§ 50. _Het Woord_ bl. 193-215. Bij de uitdeeling zijner genade bedient
Christus zich van middelen, die door mysticisme en rationalisme ten
onrechte miskend, door Rome verkeerdelijk in absoluten zin opgevat,
maar door de Hervorming, bepaaldelijk door Calvijn in hun rechte waarde
hersteld werden 1. Tot deze genademiddelen behoort in de eerste
plaats het woord Gods, dat ook buiten de ambtelijke bediening werkt 2,
en als genademiddel in wet en evangelie te onderscheiden is 3. Deze
onderscheiding is echter geen onverzoenlijke tegenstelling, gelijk het
antinomisme leert, en evenmin eene wezenlijke identiteit, gelijk het
nomisme wil, want beide verschillen principieel maar gaan toch in de
prediking steeds samen 4. En evenzoo is het woord als genademiddel
noch van de werking des Geestes te scheiden noch ook met deze te
vereenzelvigen. De H. Geest werkt niet sine verbo noch per verbum maar
cum verbo 5.
§ 51. _De Sacramenten_ bl. 215-252. Het tweede genademiddel is het
sacrament. De naam komt in de Schrift niet voor, was eerst voor
allerlei kerkelijke handelingen en plechtigheden gebruikelijk en werd
eerst in de Middeleeuwen tot een zevental ceremoniën beperkt. Ook de
leer der sacramenten werd eerst door de scholastiek uitgewerkt en
vertoonde hoe langer hoe grootere afwijking van de Schrift 1. Rome
toch verstaat onder de genade, door het sacrament medegedeeld, alleen
de gratia sanctificans, en maakt het sacrament los van het woord
en evenzoo van het geloof. De Hervorming verwierp deze dwalingen
maar droeg toch in de personen van Luther, Zwingli en Calvijn eene
verschillende opvatting voor, die de kerken verdeelde en, trots de
verzwakking van de beteekenis der sacramenten door mysticisme en
rationalisme, nog heden ten dage kerk en theologie uiteen doet gaan
2. Ofschoon de naam van sacrament in de Schrift niet voorkomt, is
hij daarom nog niet te verwerpen. En ook is de behandeling van de
algemeene leer der sacramenten vóór die van doop en avondmaal niet
af te keuren, wijl daardoor het verschil in opvatting duidelijk aan
het licht treedt en de dwaling gemakkelijk ingezien wordt. Volgens de
Schrift zijn de sacramenten teekenen en zegelen van Gods genade en
tevens belijdenisacten des geloofs 3. Als zichtbare teekenen en zegelen
duiden zij aan en bevestigen zij de onzichtbare genade, door God in
Christus geschonken dat is, _dezelfde_ genade, welke ook in het woord
wordt aangeboden, zij het ook op andere wijze 4. Het verband tusschen
teeken en beteekende zaak is niet physisch, corporeel, locaal, maar
een verband van relatie, dat door het woord der instelling tot stand
komt, en, schoon van geestelijken aard, toch niettemin objectief en
reëel is 5. Daarom werken de sacramenten ook niet ex opere operato
maar onderstellen bij den ontvanger het geloof, hetgeen aan hunne
objectiviteit geen afbreuk doet en hunne waarde ongeschonden laat 5.
Het getal der sacramenten bedraagt niet zeven, maar slechts twee, doch
deze twee wegen in waarde tegen het zevental van Rome op 6.
§ 52. _De Doop_ bl. 252-299. In het O. T. door de besnijdenis
voorbereid, werd de doop op Goddelijken last het eerst door Johannes
aan de Joden bediend. Deze doop van Johannes verschilt niet wezenlijk
van den christelijken doop, maar werd door Jezus overgenomen en vóór
zijne hemelvaart tot alle volken uitgebreid, tot teeken en zegel van de
vergeving der zonden en van de inlijving in Christus en zijne gemeente
2. Na den tijd der apostelen werd hij reeds spoedig met de trinitarische
formule bediend, als een mysterium der inwijding opgevat, met allerlei
ceremoniën omgeven en steeds meer magisch in zijne werking voorgesteld.
