5. Reeds in het Oude Test. zijn er vele aanwijzingen voor eene andere en

betere verklaring, dan het Chiliasme van de profetische verwachtingen

biedt. Zelfs de moderne geschiedbeschouwing van Israel erkent, dat

het Jahvisme der profeten door zijn zedelijk karakter zich onderscheidt

van de natuurgodsdiensten en allengs aan de godsdienstige wetten en

gebruiken onder Israel een geestelijke beteekenis heeft geschonken.

De ware besnijdenis is die des harten, Deut. 10:16, 30:6, Jer. 4:4;

de offeranden, die Gode aangenaam zijn, zijn een gebroken hart en een

verslagen geest, 1 Sam. 15:22, Ps. 40:7, 50:8v., 51:19, Hos. 6:6, Am.

5:21v., Mich. 6:6v., Jes. 1:11v., Jer. 6:20, 7:21v. enz.; het ware

vasten is het losmaken van de strikken der goddeloosheid, Jes. 58:3v.,

Jer. 14:12; voor een groot deel is de strijd der profeten tegen den

uitwendigen, eigengerechtigen cultus van het volk gericht. Het wezen

van de bedeeling der toekomst bestaat dan ook daarin, dat de Heere een

nieuw verbond met zijn volk zal oprichten, dat Hij hun een nieuw hart

zal schenken en daarin zijne wet zal schrijven en dat Hij op allen zijnen

Geest zal uitstorten, zoodat zij Hem liefhebben met hun gansche hart

en in zijne wegen wandelen, Deut. 30:6, Jer. 31:32, 32:38v., Ezech.

11:19, 36:26, Joel 2:28, Zach. 12:10. En wel wordt nu die toekomst

geschilderd in beelden, aan de historische omstandigheden ontleend,

zoodat Zion en Jeruzalem, tempel en altaar, offerande en priesterschap

daarin eene groote plaats blijven innemen. Maar 1º bedenke men, dat ook

wij hetzelfde doen en van God en Goddelijke zaken, van geestelijke en

hemelsche dingen niet anders kunnen spreken dan in aardsche, zinnelijke

vormen. De Oudtest. eeredienst is door God ook daartoe ingesteld, opdat

wij niet in eigengemaakte maar in door Hemzelf ons gegeven, juiste

beelden van de hemelsche dingen naar waarheid zouden kunnen spreken.

Het Nieuwe Test. neemt daarom ook dit spraakgebruik over en gewaagt in

het toekomstige Godsrijk van Zion en Jeruzalem, van tempel en altaar,

van profeten en priesters; het aardsche is een beeld van het hemelsche,

Alles Vergängliche ist nur ein Gleichniss. Men vergete 2º niet, dat

alle profetie poezie is, die naar haar eigen natuur verklaard moet

worden. De fout van de vroeger heerschende exegese bestond niet in

hare vergeestelijking zonder meer, maar wel daarin, dat zij alle tot

illustratie dienende détails in een geestelijken zin wilde omzetten en

daarbij, evenals bij de gelijkenissen van Jezus, de hoofdgedachte dikwerf

uit het oog verloor. Als er bijv. gezegd wordt, dat de Heere een rijsje

verwekken zal uit den afgehouwen tronk van Isaï, dat Hij den berg

Zions verheffen zal op den top der bergen, dat Hij van de verbannenen

één uit eene stad en twee uit een geslacht zal wederbrengen, dat Hij

rein water op allen sprengen en hen van hunne zonden reinigen zal,

dat Hij de bergen van zoeten wijn zal doen druipen en de heuvelen zal

doen vlieten van melk enz., dan gevoelt elk, dat hij hierin met eene

poëtische beschrijving te doen heeft, die niet letterlijk kan of mag

worden opgevat. De realistische verklaring komt hier met zichzelve in

strijd en miskent het karakter der profetie. Ook is het 3º onjuist, dat

de profeten zelf het onderscheid van zaak en beeld zich volstrekt niet

bewust zouden geweest zijn. Niet alleen zijn de bovengenoemde poëtische

omschrijvingen zonder twijfel door de profeten als beeld opgevat, maar

met de namen van Sodom, Gomorra, Edom, Moab, Philistea, Egypte, Assur,

Babel duiden zij meermalen de macht der Heidenwereld aan, die eens aan

Israel onderworpen zal worden en in zijne zegeningen zal deelen, Ob.

16, 17, Jes. 34:5, Ezech. 16:46v., Dan. 2, 7v., Zach. 14:21. Zion is

dikwerf de naam voor het volk, voor de gemeente Gods, Jes. 49:14, 50:1,

51:3, 52:1, 54:1. En al kan de Oudtest. profetie zich het toekomstige

Godsrijk niet voorstellen zonder tempel en offerande, toch gaat zij

telkens boven alle nationale en aardsche verhoudingen uit en verkondigt

zij, dat er geen ark des verbonds meer wezen zal, wijl heel Jeruzalem

Gods troon is, Jer. 3:16, 17, dat het rijk van den Messias eeuwig zal

zijn en de gansche wereld omvatten, Ps. 2:8, 72:8, 17, Dan. 2:44, dat

alle inwoners profeten en priesters zullen zijn, Jes. 54:13, 61:6, Jer.

31:31, dat alle onreinheid en zonde, alle krankheid en dood er gebannen

zal zijn, 25:8, 33:24, 52:1, 11, Zach. 14:20, 21, Ps. 104:35, dat het

gesticht zal worden in een nieuwen hemel en op eene nieuwe aarde, en

geen zon of maan meer noodig zal hebben, Jes. 60:19, 20, 65:17, 66:22.

Zelfs het realistische toekomstbeeld van Ezechiel bevat elementen, die

eene symbolische verklaring noodzakelijk maken; de gelijke deelen, die

aan alle stammen, schoon zeer onderscheiden in getalsterkte, worden

toegewezen; de afgepaste strooken, die voor priesters, levieten en

vorst bestemd zijn; de scheiding van tempel en stad, de hooge ligging

van den tempel op een berg en de beek, die van onder den dorpel van

de oostelijke tempeldeur naar de doode zee stroomt; en ten slotte

de kunstmatige ineenzetting en de practische onuitvoerbaarheid, zij

verzetten zich tegen eene zoogenaamd realistische uitlegging. Eindelijk

4º is het bij de exegese des Ouden Testaments de vraag niet, of de

profeten zich geheel of ten deele bewust waren van het symbolisch

karakter hunner voorspellingen, want zelfs in het woord van klassieke

schrijvers ligt meer, dan zijzelven erbij gedacht of ermede bedoeld

hebben. Maar wel is het de vraag, wat de Geest van Christus, die in hen

was, ermede betuigden en openbaren wilde. Dat nu wordt uitgemaakt door

het Nieuwe Testament, dat de voltooiing, de vervulling en daarom de

verklaring van het Oude is, want in de vrucht wordt de natuur van den

boom openbaar. Zelfs de moderne kritiek erkent, dat niet het Jodendom

maar dat het Christendom de volle verwezenlijking is van de religie der

profeten.

Hierover kan toch geen twijfel bestaan, dat het N. Testament zichzelf

beschouwt als de geestelijke en dus als de volkomene en waarachtige

vervulling van het Oude Testament. Het vergeestelijken van het O. T.,

mits in goeden zin verstaan, is niet een uitvindsel van de christelijke

theologie, maar heeft in het N. T. zelf een aanvang genomen. Het

vergeestelijkte Oude Testament, dat is, het Oude Testament van zijn

tijdelijken, zinnelijken vorm ontdaan, is het Nieuwe Testament. De

eigenaardigheid van de oude bedeeling was juist, dat het verbond der

genade onder aanschouwelijke beelden voorgesteld en in nationale,

zinnelijke vormen ingekleed werd. Zonde werd gesymboliseerd in de

levietische onreinheid. Verzoening kwam tot stand door de offerande

van een geslacht dier. Reiniging werd afgeschaduwd in lichamelijke

wasschingen. Gemeenschap met God was gebonden aan het opgaan naar

Jeruzalem. Behoefte aan Gods gunst en nabijheid uitte zich in een

verlangen naar zijne voorhoven. Het eeuwige leven werd gedacht als een

lang leven op aarde enz. Al het geestelijke, hemelsche en eeuwige werd

overeenkomstig de vatbaarheid van Israel, dat als een kind onder de

tucht der wet was gesteld, in aardsche schaduwen gehuld. Ofschoon de

groote massa des volks dikwerf bij die uitwendige vormen staan bleef,

evenals vele Christenen in het sacrament aan het teeken blijven hangen,

drongen de vrome Israelieten met hunne harten wel tot de geestelijke

kern door, die in de schaal verborgen was, maar toch zagen ook zij dat

geestelijke niet anders dan in schaduw en beeld. Daarom zegt het Nieuwe

Testament, dat het Oude was σκια των μελλοντων, το δε σωμα Χριστου,

Col. 2:17, ὑποδειγμα και σκια των ἐπουρανιων, Hebr. 8:5. De schaduw

is het lichaam niet, maar wijst toch heen naar het lichaam, en valt

weg, als dit zelf gekomen is. Het Nieuwe Testament is de waarheid,

het wezen, de kern, de eigenlijke inhoud van het Oude Testament; Vetus

Test. in Novo patet, Novum Test. in Vetere latet. Daarom is er in het

N. Test. zoo telkens van de waarheid sprake. Tegenover de wet, die door

Mozes is gegeven, staat de waarheid, die in Jezus Christus geworden is,

Joh. 1:14, 17. Hij is de waarheid, Joh. 14:6; de Geest, dien Hij uitzond,

is de Geest der waarheid, Joh. 16:13, 1 Joh. 5:6; het woord Gods, dat

Hij predikte, is het woord der waarheid, Joh. 17:17; het onder het O.

Test. beloofde en afgeschaduwde heilsgoed is in Christus als eeuwige,

waarachtige realiteit voor allen openbaar geworden; alle beloften

Gods zijn in Hem ja en amen, 2 Cor. 1:20; het Oude Testament is niet

afgeschaft maar is in de nieuwe bedeeling tot zijne vervulling gekomen

en komt daarin nog altijd door tot vervulling tot op de parousie van

Christus toe. Christus is daarom de ware profeet, priester en koning;

de echte knecht des Heeren, het ware zoenoffer, Rom. 3:25, de ware

besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7, de waarachtige

offerande, Ef. 5:2, en zijne gemeente is het ware zaad Abrahams, het

ware Israel, het ware volk Gods, Mt. 1:21, Luk. 1:17, Rom. 9:25, 26,

2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:29, Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, Jak. 1:1, 18, 1

Petr. 2:9, Op. 21:3, 12, de ware tempel Gods, 1 Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16,

Ef. 2:22, 2 Thess. 2:4, Hebr. 8:2, het ware Zion en Jeruzalem, Gal.

4:26, Hebr. 12:22, Op. 3:12, 21:2, 10; haar geestelijke offerande is

de ware godsdienst, Joh. 4:24, Rom. 12:1, Phil. 3:3, 4:18, cf. deel

III 217. Alle begrippen des Ouden Testaments leggen hun uitwendige,

nationaal-israelietische beteekenis af en worden in hun geestelijken,

eeuwigen zin openbaar; het semietische behoeft niet meer door ons,

gelijk Bunsen wilde, in het japhetische te worden overgezet; het N.

Test. zelf heeft aan de particularistische ideeën des O. Test. eene

universalistische, kosmische beteekenis gegeven. Geheel verkeerd is

dus de beschouwing van het Chiliasme, volgens welke het N. Test. met

de gemeente uit de Heidenen een intermezzo is, een zijweg, die door God

is ingeslagen, omdat Israel zijn Messias verwierp, zoodat de eigenlijke

voortzetting en vervulling des Ouden Testaments eerst bij de tweede

komst van Christus een aanvang zou nemen. Veeleer is het omgekeerde

waar. Niet het Nieuwe, maar het Oude Testament is een tusschenbedrijf.

Het verbond met Israel is tijdelijk, de wet is tusschen de belofte aan

Abraham en hare vervulling in Christus ingeschoven, opdat zij de misdaad

vermeerderen en als een tuchtmeester tot Christus opleiden zou, Rom.

5:20, Gal. 3:19. Daarom gaat Paulus altijd tot Abraham terug, Rom.

4:11v., Gal. 3:6v., en knoopt aan de belofte, die tot hem is geschied,

zijn evangelie vast. Abraham is de vader van de geloovigen, van alle

geloovigen, niet alleen uit de Joden maar ook uit de Heidenen, Rom.

4:11; de kinderen der belofte zijn zijn zaad; Rom. 9:6-8; de zegening van

Abraham komt in Christus tot de Heidenen, Gal. 3:14; wie van Christus

zijn, zijn Abrahams zaad en naar de beloftenis erfgenamen, Gal. 3:29.

Het volk van Israel is in de dagen des O. Test. tijdelijk verkoren,

opdat het heil straks in de volheid des tijds aan heel de wereld ten

goede zou komen. Israel is niet verkoren tot schade maar ten bate der

volken. De belofte aan Adam en Noach had van haar eerste begin af eene

universalistische strekking en heeft deze, na haar tijdelijke, wettische

gedaante onder Israel te hebben afgelegd, in Christus ten volle voor

alle natiën geopenbaard. Het voorhangsel is gescheurd, de scheidsmuur

is gevallen, het handschrift der wet is aan het kruis genageld; en nu

zijn de geloovigen uit de Heidenen met die uit de Joden medeërfgenamen,

medeburgers der heiligen, huisgenooten Gods, nabij geworden in Christus,

en op hetzelfde fundament van apostelen en profeten gebouwd, Ef.

1:9-11, 2:11-22. Het Nieuwe Testament is daarom geen intermezzo, geen

tusschenbedrijf, geen zijweg, geen afbuiging van de lijn des O. Verbonds,

maar het lang te voren beoogde doel, de directe voortzetting, de

waarachtige vervulling van het Oude Testament. Het Chiliasme, anders

oordeelende, komt met het Christendom zelf in conflict. Principieel

beschouwd, is het met het Judaisme één en moet er toe komen, om aan

het Christendom, aan den historischen persoon van Christus, aan zijn

lijden en sterven, eene tijdelijke, voorbijgaande waarde toe te kennen

en de eigenlijke zaligheid eerst te verwachten van Christus’ tweede

komst, van zijne verschijning in heerlijkheid. Evenals het Judaisme,

maakt het het geestelijke aan het stoffelijke, het ethische aan het

physische ondergeschikt, stijft de Joden in hun vleeschelijke gezindheid,

verontschuldigt hunne verwerping van den Messias, verzwaart het

deksel, dat op hun aangezicht ligt bij het lezen des Ouden Testaments,

en bevordert de inbeelding, dat de vleeschelijke afstammeling van

Abraham nog als zoodanig een prerogatief zal hebben in het koninkrijk

der hemelen. De Schrift echter zegt, dat de ware lezing en verklaring

van het O. Test. te vinden is bij hem, die tot den Heere Christus is

bekeerd, 2 Cor. 3:14-16, dat die een Jood is, die het in het verborgene

is en de besnijdenis des harten deelachtig, Rom. 2:29, dat er in

Christus geen man of vrouw, geen Jood of Griek is, maar dat zij allen

één zijn in Christus Jezus, 1 Cor. 12:13, Gal. 3:28, Col. 3:11. De Jood,

die Christen wordt, was niet maar werd door zijn geloof een kind van

Abraham, Gal. 3:29. Cf. tegen het Chiliasme: Augustinus, de civ. XX c.

