HOOFDSTUK VII OVER CHRISTUS.

§ 40. _Het verbond der genade_ bl. 187-228. De genade neemt terstond

na den val een aanvang, mengt zich zelfs in de straf over de zonde,

en krijgt terstond het karakter van een verbond 1, dat dan later meer

formeel bij Noach, Abraham en Israel aan den Sinai opgericht wordt en

allengs steeds duidelijker als eene Goddelijke beschikking, als eene

διαθηκη, aan het licht treedt 2. Deze bondsidee ging uit de Schrift

in de theologie over en werd daar, ter handhaving van de eenheid

en het onderscheid tusschen Oud en Nieuw Testament, eerst tegen

Gnosticisme en Judaisme 3, en later, vooral door de Gereformeerden,

tegen het Anabaptisme verdedigd en tot rijkere ontwikkeling gebracht

4. Voor kerk en theologie heeft deze leer van het genadeverbond dan

ook de grootste beteekenis. Het rust op het pactum salutis 5, het

staat in verband met het foedus gratiae in ruimer zin, dat met heel

de gevallen wereld opgericht is 6, het handhaaft de eenheid en het

onderscheid in de bedeeling der genade onder Oud en Nieuw Test. 7, het

is louter genade en ligt vast in God alleen, zoodat het, schoon het

verbroken werkverbond in zich opnemend, toch daarvan onderscheiden is

en ook niet met het pactum salutis identisch is 8, het handhaaft Gods

souvereiniteit in het werk der verlossing en doet tevens, ofschoon geen

eischen in eigenlijken zin kennende, de redelijke en zedelijke natuur des

menschen tot haar recht komen; en laat eindelijk de verkiezing zich

realiseeren door de geslachten, door het organisme der menschheid heen

9.

§ 41. _De persoon des Middelaars_ bl. 228-302. Het verbond der genade

heeft in Christus een middelaar der verzoening, die zelf door zijn Geest

in Israel met zijne instellingen en ambten, van zijn eigen persoon en

werk vooraf getuigen liet 1, en dan in de volheid des tijds op aarde

verscheen, het koninkrijk der hemelen stichtte en als Zoon Gods en

Zoon des menschen, beide in geheel eenigen zin, zich openbaarde 2.

De gegevens der Schrift verzamelend en Ebionitisme en Gnosticisme

tegelijk vermijdend, kwam de christ. kerk weldra tot de belijdenis der

persoonlijke eenheid van de twee naturen in Christus 3, welke echter

in de Grieksche en Roomsche, in de Luthersche en Gereformeerde weder

verschillend opgevat 4, en door allerlei richtingen rechts en links,

vooral ook in de nieuwere theologie (Kant, Schleiermacher, Ritschl

c. s.) bestreden werd 5. Dit verwondert niet, omdat de persoon van

Christus, wel niet uitgangspunt maar toch middelpunt is van Schrift,

religie en dogmatiek. De incarnatie, die apriori op pantheistisch

en deistisch standpunt onaannemelijk is, onderstelt de triniteit en

bepaaldelijk daarin de eeuwige generatie, want de persoon des Zoons is

mensch geworden 6. Zij onderstelt voorts de creatie, ook al is zij niet

onmiddellijk met deze gegeven en al is de leer van de vleeschwording

buiten de zonde verwerpelijk 7. Zij onderstelt eindelijk de revelatie

onder Israel met de verkiezing en toebereiding van Maria als moeder van

Jezus, ook al is hare onbevlekte ontvangenis in de Schrift niet geleerd

8. Toch, al sluit Christus in zijne vleeschwording bij de voorafgaande

openbaring zich aan, Hij is geen product van het verleden, maar bestond

persoonlijk van eeuwigheid en was en bleef waarachtig God 9, die de

menschelijke natuur aannam door ontvangenis van den H. Geest en door

geboorte uit Maria 10, 11, en die daarom, in tegenstelling met het

Docetisme, waarachtig, en, in tegenstelling met Apollinaris, volkomen

mensch was 12, zoodat God en mensch, twee onderscheidene naturen,

ongedeeld en ongescheiden (tegen Nestorius), onveranderd en on vermengd

(tegen Entyches) in Hem vereenigd zijn 13. Deze vereeniging is daarom

niet anders dan als eene personeele te denken, als vereeniging van

den persoon des Zoons met eene onpersoonlijke menschelijke natuur 14,

en brengt noodzakelijk mede de communicatio idiomatum, de communicatio

apotelesmatum en de communicatio charismatum, die vooral in de Geref.

theologie, tot handhaving van de waarachtig menschelijke natuur

van Christus, ontwikkeld werd 15, en ten slotte ook nog den honor

adorationis 16.

