§ 54. _De Tusschentoestand_ bl. 353-422. Alle godsdiensten bevatten
eene zekere eschatologie en leeren bepaaldelijk de onsterfelijkheid der
ziel; en de philosophie nam menigmaal dit laatste leerstuk over 1. De
bewijzen, voor de onsterfelijkheid der ziel bijgebracht, hebben tegenover
het ongeloof geen dwingende kracht maar zijn toch als getuigenissen
en rechtvaardigingen des geloofs belangrijk 2. De Schrift bevat ook
wel reeds in het O. T. de leer der onsterfelijkheid, gelijk hare
voorstelling van den Scheol duidelijk bewijst, maar zij voegt daaraan
de veel rijkere openbaring toe, dat het waarachtige leven alleen
verkregen en genoten wordt in de gemeenschap met God, die over dood
en graf triumpheert 3. De latere Joodsche literatuur liet aan deze
openbaring geen recht wedervaren, maar het N. Test. doet nog beter dan
het O. Test. uitkomen, dat de dood eene straf der zonde is, dat de
geloovigen door Christus een leven deelachtig worden, hetwelk verre
boven den dood is verheven, en dat zij, ofschoon na het sterven in
zekeren zin tot het doodenrijk behoorend, toch terstond in een anderen
toestand intreden dan de ongeloovigen 4. De christelijke kerk bleef
eerst bij deze weinige gegevens der Schrift over den tusschentoestand
staan, maar wijdde er meer aandacht aan, naarmate de wederkomst van
Christus toefde, en kwam allengs tot het aannemen van vijf receptacula
aan de overzijde des grafs, onder welke vooral het vagevuur voor den
tusschentoestand van beteekenis is 5. De Reformatie verwierp deze
leer, maar zag spoedig allerlei meeningen over den tusschentoestand
opkomen, zooals die van een voorloopigen toestand, van een purgatorium,
van een zieleslaap, van eene zekere lichamelijkheid der zielen, van
zielsverhuizing en voortgaande loutering, van limbus patrum, limbus
infantum en mogelijke bekeering na den dood 6. De Schrift bevat weinig
over den tusschentoestand, omdat zij, schoon de onsterfelijkheid der
ziel aannemende, vooral het nieuwe leven wil doen kennen, dat Christus
aan het licht heeft gebracht en zonder hetwelk het menschelijk leven
hier reeds op aarde en vooral hiernamaals in den Scheol zijn inhoud en
waarde verliest 7. De leemten, welke de Schrift in onze voorstelling
van den tusschentoestand openlaat, mogen niet aangevuld worden met
menschelijke gissingen, zooals de zieleslaap 8, de lichamelijkheid der
zielen na den dood 9, het blijvend verkeer der dooden met de levenden,
dat dan misoffer, voorbede, heiligenvereering, doodenbezwering en
reliquiëncultus medebrengt, 10. Van de plaats van den tusschentoestand
is weinig te zeggen, maar zeker is, dat er terstond bij den dood een
verschillende toestand intreedt voor geloovigen en ongeloovigen,
waarin geen verandering door bekeering, gelijk velen thans meenen, meer
mogelijk is 11. Ook is de toestand der gestorven geloovigen niet als een
vagevuur te denken, want zij komen naar de leer der Schrift terstond na
den dood in den hemel bij Christus. Ofschoon er dus van eene vereering
der heiligen en van eene voorbede voor de afgestorvenen geen sprake
kan zijn 12, blijft er toch eene gemeenschap der triumfeerende met de
strijdende kerk bestaan. Ook de zaligen in den hemel zijn niet zonder ons
volmaakt; zij zien verlangend uit naar de parousie van Christus, en zijn
ook niet boven alle ruimte, tijd en werkzaamheid verheven 13.