6-9. Luther bij Köstlin II 564 f. Gerhard, Loc. XXIX c. 7. Quenstedt,

Theol. IV 649. Calvijn, Inst. III 25, 5. Walaeus, Op. I 537-554.

Voetius, Disp. II 1248-1272. Turretinus, Theol. El. XX qu 3. Moor VI

149-162. Hengstenberg in zijn comm. op de Openb. van Johannes. Keil op

Ezechiel 1868 S. 495 f. Kliefoth, Eschatologie 1886 S. 147 f. Philippi,

Kirchl. Gl. VI 214 f. Hodge, Syst. Theol. III 805-812. 861-866. Kuyper,

Heraut 981-1003 enz.

6. Ofschoon hiermede in het algemeen het resultaat reeds volkomen

vaststaat, dat het Nieuwe Testament antichiliastisch is, Kuenen, Prof.

II 271, moet dit toch nog in bijzonderheden nader worden aangetoond.

Het Chiliasme sluit de verwachting in, dat er tegen de wederkomst van

Christus eene volksbekeering van Israel zal plaats hebben, dat de Joden

dan naar Palestina terug zullen keeren, en vandaar uit onder Christus

over de volken heerschen zullen. Daarbij is er onder de chiliasten

verschil over, of de bekeering aan den terugkeer of deze aan gene zal

voorafgaan, cf. bijv. Guers, Israels toekomst en herstel 171. Wijl

het moeilijk te denken is, dat de verstrooide Joden eerst successief

bekeerd worden en dan samen het plan opvatten, om naar Palestina te

gaan, meenen sommigen, dat de Joden eerst langzamerhand naar Kanaän

terugkeeren en daar dan later gezamenlijk tot Christus zullen bekeerd

worden, of trachten anderen beide gevoelens zoo te vereenigen, dat

er eerst een groot deel van de Joden naar Palestina trekken, en dat

dezen, na eerst stad en tempel en eeredienst hersteld te hebben en

daarna tot Christus bekeerd te zijn, langzamerhand door hunne andere

volksgenooten gevolgd worden. En zij wijzen erop, dat deze verwachting

aanvankelijk reeds vervuld wordt. Er zijn reeds duizenden Joden in

Palestina; de Oostersche quaestie gaat hare oplossing tegemoet, want

Turkije dankt zijn bestaan alleen aan den onderlingen naijver der groote

mogendheden; en wordt Turkije eenmaal vernietigd, dan is er alle kans,

dat Palestina toegewezen wordt aan de Joden, aan wie het rechtmatig

toekomt; voorts werkt er in vele Joden, gelijk uit het in laatsten tijd

opgetreden Zionisme blijkt, een verlangen, om naar Palestina terug te

keeren en daar een zelfstandig rijk te vormen; en eindelijk maakt de

groote verbetering der verkeermiddelen, die men reeds in Nah. 2:3, 4,

Jes. 11:16, 66:20 voorspeld acht, zulk een terugkeer ook eenvoudig en

gemakkelijk. Hoe men nu ook oordeele over deze politieke combinatiën,

het Nieuwe Testament biedt aan zulk eene verwachting niet den minsten

steun. Toen de volheid des tijds gekomen was, stonden de Joden, als volk

beschouwd, met de Heidenen op ééne lijn; zij waren samen verdoemelijk

voor God, omdat zij eene eigene gerechtigheid uit de wet zochten op te

richten en de gerechtigheid, die uit het geloof is, verwierpen, Rom.

3:21. Daarom zond God Johannes tot hen met den doop der bekeering

en liet het hun daarin aanzeggen, dat zij, schoon besneden zijnde en

proselieten doopende, zelven schuldig en onrein stonden voor zijn

aangezicht en evengoed als de Heidenen de wedergeboorte en de bekeering

van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen. Door

den doop zonderde Johannes de ware Israelieten reeds van de massa des

volks af. En Jezus ging op dit voetspoor voort; Hij nam den doop van

Johannes over en liet hem bedienen door zijne discipelen. Wel trad Hij

evenals Johannes aanvankelijk op met de prediking, dat het koninkrijk

Gods nabij was gekomen. Maar Hij vatte dat koninkrijk gansch anders dan

zijne tijdgenooten op; Hij verstond er niet onder eene politieke, maar

eene religieus-ethische heerschappij en leerde, dat geen vleeschelijke

afstamming uit Abraham maar alleen wedergeboorte uit water en geest den

toegang tot dat koninkrijk der hemelen ontsloot, deel III 232v. Daardoor

vergaderde Hij allengs rondom zich eene schare van discipelen, die zich

onderscheidde en afzonderde van het volk der Joden. En dezen waren de

ware ἐκκλησια, het echte volk Gods, gelijk Israel dat had behooren te

zijn maar nu in zijne verwerping van den Messias betoonde niet te wezen.

Deze scheiding tusschen het volk der Joden en de Nieuwtest. ἐκκλησια

werd hoe langer hoe scherper. Wel waren er velen, die in Christus

geloofden, maar het volk, geleid door de Phariseën en Schriftgeleerden,

verwierp Hem. Ofschoon voor sommigen tot eene opstanding, was Hij

voor velen tot een val en tot een teeken, dat weersproken werd, Luk.

2:34. Hij kwam tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen,

Joh. 1:11. Jezus zegt zelf, dat een profeet niet geëerd is in zijn

vaderland, Mt. 13:17. Telkens ervaart Hij, dat de Joden niet tot Hem

komen willen, Joh. 5:37-47, 6:64; Hij getuigt, dat zij in hunne zonden

zullen sterven, 8:21, dat zij kinderen des duivels zijn, 8:44, planten,

niet door den Vader geplant, Mt. 15:13, 14 en ziet in hun ongeloof geen

toevallige, onvoorziene omstandigheid maar vervulling der profetie, Mt.

13:13v., Joh. 12:37v. Doch niet alleen heeft Jezus van de Joden in het

heden niets te hopen, ook in de toekomst verwacht Hij niets voor hen.

Integendeel Hij kondigt de geheele verwoesting van stad en tempel aan,

zoodat er geen steen op den ander zal gelaten worden, Joh. 2:18-21, Mt.

22:7, 23:37-39, 24:1v., Mk. 13, Luk. 21:6v. Bij zijn intocht in Jeruzalem

weent Hij over de stad, Luk. 19:41-44. Des Maandags vóór zijn dood vloekt

hij op den weg naar Bethanië den vijgeboom, die daarin, dat hij nog geen

vruchten maar wel reeds bladeren had, een beeld was van het schijnvrome,

eigengerechtige Israel, en sprak, dat niemand eenige vrucht meer van

hem eten zou in der eeuwigheid, Mk. 11:12-14. Bij zijn kruisgang beveelt

Hij de vrouwen, niet over Hem maar over Jeruzalem te weenen, Luk. 23:28.

Zelfs predikt Hij, dat de zaligheid, door Israel verworpen, het deel

der Heidenen zal worden. Het koninkrijk Gods zal Israel ontnomen en

aan een ander volk gegeven worden, dat zijne vruchten voortbrengt, Mt.

21:43; de wijngaard wordt aan andere landlieden verhuurd. Mt. 21:41;

tot de bruiloft worden geroepen degenen, die op de uitgangen der wegen

zijn, Mt. 22:9; de verloren zoon gaat vóór den oudsten zoon, Luk. 15.

En zoo zegt Hij, dat velen zullen komen van Oosten en Westen en met

Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten in het koninkrijk der hemelen,

Mt. 8:10-12; dat Hij nog andere schapen heeft, die van dezen stal niet

zijn, Joh. 10:16; en verblijdt er zich over, dat, als eenige Grieken

Hem begeeren te zien, Hij nu als een tarwegraan in de aarde vallen en

sterven en alzoo veel vrucht zal dragen, Joh. 12:24. Na zijne opstanding

beveelt Hij dan ook aan zijne discipelen, om het evangelie te prediken

aan alle volken, Mt. 28:18. En eenzelfde oordeel over Israel treffen wij

bij alle apostelen aan. Wel moeten zij als Jezus’ getuigen van Jeruzalem

uit hun arbeid beginnen, maar dan hem voortzetten tot aan het uiterste

der aarde, Hd. 1:8. Petrus brengt daarom het evangelie terstond aan de

Joden, Hd. 2:14, 3:19, 5:31, doch ziet in een gezicht, dat voortaan

niemand onrein is, maar dat Gode aangenaam is een iegelijk, die Hem

vreest, uit wat volk hij ook voortkome, Hd. 10:35, 43. Paulus begint

zijne prediking altijd eerst bij de Joden, maar keert zich, als dezen

het verwerpen, tot de Heidenen, Hd. 13:46, 18:6, 28:25-28. Eerst den

Jood, maar ook den Griek, is de regel, dien hij op zijne zendingsreizen

in acht neemt, Rom. 1:16, 1 Cor. 1:21-24. Immers, Joden en Heidenen

zijn beide verdoemelijk voor God en hebben hetzelfde evangelie van

noode, Rom. 3:19v. Er is slechts voor allen één weg tot de zaligheid,

n.l. het geloof, gelijk dat reeds vóór de wet door Abraham geoefend en

hem tot gerechtigheid gerekend is, Rom. 4, Gal. 3. Wie van de Joden

Christus verwerpen, zijn geen ware, echte Joden, Rom. 2:28, 29; zij zijn

niet de besnijding maar de versnijding, Phil. 3:2, zij zijn ongeregelden,

ijdelheidsprekers, verleiders van zinnen, wien men den mond moet

stoppen, Tit. 1:10, 11; zij hebben den Heere Jezus en hunne eigene

profeten gedood, zij vervolgen de geloovigen, zij behagen God niet en zijn

allen menschen tegen, zij verhinderen de apostelen, om tot de Heidenen

te spreken, en maken de mate hunner zonden vol, zoodat de toorn over

hen tot zijn uiterste grens gekomen is en thans zich over hen ontlaadt,

1 Thess. 2:14-16. De Joden, die de gemeente van Smyrna lasteren,

zeggen wel, dat zij Joden zijn, maar zij zijn het niet, zij zijn veelmeer

eene synagoge des satans, Op. 2:9, 3:9. Echte Joden, ware kinderen

Abrahams zijn zij, die in Christus gelooven, Rom. 9:8, Gal. 3:29 enz. Zoo

oordeelt het N. Test. over de Joden; de gemeente der geloovigen heeft

in alle opzichten het nationale, vleeschelijke Israel vervangen; het

Oude Testament is in het Nieuwe vervuld.

7. Slechts enkele plaatsen schijnen met deze doorgaande leer der

Schrift in strijd te zijn en iets anders in te houden. De eerste plaats

is Mt. 23:37-39, Luk. 13:33-35, waar Jezus tot de inwoners van

Jeruzalem zegt, dat hun huis woest gelaten zal worden, en dat zij Hem

niet zullen zien, totdat zij zullen zeggen: gezegend is Hij, die komt

in den naam des Heeren. Hier spreekt Jezus inderdaad de verwachting

uit, dat de Joden Hem eenmaal, n.l. bij zijne wederkomst, als Messias

erkennen zullen. Wanneer nu van elders een duizendjarig rijk en eene

daarmede samenvallende bekeering van Israel vaststond, zou deze plaats

daarnaar verklaard kunnen worden. Maar wijl dit niet het geval is,

ook niet in Op. 20, gelijk later blijken zal, kan hier alleen gedacht

worden aan de Messiaserkenning der Joden bij Christus’ wederkomst ten

oordeele. En zoolang, zegt Jezus uitdrukkelijk, zal Jeruzalem woest

gelaten worden; een herbouw van stad en tempel wordt dus in elk geval

door Jezus vóór zijne wederkomst niet verwacht. Ten tweede komt Luk.

21:24 in aanmerking, waar Jezus zegt, dat Jeruzalem van de Heidenen

vertreden zal worden, totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn.

De conjunctie ἀχρι οὑ sluit nog niet in, dat bij het aanbreken van den

daardoor aangeduiden termijn het tegenovergestelde, n.l. het herbouwd

en bewoond worden van Jeruzalem door de Joden plaats hebben zal. Maar

ook al ware dit zoo, dan zegt Jezus daarmede nog niet, dat aan de

vertreding van Jeruzalem een einde zal komen vóór zijne parousie, want

Hij gaat terstond, na het oordeel over Jeruzalem te hebben uitgesproken,

tot de bespreking van de teekenen vóór en bij zijne wederkomst over,

Luk. 21:25v.; de tijden der Heidenen duren tot zijne wederkomst voort.

Wederom, indien het N. T. eene tweevoudige wederkomst van Christus

leerde, zou deze plaats in overeenstemming daarmede kunnen worden

uitgelegd, maar het zal straks duidelijk worden, dat daarvoor geen grond

in het N. T. aanwezig is. De derde tekst, die hier ter sprake komt, is

Hd. 3:19-21. Daar vermaant Petrus de Joden tot bekeering, opdat hunne

zonden uitgewischt worden en opdat καιροι ἀναψυξεως, tijdpunten van

verkwikking, mogen komen van de zijde van het aangezicht des Heeren en

Hij, n.l. God, den voor u (de Joden) bestemden Christus Jezus zenden

zal, welken de hemel moet opnemen tot de tijden van de wederoprichting

aller dingen. Sommigen meenen, dat de tijden der verkwikking, waarvan

hier gesproken wordt, dan zullen aanbreken, wanneer het Joodsche volk

bekeerd wordt en alle dingen weer naar hun oorspronkelijke bestemming in

het duizendjarig rijk worden opgericht, en dat zij dan duren zullen tot

de tweede wederkomst van Jezus toe. Maar tegen deze uitlegging bestaat

groot bezwaar. De χρονοι ἀποκαταστασεως παντων zijn moeilijk te verstaan

van de herstelling der natuurlijke en zedelijke verhoudingen, die door de

Chiliasten in het millennium verwacht wordt, want er staat duidelijk,

dat deze tijden het eindpunt zijn van het verblijf van Jezus in den hemel;

tot zoo lang vertoeft Jezus dus aan ’s Vaders rechterhand, en wijl de

Schrift slechts ééne wederkomst van Christus kent, vallen de tijden van

de wederoprichting aller dingen met de voleindiging der wereld saam;

bovendien is ἀποκαταστασις παντων veel te sterke uitdrukking voor dat

herstel van het Joodsche rijk, dat het Chiliasme verwacht. De tijden der

verkwikking zijn daarom niet identisch met maar gaan aan de tijden van de

wederoprichting aller dingen vooraf. Want Petrus geeft een tweeledig

doel aan van de bekeering der Joden, opdat tijden van verkwikking

voor hen aanbreken en opdat God hun den voor hen bestemden Christus

zenden moge. De tijden der verkwikking vallen vóór de wederkomst van

Christus en slaan dan òf op den geestelijken vrede, die het gevolg is

van bekeering en vergeving der zonden, òf op bepaalde toekomstige tijden

van Goddelijken zegen en gunst. Het laatste is het waarschijnlijkste,

omdat de tijden der verkwikking niet onmiddellijk met de uitwissching der

zonden maar met de zending van Christus in verband worden gebracht. En

de gedachte, welke Petrus hier uitspreekt, is dan deze: bekeert u, o

Joden, tot uitwissching uwer zonden, opdat er ook voor u als volk, die

Christus overgeleverd, verloochend en gedood hebt, vs. 13-15, tijden

van verkwikking van Gods aangezicht mogen aanbreken en God daarna van

den hemel zenden moge dien Christus, die in de eerste plaats voor u

bestemd en daarom ook het eerst tot u gekomen is, vs. 26, om ook u ten

heil alle dingen weder op te richten. Of zulke tijden ooit voor de Joden

zullen aanbreken, zegt Petrus niet; dat hangt af van hunne bekeering,

en of deze te wachten is, wordt hier met geen woord vermeld.

