met het gestorven lichaam bewaard. Bij de opwekkingen, die in Oud en
Nieuw Test. plaats vinden, wordt het gestorven lichaam met nieuw leven
bezield. Jezus staat op met datzelfde lichaam, waarin Hij geleden
heeft aan het kruis en dat neergelegd was in het graf van Jozef van
Arimathea. Toen Jezus stierf, werden vele lichamen der heiligen
opgewekt en gingen uit uit hunne graven, Mt. 27:52. In de opstanding
ten jongsten dage zullen allen, die in de graven zijn, Jezus’ stem
hooren en uitgaan, Joh. 5:28, 29; uit de graven, uit de zee, uit den
dood en den hades keeren de dooden naar de aarde terug, Op. 20:13. En
Paulus leert, dat het opstandingslichaam voortkomt uit het lichaam,
dat gestorven is, gelijk God uit het gezaaide graan een ander verwekt,
1 Cor. 15:36v. Deze identiteit van het opstandingslichaam met het
lichaam, dat bij den dood werd afgelegd, is in de christelijke religie
van groote beteekenis. Want ten eerste staat zij daarmede lijnrecht over
tegen alle dualistische leer, volgens welke het lichaam slechts eene
toevallige woonplaats of zelfs een kerker van de ziel is. Het wezen
van den mensch bestaat juist in de allernauwste vereeniging van ziel
en lichaam tot ééne persoonlijkheid. De ziel behoort van nature bij het
lichaam en het lichaam bij de ziel; zelfs heeft elke ziel, ofschoon
zij zich niet zelve het lichaam schept, toch haar eigen lichaam. In
de identiteit van het lichaam wordt evengoed als in die van de ziel
de continuiteit van het individueele, menschelijke wezen gehandhaafd.
En ten andere is de verlossing door Christus geen tweede, nieuwe
schepping maar eene herschepping. Veel eenvoudiger ware het geweest,
als God heel de gevallen wereld vernietigd en door eene gansch nieuwe
vervangen had. Maar het was zijn welbehagen, om de gevallen wereld
weder op te richten, en dezelfde menschheid, die gezondigd had, van de
zonde te bevrijden. Deze bevrijding bestaat daarin, dat Christus zijne
gemeente van alle zonde en van alle gevolgen der zonde verlost, en dus
ook volkomen doet triumfeeren over den dood. Dat is de laatste vijand,
die teniet gedaan moet worden. En daarin komt de macht van Christus
uit, dat Hij niet alleen aan de zijnen het eeuwige leven geeft maar hen
dientengevolge ook opwekt ten uitersten dage. De wedergeboorte uit
water en geest voltooit zich in de wedergeboorte aller dingen, Mt.
19:28. De geestelijke verlossing van de zonde wordt eerst voleindigd
in de lichamelijke verlossing aan het einde der dagen. Christus is
een volkomen Zaligmaker; gelijk Hij eerst verscheen, om het koninkrijk
der hemelen op te richten in de harten der geloovigen, zoo komt Hij
eenmaal weer, om het eene zichtbare gedaante te geven en zijne absolute
macht over zonde en dood onwedersprekelijk voor aller schepselen oog
tot openbaring en erkenning te brengen. Leiblichkeit ist das Ende der
Wege Gottes. De zorg voor de dooden staat hiermede in rechtstreeksch
verband. Lijkenverbranding is niet daarom te verwerpen, wijl zij aan Gods
almacht paal en perk zou stellen en de opstanding onmogelijk zou maken.
Maar zij is toch van heidenschen oorsprong, was onder Israel en bij de
Christenvolken nooit in gebruik en strijdt met de christelijke zede.
Daarentegen is begraving veel meer in overeenstemming met Schrift en
belijdenis, historie en liturgie, met de leer van het beeld Gods, dat
ook in het lichaam uitkomt, en van den dood als eene straf der zonde,
met den aan de dooden verschuldigden eerbied en de opstanding ten
jongsten dage. De Christen conserveert de lijken niet kunstmatig, gelijk
de Egyptenaren; hij vernielt ze ook niet mechanisch, zooals thans velen
begeeren, maar hij vertrouwt ze aan den schoot der aarde toe, en laat ze
rusten tot den opstandingsdag, Kuyper, Ons Program 802v. Sartorius, Die
Leichenverbrennung innerhalb der christl. Kirche, Basel 1886.
De christelijke kerk en theologie hield dan ook de identiteit van het
opstandingslichaam met het gestorven lichaam ten strengste vast. Zelfs
sloeg zij dikwerf tot een ander uiterste over en beleed niet alleen
eene opstanding des _vleesches_, maar leerde soms, dat de totalitas
materiae, welke bij een lichaam behoord had, in de opstanding door God
uit alle hoeken der aarde saamvergaderd en in dezelfde wijze en mate als
weleer tot de verschillende deelen des lichaams teruggeleid werd, cf.
