§ 47. _Het wezen der kerk_ bl. 1-59. De gemeenschap dergenen, die
Christus en zijne weldaden deelachtig zijn, draagt den naam van de
kerk, die hare analogieën bij de heidensche godsdiensten vindt en in
het O. Test. voorbereid werd 1, maar in eigenlijken zin toch eerst
in de dagen des N. T. werd gesticht 2. Na den apostolischen tijd
ontwikkelde zij zich spoedig tot een katholiek, zichtbaar, onfeilbaar,
hierarchisch heilsinstituut 3, zoodat reformatie dringend noodig
was. Luther, Zwingli en Calvijn brachten deze, ieder op eigene wijze
tot stand 4, maar ter linker- en rechterzijde werd door rationalisme
en mysticisme het kerkbegrip vervalscht, zoodat het ook thans nog,
trots vele pogingen tot herstel, aan groote verwarring lijdt 5. De
naam, dien de kerk draagt, duidt haar reeds aan als eene vergadering
van Christgeloovigen, en de Schrift stelt dit op allerlei wijze, onder
allerlei beelden, vooral ook door wat zij zegt aangaande de gemeenschap
der heiligen, in het helderste licht 6. Als zoodanig kan zij in ruimer
en enger zin genomen worden (ecclesia generalis, triumphans, militans,
universalis, nationalis, particularis). Maar nooit sluit zij naar haar
idee de ongeloovigen in, al zijn dezen ook op aarde steeds in de kerk
aanwezig 7. Ook is zij niet als eene vergadering van praedestinati,
perfecti, communicantes, vocati, baptizati te omschrijven, maar als
eene vergadering van geloovigen, welke zoowel eene zichtbare als eene
onzichtbare zijde heeft. Zichtbare en onzichtbare kerk zijn dus geen
twee kerken, zijn niet aan den kring van ongeloovigen en geloovigen
in de kerk, noch aan de kerk als instituut en als organisme gelijk,
maar zijn twee zijden van dezelfde kerk 8. Kenteekenen der kerk zijn
niet de 15 notae, welke Ballarminus opgeeft 9, maar het Woord Gods,
dat in prediking, sacrament, belijdenis, leven bediend en beleden, en
ten onrechte van Roomsche zijde verworpen wordt 10. Want al is met
dit kenteeken de mogelijkheid van groote scheuring en verdeeldheid
der kerken gegeven, ook Rome kan deze niet verhoeden, en de
pluriformiteit der kerk sluit, hoe zondig en smartelijk eenerzijds ook,
toch ter andere zijde een zegen in 11. Daarmede in overeenstemming
hebben de eigenschappen der kerk, eenheid, heiligheid, katholiciteit,
apostoliciteit, onvergankelijkheid en onfeilbaarheid bij ons een anderen
zin dan bij Rome 12.
§ 48. _De regeering der kerk_ bl. 59-131. De kerk is zonder regeering
niet denkbaar en heeft daarom ook altijd eene regeering gehad. Zij was
altijd tegelijk instituut en organisme 1, zoowel in het O. als in het N.
Test. Het apostolaat is vooral een sterk bewijs voor het institutair
karakter der kerk; en bij dit ambt kwam nog dat van de evangelisten en
profeten, terwijl Petrus onder de apostelen primus inter pares was 2,
en later dat van regeer- en leerouderlingen en van diakenen 3. Deze
aristocratisch-presbyterale kerkregeering ging na den apostolischen
tijd spoedig over in eene monarchisch-episcopale, die nog in vele
kerken heerscht, en bij Rome in eene papale kerkregeering, die in de
onfeilbaarverklaring van den paus hare consequentie trok 4. Beide
deze vormen van kerkregeering zijn echter met de leer der H. S.
over de verhouding van clerus en leeken, over het episcopaat, over
het apostolaat, over Petrus’ primaat, en voorts ook met de oudste
getuigenissen der kerk in strijd 5. De oppositie tegen de Roomsche
hierarchie bracht velen tot verwerping van alle regeering der kerk,
maar ook dit weerspreekt de Schrift, die der kerk een eigen regeering
toeschrijft. Vandaar dat de Gereformeerden deze hebben gehandhaafd in
hare onderscheidenheid van de politieke macht 6. Immers is Christus
het eenige hoofd der gemeente, zoowel van de plaatselijke als van alle
kerken saam. Hij stort er zijne gaven in uit, zalft allen tot profeten,
priesters en koningen 7, en stelt voorts verschillende ambten in,
die niet het orgaan der gemeente zijn, maar hun gezag aan Christus
ontleenen, en die in den weg van vocatie, examinatie en ordinatie
verkregen worden 8. Deze ambten zijn in de kerk wel willekeurig
vermeerderd en van karakter veranderd, maar zijn twee, resp. drie in
getal (leer- en regeerouderlingen en diakenen).
§ 49. _De macht der kerk_ bl. 132-192. De kerk is, evenals de staat,
eerst na de zonde ontstaan, en van den staat allengs duidelijker
onderscheiden. Zelfs in Israel waren beide, schoon nauw vereenigd, niet
één 1, en in het N. T. gaf Christus aan zijne kerk eene macht, die door
haar geestelijk karakter van die der overheid wezenlijk verschilt 2. Deze
geestelijke macht der kerk ontaardde echter bij Rome in eene juridische,
dwingende macht, die in tegenstelling met het Cesareopapisme der
Grieksche kerk, alle terreinen des levens, ook dat van den staat,
aan zich onderwerpt en dienstbaar maakt 3, en in de plena et suprema
potestas van den paus culmineert. Deze macht, bepaaldelijk de
onfeilbaarheid van den paus, vindt echter niet alleen geen steun in
de Schrift, maar is ook in zichzelve onbepaald, ongegrond, in strijd
met het episcopaat en antichristelijk 4. De Reformatie verwierp daarom
eenparig deze macht, maar ging weer uiteen, inzoover Luther en Calvijn
anders oordeelden over de biecht, over presbyteraat en tucht, over de
verhouding van de kerkelijke en de wereldlijke macht. De onderscheiding
dezer beide laatste machten ging in de eeuwen na de Hervorming hoe
langer hoe meer in eene, althans relatieve, scheiding over 5. Nu is
het echter voor geen twijfel vatbaar, dat Christus aan zijne kerk eene
macht heeft geschonken, die een eigen oorsprong, orgaan, natuur en
doel heeft, en door Romanisme en Anabaptisme evenzeer wordt miskend.
Deze macht der kerk is drieërlei 6, n.l. ten eerste potestas docendi,
dat is, de macht, om het woord Gods te prediken, uit te leggen, te
verdedigen, te belijden 7, ten tweede potestas gubernationis, dat is,
de macht om de gemeente te regeeren 8 en de tucht uit te oefenen 9, en
ten derde potestas misericordiae, dat is, de macht om barmhartigheid
te bewijzen aan de ellendigen 10. Deze macht komt in de plaatselijke
kerk saam in den kerkeraad en voor meerdere kerken in de meerdere
vergaderingen, die reeds van oude dagteekening en voor den welstand der
kerken noodig en goed zijn 11. Met deze macht staat de kerk in de wereld
zelfstandig en vrij, maar haar dienende met de goederen, welke Christus
haar schenkt 12.