De laatste plaats is Rom. 11:11-32. In Rom. 9-11 behandelt Paulus het

ontzaglijk probleem, hoe Gods belofte aan Israel te rijmen is met de

verwerping van het evangelie door de overgroote meerderheid van Israel.

De apostel geeft daarop in de eerste plaats ten antwoord, dat de

belofte Gods niet het vleeschelijk maar het geestelijk zaad van Abraham

geldt en werkt dit in den breede uit, Rom. 9 en 10. En ten tweede

merkt hij op, dat God ook onder Israel nog altijd zijne uitverkorenen

heeft, en dus dat volk niet verstooten heeft; hij zelf is daarvoor ten

bewijs en velen met hem; hoevelen er ook verhard en verblind zijn, de

uitverkorenen hebben de zaligheid toch verkregen, er is steeds een

overblijfsel naar de verkiezing der genade, Rom. 11:1-10. Maar deze

verharding, die over het grootste gedeelte van Israel gekomen is, is

toch Gods einddoel niet; veeleer is zij in zijne hand een middel, om de

zaligheid tot de Heidenen te brengen, opdat dezen, die zaligheid in

het geloof aannemende, op hun beurt Israel weder tot jaloerschheid

mogen verwekken, 11:11-15. Na de geloovigen uit de Heidenen vermaand

te hebben, om zich hierop niet te verheffen, vs. 16-24, werkt Paulus

deze gedachte nog nader uit en zegt, dat over een deel van Israel de

verharding gekomen is, totdat het pleroma der Heidenen, het volle

getal der uit hun midden voor de zaligheid bestemden, vervuld zal zijn.

En op die wijze zal gansch Israel naar Gods belofte zalig worden. De

ongeloovige Joden zijn dus nu wel door God gehaat in betrekking tot het

evangelie, opdat de door hen verworpene zaligheid tot de Heidenen zou

komen; maar naar de verkiezing zijn zij beminden om der vaderen wil,

want Gods beloften zijn onberouwelijk. Zooals het dus met de Heidenen is

gegaan, zal het ook met de verharde Joden gaan; de Heidenen waren eerst

ongehoorzaam en zijn nu ontfermd geworden, en zoo ook zijn de Joden nu

ongehoorzaam, opdat zij door de barmhartigheid, aan de Heidenen bewezen,

ook barmhartigheid ontvangen mogen. Want God heeft allen, Heidenen

en Joden, onder de zonde besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou

zijn, vs. 25-32. De meeste uitleggers meenen, dat de vraag, of God zijn

volk verstooten heeft, 11:1, niet ten volle daarmede beantwoord is,

dat God onder Israel altijd zijne uitverkorenen houdt, die successief

in den loop der eeuwen worden toegebracht, 11:1-10, en zij oordeelen

daarom, dat al hetgeen in hoofdst. 11 volgt, niet maar eene nadere

explicatie, doch eene aanvulling van het in vs. 1-10 gegeven antwoord

is, een nieuw antwoord, dat eerst ten volle de bedenking ontzenuwt,

alsof God zijn volk verstooten zou hebben. Onder πας Ισραηλ in vs.

26 verstaan zij daarom het volksgeheel van Israel, dat in de laatste

dagen bekeerd zal worden. Maar hoe algemeen deze verklaring ook zij, er

bestaan gewichtige bezwaren tegen. _a._ Indien het de bedoeling van den

apostel ware, om in 11:25-32 een nieuw, aanvullend antwoord te geven,

zou hij zijne redeneering aan het einde met haar begin en uitgangspunt in

strijd brengen. Immers heeft hij 9:6v. gezegd, dat de beloften Gods niet

uitgevallen zijn, omdat zij het geestelijk zaad van Abraham gelden, en in

dit geestelijk zaad nog altijd door hare vervulling erlangen, 11:1-10. A

priori is het zeer onwaarschijnlijk, dat Paulus later op deze redeneering

teruggekomen zou zijn en haar in dezen zin zou aangevuld en verbeterd

hebben, dat de beloften Gods in deze zaliging van het geestelijk Israel

niet ten volle tot hare vervulling komen maar dan eerst volledig

verwezenlijkt worden, wanneer in den laatsten tijd eene volksbekeering

van Israel plaats heeft. _b._ In elk geval is er in hoofdst. 9:1-10:11

met geen enkel woord van zulk eene verwachting voor het volk van

Israel sprake, en er is geen enkele uitdrukking, die haar vermoeden

doet en voorbereidt. En ook hoofdst. 11:11-24 bevat nog niets, wat op

zoodanige verwachting heenwijst. Wel wordt 11:11-15 in dien zin door

velen opgevat. Maar ook al zijn deze woorden niet hypothetisch, als

een element in de redeneering maar als beschrijving van een feit te

verstaan, dan behelzen zij toch alleen deze gedachte: het verwerpen van

Christus door Israel is voor de Heidenen een groot gewin geweest, want

daardoor is de door Christus’ dood tot stand gekomene verzoening het

deel der Heidenen geworden; een veel grooter gewin zal dan de aanneming

van Israel door God voor de Heidenen zijn, want als Israel zijn pleroma,

zijn volle getal van uitverkorenen, zal bereikt hebben, en ook het

pleroma der Heidenen ingegaan is, dan zal dat het leven uit de dooden,

de opstanding uit de dooden van de nieuwe menschheid ten gevolge

hebben. Aan Israels ἡττωμα dankt middelijkerwijze de Heidenwereld haar

verzoening, aan Israels πληρωμα dankt zij eens haar leven uit de dooden.

_c._ Indien Paulus in 11:25 een nieuw feit wilde mededeelen, bevreemdt

de wijze ten zeerste, waarop hij dit doet. Hij zegt toch niet: _en dan_,

_daarna_, n. l. nadat de volheid der Heidenen is ingegaan, zal gansch

Israël, maar: και οὑτως πας Ισραῃλ σωθησεται, en _op die wijze_ zal

gansch Israel zalig worden. Dat kan niet anders beteekenen dan: op die

wijze, als in de vorige verzen beschreven is. Vlak vooraf, in vs. 24,

heeft Paulus gezegd, dat de verharding altijd maar _voor een deel_, ἀπο

μερους over Israel gekomen is. De geloovigen uit de Heidenen konden

wel gaan denken, evenals Israel vroeger, dat zij alleen het uitverkoren

volk van God waren, en dat Israel geheel verworpen was. Maar Paulus

zegt, dat dit niet zoo is. Neen, Israel is niet als zoodanig verworpen;

er is onder hen altijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade;

er zijn wel eenige takken afgebroken, waarvoor de wilde olijfboom van

de Heidenwereld in de plaats is gekomen, maar de stam van den tammen

olijfboom is gebleven; de verharding is maar _voor een deel_ over

Israel gekomen; terwijl het pleroma uit de Heidenen ingaat, wordt ook

het pleroma uit Israel toegebracht; en op die wijze wordt gansch Israel

zalig. _d._ Dit feit, n.l. dat de verharding maar _voor een deel_

over Israel gekomen is, noemt Paulus een μυστηριον, 11:25. Elders

noemt hij zoo dikwerf het feit, dat de Heidenen thans medeërfgenamen

en medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods zijn, en hier duidt

hij met hetzelfde woord het feit aan, dat de Joden maar voor een deel

verhard zijn en dat God vele uitverkorenen voortdurend uit hen tot zijne

gemeente toebrengt. Want die _gedeeltelijke_ verharding zal duren,

totdat het pleroma der Heidenen zal ingegaan zijn. Nooit, tot aan het

einde der tijden toe, zal God zijn oude volk ganschelijk verwerpen; altijd

zal naast een deel uit de Heidenwereld ook een deel uit Israel tot

het geloof in Christus worden gebracht. De Heidenen maar ook de Joden

hadden zoo gansch anders verdiend. Doch dit is het groote mysterium,

dat God rijk is in barmhartigheid, dat Hij uit alle volk, ook uit het

volk der Joden, dat Hem verwierp, zijne uitverkorenen vergadert, dat Hij

allen onder de zonde besloot, opdat Hij allen barmhartig zou zijn. Dat

mysterium brengt den apostel in verrukking en doet hem bewonderend de

diepte van Gods wijsheid en kennis aanbidden, 11:33-36. _e._ Πας Ισραηλ

in 11:25 is dus niet het volk van Israel, dat aan de einden der dagen

in massa bekeerd zal worden; het is ook niet de gemeente uit Joden en

Heidenen saam, maar het is het pleroma, dat in den loop der eeuwen

uit Israel toegebracht wordt. Israel blijft als volk, zoo voorspelt

Paulus, naast de Heidenen bestaan; het zal niet ondergaan noch van

de aarde verdwijnen; het blijft tot het einde der eeuwen, levert zijn

pleroma voor het Godsrijk evengoed als de Heidenen, en behoudt voor dat

Godsrijk zijn bijzondere taak en plaats; uit _alle_ volken en natiën en

tongen wordt de gemeente Gods vergaderd. _f._ Hoe groot dat pleroma

uit Israel zijn zal, berekent Paulus niet. Het is best mogelijk, dat het

getal der uitverkorenen uit Israel in de laatste tijden veel grooter

zal zijn, dan het in Paulus’ of in latere of in onze dagen was; er is

geen enkele reden, om dit te ontkennen; veeleer doet de verbreiding

van het evangelie onder alle volken verwachten, dat zoowel uit Israel

als uit de Heidenen een steeds grooter aantal zalig zal worden. Maar

dat bedoelt Paulus niet te zeggen; hij telt niet, maar hij weegt. Uit

de Heidenwereld zal het volle pleroma komen, en ook uit Israel, en

dat pleroma zal πας Ισραηλ zijn. In dat pleroma wordt gansch Israel

behouden, zooals in de gemeente in haar geheel de gansche menschheid

wordt gered. _g._ Eene andere bekeering van Israel, dan op de door

Paulus aangegeven wijze laat zich ook moeilijk denken. Wat toch is eene

volksbekeering, en hoe en wanneer zal zij bij Israel plaats hebben? Er

is natuurlijk niets tegen, veeleer pleit het feit van het voortbestaan

van het volk Israels in verband met de profetie ervoor, dat er ook

uit Israel nog een zeer groot getal tot het geloof in Christus worden

gebracht; maar hoe groot dit getal ook zij, het blijft een overblijfsel

naar de verkiezing der genade. Ook de sterkste chiliast zal toch niet

denken, dat eenmaal aan het einde alle Joden zonder uitzondering zullen

worden bekeerd. En ook al nam hij dat aan, meenende, dat zoo alleen Rom.

11:25 ten volle vervuld werd, dan zou zulk eene volksbekeering aan

het einde toch nog niet ten goede komen aan de millioenen Joden, die

door de eeuwen heen tot op dien eindtijd toe in ongeloof en verharding

zijn weggestorven. Indien men werkelijk meent, dat Gods belofte aan

Israel dan alleen waarlijk vervuld wordt, wanneer niet een ἐκλογη uit

het volk, maar het volk zelf toegebracht wordt, dan komt men met de

geschiedenis in conflict. Altijd, alle eeuwen door, ook in de dagen des

O. T., toen het nationale Israel Gods volk was, was het slechts een

klein deel des volks, dat in waarheid God diende en vreesde. En zoo

is het niet alleen bij de Joden, maar zoo is het ook bij de Heidenen.

Altijd is het een overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat uit de

Christenvolken de zaligheid in Christus deelachtig wordt. Bovendien

blijft er voor zulk eene volksbekeering van Israel, als de Chiliasten

verwachten, in Paulus’ schets van de toekomst geen plaats over. Hij zegt

toch uitdrukkelijk, dat de verharding over een deel van Israel gekomen

is, _totdat_ het pleroma der Heidenen is ingegaan, en dat niet _daarna_

maar dat _op die wijze_ gansch Israel zalig wordt, Rom. 11:25, 26. De

verharding over een deel van Israel duurt dus zoolang, totdat het

pleroma uit de Heidenwereld toegebracht is, en volgens de Chiliasten

moet dan daarna de volksbekeering van Israel vallen. Maar ligt er dan

nog eene tijdruimte tusschen het ingaan van het pleroma der Heidenwereld

en het einde der eeuwen? Zoo ja, zijn er in dien tijd dan ook nog

Heidensche volken, en wordt er uit hen geen enkele meer bekeerd? Het

ingaan van het pleroma der Heidenen laat zich niet denken als tijdelijk

voorafgaande aan het zalig worden van gansch Israel. Rom. 11:26 noemt

geen nieuw feit, dat _na_ het ingaan van de volheid der Heidenen plaats

grijpt. Maar het ingaan van de volheid der Heidenen en het zalig worden

van gansch Israel loopen parallel, omdat de verharding maar voor een

deel over Israel gekomen is. Ten slotte merke men nog op, dat, al zou

Paulus aan het einde ook eene volksbekeering van Israel verwachten,

hij toch met geen woord melding maakt van een terugkeer der Joden naar

Palestina, van een herbouw van stad en tempel, van eene zichtbare

Christusregeering; in zijn toekomstbeeld is voor dat alles geen plaats.

Cf. over de bekeering der Joden, behalve de commentaren op Rom. 11,

Voetius, Disp. II 124 sq. Witsius, Oec. foed. IV 15, 20-32. Moor VI

127-130. Hodge, Syst. Theol. III 805. Kliefoth, Eschatologie 147.

8. Bij het bespreken van de verwachtingen, welke het N. Test. in de

toekomst koestert ten aanzien van het volk Israels, werd nog in het

midden gelaten, of het N. Test. misschien op andere plaatsen dan

de daar ter sprake gebrachte een tusschenstaat leert tusschen deze

bedeeling en de voleinding der eeuwen. Indien dit, zoo werd erkend,

het geval was, dan konden Mt. 23:37-39, Luk. 21:24 en Hd. 3:19-21,

ofschoon zij op zichzelve tot het aannemen van zulk een overgangstijd

volstrekt geen aanleiding gaven, toch in dien geest worden opgevat en

verklaard. Thans komt daarom de vraag aan de orde, of er volgens Jezus

en de apostelen voor de gemeente een tijd van macht en heerlijkheid te

wachten is, welke aan de algemeene opstanding en het wereldgericht

voorafgaat. Indien dit zoo ware, zouden wij daarvan duidelijk melding

verwachten in de eschatologische rede, welke Jezus in de laatste dagen

van zijn leven tot zijne jongeren hield, Mt. 24, Mk. 13, Luk. 21. Maar

er is daarin geen woord, zelfs geen zinspeling op zulk een rijk vervat.