Iren. adv. haer. V 12. 13. Augustinus, Enchir. 26. de civ. XX 4. 13
sq. Thomas, S. Theol. III qu. 75-86 enz. Maar deze voorstelling stuit
op onoverkomelijke bezwaren. Want 1º leidt zij tot allerlei spitsvondige
en curieuse onderzoekingen, die voor de leer der opstanding van geen
waarde zijn. De vraag wordt dan, of haren en nagels, bloed en gal, semen
en urina, intestina en genitalia zullen opstaan en uit dezelfde, in
getal en soort gelijke, atomen zullen gevormd worden als waaruit zij
hier in de lichamen bestonden. Met gebrekkige menschen, die een of
meer ledematen misten, en met kinderen, die jong en soms al vóór de
geboorte stierven, kwam men door deze voorstelling in niet geringe
verlegenheid; men moest toch, of men wilde of niet, in al deze en
soortgelijke gevallen tot de onderstelling de toevlucht nemen, dat
de opstandingslichamen aangevuld werden door bestanddeelen, die er
vroeger niet toe behoorden. De opstanding kan niet bestaan in terugkeer
en levendmaking van de totalitas materiae. 2º De physiologie leert,
dat het menschelijk lichaam evenals alle organismen aan voortdurende
stofwisseling onderhevig is, zoodat na zeven jaren geen enkel
stofdeeltje meer aanwezig is van die, welke vóór dien tijd de substantie
van het lichaam vormden. De stoffen, waaruit onze lichamen bestaan,
zooals zuur-, water-, stikstof enz., zijn dezelfde in soort, als die in
andere schepselen rondom ons voorkomen, maar zij wisselen onophoudelijk;
en deze wisseling bewijst afdoende, dat de identiteit der lichamen niet
daarin gelegen kan zijn, dat zij steeds uit dezelfde stoffen in getal
bestaan. Het is genoeg, dat zij bestaan uit dezelfde stoffen in soort.
3º Dit wordt versterkt door de velerlei metamorphosen, welke de natuur
in al hare rijken te aanschouwen geeft. Door inwerking van lucht, water
enz. gaan planten over in turf en steenkool, koolstof in diamant,
klei in kleisteen en gesteente in vruchtbare aarde. In planten-
en dierenrijk is er binnen de grenzen der soorten eene eindelooze
varieteit. En elk organisme ondergaat in den tijd van zijn bestaan eene
reeks van veranderingen; de made wordt eene vlieg, elke larve gaat
uit den onontwikkelden toestand in een meer ontwikkelden over, het
embryo doorloopt verschillende phasen en komt dan tot een exuterinaal
bestaan, de rups wordt een pop en daarna een vlinder enz. Wat onder
al deze gedaanteverwisselingen hetzelfde blijft, weten wij niet. Stof
en vorm veranderen, er schijnt in heel het organisme niets stabiels te
zijn; en toch blijft de identiteit gehandhaafd, die daarom van de grove
stofmassa, van hare wisseling en quantiteit onafhankelijk is.
3. Indien wij deze gegevens in verband brengen met hetgeen de Schrift
ons over de opstanding leert, zien wij ons den weg geopend, om zoowel de
substantieele eenheid als ook het qualitatieve onderscheid tusschen het
tegenwoordig en het toekomstig lichaam te handhaven. De Schrift toch
leert in strikten zin geen opstanding des vleesches maar des lichaams.
