Doch wij zetten de lectuur van ons boek voort. Binnen den mantel volgen
nu aan weerszijden weer twee bladen van het boek: de plaatvormige
~kieuwen~, die voor de ademhaling dienen (fig. B bij _K_), waartoe het
water door de schelpspleet in de mantelholte gevoerd wordt, tengevolge
van een strooming, veroorzaakt door de beweging van millioenen
trilharen, waarmede de binnenzijde van den mantel bezet is. Naar den
vorm der kieuwen wordt deze klasse ook wel de =plaatkieuwigen= genoemd.
Binnen de kieuwen volgt eindelijk de eigenlijke tekst van het boek, de
romp van het dier (_R_) en in dien tekst lezen wij nu verder het
volgende. Bij _D_ zien wij eenige doorgesneden gedeelten van den darm,
die het voedsel verteert, dat met het ademhalingswater naar binnen komt
en uit fijnverdeelde of kleine plantjes of diertjes bestaat. Het dier
heeft dus geen kaken of kop noodig, maar natuurlijk wel een ~mond~,
die--hier wel eenigszins misplaatst--vlak bij den ~voet~ gelegen is. Zoo
noemt men het dikke en gespierde, kielvormige orgaan (fig. B bij _F_),
dat een verlengsel van het lichaam is en zich sterk kan uitzetten, tot
buiten de schelp, en daarna weer samentrekken, ten einde de schelp in
het zand of den modder--uiterst langzaam--voort te bewegen, als ’t ware
voort te „ploegen”, waarbij zij dan ook een duidelijke groef of vore
achterlaat. Sommige schelpdieren brengen het in die uitzetting en
samentrekking van den voet zelfs zoover, dat zij over den bodem voort
kunnen springen. Door middel van datzelfde orgaan kan de mossel de
schelp eerst op haar kant zetten, zooals de ~vijvermossel~ op de plaat
bij figuur 4 en haar dan zéér langzaam--dikwijls eerst na eenige
uren!--bijna geheel loodrecht in den modder of het zand graven, waar het
dier dan meestal onbeweeglijk blijft zitten.
In die positie zou onze vijvermossel het spoedig te benauwd krijgen,
door gebrek aan versch water en zuurstof voor de ademhaling, doch ook
daarin is op praktische wijze voorzien. Tusschen de beide kleppen der
schelp is, aan de achterzijde, de rand van den mantel tot twee buisjes
uitgegroeid (in fig. C, bij _i_), die ~adembuizen~ of ~sipho’s~ genoemd
worden en waarvan de onderste dient, om het versche water, met het
daarin aanwezige voedsel, toe te laten, de bovenste om het onbruikbare
water, met de spijsresten, af te voeren. Bij sommige mossels, die zich
soms geheel in het zand onderploegen, zijn die sipho’s zeer lang, zoodat
zij tot boven de zandlaag in het water uitgestoken kunnen worden.
De ~vijvermossel~ is vrij groot (10 centim. lang), breed ovaal van vorm
en de schelp is dun, groenachtig bruin van kleur, met groene stralen en
bruine dwarsbanden. Het slot heeft geen tanden. Zij komt in onze vijvers
veel voor en plant zich, zooals alle oesters en mossels, door eieren
voort, waaruit zich nog binnen de kieuwplaten de larven ontwikkelen, die
reeds een schelpje bezitten en heel wat beweeglijker zijn dan de moeder.
Uit de ademhalingsruimte naar buiten in het ruime sop gekomen, zwemmen
zij daar eerst geruimen tijd lustig rond. Dan hechten zij zich aan
visschen vast en laten zich door dezen nog maandenlang door het water
spelevaren, totdat de zwaarte van hun schelpje hen dwingt die levende
plezierjachten los te laten en zij op den bodem van het water vallen.
In onze binnenwateren komt bijna overal ook de ~riviermossel~
(_Dreissena polymorpha_), fig. 5, overvloedig voor, die veel kleiner is
dan de vorige en uiterlijk wel eenigszins op onze gewone eetbare mossel
gelijkt, tot wier naaste familie zij dan ook behoort, ook door een
bijzonderheid, die aan alle echte mossels eigen is. Zij bezitten
namelijk, dicht bij den voet, een klier, waaruit een kleverig vocht
afgescheiden wordt, dat, bij aanraking met het water, tot een bundel van
100 tot 200 strak gespannen draden stolt, die men „~baarddraden~” of
„~byssusdraden~” noemt en waarmee de schelp zich aan de steenen
vasthecht, terwijl daardoor ook de riviermosselen zich dikwijls in
grooten getale aan elkaar vasthechten en opeenhoopen. De vorm van deze
schelp is driehoekig, schuitvormig, groenachtig geel van kleur met
bruine golvingen, de mantel is over zijn geheele lengte vergroeid,
behalve de openingen voor de adembuizen en den voet. Deze schelpdieren
verplaatsen zich veel meer dan de vijvermossel, zooals reeds daaruit
volgt, dat zij eerst in betrekkelijk lateren tijd, uit de streken rondom
de Zwarte Zee, naar onze streken gekomen en zich hier overal verspreid
hebben. Daarom noemt men ze ook wel: ~trekmossels~.
Links, in den ondersten hoek van de plaat, liggen op den bodem nog een
drietal mossels van een andere soort: de ~rivierfijnschaal~, (_Pisidium
amnicum_), fig. 13, naar den vorm ook wel „erwtenschelp” genoemd
(_pisum_--erwt), een kleine, gezwollen ronde schelp, met dwarse groeven
over de oppervlakte en een aschgrijze tot olijfbruine kleur. De sipho’s
zijn kort en vergroeid en de schelp is dikwijls zoo doorschijnend, dat
men er de kieuwen en het hart van het dier doorheen ziet. De soorten van
dit geslacht zijn over de geheele aarde verspreid; het zijn de kleinste
van al onze zoetwaterschelpen en de kleinste soort is een ware dwerg en
niet meer dan 2 millim. lang.
* * * * *
Wij vinden op onze plaat ten slotte nog vertegenwoordigers van een
andere diergroep afgebeeld, die insgelijks tot de weekdieren behoort,
doch tot een geheel andere klasse dan de mossels, n.l. tot die der