De Chiliasten trachten hun millennium wel op de eene of andere plaats

in deze rede in te lasschen, en zeggen bijv., dat de eerste komst van

Christus in Mt. 24:27 en de tweede komst in vs. 30 vermeld wordt,

maar deze exegese mist toch allen grond. In zijne eschatologische rede

geeft Jezus antwoord op twee vragen, die zijne discipelen Hem doen,

n.l. wanneer de dingen geschieden zullen, die Hij aangaande Jeruzalem

gesproken heeft, n.l. dat er van den tempel geen steen op den ander

gelaten zal worden, en welk het teeken zal zijn van zijne toekomst en van

de voleinding der wereld. Jezus beantwoordt eerst de eerste vraag, en

wel zoo, dat Hij eerst handelt over de voorteekenen, Mk. 13:1-8, cf. Mt.

24:1-8, Luk. 21:5-11, daarna over het lot der jongeren, Mk. 13:9-13,

cf. Mt. 24:9-14, Luk. 21:12-18, en eindelijk over de catastrophe in

Judea, Mk. 13:14-23, cf. Mt. 24:15-26, Luk. 21:20-24. De tweede vraag

naar de parousie van Jezus en de voleinding der wereld wordt beantwoord

in Mk. 13:24-31, cf. Mt. 24:29-35, Luk. 21:25-33; en daarbij sluit

Jezus zijne parousie terstond bij de verwoesting van Jeruzalem aan; in

den val dezer stad ziet Hij de aankondiging en de voorbereiding van de

voleinding der wereld; Mt. 24:29 εὐθεως, Mk. 13:24 ἐν ἐκειναις ταις

ἡμεραις. Hij zegt zelfs, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan,

totdat alle deze dingen geschied zullen zijn, Mt. 24:34, Mk. 13:30,

Luk. 21:32. Hoe nu deze verwachting van zijn spoedige, terstond na de

verwoesting van Jeruzalem volgende parousie bij Jezus ook te verstaan

zij (waarover straks nader); in elk geval blijkt duidelijk, dat er in

deze rede geen plaats is voor een duizendjarig rijk. Jezus somt eerst,

Mk. 13:1-8, eenige algemeene voorteekenen op, waaraan de discipelen

zien kunnen, dat alles saam, n.l. de verwoesting van Jeruzalem en het

einde der wereld nadert; en deze signa communia zijn: het opstaan van

valsche Christussen, oorlogen en geruchten van oorlogen, beroering

en opstand der volken met aardbeving, hongersnood enz., voorts de

prediking van het evangelie in de geheele wereld tot een getuigenis

aller volken, Mk. 13:10, en eindelijk, als voorspel van het einddrama,

hetgeen voorvalt in Judea en Jeruzalem, Mk. 13:14-23. Daarna volgen

de aan de parousie onmiddellijk voorafgaande voorteekenen, de signa

propria, n.l. verduistering van zon en maan, nedervallen der sterren,

beweging van de krachten in de hemelen, Mk. 13:24, 25. Met de parousie

van Christus is dan onmiddellijk het gericht, de scheiding van goeden en

boozen, de voleinding der wereld verbonden, Mk. 13:26, 27. Daarmee komt

overeen, wat Jezus zegt in Mt. 13:37-43 en 47-50; het saam opgroeien

van onkruid en tarwe, en het saambrengen van allerlei soorten van

visschen duurt voort tot de voleinding der eeuwen, tot den tijd van den

oogst en van het wereldgericht toe. Jezus kent maar twee aeonen, de

tegenwoordige en de toekomende. In de tegenwoordige eeuw hebben zijne

discipelen niet anders dan verdrukking en vervolging te wachten en

moeten zij alles om zijnentwil verlaten. Nergens voorspelt Jezus aan zijne

jongeren eene heerlijke toekomst op aarde vóór de voleinding der wereld;

integendeel, zooals het Hem gegaan is, zal het ook zijne gemeente gaan;

een discipel is niet boven zijn meester en een dienstknecht niet boven

zijn heer; eerst in de toekomende eeuw ontvangen zijne jongeren alles

met het eeuwige leven terug, Mt. 5:3-12, 8:19, 20, 10:16-42, 16:24-27,

19:27-30, Joh. 16:2, 33, 17:14, 15 enz. Als dan ook de jongeren in

Hd. 1:6 aan Jezus vragen, of Hij in dezen tijd aan Israel het koninkrijk

weder oprichten zal, dan ontkent Hij niet maar geeft stilzwijgend toe,

dat dit eens geschieden zal; doch Hij zegt, dat de Vader de tijden of

gelegenheden daarvoor in zijne eigene macht gesteld heeft, en dat de

discipelen in dezen tijd de roeping hebben, om als zijne getuigen op

te treden van Jeruzalem uit tot aan het uiterste der aarde. In dezen

zelfden geest spreekt heel het Nieuwe Testament, dat vanuit het

standpunt der kruisgemeente geschreven is. De geloovigen, die niet vele

wijzen en machtigen en edelen zijn, 1 Cor. 1:27, hebben hier op aarde

niets dan lijden en verdrukking te wachten, Rom. 8:36, Phil. 1:29, zij

zijn gasten en vreemdelingen, Hebr. 11:13, hun burgerschap is in de

hemelen, Phil. 3:20, zij merken niet aan de dingen, die men ziet, 2

Cor. 4:18, maar bedenken de dingen, die boven zijn, Col. 3:2, zij hebben

hier geen blijvende stad maar zoeken de toekomende, Hebr. 13:14. Maar

zij zijn toch in hope zalig, Rom. 8:24, en weten, dat, indien zij met

Christus lijden, zij ook met Hem zullen verheerlijkt worden, Rom. 6:8,

8:17, Col. 3:4. Daarom strekken zij zich met heel het zuchtend schepsel

reikhalzend uit naar de toekomst van Christus en naar de openbaring van

de heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:19, 1 Cor. 15:48v. enz., tegen

welke heerlijkheid het lijden van den tegenwoordigen tijd niet opweegt,

Rom. 8:18, 2 Cor. 4:17. Nergens straalt in het N. Test. eenige hope

door, dat de gemeente van Christus nog eenmaal hier op aarde tot macht

en heerschappij zal komen. Het hoogste, dat zij zich voorstelt, is, dat

zij onder de koningen en allen die in hoogheid zijn een gerust en stil

leven leiden moge in alle godzaligheid en eerbaarheid, Rom. 13:1v., 1

Tim. 2:2. En daarom beveelt het N. Test. niet in de eerste plaats die

deugden aan, welke tot overwinning der wereld in staat stellen, maar

noemt, ofschoon alle valsche ascetisme vermijdende, Rom. 14:14, 1 Tim.

4:4, 5, Tit. 1:15, als vruchten des Geestes de deugden van liefde,

blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof,

zachtmoedigheid, matigheid, Gal. 5:22, Ef. 4:32, 1 Thess. 5:14v., 1

Petr. 3:8v., 2 Petr. 1:5-7, 1 Joh. 2:15 enz.

Zelfs is het de doorgaande verwachting des N. Test., dat, naarmate

het evangelie des kruises zich verbreidt, ook de vijandschap der

wereld openbaar wordt. Christus is bestemd, om voor velen tot eene

opstanding maar ook voor velen tot een val te zijn en hunne vijandige

overleggingen tot openbaring te brengen; Hij is tot eene crisis in

de wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen en die

zien, blind worden, Mt. 21:44, Luk. 2:34, Joh. 3:19-21, 3:39, Rom.

9:32, 33, 1 Cor. 1:23, 2 Cor. 2:16, Hebr. 4:12, 1 Petr. 2:7, 8. In

de laatste tijden, in de dagen, die aan de wederkomst van Christus

voorafgaan, zal de goddeloosheid der menschen tot eene schrikbarende

hoogte stijgen; de dagen van Noach keeren terug; wellust, zingenot,

losbandigheid, geldzucht, ongeloof, hoogmoed, spotternij, lastering

zullen op schrikkelijke wijze uitbreken, Mt. 24:37v., Luk. 17:26v., 2

Tim. 3:1, 2 Petr. 3:3, Jud. 18; ook onder de belijders zal de afval

groot zijn; de verleiding zal zoo machtig worden, dat zij zelfs, indien

het mogelijk ware, de uitverkorenen ten val zou brengen; de liefde zal

bij velen verkoelen en de waakzaamheid zoo afnemen, dat de wijze met de

dwaze maagden in slaap vallen; het zal zulk een algemeene afval worden,

dat Jezus de vraag kan doen, of de Zoon des menschen bij zijne komst

nog geloof op aarde vinden zal, Mt. 24:24, 44v., 25:1v., Luk. 18:8, 1

Tim. 4:1. Het boek der Openbaring van Johannes stemt daarmede overeen.

De brieven aan de zeven gemeenten behandelen wel concrete toestanden,

gelijk zij toenmaals in die kerken bestonden en zijn wel allereerst aan

die gemeenten gericht, om ze tot waakzaamheid aan te sporen en ze

voor te bereiden op de aanstaande vervolgingen en de wederkomst van

Christus. Maar zij hebben toch duidelijk eene veel verdere strekking.

Het zevental, dat in de Openbaring steeds zoo groote beteekenis heeft,

wijst daar reeds op; het is het getal der volkomenheid en doet de zeven

gemeenten, die uit de vele gemeenten in Klein-Azië hier zijn uitgelezen,

voorkomen als typen van de gansche christelijke kerk. De brieven, door

Johannes aan haar gericht, hebben niet eerst afzonderlijk bestaan, en

zijn niet elk voor zich eerst aan de respectieve gemeente verzonden,

maar zij behooren bijeen, zijn te zamen opgesteld en bij elkander gevoegd,

en zijn aan de gansche kerk gericht; alwie ooren heeft, hoore wat

de Geest tot al de gemeenten zegt. Maar al hebben de brieven dus

ongetwijfeld eene beteekenis, die zich veel verder uitstrekt dan tot de

zeven met name genoemde, toenmaals in Klein-Azië bestaande gemeenten,

toch is deze niet hierin gelegen, dat zij opeenvolgende perioden in de

historie van Jezus’ gemeente zouden beschrijven en een klein compendium

der gansche kerkgeschiedenis zouden zijn. Maar zij teekenen kerkelijke

toestanden, die toenmaals aanwezig waren en die tevens typisch zijn voor

de gansche kerk van Christus, die dus telkens in de kerk zich kunnen

voordoen en die vooral terugkeeren zullen aan het einde der dagen.

Want het is duidelijk, dat zij allen geschreven zijn onder den indruk van

de aanstaande vervolging en de spoedige wederkomst van Christus. Alle

bevatten zij eene heenwijzing naar de parousie, en sporen met het oog

daarop de gemeenten tot waakzaamheid en getrouwheid aan. Zij dienen,

om de Christenheid, die meer en meer der wereld gelijkvormig werd, tot

de eerste liefde terug te roepen, uit de onverschilligheid te doen

opwaken, en met het oog op de kroon, die haar wacht, aan te gorden tot

den strijd en met onbezweken trouw te doen volharden tot den dood. Want

de dag des Heeren nadert; nadat Johannes eerst de toestanden beschreven

heeft, die er in zijn tijd, en later, vooral tegen het wereldeinde, in

de kerk van Christus bestaan, gaat hij ertoe over, om te vermelden, wat

daarna geschieden zal, 4:1. Het boek van Gods raadsbesluit over het

einde der dingen wordt in den hemel door het Lam geopend, hoofdst. 4

en 5, en in het bijzonder dat door een engel aan Johannes vertoond, wat

betrekking heeft op den allerlaatsten tijd, hoofdst. 10, en alle volken

der aarde aangaat, 10:11. Beurtelings verplaatst Johannes ons nu op

aarde en in den hemel. In den hemel, daar is reeds alles beslist en

bepaald, daar wordt reeds eere gebracht aan God en het Lam, als ware de

strijd reeds gestreden en de overwinning behaald, hoofdst. 4 en 5; daar

zijn de zielen der martelaren reeds in lange witte kleederen gekleed en

wachten nog slechts op de vervulling van hun getal, 6:9-11; daar ziet

Johannes reeds proleptisch de gansche schare der verlosten staande voor

den troon, 7:9-19; daar zijn de gebeden der heiligen door God reeds

verhoord, 8:1-4; daar zijn reeds, ook proleptisch, opgenomen de 144000,

die verzegeld waren, 7:1-8, als eerstelingen de anderen voorgaan,

14:1-5, en over het beest en zijn beeld de overwinning hebben behaald,

15:1-4; daar brengt de gansche schare der verlosten reeds heerlijkheid

en eere aan God, wijl de bruiloft des Lams is gekomen, 19:1-8. De

gemeente op aarde behoeft dus niet bang te zijn voor de gerichten,

waarmede God aan het einde de wereld bezoekt. De 144000 dienstknechten

Gods uit alle geslachten der kinderen Israels worden van te voren

verzegeld, 7:1-8; de tempel en het altaar en degenen, die daarin

aanbidden, worden niet aan de Heidenen overgegeven en de twee getuigen,

die aldaar geprofeteerd hebben, worden wel gedood maar ook opgewekt

en in den hemel opgenomen, 11:1-12, en de christelijke gemeente,

schoon om Christus’ wil door Satan vervolgd, vindt in de woestijn eene

schuilplaats, 12:1-14. In beginsel is de strijd reeds beslist. Want

Christus is in den hemel opgenomen, 12:5; en Satan is door Michael en

zijne engelen overwonnen en uit den hemel op aarde geworpen, 12:7-11.

Thans heeft hij op aarde nog slechts een kleinen tijd, 12:12. Maar dien

tijd maakt hij zich ten nutte. Hij veroorzaakt het opkomen van het beest

uit de zee of den afgrond, 13:1, 11:7, 17:8, en geeft er macht en

heerlijkheid aan. Dit beest is het Romeinsche keizerrijk, 13:1-10, wordt

door een ander beest, het beest van de aarde, dat is, den valschen

profeet, de valsche religie, den antichrist gesteund, 13:11-18,

realiseert zich ten volle in één persoon, die zelf daarom het beest

heeten kan, 13:3, 12, 18, 17:8, 10, 11 en heeft zijn centrum in de stad

Babylon, dat is Rome, de groote hoer, welke over alle volken heerscht,

hoofdst. 17 en 18. Maar al deze machtsontwikkeling is ijdel. Door de

ontsluiting der zeven zegelen, door het blazen der zeven bazuinen, door

het uitgieten der zeven fiolen openbaart God zijn toorn, bezoekt Hij

natuur en menschheid met zijne oordeelen, en bereidt Hij het eindgericht

voor. Eerst valt Babel, hoofdst. 18. Dan verschijnt Christus, 19:11-16,

overwint het beest uit de zee en het beest van de aarde, 19-21 en

straks ook den Satan, 20:1-3.

