HOOFDSTUK III. PRINCIPIUM INTERNUM.

§ 13. _Beteekenis van het principium internum_ bl. 416-421. Aan het

objectief principe moet een subjectief beantwoorden, dat bij ieder van

kindsbeen af in overeenstemming met den godsdienst, waarin hij geboren

is, een bepaalden vorm aanneemt 1, en in zijn diepsten grond schier

aan alle onderzoek zich onttrekt 2. Daarom worden voor het geloof

ook vele en verschillende gronden genoemd (historisch-apologetische,

speculatieve, ethisch-practische), die echter de zelfstandigheid der

religie en het werk des Geestes miskennen 3.

§ 14. _De historisch-apologetische methode_ bl. 423-431 werd vooral

door Rome 1, en door verschillende supranaturalistische richtingen

toegepast 2, maar is, schoon eene geloovige apologetiek recht van

bestaan heeft, theoretisch en practisch onhoudbaar 3.

§ 15. _De speculatieve methode_ bl. 431-444, door Hegel 1, door de

Vermittlungstheologie 2, en in gewijzigden vorm door Hofmann en Frank

gevolgd 3, bood wel belangrijke voordeelen boven de apologethische, maar

verviel in de dwaling der oude gnostiek en offerde het zijn aan het

denken, de historie aan de idee op 4. Ook de poging van Frank, om de

objectieve waarheid der dogmata uit de subjectieve zekerheid van den

Christen af te leiden, is niet geslaagd 5, en berust op eene onjuiste

Erkenntnistheorie 6.

§ 16. _De ethisch-psychologische methode_ bl. 444-465, schoon van ouds

gebruikelijk, kwam in eere door Pascal en Vinet 1. Zij is verwant aan het

moreele bewijs van Kant 2, en vindt in dezen vorm bij velen hier te lande

3, en vooral ook bij Ritschl en Lipsius c. s. steun 4, 5. Maar, ofschoon

religie het element van den troost niet missen kan, ervaring des harten

kan 6, evenmin als religieuse waardeering, bewijs voor de waarheid der

religie zijn 7, en leidt bovendien tot een onhoudbaar dualisme tusschen

gelooven en weten 8.

§ 17. _Het geloof_ bl. 465-484. Wijl het principium internum aan het

princ. ext. beantwoorden moet, kan het niet liggen in den natuurlijken,

maar alleen in den door Gods Geest verlichten mensch, zoodat de

dogmaticus daarmede een subjectief standpunt inneemt 1. De Schrift

noemt als dit princ. internum het geloof, dat een acte van het

bewustzijn is, verwant aan het geloof op natuurlijk terrein 2, maar

daarvan toch wel te onderscheiden 3, en ook niet met nudus assensus te

vereenzelvigen 4. Dat geloof brengt eene eigen zekerheid mede 5, die

naast de wetenschappelijke en moreele zekerheid recht van bestaan heeft

6.

§ 18. _De grond des geloofs_ bl. 484-509. Wijl dit geloof door geen

bewijzen of redeneeringen, maar alleen door Gods genade gewerkt kan

worden 1, neemt Rome daarmede in beginsel hetzelfde subjectieve

standpunt in als de Hervorming 2. Het testimonium Sp. S. is de laatste

grond des geloofs, gelijk de Hervorming, inzonderheid Calvijn, erkende

maar het rationalisme ten onrechte bestreed 3. Want het komt overeen

met het getuigenis, dat onze geest in het algemeen aan de waarheid

geeft 4, beantwoordt aan de bijzondere openbaring in Christus en

handhaaft hare autopistie 5. Het sluit voorts het argumenteeren niet

uit, is sterk als getuigenis der gansche Christenheid, onderstelt de

wedergeboorte en komt daaruit op spontaan en vrij 6. Ook heeft het niet

eenzijdig betrekking op de autoriteit der H. S., maar staat met heel het

geloofsleven in verband, verzekert subjectief van al de waarheid Gods

en daarin ook van de divinitas der H. S. 7, en wordt door de onderlinge

verschillen der Christenen niet van zijne waarheid beroofd 8.

§ 19. _Geloof en Theologie_ bl. 509-532. Ofschoon in het geloof

zeker van de waarheid, streefde de christelijke kerk toch altijd,

niettegenstaande alle bestrijding, naar eene wetenschappelijke theologie

1, die dan ook, in weerwil van haar vele afdwalingen, recht van bestaan

heeft en zonder welke de openbaring, de religie, de dogmenhistorie, de

kerk gevaar loopen van miskenning 2. Deze theologie is een vrucht van

het denkend bewustzijn der gemeente en heeft de hulp der philosophie

van noode 3. Geloof is daarom van theologie onderscheiden, gelijk ook

vroeger blijkens de leer van de fides implicita 4, de onderscheiding

van theologia infusa en acquisita en die tusschen fundamenteele en

nietfundamenteele artikelen aangenomen werd 5. Maar beider verwantschap

is even groot als hun verschil 6. En wijl de theologie niet in het

geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar oorsprong heeft,

is ter harer beoefening de ontwikkelde rede en dus de philosophie

onmisbaar 7, al is het ook, dat de kennis, welke de theologie

verschaft, nooit een begrijpen wordt en in bewondering van het mysterie

eindigt 8.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 23 / 83 题