuigers~, en dus ook de zuigwormen van onze plaat behooren, die
reeds veel verder gevorderd zijn op den weg der ontwikkeling en zelfs
eenigszins tot de gelede dieren naderen. Evenals deze hebben zij een, in
leden of „ringen” verdeeld, lichaam, waarin ook de zenuwknoopen op
dezelfde wijze gelegen zijn, als op bladz. 6 beschreven werd. Maar, er
is één groot punt van verschil, dat haar reeds dadelijk tot een volkje
van den tweeden rang stempelt: zij missen de gelede pooten. Hoogstens
bezitten zij ongelede voetstompjes, met borstels omzet, die bij de
beweging tot steun dienen. Doch de eigenlijke bewegingsorganen zelf zijn
de dikke en krachtige spierlagen onder de huid, die, door haar
samentrekking en uitzetting, het lichaam doen kronkelen en voortbewegen.
De bloedzuigers en vischegels verplaatsen zich door die slangvormige
kronkelingen ook door het water, waarbij zij zich ook kunnen steunen
door de ééne der twee ~zuignappen~, waarin het lichaam eindigt, namelijk
door de achterste, terwijl in de voorste zuignap de slokdarm eindigt en
daarin de mond gelegen is, want daarmede zuigt het dier zich aan zijn
prooi vast, om er het bloed uit te zuigen. Daartoe is, bij den
bloedzuiger, de mond voorzien van drie zeer fijn en scherp gezaagde
„~kaakplaten~”, waarmede de wond gemaakt wordt, terwijl dit bij andere
zuigwormen, zooals bij den vischegel van fig. 3, geschiedt door een
krachtigen, spitsen, voor uitstulping vatbaren, snuit of slurf.
Daar deze dieren in de diepten van het water terdege moeten kunnen
uitkijken, zijn de meesten van een groot aantal oogen voorzien; de
gewone bloedzuiger heeft er niet minder dan 5 paren op en achter de
voorste zuigschijf. De bloedsomloop der wormen geschiedt door gesloten
vaten, doch voor de ademhaling zijn geen bepaalde organen aanwezig; zij
is zeer primitief ingericht en geschiedt eenvoudig door uitwisseling der
gassen door de weeke huid.
Wij zien op de plaat drie leden van dit bloeddorstige gilde. Fig. 3
stelt den ~vischegel~ (_Piscicola geometra_) voor, die een rolrond,
rechtlijnig lichaam, van 3 tot 6 centim. lengte heeft, dat zich niet kan
oprollen, terwijl de voorste zuignap duidelijk van het lichaam
gescheiden is. De kleur is groen- of geelachtig grijs, met fijne
stippels en over den rug loopt een witte, breed gevederde band. Er zijn
slechts 2 paren oogen op de voorste lichaamsringen. Deze dieren hechten
zich vast aan visschen, om daaruit het bloed te zuigen en vooral de
karper heeft de eer, daartoe de voorkeur te genieten, zoodat men ze in
vischvijvers liefst niet ziet. De voortplanting geschiedt door kleine,
geelroode eitjes of cocons, die op de huid van visschen of op
waterplanten vastgekleefd worden.
Nummer twee van ons drietal is de ~gewone bloedegel~ (_Nephelis
vulgaris_), fig. 6, die bruinachtig of vleeschkleurig is, met rijen van
gele puntjes op den rug en een zeer lang en smal lichaam, dat zoo
doorschijnend is, dat men, vooral bij jeugdige dieren, met een loupe
duidelijk den bloedsomloop ziet. Er zijn slechts 4 paren oogen en de
mond heeft geen kaakplaten, doch drie overlangsche plooien aan de keel,
voor het zuigen. Men vindt dit dier in alle vijvers en plassen, die met
riet begroeid zijn, want het heeft de dwaze gewoonte--voor zijn doel
echter zeer praktisch!--om op zijn hoofd te gaan staan, door zich, met
de achterste zuigschijf, aan de bladeren van waterplanten op te hangen
en dan het voorste gedeelte van het lichaam voortdurend heen en weer te
wiegelen, om het water naar zich toe te bewegen, zoowel voor de
ademhaling, als voor den aanvoer van allerlei kleine waterdiertjes,
wormen, kreeftjes enz., waarmede het zich voedt. De eieren worden aan
waterplanten of steenen vastgekleefd. Het dier verlaat het water nooit;
als dit in den zomer uitdroogt, tracht het zich zelven voor uitdrogen te
bewaren, door zich met een vochtige slijmlaag te bedekken.
Nog een derde soort van bloedegel, de ~twee-oogige slakegel~ of
~clepsine~ (_Clepsine bioculata_), in fig. 7, bovenaan rechts op de
plaat, te vinden, heeft een zeer breed en plat, kort en naar voren
versmald en onduidelijk geringd lichaam, dat opgerold kan worden en
waarop, aan de voorzijde, slechts 2 oogen geplaatst zijn. De mond is
niet van kaakplaten, doch van een uitstulpbaren slurf voorzien. Het dier
hecht zich onder aan waterplanten of aan steenen vast. Aardig is het,
hoezeer de jongen, in den letterlijken zin, aan hun moeder „gehecht”
zijn, want zij hechten zich, met hun achterste zuignap, aan haar lichaam
vast.