9. Nu is het zeer bevreemdend, dat deze laatste overwinning over Satan

in twee tempo’s geschiedt. Eerst wordt hij voor duizend jaren gebonden

en in den afgrond geworpen, en daarna verleidt hij opnieuw de volken,

voert krijg tegen de gemeente en wordt dan voorgoed overwonnen en

geworpen in den poel van vuur en sulfer, 20:1-10. De voorstanders van

het Chiliasme vinden, behalve in het Oude Testament, in deze pericoop

hun sterksten steun en de tegenstanders zijn er in niet geringe mate

verlegen mede en hebben er al hun exegetische kunst aan beproefd. De

gedachte, dat er na de overwinning van het wereldrijk nog een laatste

aanval van de volken moest afgeslagen worden, is ongetwijfeld door

Johannes aan Ezechiel ontleend. Deze profeet verwacht, dat Israel,

nadat het in zijn land zal zijn wedergekeerd en daar zeker wonen zal,

nog eenmaal aangevallen zal worden door Gog van het land Magog, vorst

van Rosch, Meschech en Tubal, dat is door het volk der Scythen, in

verbinding met allerlei andere volken uit het noorden, oosten en

zuiden. De aanval eindigt echter daarmede, dat God zelf deze volken

op de bergen Israels in zijn toorn verdelgen zal, c. 38 en 39. In

hoofdst. 38:17 zegt de Heere, dat Hij van die volken reeds vroeger door

den dienst zijner profeten gesproken heeft. En inderdaad verkondigden

reeds vroegere profeten, dat niet alleen die historische volken, in

wier midden Israel leefde en met wie het in aanraking kwam, maar ook

alle veraf wonende Heidenen door den Heere in zijnen dag gericht zouden

worden, Joel 2:32, 3:2, 11v., Mich. 4:5, 11, 5:6-8, Jes. 25:5-8, 26:21,

Jer. 12:14-16, 30:23, 24. Zeer duidelijk komt soortgelijke profetie

bij Zacharia voor, die in hoofdst. 12-14 schetst, hoe tegen den dag

des Heeren Jeruzalem door de volken belegerd, en deze dan door den

Heere gericht zullen worden. En Daniel ziet niet alleen in Antiochus

Epiphanes de belichaming van het Gode vijandige wereldrijk, maar verwacht

ook, dat deze Gode vijandige macht nog eenmaal zich verheffen en

alzoo voor het gericht rijp worden zal, 11:40v. Tweeërlei was dus de

verwachting der profetie, eerst van eene overwinning van het volk Gods

over de volken, in wier midden het woonde, en daarna van een zegepraal

over de volken, die tot dusver nog niet verschenen waren op het tooneel

der wereldgeschiedenis. Deze dubbele verwachting ging over in de

apocriefe litteratuur, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes II³ 532. 551,

maar ook in het Nieuwe Testament. Natuurlijk staat de eerste verwachting

op den voorgrond. De verschijning van Christus roept het antichristelijk

beginsel wakker. Jezus spreekt van ψευδοπροφηται en ψευδοχριστοι, die

zich stellen zullen tegenover Hem en zijn rijk, Mt. 7:15, 24:5, 24, Mk.

13:21, 22, Luk. 17:23. Om het ongeduld der Thessalonicensen bij hunne

verwachting van Jezus’ spoedige wederkomst te temperen, wijst Paulus er

in 2 Thess. 2 op, dat die dag van Christus niet aanbreekt, tenzij eerst

kome de apostasie en geopenbaard worde de mensch der zonde. Deze kan

nu nog niet komen, wijl er iets is, wat hem wederhoudt. Wel is thans

ook reeds werkzaam το μυστηριον της ἀνομιας, maar toch kan de mensch

der zonde niet komen, voordat hij, die hem wederhoudt, uit het midden

weggedaan zij. Daarna eerst zal de ἀνομος geopenbaard maar ook aanstonds

door Jezus teniet gedaan worden. De Apocalypse ziet de antichristelijke

macht belichaamd in het beest uit de zee, dat is, het Romeinsche rijk,

hetwelk de stad Rome tot centrum en een bepaalden keizer tot hoofd

heeft, en daarbenevens in het beest van de aarde, dat is, de valsche

profetie, welke tot huldiging van het wereldrijk en zijn keizer verleidt.

Dezen tegenstander van Christus noemt Johannes in zijne brieven dan het

eerst met den naam van αντιχριστος, in 1 Joh. 2:18 waarschijnlijk zelfs

zonder artikel; en hij ziet zijn wezen gerealiseerd in hen, die de komst

van Christus in het vleesch principieel loochenen, 1 Joh. 2:22. 4:2,

3, 2 Joh. 7. De voorstellingen van den antichrist zijn in de Schrift

dus verschillend. Daniel ziet zijn type in Antiochus Epiphanes; Jezus

maakt het antichristelijk beginsel los uit de Oudtest. tegenstelling van

Israel en de volken en ziet het belichaamd in vele valsche Christussen

en vele valsche profeten, die opstaan zullen na en tegen Hem; Paulus

laat den mensen der zonde opkomen uit eene algemeene apostasie en noemt

hem den ἀνομος en den ἀντικειμενος, n.l. van Christus, maar teekent hem

ook, met trekken aan Daniel ontleend, als dengene, die zich verheft

boven alles, wat God heet en wat door menschen vereerd wordt, zoodat hij

in Gods tempel als een God zich nederzet en als een God zich vertoont.

Johannes in zijne brieven acht den antichrist gekomen in de ketters

zijner dagen. En de Apocalypse ziet zijne macht zich ontwikkelen in het

wereldrijk, dat door de valsche profetie wordt gesteund. Daaruit blijkt,

dat bij den antichrist niet uitsluitend aan één persoon of aan eene

groep van personen, bijv. de ketters der eerste eeuwen, het Romeinsche

rijk, Nero, de Joden, Mohammed, den paus, Napoleon enz., gedacht moet

worden. De Schrift leert duidelijk, dat de antichristelijke macht hare

geschiedenis heeft, in verschillende tijden op verschillende wijzen zich

openbaart en ten slotte zich volledig ontwikkelt in een algemeenen

afval en verbreking van alle natuurlijke en zedelijke banden, die thans

nog zulk eene apostasie tegenhouden, en zich dan belichaamt in een

wereldrijk, dat de valsche kerk in dienst neemt en in de vergoding van

het hoofd van dat rijk zichzelf apotheoseert. Aan deze antichristelijke

macht in haar hoogste en laatste ontwikkeling maakt dan Christus

zelf door zijne verschijning een einde. Cf. de nieuwere litt. over den

antichrist: Lünemann in zijn comm. op Thess., 3{te} Aufl. S. 219-225.

Rinck, Die Lehre der H. S. von Antichrist. 1867. Boehmer, Zur Lehre

vom Antichrist, Jahrb. f. d. Th. 1859 S. 405-467 F. Philippi, Die

bibl. kirchl. Lehre v. Antichrist 1877. Kliefoth, Eschatologie 205 f.

Renan, L’antéchrist 1877. Bousset, Der Antichrist 1877. Wadstein, Die

eschatol. Ideengruppe Antichrist, Weltsabbat, Weltende und Weltgericht,

Leipzig 1896. Ebbes, Der Antichrist in den Schriften des N. T. (Theol.

Arb. aus d. rhein. westf. Pred. Verein. N. F. Heft 1 S. 1-57). Art. in

Herzog³ van Seuffert.

Maar daarmede is nog niet de volledige overwinning behaald. Het

antichristelijk beginsel kan uiteraard alleen optreden onder die natiën,

die het evangelie gekend en ten slotte in bewuste en opzettelijke

vijandschap verworpen hebben. Maar er zijn altijd geweest, er zijn nog

en er zullen tot het einde der dagen volken zijn, die, als afgesneden

takken, buiten de geschiedenis en de cultuur der menschheid staan. Wel

zegt Jezus, Mt. 24:14, dat het einde eerst komt, nadat het evangelie

in heel de bewoonde wereld gepredikt is tot een getuigenis allen

volken. Maar deze profetie sluit toch niet in, dat het Christendom

eens onder alle volken de heerschende godsdienst zal zijn, of dat het

aan ieder mensch, hoofd voor hoofd, bekend zal wezen; want de historie

leert, dat millioenen menschen en tal van volken, ook in de eeuwen

na Christus’ komst op aarde, weggestorven zijn, zonder eenige kennis

van het evangelie te hebben gehad. Maar Jezus’ woord houdt alleen in,

dat de prediking van het evangelie tot alle volken doordringen zal

en bepaalt geenszins nauwkeurig de mate, waarin, noch de grens, tot

welke dit geschieden zal. De profetie vervult zich ook niet in eens

maar successief door den loop der eeuwen heen, zoodat vele volken,

die eertijds in het licht des evangelies wandelden, later daarvan weer

beroofd zijn geworden. Terwijl in deze negentiende eeuw het evangelie

onder de Heidenen zich verbreidt, neemt onder de Christenvolken de

afval hand over hand toe. En daarom is het meer dan waarschijnlijk, dat

tegen den tijd van de parousie wederom vele volken op aarde van de

kennis van Christus verstoken zullen zijn. En met dit feit rekent het

twintigste hoofdstuk van Johannes’ Openbaring. Omdat daar sprake is

van eene duizendjarige binding van Satan en van een gedurende dien tijd

leven en heerschen der martelaren met Christus, hebben velen gemeend,

dat hier klaar en onwedersprekelijk het zoogenaamde duizendjarig rijk

werd geleerd. Maar feitelijk is dit een verklaren van Op. 20, niet

naar de analogie der Schrift, maar naar de analogie der apocriefe

litteratuur. Op. 20 bevat op zichzelf niets van al wat tot het wezen

van het chiliastisch geloof behoort. Immers, 1º er wordt met geen

enkel woord melding gemaakt van eene bekeering en een terugkeer der

Joden, van een herbouw der stad Jeruzalem, van een herstel van tempel

en eeredienst, van eene aanvankelijke vernieuwing der aarde. Veeleer is

dit alles buitengesloten. Want ook al zouden de 144000 in hoofdst. 7

van het pleroma uit Israel te verstaan en van die in 14:1 onderscheiden

zijn, dan ware daarmede toch niets anders en niets meer bedoeld, dan

dat ook vele Christenen uit de Joden in de groote verdrukking zullen

staande blijven en onder de schare voor Gods troon een eigen plaats

zullen innemen; maar er wordt volstrekt niet gezegd, dat zij opstaan

en in Jeruzalem wonen zullen. De Christenen zijn de echte Joden, en

de Joden, die zich verharden in hun ongeloof, zijn eene synagoge des

Satans, 2:9. Al heet misschien het aardsche Jeruzalem nog eene enkele

maal de heilige stad en de tempel aldaar de tempel Gods, 11:1, 2,

toch wordt dat Jeruzalem in geestelijken zin Sodom en Egypte genoemd,

11:8; het echte Jeruzalem is boven, 3:12, 21:2, 10, en daar is ook de

tempel Gods, 3:12, 7:15, 11:19 enz., en de ark, 11:19 en het altaar,

6:9, 8:3, 5, 9:13, 14:18, 16:7. En dat Jeruzalem daalt niet reeds in

Op. 20 maar eerst in Op. 21 op aarde neer. 2º Het leven en heerschen

der in de groote verdrukking trouw gebleven geloovigen heeft niet op

aarde maar in den hemel plaats. Van de aarde is met geen woord sprake.

Johannes ziet den engel, die Satan bindt, uit den hemel opkomen,

20:1; de tronen, die hij aanschouwt, 20:4, bevinden zich in den hemel,

4:4, 11:16; en de zielen der martelaren worden door Johannes hier,

20:4, evenals overal elders in den hemel gezien, 6:9, 7:9, 14, 15,

11:12, 14:1-5, 18:20, 19:1-8. De geloovigen zijn reeds op aarde door

Christus Gode tot koningen en priesters gemaakt, 1:6; zij zijn dit in

den hemel, 5:10, en verwachten, dat zij het eenmaal ook op aarde zullen

zijn, 5:10, maar deze verwachting wordt eerst in het nieuwe Jeruzalem,

dat van boven neerdaalt, vervuld; dan zullen zij koningen zijn in der

eeuwigheid, 22:5. Thans echter, in den hemel, is hun koningschap

tijdelijk, het duurt duizend jaren. 3º Ook weet Johannes niet van eene

eerste lichamelijke opstanding, die aan het duizendjarig rijk vooraf

zou gaan, en eene tweede, die daarop volgen zou. Nergens wordt in de

Schrift zulk eene eerste opstanding geleerd. Wel is er sprake van eene

geestelijke opstanding uit de zonde, Joh. 4:25, 26, Rom. 6:4 enz. Ook

is er eene ἀναστασις ἐκ νεκρων, die op enkele gevallen ziet, zooals

de opstanding van Christus, 1 Petr. 1:3, cf. Hd. 26:23, 1 Cor. 15:23,

of alleen op de geloovigen betrekking heeft, Luk. 20:35, 36, Hd. 4:2,

maar in dit geval volstrekt niet temporeel door een duizendjarig rijk

van de algemeene αναστασις νεκρων onderscheiden is, Mt. 22:31, Joh.

5:28, 29, Hd. 24:15, 1 Cor. 15:13, 42. Wel heeft men dit in 1 Cor.

15:20-28 en 1 Thess. 4:13-18 meenen te vinden, maar ten onrechte. In

1 Cor. 15:20-28 handelt Paulus zeer zeker alleen van de opstanding

der geloovigen, terwijl hij van die der goddeloozen hier in het geheel

niet spreekt en niet behoeft te spreken; maar van die opstanding der

geloovigen zegt hij duidelijk, dat zij plaats hebben zal bij de parousie

van Christus en dat daarna het einde zal zijn, waarin Hij het koninkrijk

den Vader overgeeft, vs. 23, 24. Men zou uit deze plaats op zichzelve

wel kunnen afleiden, dat er geen opstanding der goddeloozen volgens

Paulus is, maar onmogelijk, dat deze door een duizendjarig rijk van die

der geloovigen gescheiden is. Want op de opstanding der geloovigen

volgt terstond het einde en de overgave van het koninkrijk, omdat alle

vijanden overwonnen zijn en de laatste vijand, dat is de dood, te niet

gedaan is. Evenmin staat er iets van zulk eene eerste, lichamelijke

opstanding der geloovigen in 1 Thess. 4:13-18. In Thessalonica maakte

men zich ongerust over het lot dergenen, die in Christus gestorven

waren. Van welken aard die ongerustheid was, weten wij niet. De

Chiliasten meenen, dat de Thessalonicensen niet twijfelden aan de

opstanding en het eeuwig leven der in Christus ontslapenen, maar dat zij

aan twee opstandingen geloofden, eene vóór en eene na het duizendjarig

rijk, en nu bezorgd waren, dat de reeds gestorven geloovigen eerst bij

de tweede opstanding zouden opstaan en dus geen deel zouden hebben

aan de heerlijkheid van het duizendjarig rijk. Maar deze meening is ver

gezocht en vindt hoegenaamd geen steun in den tekst; indien er eene

eerste opstanding der geloovigen was, zou men juist verwachten, dat

de gemeente in Thessalonica zich niet bezorgd maakte over het lot der

gestorvenen, want dezen zouden dan immers juist in het voorrecht dier

eerste opstanding deelen. En indien men antwoordt, dat men dat juist in

Thessalonica niet wist, dat er eene eerste opstanding der geloovigen

was, dan had de apostel hun dat eenvoudig met een paar woorden kunnen

zeggen. Maar dat doet hij in het geheel niet; hij spreekt niet van eene

eerste en eene tweede opstanding; hij betoogt alleen, dat de geloovigen,

die bij Jezus’ komst nog levend overgebleven zijn, niets zullen vóór

hebben bij hen, die reeds vroeger in Christus ontslapen zijn. Waarin

de Thessalonicensen meenden, dat de laatsten bij de eersten zouden

achterstaan, is ons onbekend. Maar dit doet er ook niet toe; het feit

staat vast, dat men zoo in Thessalonica oordeelde. En daartegenover

zegt Paulus nu, dat dit niet het geval is, want God zal de ontslapen

geloovigen door middel van Jezus, die hen opwekken zal, terstond met

Hem (met Jezus) doen zijn in zijne toekomst, zoodat Hij hen als het ware

meebrengt, en de levend overgebleven geloovigen zullen hen volstrekt

niet vooruit zijn, want de opstanding der dooden gaat vooraf, en

daarna worden alle geloovigen, zoowel de opgestane als de veranderde

geloovigen, te zamen opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet. De