§ 55. _De wederkomst van Christus_ bl. 422-481. Gelijk er een einde komt
aan het leven van den enkelen mensch, zoo ook aan dat van menschheid
en wereld. De wetenschap bevestigt dat 1, de godsdiensten koesteren
algemeen deze verwachting, en de Oudtest. profetie verkondigt aan
het einde van deze bedeeling de oprichting van het Messiaansche rijk,
dat, rijk aan geestelijke en stoffelijke zegeningen, tot de einden der
aarde zich uitbreiden zal 2. Het O. T. beschrijft in dit Messiaansche
rijk geen tusschenperiode maar een eindtoestand, doch de latere
Joodsche litteratuur ging tusschen een voorafgaand Messiasrijk en een
daarna volgend Godsrijk onderscheid maken en deed zoo de leer van het
chiliasme opkomen, welke ook door vele Christenen, vooral in tijden van
vervolging en druk, werd overgenomen 3. Ofschoon in sommige hoofdzaken
overeenstemmend, zijn de Chiliasten onderling toch zeer met elkander in
strijd en maken zij zich allen bij de uitlegging der Schrift aan groote
willekeur schuldig 4. Reeds het O. Test. doet zelf van de profetie
eene betere verklaring aan de hand, dan het chiliasme ons biedt, en
het N. Test. beschouwt zich als de geestelijke en dus waarachtige
vervulling van het O. Test. 5. Maar niet alleen is het chiliasme met
deze hoofdgedachte der Schrift in strijd, doch voorts, ook met vele
andere gegevens, vooral met de doorloopende verwachting des N. T.
aangaande het Joodsche volk 6, die door enkele plaatsen, vooral Rom.
11:11-32, niet weersproken wordt 7. Voorts verwacht het N. T. nergens
een staat van heerlijkheid en eere voor de gemeente van Christus in deze
bedeeling, maar veeleer toenemende vervolging en druk, waaraan eerst
de eenige wederkomst van Christus een einde maakt 8. Wel is er in Op.
20 van eene duizendjarige binding van Satan sprake. Maar dit hoofdstuk
bevat eigenlijk niets van al wat aan het chiliasme wezenlijk eigen is,
evenmin als andere plaatsen der Schrift 9. En de gebeurtenissen, in
Op. 20 verhaald, vallen niet chronologisch na die der vorige capita,
maar loopen daarmede parallel. Zij bedoelen, het einde ons te schetsen
van de cultuurlooze volken, gelijk de vorige hoofdstukken dat deden
ten aanzien van die natiën, in wier midden het evangelie gepredikt
is en dus de anti-christelijke macht zich ontwikkelen kan 10. Aan de
wereldgeschiedenis maakt dus Christus, wien als Zoon des menschen het
oordeel gegeven is, door zijn tweede komst een einde 11. De tijd dier
wederkomst is in het N. T. niet bepaald, al nemen hare voorteekenen
reeds met den val van Jeruzalem een aanvang. En even sober is de
Schrift in de beschrijving van de wijze, waarop die wederkomst plaats
heeft 12.
§ 56. _De Voleinding der eeuwen_ bl. 481-529. Met de wederkomst van
Christus begint de Dag des Heeren, welks duur niet te bepalen is. De
eerste gebeurtenis, die daarop plaats grijpt, is de opstanding der
dooden 1, waarbij de identiteit van het opstandingslichaam met het
gestorven lichaam bewaard blijft 2, 3. Dan volgt het gericht, dat over
alle menschen en engelen en over al hun gedachten, woorden en daden
zich uitstrekt 4. De plaats, waarheen de goddeloozen verwezen worden en
eeuwige straffen lijden, is de gehenna. De eeuwigheid der helsche straf
is wel menigmaal op allerlei gronden bestreden en beurtelings door de
leer van het hypothetisch universalisme, van de wederherstelling aller
dingen of van de conditioneele onsterfelijkheid vervangen 5. Maar zij
is in de Schrift vervat, en door de natuur der zonde en de Goddelijke
gerechtigheid geeischt, ofschoon zij zeer verschillende graden in hare
toepassing niet uitsluit 6. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der
wereld, welke in geen vernietiging van hare substantie maar in eene
herschepping van hare forma bestaat 7. Deze vernieuwing der wereld
bewijst, dat de zaligheid niet uitsluitend als eene hemelsche maar ook
als eene aardsche te denken is 8, en niet alleen geestelijke maar ook
stoffelijke zegeningen omvat, welke beide hier wel aanvangen doch eerst
in de eeuwigheid worden voltooid. De gemeenschap met God, die het wezen
der toekomstige zaligheid is en met verstand en wil beide genoten
wordt 9, wordt verhoogd door de gemeenschap der heiligen, wier getal,
ook al omvat het niet alle menschen en al is er over de zaligheid
van Heidenen en jongstervende kinderen weinig te zeggen, toch eene
schare zal vormen, die niemand tellen kan 10, en die zelve allerlei
verscheidenheid van persoonlijkheid, gaven, loon en werkzaamheid insluit
11.