KREEFTEN

en familielid en bloedverwant van onzen veelbeminden tafelvriend, den

kreeft, zij het dan ook slechts een verre neef. De laatste is een reus

tegenover ons dwergje van hoogstens 1 à 2 centimeters lengte en in zijn

organisatie is deze vrij wat eenvoudiger en bescheidener. Maar toch komt

de vlookreeft, in beginsel, met de hoogere kreeften overeen, die allen

tot de hoofdgroep der gelede dieren behooren en, als zoodanig, niet

slechts een in ~leden~ verdeeld lichaam, doch ook ~gelede pooten~

bezitten. Alle gelede dieren, waartoe, behalve de kreeften, ook nog de

welbekende insekten, spinnen en duizendpooten behooren, zijn in

hoofdzaak op dezelfde leest geschoeid. De leden van het lichaam zijn

verdeeld over drie hoofdafdeelingen: kop, borst en achterlijf, doch bij

de spinnen en kreeften zijn de beide eerste weer vergroeid tot één

samenhangend ~kopborststuk~. Juist onze vlookreeft vormt echter een

uitzondering op dezen regel: alle leden van de borst zijn hier vrij,

hetgeen natuurlijk aan de bewegingen van dezen levendigen acrobaat zeer

ten goede komt.

Verder missen ~alle~ gelede dieren het inwendige geraamte der

gewervelde dieren, doch als vergoeding daarvoor hebben zij, voor het

bevestigen der organen en spieren, een ~huidskelet~, dat is: de huid is

gevormd uit een buitengewoon vaste en harde, hoornachtige stof:

_chitine_. Ook bezitten de gelede dieren niet de hersenen en het

ruggemerg, waarin gij, waarde lezer, als pronkjuweel der schepping, u

moogt verheugen. Hier is het centrale zenuwstelsel, dat alle bewegingen

en handelingen regelt, veel eenvoudiger van maaksel en bestaat slechts

uit een reeks van kleine, door zenuwstrengen verbonden, zenuwmassa’s: de

~zenuwknoopen~, in elk lid van het lichaam één, aan de buikzijde

gelegen, behalve de voorste, die boven in den kop ligt en eenigszins de

rol vervult van onze hersenen.

Terwijl nu echter de insekten slechts 3 paar, de spinnen 4 paar pooten

hebben en de duizendpooten zich op een buitengewoon groot aantal

ledematen--zij het ook nog ver van de duizend!--kunnen beroemen,

bezitten de kreeften toch, in elk geval, ook ~verscheidene paren pooten~

en ons kleine vlookreeftje is, in dit opzicht, vooral niet misdeeld,

zooals wij in fig. 1 en 8 kunnen zien. Behalve 3 paren zwempooten aan

het achterlijf, heeft het diertje nog 7 paren borstpooten, die niet tot

zwemmen, doch tot kruipen en springen dienen en, behalve aan het voorste

paar, zijn aan de basis van deze pooten kleine, bladachtige aanhangsels

bevestigd, die, als ~kieuwen~, voor de water-ademhaling dienen, zooals

zij bij alle kreeften, doch op andere plaatsen van het lichaam, gevonden

worden.

Verder hebben alle kreeften ~twee paar gelede sprieten~ of ~voelers~,

die zeer lang zijn en uitstekende organen zijn, om in hun waterwereld

het terrein te verkennen. Zij zijn ook in het bezit van twee uitstekende

samengestelde oogen, om goed uit te zien in de omgeving en die daartoe

bij de meesten nog op steeltjes bevestigd zijn, hoewel zij bij de

vlookreeft ongesteeld zijn. De voortplanting geschiedt door ~eieren~,

die bij de vlookreeft in taschjes aan de borstpooten der wijfjes bewaard

worden, tot de jongen uitkomen. Hoe echter bij zulke eenvoudige

wezentjes reeds de moederliefde ontwikkeld is, blijkt wel daaruit, dat

het kleine grut, in zijn eerste levensdagen, steeds in de buurt van mama

blijft en, bij het minste gevaar, telkens weer naar haar terug snelt,

zooals de kiekens naar de hen. De gevaren, die ook de ouden dreigen,

zijn trouwens vele, want zij dienen tot voedsel voor allerlei visschen.

Met de vloo heeft onze vlookreeft natuurlijk niets uit te staan, behalve

dat hij ook een volleerde vér-springer is en naar die vloo-achtige

springsport wordt hij genoemd. De dieren zijn inderdaad buitengewoon

behendig en vlug in hun bewegingen. Terwijl zij in rust, met gekromden

rug, meestal onder steenen of waterplanten liggen, daar zij zeer

lichtschuw zijn, stuiven zij, bij het minste onraad, bliksemsnel naar

alle kanten uiteen, om weer andere donkere schuilhoeken op te zoeken,

waar zij voornamelijk leven van bladeren, die in het water gevallen

zijn. Zij zwemmen zeer snel, op zijde liggend, en springen uiterst snel

vooruit, tusschen allerlei waterplanten door, waarbij zij van de drie

achterste, naar boven gerichte, paren borstpooten (zie fig. 8), als

springpooten gebruik maken. Een onzer bekende vroegere dierkundigen

maakte, naar aanleiding daarvan, de volgende, meer oprechte dan vleiende

opmerking: „door zijn gekromden rug en de snelle manier, waarop het

vooruitkomt, levert het ons een treffend beeld van den hoveling.”

Wegens een zekere uiterlijke overeenkomst met de garnaal, wordt de

vlookreeft ook wel ~zoetwatergarnaal~ genoemd. Hij komt in ons land, in

slooten, beken en poelen, allerwegen in menigte voor.

* * * * *

Zeer eenvoudig van bouw zijn de =mosdiertjes= (_Bryozoa_), waarvan wij

in fig. 2 en 15 de ~sponsachtige~ en de ~kruipende kuifcelpoliep~

(_Plumatella fungosa_ en _Pl. repens_) afgebeeld zien. Voor den

natuuronderzoeker is dit een lastige familie, waarover de geleerden

elkaar reeds sinds lang danig in de haren gezeten hebben, niet wetende,

waaronder men ze moest rangschikken. Nu eens hier, dan daar onder dak

gebracht, als ware „dakloozen”, heeft men ze reeds tot de poliepen, tot

de wormen en tot de =weekdieren= gerekend, en onder deze laatste

hoofdgroep hebben zij ten slotte voor goed een onderkomen gevonden,

hoewel men niet kan ontkennen, dat zij ook daar nog een weinig met hun

figuur verlegen zijn.

[Afbeelding: Fig. A.

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 30 / 92 题