§ 43. _De Heilsorde_ bl. 425-485. Terwijl in de heidensche godsdiensten
de mensch zijn eigen zaligheid moet uitwerken, is het in de H. S. God
zelf, die den mensch opzoekt, hem in den weg des verbonds uit genade
zijne weldaden meedeelt en dan op grond daarvan hem tot eene nieuwe
gehoorzaamheid verplicht 1. Als Jezus optreedt met het evangelie
des koninkrijks, stelt Hij geen anderen eisch dan dien van geloof en
bekeering, welke ook zelve weer genadegaven Gods zijn. Want Hij is
het zelf, die door zijn dood al de goederen des koninkrijks voor de
zijnen verwierf en ze nu van uit den hemel hun meedeelt door den
H. Geest als werkmeester van het geloof en van een nieuw leven 2.
Deze leer der genade werd in de christ. theologie reeds spoedig,
vooral door Pelagius, ten bate van de wilsvrijheid, verzwakt 3, en
kwam, niettegenstaande de krachtige verdediging van Augustinus en in
weerwil van de handhaving der gratia praeveniens 4, ook in de Roomsche
theologie, van wege de semipelagiaansche richting, welke zij meer en
meer insloeg, niet tot haar recht 5. De Luthersche Reformatie kwam
daartegen in verzet maar verviel toch spoedig weer tot het synergisme
6. Veel beter werd de leer der genade, ook in de toepassing des
heils, door de Gereformeerden gehandhaafd 7, maar naast hen kwamen
toch de richtingen van mysticisme en rationalisme, van antinomianisme
en neonomianisme op, die de toepassing des heils met de verwerving
vereenzelvigden of er haar geheel van losmaakten 8, 9, en ook in de
nieuwe philosophie en theologie nog nawerken 10. De heilsorde echter,
welke den weg aanwijst, waarlangs de zondaar in het bezit van Christus
en zijne weldaden komt, loopt dan alleen zuiver, wanneer zij de beide
gevaarlijke klippen van het nomisme en het antinomisme vermijdt 11, en op
den grondslag der trinitarische belijdenis in de toepassing des heils
een werk des H. Geestes ziet, dat van de verwerving door Christus
wel onderscheiden maar niet gescheiden is, wijl de H. Geest alles uit
Christus neemt 12. De weldaden, welke Christus verwierf en door den H.
Geest toepast, kunnen alle saamgevat worden onder den naam van genade,
maar deze wordt door de Reformatie gansch anders dan door Rome opgevat
13, en bevat vele bijzondere weldaden, die langzamerhand in de dogmatiek
breeder werden uitgewerkt maar tot drie groepen te herleiden zijn 14.
§ 44. _Roeping en wedergeboorte_ bl. 485-511 vormen de eerste groep.
Gelijk God de schepping tot stand brengt door Woord en Geest, zoo
ook de herschepping. Hij roept in zekeren zin reeds door de natuur
(vocatio realis), maar toch vooral door zijn woord (vocatis verbalis)
1, welke roeping algemeen, ernstig en van groote waarde is 2. Maar
de vocatio verbalis zonder meer is niet voldoende en moet daarom op
grond van de H. S. in eene externa en interna onderscheiden worden 3,
en komt in laatstgemelden zin in het nauwste verband te staan met de
wedergeboorte, welke in engeren zin de instorting van het beginsel des
nieuwen levens is 4, en, zonder aan den mensch te kort te doen, het
pelagianisme bij den wortel afsnijdt en de genade, ook in de toepassing
des heils, onverzwakt handhaaft 5.
§ 45. _Geloof en rechtvaardigmaking_ bl. 511-552. De geestelijke mensch,
die in de wedergeboorte wordt ingeplant, komt te zijner tijd door de
verlichting des H. Geestes tot het geloof, dat, schoon eene gave Gods,
geen den mensch vreemde substantie noch een bovennatuurlijk toevoegsel
is maar hem, in overeenstemming met het nieuwe leven, aan het woord van
Christus bindt 1. Want het draagt in de Schrift een dubbel karakter,
het is een als waarheid aannemen van de apostolische getuigenis
aangaande Christus en het is een persoonlijk vertrouwen op Christus
als machtig, om de zonden te vergeven en alle weldaden der genade te
schenken; en deze beide staan met elkander in onlosmakelijk verband 2.
Ofschoon zij in leer en practijk dikwerf van elkander gescheiden worden,
behooren zij steeds saam te gaan, wijl er eenerzijds geen gemeenschap
aan Christus’ weldaden is dan na en door gemeenschap aan zijn persoon,
en anderzijds deze gemeenschap niet anders tot stand komt dan door
middel van de apostolische getuigenis 3. Van dat geloof is eene der
heerlijkste vruchten de rechtvaardigmaking, welke naar de Schrift niet
eene ethische, maar eene juridische daad is 4, haar grond heeft, niet
in des menschen, in eene ἰδια δικαιοσυνη, maar in eene δικαιοσυνη
θεου, welke in Christus geopenbaard is en gereed ligt, den mensch
door God uit genade wordt toegerekend en zijnerzijds door het geloof
wordt aangenomen 5. Wel wordt deze leer van de justitia imputata sterk
bestreden, maar deze bestrijding komt grootendeels voort uit eene geheel
verkeerde opvatting van de toerekening van Christus’ gerechtigheid 6.
Deze rechtvaardigmaking geschiedt in zekeren zin in het besluit, in de
opstanding van Christus, in de vocatio interna, maar heeft toch naar de
doorgaande voorstelling der H. S. vooral plaats uit en door het geloof
en staat juist als zoodanig tegen die uit de werken over 7. Zij omvat
niet alleen de volkomen vergeving van alle zonden, van schuld en straf
beide, hetgeen echter de dagelijksche belijdenis van schuld en bede om
vergeving niet te niet doet, maar voorts de aanneming tot kinderen en
de toekenning van het recht op het eeuwige leven 8.
§ 46. _Heiligmaking en volharding_ bl. 553-572. Op de rechtvaardigmaking
volgt de heiligmaking, die er wezenlijk van onderscheiden is, maar
er geen oogenblik van gescheiden mag worden, want Christus schenkt
zichzelven aan de zijnen niet alleen objectief maar ook subjectief (unio
mystica) 1. Deze heiligmaking is in de eerste plaats een werk Gods,
bestaande niet alleen in uitwendige afzondering van de wereld maar ook
in inwendige vernieuwing door den H. Geest, zonder dat deze daarom in
eens of allengs in dit leven reeds hare voltooiing bereiken zou; maar
voorts is zij ook een werk van de geloovigen, in zoover deze op grond
van de ontvangen weldaden geroepen worden, zichzelven te heiligen en
goede werken voort te brengen als vruchten van hun geloof 2. Evenzoo is
de volharding der heiligen eene daad en eene gave Gods, maar die door
de geloovigen zelven heen, in den weg der middelen, zich realiseert, en
daarom hunne zelfwerkzaamheid niet uitsluit maar hun wel rijken troost
en zekerheid biedt 3.