§ 42. _Het werk van den Middelaar_ bl. 302-424. Onder alle volken komen

heilige personen, profeten, koningen en vooral priesters voor, die

door offeranden de gemeenschap met God bewerken en in stand houden 1.

Ook onder Israel was een priesterstand verkoren en waren offeranden

door God voorgeschreven, die duidelijk eene typische beteekenis hadden

en heenwezen naar de ware offerande van den knecht des Heeren, die

de waarachtige priester en tevens de ware profeet en koning zou zijn

2. Volgens het N. T. is Jezus, de zoon van Maria, deze knecht des

Heeren, die in zijn drievoudig ambt het groote werk Gods volbrengt,

als profeet de wet en het evangelie verkondigt, als priester door

zijne zelfovergave, die alle offers des O. T. vervult, voor de zijnen

de gansche zaligheid verwerft, en deze als koning hun toepast 3. Dit

werk van Christus werd in de christ. theologie verschillend beschreven,

nu eens meer als verlichting of als mededeeling van nieuw leven, dan

weer als loskooping van de macht van Satan of als voldoening aan Gods

recht. De laatste voorstelling won vooral door Anselmus ingang en

ging, ofschoon belangrijk gewijzigd, over in de Protest. theologie 4.

Maar zij werd bestreden niet alleen door allerlei mystieke, maar ook

door vele rationalistische richtingen, en vooral door de Socinianen,

die alles aanvoerden wat er tegen de leer der voldoening te zeggen

viel 5. In de nieuwere philosophie en theologie werd zij daarom geheel

verworpen of in mystischen of ethischen zin gereconstrueerd 6. Maar

reeds door zijne namen wordt Jezus aangeduid als de middelaar Gods en

der menschen, die dit was naar zijne beide naturen, die van eeuwigheid

reeds door den Vader tot profeet, priester en koning gezalfd was en

deze ambten ook reeds bediende in de dagen des O. T. 7, zoodat de leer

van het munus triplex ten onrechte door Ritschl e. a. bestreden is 8.

Als zoodanig is Christus eene openbaring van Gods liefde maar tegelijk

van zijne gerechtigheid, die met de liefde niet strijdt 9, en in verband

met Gods heilige natuur, met de schrikkelijkheid der zonde, met het

onverbreekbaar karakter der zedewet de voldoening noodzakelijk maakt 10.

De Socinianen c. s. hebben deze noodzakelijkheid wel bestreden, maar

daarmede eene valsche tegenstelling tusschen recht en genade gemaakt

11. De offerande der voldoening, welke Christus bracht, bestond in zijne

volmaakte gehoorzaamheid, die niet uitsluitend, gelijk vroeger dikwerf,

o. a. met Piscator, als passieve te denken is maar ook de actieve omvat

12, en ook niet uitsluitend, zooals veelal in de nieuwere theologie,

als actieve mag opgevat worden doch ook de passieve inhoudt 13. Deze

gansche gehoorzaamheid draagt het karakter eener satisfactio en wel

van eene satisfactio vicaria 14, die tegen allerlei bedenkingen nadere

verklaring en verdediging behoeft 15, en wier mogelijkheid door den

weg des verbonds wordt geopend 16. Christus volbracht dit werk in den

staat der vernedering, van zijne ontvangenis af tot de nederdaling ter

helle toe 17, verwierf erdoor de gansche zaligheid met al de daaronder

begrepen weldaden van verzoening (ἱλασμος en καταλλαγη), rechtvaardig-,

heilig-, heerlijkmaking, die daarom niet tot één enkel begrip van

satisfactio, meritum, Erlösung of Versöhnung kunnen beperkt worden

18, en Hij verwierf deze, niet voor alle schepselen of menschen, gelijk

de universalisten beweerden en de Gereformeerden over het algemeen

bestreden 19, maar voor zijne gemeente, zooals de Schrift duidelijk leert

20, al is het ook dat het werk van Christus voor heel de schepping

beteekenis heeft 21. Dit werk, in den staat der vernedering volbracht,

voert Christus uit en past Hij toe in den staat der verhooging met zijne

verschillende trappen, die allereerst voor Christus zelven het loon op

zijn arbeid was 22, maar voorts ten goede komt van zijne gemeente, want

ook in den hemel blijft Hij haar profeet, priester en koning, totdat Hij

de gansche herschepping tot stand heeft gebracht 23.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 29 / 83 题