§ 9. _Algemeene Openbaring_ bl. 215-244. Openbaring is een religieus
begrip, dat alleen in het theisme te handhaven is 1, en bestaat in
het algemeen in eene daad Gods, waardoor Hij den mensch tot zichzelven
in eene religieuse verhouding plaatst 2. De onderscheiding in
natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring is reeds van de oudste
kerkelijke schrijvers afkomstig, maar werd bij Rome tot eene rationeele
tegenstelling 3, die door de Reformatie wel gewijzigd werd, maar toch
in het Socinianisme enz. bleef voortleven en heel het begrip der
openbaring ondermijnde 4. De Schrift maakt geen begripmatig onderscheid
tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, wijl alle openbaring
het persoonlijk, boven de natuur verheven bestaan Gods erkent, en alleen
verschilt in de middelen, waardoor zij tot ons komt 5. Bovennatuurlijke
openbaring is niet met onmiddellijke identisch, want alle openbaring
geschiedt middellijk, maar verschilt van de natuurlijke in de wegen,
waarlangs zij tot ons komt. Daarom verdient de onderscheiding van
algemeene en bijzondere openbaring de voorkeur 6. De algemeene
openbaring is onvoldoende, wijl zij niets bevat van Gods genade in
Christus 7, maar is toch voor de Heidenwereld 8, 9, en ook voor de
gemeente van groote waarde.
§ 10. _Bijzondere Openbaring_ bl. 224-295. Gelijk alle godsdiensten,
beroept het Christendom zich op eene bijzondere openbaring, φανερωσις,
ἀποκαλυψις, die op drieërlei wijze geschiedt 1, door theophanie
2, profetie (spreken Gods, lot, urim, droom, visioen, inwendige
verlichting) 3, wonderen 4. De H. Schrift doet ons daarmede de
bijzondere openbaring kennen, niet als loutere mededeeling van leer
of als religieuse inspiratie of als instorting van nieuw leven of
als bewustwording Gods in den menschelijken geest 5, maar als een
systeem van woorden en daden Gods, die zich concentreeren in den
persoon van Christus en na zijne verschijning en na de voltooiing der
Schrift gewijzigd, in de bedeeling des H. Geestes zich voortzetten
en voltooien. 6. In dezen rijken zin wordt zij echter miskend, zoowel
door het abstracte supranaturalisme van Rome enz., 7, 8, als door
het rationalistisch naturalisme 9, dat echter onvoldoende is ter
verklaring van de openbaringsverschijnselen 10, en in een pantheistisch
of materialistisch monisme zijn grond heeft 11. Maar dit monisme wordt
door eene juiste natuurbeschouwing zoowel 11, als door de Schrift
weersproken; in haar wereldbeschouwing neemt de bijzondere openbaring
eene passende, harmonische plaats in 12.
§ 11. _De Heilige Schrift_ bl. 295-362. De bijzondere openbaring, die
historie is en als zoodanig voorbijgaat, wordt tot de menschheid en
wereld uitgebreid, doordat zij in den vorm der Schrift optreedt 1. De
Schrift is daarom niet al de openbaring noch ook slechts oorkonde
der openbaring maar de laatste acte, de sluitsteen der openbaring 2.
Want de openbaring valt in haar geheel in twee bedeelingen uiteen; de
eerste brengt de vleeschwording van den Logos en de Schriftwording
van zijn woord tot stand, de tweede past de schatten van Christus en
van zijn getuigenis in de gemeente toe, die daarom met die Schrift
steeds in levend, organisch verband staat 3. Van die Schrift is de
Goddelijke ingeving steeds door de kerk beleden, van de oudste tijden
af 4, door de scholastiek 5, door de Roomschen 6, de Hervormers 7,
maar ook dikwerf van buitenaf bestreden en dan tot eene dualistische
of dynamische inspiratie verzwakt of ook geheel ontkend 8. De Schrift
leert echter duidelijk hare eigene inspiratie, zoowel in het Oude
Test. 9, en in het N. T. aangaande het O. T. 10, als ook in het N. T.
aangaande zichzelf 11 en geeft zich daarom uit voor het Woord Gods
12. Dit zelfgetuigenis der Schrift is onwraakbaar 13, onderscheidt de
inspiratie, waardoor de Schrift ontstond, van alle andere, geniale
inspiratie, van Gods immanente werkzaamheid in de wereld, van revelatie
en van wedergeboorte, al staat ze ook met al deze in verband 14. Zij is
een spreken Gods door middel van profeten en apostelen, echter niet
in mechanischen maar in organischen zin 15, en niet tot bezieling der
personen of tot ingeving van hoofdzaken te beperken 16. De bezwaren,
tegen deze inspiratie ingebracht, staan zonder twijfel voor een deel
in verband met de vijandschap van het menschelijk hart 17, en worden
anderdeels verminderd door eene organische opvatting 18, en door eene
duidelijke omschrijving van het doel, waartoe de Schrift gegeven is 19.
§ 12. _Eigenschappen der Schrift_ bl. 363-415. De leer der
eigenschappen van de Schrift ontwikkelde zich in den strijd tegen Rome,
dat de verhouding van Schrift en kerk gansch anders dan de Hervorming
bepaalt 1, 2. Het _gezag_ der Schrift rust bij Rome op de kerk 3,
en volgens de Reformatie, zonder miskenning van de paedagogische
beteekenis der kerk, op de Schrift zelve 4. Hoewel bij dat gezag de
auctoritas historiae et normae te onderscheiden is 5, is zijn Goddelijk
karakter toch niet voor een menschelijk, historisch, zedelijk gezag in
te ruilen 6. Want in de religie is een Goddelijk gezag, dat echter
heel iets anders is dan geweld, onmisbaar 7. De _noodzakelijkheid_ der
Schrift wordt door Rome, door vele mystieke richtingen 8, en ook door
Schleiermacher ontkend 9, maar staat toch vast, wijl de kerk altijd
rustte op een ongeschreven of geschreven Woord Gods 10, zonder zulk een
woord tot dwaling en leugen vervalt 11, en daaraan in deze bedeeling
steeds behoefte blijft houden 12. De _duidelijkheid_ der Schrift wordt
eveneens door Rome ten bate der kerk verworpen 13, maar is, goed
opgevat, op de Schrift zelve gegrond, door de oude kerk algemeen
erkend 14, en ter handhaving van de vrijheid des Christens 15, en van
de facultas S. Scr. se ipsam interpretandi van de grootste beteekenis
16. De _genoegzaamheid_ der Schrift eindelijk, door Rome ten gunste der
traditie bestreden 17, die echter ten slotte geen ander kenmerk voor
hare waarheid behoudt dan de pauselijke uitspraak 19, en de Schrift aan
de kerk, dat is aan den paus onderwerpt 19, werd door de Hervorming
wederom tegenover de traditie gehandhaafd 20, wijl zij door de Schrift
zelve geleerd wordt en met den aard der tegenwoordige bedeeling
overeenkomt 21, zonder dat daarmee het betrekkelijk recht der traditie
wordt ontkend 22.