HOOFDSTUK VI. OVER DE WERELD IN HAAR GEVALLEN STAAT.

§ 35. _De voorzienigheid_ bl. 1-34. Het werk der schepping gaat in het

werk der voorzienigheid over, dat in de H. S. duidelijk geleerd wordt

maar ook ten deele uit de natuur bekend is 1. Toch is de christ. leer

der voorzienigheid eene andere dan die der wijsbegeerte, al ontleende

zij daaraan ook den in de H. S. niet gebruikelijken naam. Want de

providentia, als executio ordinis van de bij den raad Gods behoorende

ratio ordinis wel te onderscheiden, is geen nuda praescientia maar

eene almachtige en alomtegenwoordige daad Gods 2, die noodlot en

toeval, pantheisme en deisme beide vermijdt 3, als onderhouding zoowel

het verband met als het onderscheid van de schepping handhaaft 4, als

medewerking de eigen natuur der schepselen met hare causae secundae

juist door hunne volstrekte afhankelijkheid van God waarborgt 5, en als

regeering heel de schepping, ook door den val in zonde heen, heenleidt

tot het door God vastgestelde einde 6.

§ 36. _De oorsprong der zonde_ bl. 34-72 ligt volgens de H. S.

niet in God, al schiep Hij ook de mogelijkheid der zonde, maar in

vrijwillige overtreding van Gods gebod, waartoe de mensch wederom door

den gevallen engel verleid werd 1. Ofschoon zulk een val buiten de

bijzondere openbaring niet geheel onbekend is, heeft men de zonde toch

gewoonlijk anders trachten te verklaren, hetzij deistisch uit den altijd

vrij en onschuldig blijvenden wil, zooals ook Pelagius deed 2, 3, of

pantheistisch uit de natuur der dingen, en wel uit de zinlijkheid van

den mensch, of uit den kosmos, of uit God 4. Al deze verklaringen

echter zijn onbevredigend, zoowel die uit den altijd vrijen wil en uit

de zinlijkheid 5, als die uit de wereld en uit God 6. Wel gaat Gods

voorzienigheid ook over de zonde, en niet met eene nuda doch met eene

efficax permissio. Maar de zonde, waarbij de materia en de forma wel

te onderscheiden zijn, heeft toch in God niet haar causa efficiens 7.

Hij wilde, dat zij zijn zou, maar Hij wilde ze niet als zonde en niet op

dezelfde wijze, als Hij het goede wil en als menschen haar willen 8. De

oorsprong der zonde ligt in den wil van het schepsel, dat veranderlijk

goed en met de mogelijkheid, om te zondigen, geschapen was en die

mogelijkheid op onbegrijpelijke wijze in werkelijkheid deed overgaan 9. Deze

val was niet eeuwig en had ook niet in het moment der schepping maar,

hetzij langer of korter tijd na de schepping, eerst bij de engelen en

daarna bij de menschen plaats 10.

§ 37. _Het wezen der zonde_ bl. 72-104. Do eerste zonde sloot reeds

alle andere in zich en maakte haar waren aard openbaar 1, die volgens

de namen en de beschrijving van de zonde in de H. S. in ἀνομια bestaat

en dus haar maatstaf heeft in Gods wet 2. Dienovereenkomstig vatte de

christ. kerk de zonde, tegen alle richtingen die in haar een substantie

of een noodzakelijk, voorbijgaand ontwikkelingsmoment zagen, als eene

privatio op 3, die daarom alleen aan het goede kan bestaan, als eene

deformitas te beschouwen is en den wil tot haar eigenlijk subject heeft

4. Ofschoon één in wezen, zijn de zonden toch in graad onderscheiden.

Er zijn duivelsche en menschelijke zonden 5, en de laatste verschillen

weer, naarmate zij met meer of minder kennis en opzet, tegen God of

den mensch, in verzwarende of verzachtende omstandigheden gepleegd

zijn. Daarom zijn ze ook verschillend in te deelen, maar de Roomsche

onderscheiding in peccata mortalia en venialia is te verwerpen 6, en de

lastering tegen den H. Geest draagt een bijzonder karakter 7.

§ 38. _De verbreiding der zonde_ bl. 104-154. Schrift en ervaring

leeren beide, dat de zonde gansch algemeen is, en dus over alle

menschen en in den enkelen mensch over zijn gansche wezen zich

uitbreidt, en dat krachtens hun afstamming uit den eersten mensch

1. De christ. kerk bouwde daarop de leer der erfzonde, die door het

Pelagianisme wel geloochend 2, en door het Semipelagianisme verzwakt

werd 3, maar vooral door Augustinus ontwikkeld en verdedigd, en, na

miskenning door Rome 4, door de Reformatie weder opgenomen werd 5. Tot

recht verstand is de erfzonde te onderscheiden in peccatum originans en

peccatum originatum; de eerste is de toerekening van Adams zonde aan

al zijne nakomelingen op grond niet alleen van hun physische maar ook

van hun foederale eenheid 6. De tweede is een gevolg en in zekeren zin

een straf der eerste, bestaande in algeheele zedelijke verdorvenheid 7,

die niet door imitatie maar door generatie, gelijk ook de nieuwere leer

der herediteit tot op zekere hoogte erkent, het deel van alle menschen

wordt 8, ook van Maria doch niet van Christus 9, en in den enkelen

mensch ziel en geest en lichaam en alle vermogens en krachten heeft

aangetast en hem onbekwaam maakt tot alle geestelijk goed 10.

§ 39. _De straf der zonde_ bl. 155-186. De straf, welke door God op de

eerste zonde gedreigd werd, is door tusschenkomende genade uitgesteld

en gewijzigd. Maar toch wordt zij, ook reeds op aarde, ten deele

voltrokken, tot herstel en handhaving van het recht Gods 1, en bestaat

altijd in zeker lijden, dat den overtreder toegevoegd wordt en hem buigen

doet onder het recht 2. Zij omvat schuld, d. i. verbintenis tot straf

3, smet, d. i. zedelijke verdorvenheid 4, lijden naar lichaam en ziel 5,

dood, d. i. scheiding van ziel en lichaam 6, en heerschappij van Satan 7.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 28 / 83 题