tekst bevat dus niets van eene eerste en eene tweede opstanding. Indien

nu nergens in de Schrift zulk eene tweeërlei opstanding voorkomt, zal

men wel doen, ze niet al te spoedig in Op. 20 te vinden. En werkelijk

komt ze daar ook niet voor. Er staat daar in vers 4 en 5 alleen dit,

dat de zielen der in de groote verdrukking trouw gebleven geloovigen

als koningen met Christus duizend jaren leven en heerschen en dat dit

de eerste opstanding is. Johannes zegt duidelijk, dat hij de zielen, τας

ψυχας, van de martelaren zag, cf. 6:9, en maakt van opstanding hunner

lichamen geen melding. Hij zegt voorts, dat die zielen, niet opstonden

of opgewekt werden of in het leven ingingen, maar dat zij _leefden_ en

dat zij terstond als koningen met Christus leefden en heerschten duizend

jaren. Hij spreekt verder van de overige dooden, οἱ λοιποι των νεκρων,

en onderstelt dus, dat de geloovigen, wier zielen hij in den hemel zag,

ook nog in zekeren zin tot de dooden behooren, maar toch leefden en

heerschten; daartegenover zegt hij van de overige dooden, niet, gelijk

in de Statenvertaling staat, dat zij niet weder levend werden, maar dat

zij _niet_ leefden, οὐκ ἐζησαν. En hij voegt er eindelijk met nadruk aan

toe, dat dit leven en heerschen van de zielen der getrouw gebleven

geloovigen in tegenstelling met het niet leven der overige dooden de

eerste opstanding is. Men voelt als het ware de tegenstelling: dàt is

niet de eerste opstanding, die door sommigen, ook reeds in Johannes’

dagen, aangenomen werd, alsof er eene lichamelijke opstanding der

geloovigen aan het duizendjarig rijk vooraf zou gaan; maar de eerste

opstanding bestaat in het leven en heerschen der getrouw gebleven

geloovigen in den hemel met Christus. De geloovigen, aan wie Johannes

schrijft en die straks de verdrukking tegemoet gaan, moeten niet denken,

dat zij eerst zalig zullen worden aan het einde der dagen. Neen, zalig

zijn de dooden, die in den Heere sterven _van nu aan_, ἀπαρτι, 14:13;

zij ontvangen terstond rust van hun moeiten; zij worden aanstonds bij hun

sterven gekroond; zij leven en heerschen met Christus in den hemel van

het eerste oogenblik na hun dood af; en daarom kunnen zij gemoedigd

de verdrukking tegengaan, de kroon des levens ligt voor hen gereed,

2:10. Johannes herhaalt hier, 20:4, 5, in het kort, wat hij vroeger aan

de zeven gemeenten geschreven heeft. De beloften, welke daar aan de

geloovigen, indien zij volhardden tot het einde, gegeven werden, kwamen

alle hierop neer, dat wie overwint, gekroond zou worden. Wie overwint,

ontvangt te eten van den boom des levens, 2:7, van het verborgen manna,

2:17, krijgt macht over de Heidenen, 2:26, ontvangt de morgenster,

2:28, wordt bekleed met witte kleederen, 3:5, wordt gemaakt tot een

pilaar in Gods tempel, 3:12, houdt avondmaal met Jezus, 3:20. In één

woord, die overwint, Ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon,

2:21. Wat Johannes eerst in de belofte zag, ziet hij thans in hoofdst.

20 in de vervulling; zij, die trouw blijven tot den dood, leven en

heerschen terstond met Christus in zijnen troon in den hemel; en _dat_

is de _eerste_ opstanding. Maar Johannes voegt er nog iets aan toe,

en bevestigt daarmede de boven gegeven verklaring. Hij zegt namelijk:

zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over

hem heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters Gods en

Christi zijn, en met Hem heerschen de duizend jaren. De tweede dood is

volgens 20:14 niets anders dan het geworpen worden in den poel des

vuurs. Wat nu het lot der in vs. 5 genoemde overige dooden moge zijn, in

elk geval zijn de getrouw gebleven geloovigen, die met Christus leven

en heerschen, voor dien tweeden dood gevrijwaard. Zij hebben reeds de

kroon des levens en eten reeds van het manna des levens, en behoeven

dus voor het later volgend gericht niet te vreezen; wie overwint, zal

van den tweeden dood, die bij het eindgericht intreedt, niet beschadigd

worden, 2:11. Indien Johannes de eerste opstanding in chiliastischen

zin verstond, als eene lichamelijke opstanding der geloovigen vóór het

duizendjarig rijk, dan had hij zulk eene vertroosting aan de geloovigen

niet behoeven te geven. Hij had dan kunnen volstaan met te zeggen,

dat zij nog vóór het duizendjarig rijk zouden opstaan. Maar neen, de

geloovigen blijven nog tot het eindgericht toe in zekeren zin tot de

dooden behooren; doch geen nood, indien zij volharden tot het einde, dan

worden zij terstond gekroond en kunnen, ook al heerscht de _eerste_ dood

nog over hunne lichamen, door den _tweeden_ dood niet beschadigd worden.

10. Tegen deze verklaring kan men echter inbrengen, dat Johannes toch

duidelijk spreekt van eene duizendjarige heerschappij der geloovigen

met Christus, zij het ook in den hemel, en dat hij deze plaatst na de

wederkomst van Christus, 19:11-16 en den val van het wereldrijk en

van den valschen profeet, 19:20. Toch weegt deze bedenking niet zoo

zwaar als het lijkt. Want 1º de plaatsing van het visioen in Op. 20 na

dat in hoofdst. 19 beslist op zichzelf hoegenaamd nog niet over de

chronologische volgorde. In het algemeen kan de kunst van het woord,

in onderscheiding bijv. van de schilderkunst, datgene wat gelijktijdig

plaats heeft, slechts successief, het een na het ander, verhalen.

De Schrift maakt hierop geene uitzondering en verhaalt dikwerf na

elkaar, wat in de werkelijkheid naast elkaar voorkomt. Bij de profeten

gebeurt het menigmaal, dat zij successief zien en beschrijven, wat

gelijktijdig of ook zelfs in eene gansch andere orde plaats grijpt of

plaats grijpen zal. Vooral is dat, gelijk meer en meer erkend wordt, in

het boek der Openbaring het geval. De brieven aan de zeven gemeenten

zijn geen beschrijvingen van in diezelfde orde op elkander volgende

kerkelijke toestanden. De zeven zegelen, de zeven bazuinen en de

zeven fiolen vormen geen chronologische reeks maar loopen parallel

en voeren ons telkens tot aan het einde, tot de laatste worsteling

van de antichristelijke macht. En zoo is er op zichzelf niets tegen om

aan te nemen, dat hetgeen in Op. 20 verhaald wordt evenwijdig loopt

met de gebeurtenissen der vroegere hoofdstukken. 2º Erkend dient

te worden, dat Johannes bij het wereldrijk, dat hij teekent, denkt aan

het Romeinsche imperium. De profetie, in het Oude en ook in het

Nieuwe Testament beweegt zich niet hoog in de lucht maar staat op

historischen bodem en ziet in de concrete machten, in wier midden

zij leeft, de worsteling belichaamd van het wereldrijk tegen het rijk

van God. Het boek Daniel bijv. loopt tot Antiochus Epiphanes toe en

ziet in hem de personificatie der vijandschap tegen God en zijn volk.

En zoo ook ontleent Johannes de trekken voor zijn wereldrijk aan het

Romeinsche keizerrijk zijner dagen. Ofschoon al wat te voren geschreven

is, ook tot onze leering geschreven is, zoo is toch de Openbaring van

Johannes in de eerste plaats een troostboek voor de kruisgemeente van

zijn tijd, om haar aan te sporen tot volharding in den strijd en om haar

te bemoedigen door het gezicht van de kroon, die haar wacht. Indien

Johannes voor zichzelven gemeend heeft, dat in het Romeinsche keizerrijk

de allerlaatste ontwikkeling van het wereldrijk was opgetreden en dat

Christus binnen enkele jaren komen zou, om daaraan een einde te maken,

dan zou daarin niets ongewoons te vinden zijn, niets dat in strijd ware

met den geest der profetie. Wij zijn niet aan Johannes’ persoonlijke

meening, maar aan het woord zijner profetie gebonden; en de profetie,

die haar licht over de geschiedenis werpt, wordt op haar beurt ook door

de historie verklaard en onthuld. 3º Indien Johannes werkelijk voor

zichzelven geloofd heeft, dat het Romeinsche keizerrijk binnen enkele

jaren door de verschijning van Christus te niet gedaan zou worden, dan

heeft hij in elk geval gemeend, dat de geschiedenis der wereld daarmede

nog niet was afgeloopen, want in dat geval ware er voor de heerschappij

van de geloovigen met Christus in den hemel daarnaast geen plaats en

moest deze eerst na dien tijd aanvangen. Maar deze zeitgeschichtliche

opvatting geeft, hoeveel waars zij ook moge bevatten, niet de volledige

gedachte van Johannes’ Openbaring weer. Want duidelijk blijkt, dat in

hoofdst. 19 de geschiedenis der wereld haar einde heeft bereikt. Babel

is gevallen, hoofdst. 18, God heerscht als koning, 19:6, de bruiloft

des Lams is gekomen, 19:7-9, Christus is verschenen, 19:11-16, de

laatste strijd van alle koningen der aarde en van hunne heirlegers is

gestreden, 19:17-19, het wereldrijk en de valsche profeet zijn vernietigd

en geworpen in den poel des vuurs, die als de tweede dood eerst

geopend wordt na het gericht, 19:20, cf. 20:14, en de overigen werden

gedood, 19:21. Het 19e hoofdstuk loopt dus duidelijk door tot datzelfde

wereldeinde, dat in 20:10-15 geteekend wordt. Er is geen stof meer voor

het vervolg der wereldgeschiedenis. De zeitgeschichtliche exegese laat

de herkomst der volken, die in 20:3, 8 optreden, onverklaard of komt

anders met 19:17-21 in strijd. Gelijk echter de brieven aan de zeven

gemeenten en evenzoo de zeven zegelen, bazuinen en fiolen allereerst

zien op de toestanden en gebeurtenissen in Johannes’ dagen doch dan

eene verdere strekking hebben voor de kerk aller eeuwen en voor heel

de geschiedenis der wereld, zoo geldt het ook van het wereldrijk, in

de Openbaring geteekend, dat het zijn type heeft in het Romeinsche

keizerrijk der eerste eeuwen maar daarin toch nog niet zijn volle

realiseering ontvangt. Het verheft zich telkens weer en moet altijd

opnieuw bezwijken voor de verschijning van Christus, totdat het eindelijk

zijne uiterste krachten inspant, zich in eene laatste reusachtige

worsteling uitput en dan voorgoed door de komst van Christus vernietigd

wordt. 4º Indien deze opvatting juist is, bedoelt het visioen van Joh.

20 niet, om ons te verhalen, wat in chronologische orde na het in Op.

19 gebeurde voorvallen zal, maar heeft het eene zelfstandige plaats

en bericht ons, wat met het voorafgaande parallel loopt. Er is n.l.

tweeërlei uiteinde van de geschiedenis der wereld te verhalen, een van

de historische volken, waaronder het Christendom optreedt, en een ander

van de wilde volken, die, gelijk Op. 20:8 zoo duidelijk zegt, in de vier

hoeken der aarde wonen, en dus buiten het centrum van de geschiedenis

en de cultuur der menschheid hebben geleefd. Onder gene kon alleen het

wereldrijk en de valsche profetie optreden, want het antichristendom

onderstelt de bekendheid met het evangelie; deze brengen het alleen

tot een woesten aanval op de gemeente van Christus. Maar het is toch

dezelfde Satan, die ginds en hier werkt. Telkens als hij onder de

cultuurdragende volken teruggedrongen en verslagen wordt, organiseert

hij in de wilde volken een nieuw instrument tot den strijd tegen

Christus. Eerst is hij uit den hemel geworpen; daarna werkt hij op aarde

en richt er tegen Christus zijn wereldrijk op; en eindelijk laat hij de

wilde volken verschijnen op de breedte der aarde, om den laatsten strijd

tegen Christus te strijden. Maar dit alles niet in tijdrekenkundigen

doch in logischen, geestelijken zin. 5º De duizend jaren zijn een

symbolisch getal, gelijk thans algemeen erkend wordt; zij staan tegenover

de weinige dagen, gedurende welke de getrouw gebleven geloovigen hier

op aarde verdrukt en vervolgd zijn geworden, 12:14, maar ook tegenover

de voltooide heerlijkheid, die eeuwig is, 22:5. Zij zijn eene aanduiding

van de heilige, zalige rust der gestorven geloovigen in den hemel bij

Christus en tevens van het verlangen, waarmede zij uitzien naar den dag

der wrake van hun bloed, 6:9, terwijl op aarde de strijd van wereldrijk

en volkerenwereld tegen Christus nog voortduurt. En als Johannes dan

in Op. 20:1-9 de geschiedenis der wilde volken verhaald heeft tot dat

einde toe, waarop ook die der cultuurdragende volken in 19:17-21 is

uitgeloopen, dan wordt de draad van beide visioenen opgenomen en het

allerlaatste einde der gansche wereldgeschiedenis verhaald. Daar, in

19:21, werden de menschen gedood door het zwaard van Christus; hier in

20:9, worden zij verteerd door vuur uit den hemel. Maar nadat wereldrijk,

valsche profeet en Satan veroordeeld en in den poel geworpen zijn,

19:20, 20:10, staan alle dooden op en worden geoordeeld naar hunne

werken, 20:11-15.