Volgens Rome schenkt hij door de innige verbinding van teeken en
beteekende zaak ex opere operato, behalve een character indelebilis,
de heiligmakende genade, die van alle schuld, straf en smet der zonde
bevrijdt 3. De Lutherschen leerden eene soortgelijke nauwe vereeniging
van het water des doops met de Goddelijke genade, en lieten althans
bij kinderen de wedergeboorte tot stand komen door den doop, maar de
Gereformeerden hielden staande, dat de doop, als een sacrament, ook
bij kinderen het geloof onderstelde en rustte op den grondslag van het
genadeverbond. Maar dit verbond werd steeds meer veruitwendigd; en
rationalisme en mysticisme miskenden de waarde van den doop zoozeer,
dat in den nieuweren tijd verschillende pogingen tot handhaving van het
objectief karakter van den doop beproefd zijn 4. De Schrift spreekt
alleen van den doop van volwassenen, en leert duidelijk, dat hij alleen
voor geloovigen ingesteld is en na belijdenis mag bediend worden. Het
teeken in den doop is water, waarin de doopeling ondergedompeld of
waarmede hij besprengd wordt 5. Dit water wordt tot een sacrament door
het woord der instelling, dat in de Schrift niet als eene formule
bedoeld maar toch in de kerk weldra zoo toegepast is, en tusschen
teeken en beteekende zaak wel eene reëele maar geen physische en locale
vereeniging tot stand brengt. De weldaden van den doop zijn in hoofdzaak
vergeving en wedergeboorte 6. Tot hen die recht hebben op den doop,
behooren ook de kinderen der geloovigen. Dit recht werd tegenover de
bestrijders van den kinderdoop op verschillende wijze betoogd 7, en rust
op vele schriftuurlijke gronden 8. Bedienaar van den doop is Christus,
die daarbij van menschen, bepaaldelijk van de leeraars gebruik maakt; hem
bedienen laat in de openbare vergadering der gemeente; op onbepaalde
tijden; in geval van den kinderdoop, in tegenwoordigheid der ouders; aan
alle personen, die nog gerekend kunnen worden te behooren binnen den
kring des verbonds 9.
§ 53. _Het Avondmaal_ bl. 299-352. Het tweede sacrament is het
avondmaal, dat in het O. T. door het pascha afgebeeld en voorbereid 1,
en in het N. T. door Christus ingesteld werd, tot een teeken en zegel
van de gemeenschap aan zijne offerande op het kruis 2. Dit avondmaal was
spoedig het middelpunt van den christelijken cultus en werd allengs,
vooral sedert de scholastiek, opgevat als eene onbloedige offerande van
het lichaam en bloed van Christus, waaraan de communie ondergeschikt
is 3. De Reformatie verwierp deze Roomsche leer wel eenparig, maar
liep in de positieve uiteenzetting van de leer des avondmaals ver
uiteen. Luther, Zwingli, Calvijn droegen elk een eigen opvatting
voor, die, na hen gewijzigd en verlaten, toch tot den huidigen dag
voortbestaan 4. De namen voor het avondmaal zijn zeer vele in aantal,
maar de beste is die van heilig avondmaal of maaltijd des Heeren, wijl
het een wezenlijke maaltijd is met Christus als gastheer, de leeraars
als zijne dienaren, met brood on wijn tot spijze en drank, in den eersten
tijd met een gewonen maaltijd verbonden, aan eene tafel en niet op een
altaar te vieren 5. Maar deze maaltijd heeft een geestelijke beteekenis,
is niet bloot een gedachtenismaal of een belijdenisacte, doch eene
gemeenschapsoefening door het geloof met den gekruisten Christus.
Wel is Christus niet physisch en locaal in de teekenen aanwezig,
want trans- en consubstantiatie zijn beide om vele schriftuurlijke en
natuurlijke redenen uitgesloten 6. Maar desniettemin is die gemeenschap
met Christus in het avondmaal objectief en reëel, zoo echter, dat zij
van de zijde des ontvangers het geloof onderstelt en juist daardoor als
gemeenschap aan den persoon en aan de weldaden van Christus, versterkt
wordt 7. Evenals de doop, is ook dit avondmaal alleen voor de gemeente
ingesteld, en wel voor gedoopte on levende geloovigen, die belijdenis
van hun geloof hebben afgelegd en niet door de kerk om leer en leven
zijn geweerd 8.