* * * * *
Thans keeren wij weer terug tot de weekdieren, die wij op bladz. 7 bij
de mosdiertjes verlaten hebben, welke er echter slechts, uit nood
gedwongen, een onderkomen vonden, zoodat wij van deze belangrijke
diergroep, die in de waterwereld een hoofdrol speelt en ook voor den
mensch van zooveel belang is, nog niet veel vernomen hebben. Die schade
willen wij nu inhalen, door ons een oogenblik bezig te houden met een
paar goede bekenden: de ~mossels~ en de ~slakken~ en in de eerste plaats
met een paar voorbeelden uit de klasse der
SCHELPDIEREN of MOSSELS,
waarvan ons de plaat in de figuren 4, 11, 16 en in fig. 5 en 13 eenige
duidelijke afbeeldingen geeft.
Al deze dieren zijn de naaste verwanten van onzen gewonen oester en
mossel, en vooral met eerstgenoemden zal zeker menig fijnproever onder
de lezers meermalen met genoegen kennis gemaakt hebben. De vraag is
echter, of die kennismaking zich ooit verder dan tot het gehemelte van
den verbruiker uitgestrekt heeft en als men hem, bij zijn oestermenu,
besproeid met champagner, eens op den man af vroeg: „wat ~is~ nu
eigenlijk een oester of een mossel voor een dier?”, dan zou hij, tien
tegen één, het antwoord schuldig blijven of ze onder het artikel „visch”
thuis brengen.
Maar een schelpdier is geen visch, want het bezit zelfs geen spoor van
een inwendig geraamte, is dus niet eens een gewerveld dier, doch, even
als bij de slak, is het geheele lichaam zeer week, men noemt ze dus
„weekdieren”. Overigens is, bij een oestermaaltijd, het genoegen der
kennismaking zeker niet wederkeerig en in geen geval aan de zijde van
den oester, want dit goedige dier moet het zich, tegen wil en dank,
laten welgevallen, dat men het levend en, om zoo te zeggen, „met huid en
haar” opeet, zonder dat het ook zelfs maar van een schijn van protest
kan doen blijken. Trouwens: voor het houden van diepzinnige
bespiegelingen zijn oester en mossel allerminst in de wieg gelegd, want
zij missen niet slechts de hersenen--er zijn in het lichaam slechts 3
~zenuwknoopen~, die zenuwen uitzenden naar de verschillende
lichaamsdeelen--doch zelfs de geheele kop ontbreekt: oester en mossel
zijn ~koplooze weekdieren~ en, als zoodanig, geestelijk ongetwijfeld de
minderwaardigen van de geheele familie.
Toch hebben zij zich tegen de gevaren voor hun weeke lichaam weten
schadeloos te stellen, door de afscheiding van een schelp aan de
buitenzijde van hun lichaam en daarom noemt men ze =schelpdieren=. Om te
verklaren, hoe zij in het bezit van die schelp gekomen zijn en ook om de
overige organisatie duidelijk te maken, zullen wij de mossel eens wat
van naderbij bekijken, met behulp van fig. B op bladz. 12.
Het dier is tusschen de twee platen van de schelp besloten als een snede
ham tusschen twee sneden wittebrood en nog treffender kunnen wij het
geheele dier vergelijken met een boek, dat wij thans willen
doorbladeren, om er zijn signalement uit te lezen. De ~schelpkleppen~
(Sch.) stellen dan den band voor en evenals deze, zijn zij in den rug
beweeglijk met elkaar verbonden door een soort van scharnier, dat in
fig. C, op bladz. 13, de linkerschaal van de ~Venusschelp~, bij _a_ te
zien is. Bij een levend dier kunnen die kleppen met alle macht tegen
elkaar aangedrukt worden door de samentrekking van twee stevige
~sluitspieren~, die dus, bij het openen van een oester of mossel, eerst
met een mes doorgesneden moeten worden en wier aanhechtingspunten wij,
tegen de binnenzijde der schelpkleppen, duidelijk kunnen zien (fig. C
bij _g_). Doch rondom de buitenranden van het slot is de zeer
veerkrachtige ~slotband~ bevestigd, waarvan wij in fig. B bij _Sch._ en
in fig. C bij _c_ de aanhechtingsplaats zien en die de beide kleppen,
door zijn veerkracht, van elkaar tracht te trekken. Wil het dier dus de
schelp openen, dan behoeft het de inwendige sluitspieren slechts een
weinig te laten verslappen, en daar dit bij het doode dier van zelf
gebeurt, ziet men, dat dan de schelp steeds „gaapt”, open is.
~Slottanden~ (_Sb._) van de ééne schelp grijpen in holten van de andere,
om het verschuiven te beletten.
[Afbeelding: Fig. B.