11. De dusver ontwikkelde leer der Schrift stelt duidelijk in het licht,

dat de gang en de uitkomst der wereldgeschiedenis eene gansch andere

is, dan menschen haar gewoonlijk zich voorstellen. Indien ergens, dan

geldt het bovenal ten aanzien van het einde der dingen, dat Gods

wegen hooger dan onze wegen zijn, en zijne gedachten hooger dan onze

gedachten. Het koninkrijk Gods, ofschoon gelijk aan een mostaardzaad en

een zuurdeesem en een zaad, dat uitspruit en lang wordt buiten weten

en toedoen des menschen, Mt. 13:31, 33, Mk. 4:27, bereikt toch zijne

voltooiing niet in den weg van geleidelijke ontwikkeling of van een

ethisch proces. Veeleer loopt de geschiedenis der menschheid, zoowel

bij de cultuurdragende als bij de cultuurlooze volken, volgens het

onwraakbaar getuigenis der Schrift uit op eene algemeene apostasie en

op eene ontzettende laatste worsteling van alle satanische machten

tegen God en zijn rijk. Maar dan is ook het einde daar; de wereld heeft

in den tijd en met de macht, haar door God geschonken, niet anders

gedaan dan, evenals in de dagen van Noach, zich rijp gemaakt voor het

gericht; op het hoogtepunt van haar macht, stort zij plotseling bij

de verschijning van Christus ineen. Eene catastrophe, eene ingrijpende

daad Gods maakt ten slotte aan de heerschappij van Satan hier op aarde

een einde en brengt de voltooiing van het onbewegelijk koninkrijk der

hemelen tot stand. Gelijk bij den geloovige de volmaaktheid niet vrucht

is van eene langzaam voortgaande heiligmaking maar terstond na het

sterven bij hen intreedt, zoo ook komt de volmaking van menschheid en

wereld niet langzamerhand maar plotseling door de verschijning van

Christus tot stand. Bepaaldelijk is het Christus, die door den Vader

aangewezen is, om aan de geschiedenis van menschheid en wereld een

einde te maken. En Hij is daartoe aangewezen, omdat Hij de Zaligmaker, de

volkomene Zaligmaker is. De arbeid, dien Hij op aarde volbracht, is maar

een stuk van het groote werk der verlossing, dat Hij op zich genomen

heeft; en de tijd, dien Hij hier doorbracht, is maar een klein gedeelte

van de eeuwen, over wie Hij als Heer en Koning aangesteld is. Van

eeuwigheid gezalfd door den Vader, is Hij zijne profetische, priesterlijke

en koninklijke werkzaamheid terstond beginnen uit te oefenen, nadat

de zonde in de wereld gekomen was; Hij zette die werkzaamheid voort

door al de wentelende eeuwen heen; en Hij zal ze eenmaal voltooien

aan het einde der tijden. Wat Hij op aarde door zijn lijden en sterven

verwierf, dat past Hij van uit den hemel door de kracht van zijn woord

en de werking zijns Geestes toe; en wat Hij alzoo toegepast heeft, dat

handhaaft en beschermt Hij tegen alle aanvallen van Satan, om het eens

aan het einde, gansch volkomen, zonder vlek of rimpel, voor te stellen

aan zijnen Vader, die in de hemelen is. De wederkomst van Christus

ten oordeele is daarom niet een willekeurig toevoegsel, dat van zijn

voorafgaand werk losgemaakt en op zichzelf gesteld kan worden; maar

zij vormt van dat werk een noodzakelijk, onmisbaar bestanddeel, zij

brengt dat werk tot zijne voltooiing en zet er de kroon op; zij is de

laatste en hoogste trap in den staat zijner verhooging. Omdat Christus

de Zaligmaker der wereld is, komt Hij eenmaal weder als haar Rechter;

de κρισις, welke Hij door zijne eerste komst teweeg bracht, voleindt Hij

bij zijn tweede komst; de Vader gaf Hem macht, om κρισιν ποιειν, wijl Hij

Zoon des menschen is, Joh. 5:27. De eschatologie wortelt daarom in

de Christologie en is zelve Christologie, leer van den eindelijken,

volkomen triumf van Christus en van zijn rijk over al zijne vijanden. Zelfs

kunnen wij met de Schrift nog verder teruggaan. De Zoon is niet alleen

vanwege de zonde mediator reconciliationis, maar ook afgedacht van de

zonde mediator unionis tusschen God en zijn schepsel. Hij is niet alleen

de causa exemplaris, maar ook de causa finalis van de schepping; de

wereld heeft in den Zoon haar grondslag en voorbeeld en daarom heeft

zij in Hem ook haar doel; zij is door Hem en ook tot Hem geschapen, Col.

1:16. Omdat de schepping zijn werk is, kan en mag zij geen buit van Satan

blijven; de _Zoon_ is Hoofd, Heer en Erfgenaam aller dingen. Saamgevat

in den Zoon, onder Hem als Hoofd vergaderd, keeren de schepselen weer

tot den Vader, de fontein aller goeden, terug, deel II 408. De tweede

komst van Christus wordt dus door zijn eerste geeischt; zij is in deze

begrepen, vloeit er te harer tijd noodzakelijk uit voort, brengt ze tot

haar volle uitwerking en voltooiing en werd daarom door de Oudtest.

profetie met de eerste komst in één beeld samengevat. En niet slechts

hangt de tweede komst met de eerste idealiter en logisch saam, maar er

bestaat tusschen beide ook een reëel verband. Gelijk het Oude Testament

een voortdurend komen van God tot zijn volk was, totdat Hij in Christus

lichamelijk onder hen wonen ging; zoo ook is de bedeeling des Nieuwen

Testaments een altijd door komen van Christus tot zijn erfdeel, om het

eindelijk voorgoed in zijn bezit te nemen. Christus is niet alleen

degene, die in de dagen des Ouden Test. komen zou en in de volheid des

tijds gekomen is; maar Hij is ook de komende, ὁ ἐρχομενος, en degene, die

komen zal, ὁ ἐρχομενος ἡξει, Hebr. 10:37, cf. Op. 1:4, 8 enz. De tweede

komst van Christus is het complement der eerste.

12. Dit ideëele en reëele verband van Christus’ eerste en tweede komst

verklaart ook de wijze, waarop in het N. Test. over den tijd zijner

parousie gesproken wordt. Eene gansche reeks van plaatsen stelt deze

parousie zeer nabij. Jezus knoopt de profetie van de voleinding der

eeuwen onmiddellijk vast aan die van de verwoesting van Jeruzalem, Mt.

24:29 c. parall. Paulus acht het mogelijk, dat hij en zijne medegeloovigen

de parousie van Christus nog beleven zullen, 1 Thess. 4:15, 1 Cor.

15:51. En alle apostelen zeggen, dat zij zijn in den laatsten tijd, dat

de toekomst des Heeren nabij is, en ontleenen daaraan eene drangrede

tot waakzaamheid, Rom. 13:11, 1 Cor. 10:11, Hebr. 3:14, 6:11, 10:25,

37, Jak. 5:7-9, 1 Petr. 1:6, 20, 4:17, 5:10, 1 Joh. 2:18, Op. 1:3,

3:11, 20, 22:7, 10, 12, 20. Er is in de opvatting van deze Nieuwtest.

verwachting aangaande de spoedige wederkomst van Christus zoowel

aan de eene als aan de andere zijde gedwaald. Het N. Testament bevat

volstrekt geen leer over den tijd van Christus’ wederkomst. Het stelt

in geenen deele vast, dat die wederkomst nog vóór of onmiddellijk na

de verwoesting van Jeruzalem plaats hebben zal. Wel is dit door velen

uit Mt. 10:23, 16:28, 24:34, 26:64 c. parall. afgeleid, maar ten

onrechte. Want het is voor geen redelijken twijfel vatbaar, dat Jezus

van zijn komen in verschillenden zin heeft gesproken. In Joh. 14:18-24,

cf. 16:16-24 spreekt Hij tot zijne discipelen van zijn komen in den Geest

na den pinksterdag of volgens andere uitleggers van zijn komen na de

opstanding, wanneer Hij weder voor een kleinen tijd aan zijne jongeren

verschijnen zal. In Mt. 26:64 bevestigde Jezus voor den hoogen raad

niet alleen zijn Messiasschap met een eed, maar zeide Hij ook, dat Hij

hen hiervan overtuigen zou, doordat zij Hem van nu aan, ἀπαρτι, zouden

zien zitten aan de rechterhand van Gods kracht en zouden zien komen

op de wolken des hemels. Van een dergelijk komen in zijne heerlijkheid

is ook elders sprake. Mt. 16:28, cf. Mk. 9:1, Luk. 9:27, verheft dit

boven alle bedenking. Jezus zegt daar, dat sommigen van zijne omstanders

den dood niet zullen smaken, totdat zij den Zoon des menschen hebben

zien komen in zijn koninkrijk. Vlak vooraf had Hij vermaand, om vooral op

redding der ziel bedacht te zijn; en Hij drong deze vermaning aan, met te

zeggen, dat de Zoon des menschen komen zou, met Goddelijke heerlijkheid

bekleed, en dan een ieder naar zijne werken zou vergelden. Maar zóó

lang, voegt Hij er in vs. 28 als het ware verklarend aan toe, zal dit

zelfs niet duren, want nog voordat al zijne omstanders gestorven zijn,

komt de Zoon des menschen reeds in zijn koninkrijk, ἐν τῃ βασιλειᾳ αὐτου,

dat is, met de koninklijke macht en waardigheid, welke de Vader Hem

geven zal. Door zijne opstanding en hemelvaart toch wordt Christus van

den Vader tot Hoofd, Koning, Heer aangesteld, Hd. 2:33, 5:31; en van

dat oogenblik af komt Hij voortdurend in zijne koninklijke waardigheid,

naarmate zijn koninkrijk op aarde gesticht en uitgebreid wordt. En

daarom wordt in Mk. 9:1 en Luk. 9:27 de uitdrukking alzoo verklaard,

dat velen den dood niet smaken zullen, totdat zij het koninkrijk Gods

hebben gezien of hebben zien komen in kracht. Op dezelfde wijze is Mt.

10:23 te verklaren: de discipelen zouden hunne rondreis door de steden

Israels niet volbracht hebben, totdat de Zoon des menschen komen zou;

ofschoon het komen hier in het geheel niet nader verklaard wordt, kan

toch onmogelijk de parousie bedoeld zijn, wijl Jezus dan met zichzelf in

tegenspraak zou komen; in Mt. 24 laat Hij zijne parousie in elk geval

volgen op de verwoesting van Jeruzalem. Hoe lang zij na deze ontzettende

gebeurtenis plaats hebben zou, wordt door Jezus niet gezegd. Wel bindt

Hij ze in zijne profetie onmiddelijk aan den val van Jeruzalem vast; de

vertaling van εὐθεως in Mt. 24:29 door _plotseling_ in plaats van door

_terstond_, ook door van Leeuwen, De Parousie-verwachting in het N.

T. Utrecht 1898 bl. 37 voorgestaan, brengt daarin geen verandering,

want er staat duidelijk bij, dat de teekenen der parousie een aanvang

zullen nemen εὐθεως na de verdrukking dier dagen, in die dagen, na

die verdrukking, Mk. 13:24, cf. Luk. 21:25-27. Dit wordt bevestigd

door Mt. 24:34 cf. Mk. 13:29, Luk. 21:32, waar Jezus zegt, dat dit

geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen geschied zijn. De

woorden ἡ γενεα αὑτη kunnen niet verstaan worden van het volk der

Joden, maar slaan ongetwijfeld op het toen levend geslacht, cf. Cremer

s. v. Daarentegen is het duidelijk, dat de woorden παντα ταυτα niet

de parousie zelve insluiten, maar alleen doelen op de teekenen, die

haar voorafgaan en aankondigen. Immers, nadat Jezus de verwoesting

van Jeruzalem en de voorteekenen en zijne wederkomst en zelfs de

bijeenvergadering zijner uitverkorenen door de engelen voorspeld en dus

zijne eschatologische rede eigenlijk geeindigd heeft, gaat Hij in vers 32

er toe over, om haar practisch toe te passen en zegt Hij, dat, evenals

het uitspruiten der bladeren bij den vijgeboom den zomer aankondigt,

zoo ook παντα ταυτα voorteekenen daarvan zijn, dat het einde nabij is

of dat de Messias nabij is voor de deur. Hier slaat παντα ταυτα zonder

eenigen twijfel op de voorteekenen der parousie, niet op deze zelve,

want anders ware het ongerijmd om te zeggen, dat, wanneer παντα ταυτα

geschieden zullen, het einde eerst nabij is. In vers 34 hebben de

woorden παντα ταυτα denzelfden zin; en Jezus zegt dus niet, dat zijne

parousie nog binnen den tijd van het thans levend geslacht zal plaats

hebben, maar dat hare voorteekenen en aankondigingen, gelijk die in de

verwoesting van Jeruzalem en de daarbij plaats hebbende gebeurtenissen

te zien zouden zijn, nog in den tijd van het thans levend geslacht een

aanvang zouden nemen. En daarvan is Jezus zoo zeker, dat Hij zegt, dat

hemel en aarde wel zullen voorbijgaan, maar dat zijne woorden geenszins

zullen voorbijgaan. Doch overigens onthoudt Jezus zich van alle nadere

tijdsbepaling. Het is Hem niet te doen, om zijne discipelen het juiste

tijdstip van zijne parousie te doen weten, maar om hen tot waakzaamheid

aan te sporen. En daarom zegt Hij niet, wanneer Hij komen zal, maar wat

de teekenen der tijden zijn, die zijne komst aankondigen. Het letten op

de teekenen der tijden is voor Jezus’ discipelen plicht; het berekenen

van den juisten tijd zijner komst is hun verboden en ook onmogelijk. Het

eerste eischt, dat Jezus zijn licht late vallen op de gebeurtenissen,

die plaats zullen hebben; en zoo doet Hij dan ook, evenals vóór Hem al

de profeten en na Hem al zijne apostelen gedaan hebben. Daarom zegt Hij

ook niet, dat er tusschen de verwoesting van Jeruzalem en zijne parousie

nog vele eeuwen verloopen zouden; dat zou de vermaning tot waakzaamheid

terstond weder krachteloos hebben gemaakt. Evenals de profetie ten

allen tijde doet, kondigt Jezus in de gebeurtenissen van zijn tijd de

nadering van het einde aan. En de apostelen volgen zijn voorbeeld en

teekenen ons in de ketterij en leugen, in de oordeelen en gerichten, in

Jeruzalems val en Rome’s imperium de voorboden van Christus’ wederkomst

en de aanvankelijke vervulling zijner profetie. Want alle geloovigen

behooren ten allen tijde zoo te leven, alsof de komst van Christus

aanstaande ware. Die Nähe der Parusie ist gewissermaassen nur ein

anderer Ausdruck für die absolute Gewissheit derselben, Baldensperger

bij Holtzmann, Neut. Theol. I 312. Maar daarom is ook het tweede, dat

is, het berekenen van het juiste tijdstip der parousie, den Christenen

niet betamend. Immers heeft Jezus dit met opzet gansch onbeslist

gelaten. Zijn komst zal plotseling, onverwacht, verrassend wezen evenals

die van een dief in den nacht, Mt. 24:43, Luk. 12:39, cf. als een

valstrik, Luk. 21:35. Er moeten vele dingen geschieden, eer het einde

daar is, Mt. 24:6. Het evangelie moet in de geheele wereld gepredikt

zijn, Mt. 24:14. De bruidegom vertoeft en de heer der dienstknechten

vertrok buitenslands voor een langen tijd, Mt. 25:5, 13, 19. Onkruid

en tarwe moeten samen opgroeien tot den dag des oogstes, Mt. 13:30.

Het mostaardzaad moet tot een boom worden, en de zuurdeesem alles

doorzuren, Mt. 13:32, 33. Ja, Jezus zegt uitdrukkelijk, bij gelegenheid

dat Hij over zijne parousie handelt, dat de dag en de ure van zijne komst

aan niemand, aan engelen noch menschen, ja zelfs niet aan den Zoon

bekend is, Mk. 13:32, en getuigt nog na zijne opstanding, dat de Vader

de tijden en gelegenheden voor de oprichting van zijn koninkrijk in zijne

macht heeft gesteld, Hd. 1:7. En desgelijks spreken al de apostelen;

Christus komt als een dief in den nacht, 1 Thess. 5:1, 2, 2 Petr.

