Stok van een mosdiertje. Vergroot.]

De reden hiervan zal duidelijk worden, als wij de diertjes eens wat

nader gaan onderzoeken. Uiterlijk zien wij, dat zij zich, als een soort

van schorslaag of in den vorm van mos, over hun onderlaag uitbreiden,

waartoe hun allerlei voorwerpen: houtwerk, dat in het water ligt,

schelpen, steenen, in het water hangende takken enz. welkom zijn en zij

gelijken dan op sponsachtige (fig. 2) of vertakte massa’s (fig. 15), die

echter kolonies of stokken van een groot aantal, met elkaar verbonden,

diertjes voorstellen. En daarom scheen er vroeger werkelijk wel iets

voor te zeggen, om ze tot de poliepen of koraaldieren te rekenen. In

meer belangrijke kenmerken komen zij echter meer met de weekdieren

overeen.

De diertjes zelf zijn zeer klein, hoogstens 1 à 2 millim., en wij dienen

ze dus, om nader kennis te maken, een weinig bij vergrooting te

bekijken. De kolonie doet zich dan ongeveer voor, zooals hiernaast in

fig. A. Wij zien hier, dat een aantal der diertjes in een vliezige,

harde of vertakte ~cel~ besloten zijn, waaruit zij zich, evenals

poliepen, naar buiten kunnen uitstrekken en er zich weer in

terugtrekken. Evenals de poliepen, hebben zij om den mond een krans van

~vangarmen~, die hol zijn en met de lichaamsholte in verband staan en

die, door hun beweging, het water voor de ademhaling en de daarin

aanwezige kleine waterdiertjes, die voor voedsel dienen, naar den mond

roeien. Deze voert in een slokdarm, waaraan zich een maag en darmkanaal

aansluiten, welks uitloozingsbuis dicht bij den mond uitkomt. En dit is

juist de reden, dat men de mosdiertjes niet meer tot de poliepen, doch

tot de weekdieren rekent, daar de poliepen geen afzonderlijk darmkanaal

bezitten. Hart en bloedvaten ontbreken, evenals alle zintuigen; alleen

is er, bij den slokdarm, één enkele zenuwknoop, die zenuwdraden afgeeft

naar den darm en de vangarmen. Want deze laatste zijn met zeer gevoelige

wimpers bezet en dienen tevens als ~voeldraden~.

Interessant is de ontwikkelings-geschiedenis van deze diertjes. Uit de

platte ~wintereieren~ komt, dadelijk na het openspringen der harde

schaal, een volkomen dier te voorschijn, dat, als het volwassen is, zich

door knopvorming voortplant en uitgroeit tot een kolonie, zooals in fig.

A. De ~zomereieren~ echter hebben een dunne schaal en daaruit ontwikkelt

zich eerst een onvolkomen, van trilharen voorziene, larve, die het

moederdier verlaat, door middel van de trilharen eenigen tijd vrij en

lustig rondzwemt en zich dan ergens vastzet. Daarna ontstaan er, door

knopvorming, binnen de larve twee jongen, die, om tot volwassen dieren

uit te groeien, het inwendige van hun eigen moeder, de larve, verteren,

om dan nog, tot overmaat van onbescheidenheid, de overgebleven,

uitgekloven huid van de larve tot tijdelijke woonplaats in te richten.

Men ziet: de natuur bewandelt soms zonderlinge wegen, om haar doel te

bereiken.

* * * * *

De figuren 3, 6 en 7 brengen ons afbeeldingen van ~vischegels~ en

~bloedegels~ en verplaatsen ons weer in een andere, zeer talrijk

bevolkte hoofdgroep van het dierenrijk: de =wormen=. Deze staan, in ’t

algemeen, op een lageren ontwikkelingstrap dan de weekdieren en gelede

dieren, maar zij zijn zoo buitengewoon talrijk in geslachten en soorten

en vertoonen zulke uiteenloopende vormen, dat haar rangschikking aan de

mannen der wetenschap vrij wat hoofdbrekens gekost heeft. Een ruwe

verdeeling--voldoende voor ons doel--verkrijgt men, als men alle wormen

op drie hoopen werpt. Op den éénen hoop liggen dan de ~platwormen~, de

minsten der broederen, met een plat, breed lichaam, zooals de

~lintworm~; eenigszins hooger staan de ~rondwormen~, met een lang

uitgerekt rolrond lichaam, bijv. de ~draadwormen~ (trichine), de

~koordwormen~ enz. en op den derden hoop komen de

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 31 / 92 题