3:10, Op. 3:3, 16:15; Hij verschijnt niet, dan nadat eerst de antichrist

gekomen zij, 2 Thess. 2:2v.; de opstanding heeft plaats in eene vaste

orde, eerst van Christus, daarna die van de geloovigen in zijne

toekomst, 1 Cor. 15:23; en die toekomst toeft, wijl de Heere een anderen

maatstaf voor den tijd heeft dan wij en in zijne lankmoedigheid wil, dat

allen tot bekeering komen, 2 Petr. 3:8, 9.

Even sober als over den tijd spreekt de H. Schrift over de wijze van

Jezus’ wederkomst. De tweede komst van Christus wordt in het N. T.

dikwerf aangeduid met den naam van παρουσια, hetzij absoluut, Mt. 24:3,

hetzij nader omschreven als παρουσια του υἱου του ἀνθρωπου of παρουσια

του κυριου ἡμων Ιησου Χριστου, Mt. 24:27, 37, 39, 1 Thess. 3:13, 4:15,

5:23 enz., of παρουσια της του θεου ἡμερας, 2 Petr. 3:12. Het woord

sluit eigenlijk niet het begrip van wederkomst in, maar duidt aan,

dat Jezus, na een tijd lang afwezig en verborgen te zijn geweest, Hd.

3:21, Col. 3:3, 4, en daarna op nieuw gekomen te zijn, Mt. 16:27, 24:30

enz., cf. Luk. 19:12, 15, weder aanwezig en tegenwoordig zal zijn en

dan aanwezig zal blijven. Daarom wisselt het ook af met ἐπιφανεια, Mt.

24:30, 1 Tim. 6:14, Tit. 2:13, ἀποκαλυψις, Luk. 17:30, 1 Cor. 1:7,

2 Thess. 1:7, 1 Petr. 1:7, 13, φανερωσις, Col. 3:4, 1 Petr. 5:4, 1

Joh. 2:28; in 2 Thess. 2:8 wordt zelfs gesproken van ἡ ἐπιφανεια της

παρουσιας αὐτου. Deze parousie is een werk Gods, in zoover deze zijnen

Christus zenden zal en daarvoor de tijden en gelegenheden bepaalt,

Hd. 1:7, 3:20, 1 Tim. 6:14-16, maar zij is ook eene daad van Christus

zelven, als Zoon des menschen, wien door den Vader het oordeel gegeven

is en die als koning heerschen moet, totdat alle vijanden onder zijne

voeten gelegd zijn, Joh. 5:27, 1 Cor. 15:25. Wijl Hij bij zijn heengaan

van de aarde opgenomen is in den hemel, komt Hij bij zijne parousie van

den hemel weer, Phil. 3:20, 1 Thess. 1:10, 2 Thess. 1:7, Op. 19:11;

en gelijk eene wolk Hem bij zijne hemelvaart opnam en verbergde voor

het oog zijner discipelen, Hd. 1:9, zoo wordt Hij in Oudtestamentische

taal ook beschreven als wederkeerende op wolken des hemels, die als

een zegewagen Hem heendragen naar deze aarde, Mt. 24:30, 26:64, Mk.

13:26, 14:62, Luk. 21:27, Op. 1:7, 14:14. Immers keert Hij niet weer

in dienstknechtsgestalte, maar met groote kracht en met zijne en zijns

Vaders heerlijkheid, Mt. 16:27, 24:30, Mk. 8:38, 13:26, Luk. 22:27, Col.

3:3, 4, 2 Thess. 1:9, 10, Tit. 2:13, als een Koning der koningen en

Heer der heeren, Op. 17:14, 19:11-16, omgeven door zijne engelen, Mt.

16:27, 25:31, Mk. 8:38, Luk. 9:26, 2 Thess. 1:7, Op. 19:14, door zijne

heiligen, onder wie misschien ook de reeds gezaligden begrepen zijn, 1

Thess. 3:13, 2 Thess. 1:10, Jud. 14. Ofschoon zijne parousie vanwege het

onverwachte met het inbreken van een dief in den nacht overeenkomt,

zal zij toch voor alle menschen over de gansche aarde zichtbaar zijn,

aan een bliksem gelijk wezen, die van de eene zijde des hemels licht tot

de andere, Mt. 24:27, Luk. 17:24, Op. 1:7, en aangekondigd worden door

de stem van een archangel en de bazuin der engelen, Mt. 24:31, 1 Cor.

15:52, 1 Thess. 4:16. In verband met hunne leer van de hemelvaart,

deel III 414, zeiden de Lutherschen, dat de wederkomst van Christus

aan geen successie van oogenblikken was onderworpen maar in niets

anders bestond dan in de plotselinge zichtbaarwording van het eenmaal

bij de verhooging onzichtbaar en alomtegenwoordig geworden lichaam van

Christus. Hoewel men over het algemeen erkende, dat de wederkomst

van Christus visibilis en localis was, verstond men daaronder toch

alleen, dat de menschelijke natuur van Christus door eene singularis

Dei dispositio voor het speciale doel des gerichts een tijd lang op

eene bepaalde plaats zichtbaar werd, zonder dat zij daarmede hare

tegenwoordigheid op andere plaatsen varen liet, Gerhard, Loc. XXVII

de extr. jud. n. 35. Quenstedt, Theol. IV 614. Hollaz, Ex. 1249.

Maar de Gereformeerden schreven aan de wederkomst van Christus een

lichamelijk, plaatselijk, tijdelijk karakter toe; zij erkenden zelfs, dat

die wederkomst, ook al zou zij zeer plotseling zijn, toch successiva

was, aan eene successie van oogenblikken onderworpen; ook op den

hoogsten trap van hare verhooging, bij de wederkomst ten oordeele, bleef

Christus zijne waarachtig menschelijke natuur behouden, cf. M. Vitringa

IV 160. Cf. over de wederkomst van Christus in het algemeen, behalve de

reeds bovenaangehaalde werken, ook nog: Thomas, S. Theol. III qu. 59

art. 2 Suppl. qu. 90 art. 1. 2. Oswald, Eschat. 234 f. Jansen, Prael.

III 1038. Atzberger, Die christl. Eschat. 300 f. Simar, Dogm. § 166.

Gerhard, Loc. XXVIII de extr. jud. c. 3. Quenstedt, Theol. 649. Hollaz,

Ex. 1249. Polanus, Synt. VI c. 65. Voetius, Disp. II 51 sq. Marck,

Exspect. Jesu Chr. I c. 1-24. M. Vitringa IV 160. Kliefoth, Eschat. 228

f. Nitzsch, Ev. Dogm. 607 f.

§ 56. DE VOLEINDING DER EEUWEN.

1. Met de verschijning van Christus op de wolken begint de יום יהוה, ἡ

ἡμερα του κυριου ἡμων Ιησου Χριστου, Mt. 24:36v., Luk. 17:24v., 21:34,

Hd. 17:30, 1 Cor. 1:8, 5:5 enz. De Schrift wil daarmede geenszins te

kennen geven, dat al wat tot de laatste dingen behoort, wederkomst,

opstanding, gericht enz., in eene tijdruimte van twaalf of vierentwintig

uren afloopt. Onder het Oude Testament was de dag des Heeren die

tijd, waarin God op wonderbaar heerlijke wijze als koning tot zijn volk

zou komen, om het van al zijne vijanden te verlossen en het bij zich in

Jeruzalem in vrede en veiligheid te doen wonen. Met dat komen Gods trad

het groote keerpunt in, waarbij de oude tijd in den nieuwen overging en

alle toestanden en verhoudingen in natuur en menschenwereld gansch en

al veranderen zouden. Later werd dit door de Joden zoo voorgesteld, dat

met den dag des Heeren de tegenwoordige wereldtijd, עולם הזה, overging

in den toekomstigen, עולם הבא, die dan dikwerf nog weer nader in de

drie geslachten of in de 40 of 100 of 600 of 1000 of 2000 of 7000 jaren

durende dagen van den Messias, ימות המשיח, en de daarna intredende

eeuwigheid, עולם הבא of עתיד הבא onderscheiden werd, Weber, System 354.

Volgens het Nieuwe Testament heeft met de eerste komst van Christus

het laatste gedeelte van den αἰων οὑτος een aanvang genomen, zoodat

wij nu leven in de laatste dagen of in de laatste ure, 1 Cor. 10:11,

Hebr. 1:1, 19:26, Joh. 2:18, en treedt met zijne tweede komst de αἰων

μελλων in, Mt. 19:28, Mk. 10:30, Luk. 18:30, 20:35, 1 Cor. 15:23,

Hebr. 2:5 enz., cf. Cremer s. v. αἰων. En deze αἰων μελλων begint

met de ἡμερα του κυριου, dat is de tijd, waarin Christus verschijnt,

de dooden opwekt, het oordeel velt en de wereld vernieuwt. Deze tijd

wordt in het N. Test. nergens voorgesteld als lang te zullen duren;

Paulus zegt 1 Cor. 15:52, dat de verandering der levend overgebleven

en de opstanding der gestorven geloovigen in een punt des tijds, in

een oogenblik plaats hebben zal, cf. 1 Thess. 4:15-17; opstanding en

laatste oordeel worden ten nauwste, als tot ééne acte, verbonden, Luk.

14:14, 2 Cor. 4:14, Op. 20:11-13; en het oordeel wordt op een dag, Mt.

10:15, 11:22 enz., ja zelfs op een ure gesteld, Op. 14:7. Maar deze

laatste bepaling bewijst, dat de Schrift er niet aan denkt, om al de

gebeurtenissen in de parousie van Christus, precies binnen eene ruimte

van vierentwintig uren of van zestig minuten te beperken; ὡρα, oorspr.

jaargetijde, duidt dikwerf een veel langeren tijd dan een uur van zestig

minuten aan, Mt. 26:45, Joh. 4:21, 5:25, 16:2, 32, Kom. 13:11, 1 Joh.

2:18. De gebeurtenissen, welke in de parousie van Christus moeten

plaats grijpen, zijn ook zoo omvangrijk, dat zij zeker een geruimen tijd in

beslag nemen. De uitvindingen van deze eeuw hebben voor het onderling

verkeer, voor de oefening van gemeenschap, voor het hooren en zien

van wat in groote verte geschiedt, de afstanden tot een minimum doen

inkrimpen; en ze zijn waarschijnlijk nog maar aanvang en profetie van wat

in volgende eeuwen ontdekt worden zal. Maar hoezeer met dit alles ook

bij de leer der laatste dingen rekening behoort gehouden te worden; toch

zijn verschijning van Christus, zoodat allen Hem zien, opstanding van

alle dooden en verandering der levend overgeblevenen, oordeelvelling

over alle menschen naar al hunne werken, verbranding en vernieuwing

der wereld zulke ontzettende gebeurtenissen, dat zij niet anders dan in

zeker tijdsverloop plaats kunnen hebben.

De eerste gebeurtenis, die op de verschijning van Christus volgt,

is de opstanding der dooden. Deze is niet het resultaat van eene

ontwikkeling der lichamen in het algemeen, of in het bijzonder van

het in de geloovigen door wedergeboorte en sacrament ingeplante

opstandingslichaam, cf. Kübel, Herzog² 1, 764, maar de uitwerking van

eene almachtige, scheppende daad Gods, Mt. 22:29, 1 Cor. 6:14, 15:38, 2

Cor. 1:9. Bepaaldelijk oefent de Vader dit werk uit door den Zoon, wien

Hij gegeven heeft het leven te hebben in zichzelven, Joh. 5:28, 6:29,

40, 44, 1 Cor. 6:14, 2 Cor. 4:14, 1 Thess. 4:14, die de opstanding en

het leven, de eerstgeborene uit de dooden is, Joh. 11:25, Hd. 16:23,

1 Cor. 15:20, Col. 1:18, Op. 1:5, en daarom de opstanding der zijnen

noodzakelijk tot stand moet doen komen, Joh. 6:39, 40, 1 Cor. 15:20-23,

47-49. De Schrift leert zonder twijfel eene algemeene opstanding, eene

opstanding van geloovigen niet alleen maar ook van ongeloovigen en van

alle menschen, Dan. 12:2, Mt. 5:29, 30, 10:28, Joh. 5:29, Hd. 24:15,

Op. 20:12, 13, en zij schrijft ook deze aan Christus toe, Joh. 5:29.

Maar zij spreekt over deze algemeene opstanding toch zeer zelden, wijl

zij tot Christus in een gansch ander verband staat dan de opstanding

der geloovigen. De opstanding der dooden in het algemeen is toch niet

dan zijdelings eene vrucht van het werk van Christus; zij is alleen

noodzakelijk geworden, omdat de tijdelijke dood is ingetreden; en deze is

van den eeuwigen dood gescheiden geworden, omdat God met zijne genade

tusschenbeide kwam. De straf op de zonde was oorspronkelijk de dood, de

dood in zijn vollen omgang en zwaarte. Maar omdat God uit het gevallen

menschelijk geslacht zich eene gemeente ten eeuwigen leven verkoren had,

stelde hij terstond bij Adam en Eva den tijdelijken dood reeds uit, liet

Hij hen zich voortplanten van geslacht tot geslacht en verwijst eerst

aan het einde der eeuwen hen, die zijn wet en evangelie ongehoorzaam

zijn, naar het eeuwig verderf. De algemeene opstanding dient dus alleen,

om de ter wille van de genade in Christus tusschen beide gekomen,

tijdelijke verbreking van den band tusschen ziel en lichaam bij alle

menschen te herstellen en hen allen als _menschen_, naar ziel en

lichaam samen, voor Gods rechterstoel te plaatsen en hen uit zijnen mond

het oordeel te doen vernemen. Ook deze algemeene opstanding brengt de

Vader door Christus tot stand, omdat Hij niet alleen het leven maar ook

het oordeel aan den Zoon heeft gegeven en dit oordeel den ganschen

mensch moet treffen, naar ziel en lichaam beide, Joh. 5:27-29, cf. M.

Vitringa IV 149. De opstanding der dooden in het algemeen is dus in

de eerste plaats eene richterlijke daad Gods. Maar deze daad is voor de

geloovigen vol van rijke vertroosting. En daarom staat in de Schrift

de opstanding der gemeente allerwege op den voorgrond, zoozeer zelfs,

dat de opstanding van alle menschen soms geheel ter zijde gelaten en

verzwegen wordt, Job 19:25-27, Ps. 73:23-26, Hos. 6:2, 13:14, Jes.

26:19, 20, Ezech. 37, Mk. 12:25, 1 Cor. 15, 1 Thess. 4:16, Phil. 3:11.

Deze opstanding is de eigenlijke, ware opstanding en is rechtstreeks

door Christus verworven, want zij is niet maar eene hereeniging van ziel

en lichaam, doch eene levendmaking, eene vernieuwing, een terstond

naar ziel en lichaam beide in gemeenschap treden met Christus, een

herschapen worden naar Gods evenbeeld, Rom. 8:11, 29, Phil. 3:21.

Daarom laat Paulus de opstanding der geloovigen samenvallen met de

verandering der levend overgeblevenen; de laatsten hebben bij de eersten

niets voor, want het opstaan gaat aan het veranderd worden vooraf, en

samen worden zij dan den Heere tegemoet gevoerd in de lucht, 1 Cor.

15:51, 52, 2 Cor. 5:2, 4, 1 Thess. 4:15-17.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 16 / 83 题