Uit de opwekkingen, waarvan zij ons bericht, en uit de opstanding van
Christus is wel wat het wezen, maar niet wat den vorm en de wijze
betreft, tot de opstanding der dooden in het laatste der dagen te
besluiten. Want bij al die opwekkingen bestond het lichaam nog in zijn
geheel, en het lichaam van Christus werd zelfs aan geen verderving
overgegeven, Hd. 2:31. Maar de lichamen dergenen, die opstaan in
de parousie, zijn in hunne bestanddeelen ontbonden en op allerlei
wijze verstrooid en in andere schepselen overgegaan. Van vleesch kan
daarbij in eigenlijken zin geen sprake meer zijn, want vleesch is altijd
bezield; wat ophoudt bezield en levend te zijn, houdt daarmede ook op,
vleesch te wezen en keert tot stof weder, Gen. 3:19. Wel kan Job,
gesteld zelfs, dat deze vertaling de juiste is, zeggen, dat hij uit zijn
vleesch God aanschouwen zal, 19:26, en kan Jezus na zijne opstanding
getuigen, dat een geest geen vleesch en beenen heeft, gelijk Hij had,
Luk. 24:39. Maar dit levert toch geen afdoend bewijs voor de opstanding
des vleesches in den strikten zin van dit woord. Want het vleesch,
waaruit Jobs lichaam bestond, was inderdaad het substraat voor het
lichaam der opstanding, maar vormde daarom nog niet de substantie
ervan. En Jezus stond met datzelfde lichaam op, waarin Hij gestorven
was en dat zelfs geen verderving had gezien, en verkeerde bovendien
tot aan zijne hemelvaart toe in een overgangstoestand, zoodat Hij ook
nog spijze nuttigen kon. Zeer duidelijk leert Paulus toch, dat vleesch
en bloed, wijl der verderfelijkheid onderworpen, de onverderfelijkheid
in het koninkrijk der hemelen niet beërven kunnen. Geheel ten onrechte
is hieruit door Holsten, Holtzmann e. a. afgeleid, dat volgens Paulus
het gestorven lichaam in het geheel niet opstaat en dat de eigenlijke
opstanding al bij het sterven plaats heeft. Want de apostel belijdt
uitdrukkelijk zijn geloof aan de lichamelijke opstanding en verdedigt
haar tegen degenen, die haar in de gemeente van Corinthe zoowel bij
Jezus als bij de geloovigen ontkenden. En ook is hij wel terdege van
meening, dat hetzelfde lichaam, dat in het graf wordt neergelegd, in de
opstanding opgewekt wordt, cf. Bornhäuser, Das Recht des Bekenntnisses
zur Auferstehung des Fleisches, Gütersloh 1899. Maar tevens betoogt hij,
dat de opstanding geen restauratie doch eene reformatie is. Het lichaam
staat op, doch niet als vleesch en bloed, zwak, verderfelijk, sterfelijk,
doch als een lichaam, dat met onverderfelijkheid en heerlijkheid is
bekleed. Het uit vleesch en bloed bestaande lichaam is wel het zaad,
waaruit het opstandingslichaam voortkomt, 1 Cor. 15:35-38. Maar
desniettemin is er tusschen beide een groot onderscheid. Reeds op
aarde is er veel verschil in vleesch bij de organische wezens, en in
lichaam bij de anorganische schepselen, vs. 39-41. En evenzoo is er
een belangrijk onderscheid tusschen het tegenwoordig en het toekomstig
lichaam, gelijk ook de tegenstelling van Adam en Christus bewijst, vs.
42-49. Het eerste is een σωμα ψυχικον, bestaande uit door ψυχη bezield,
aan verandering onderworpen vleesch en bloed; maar het laatste is een
σωμα πνευματικον, het is wel een waarachtig σωμα doch het wordt niet
meer door de ψυχη doch door het πνευμα beheerscht; het bestaat niet
meer uit vleesch en bloed, het is boven het geslachtsleven, Mt. 22:30,
boven de behoefte aan spijze en drank verheven, 1 Cor. 6:13, en daarin
zelfs onderscheiden van het lichaam, dat de mensch bezat vóór den val;
het is onsterfelijk, onverderfelijk, vergeestelijkt, verheerlijkt, 1 Cor.
15:42v., Phil. 3:21. Ook volgens Paulus is daarom de identiteit van
het opstandingslichaam met het aan den schoot der aarde toebetrouwde
lichaam onafhankelijk van de stofmassa en hare voortdurende wisseling.
Alle organismen en zoo ook de menschelijke lichamen bestaan wel steeds
uit dezelfde stoffen in soort maar niet in getal. En zoo ook is het
voor het opstandingslichaam volstrekt niet noodig, dat het juist uit
diezelfde atomen in getal bestaat, als waaruit het bestond, toen
het in het graf werd gelegd. Maar wel is het voor de identiteit een
vereischte, dat in het opstandingslichaam diezelfde organisatie en
vorm, datzelfde schema en type bewaard wordt, welke hier het lichaam
stempelden tot het eigen lichaam van een bepaald persoon. Onder de
gedaanteverwisselingen, waaraan alle schepselen onderworpen zijn, blijft
hunne identiteit en continuiteit bewaard. Het lichaam des menschen
moge na den dood vergaan en naar zijne stofmassa in allerlei andere
organismen worden omgezet, er blijft op aarde iets van over, dat het
substraat van het opstandingslichaam uitmaakt. Wat dat is, weten wij
niet en kunnen wij nimmer uitvinden. Maar het bevreemdende daarvan
verdwijnt, zoodra wij bedenken, dat de allerlaatste bestanddeelen der
dingen ons volkomen onbekend zijn. Elk kleinste atoom is nog weer voor
ontleding vatbaar; de chemische analyse zet zich eindeloos voort maar
bereikt nooit het volstrekt eenvoudige zijn. En toch moet er bij alle
organismen en zoo ook bij het menschelijk lichaam iets zijn, dat in de
steeds voortgaande gedaanteverwisseling zijne identiteit behoudt. Wat
ongerijmds is er dan in, om aan te nemen, dat zulk een „organische
grondvorm”, zulk een „schema der individualiteit” ook na den dood
van het menschelijk lichaam overblijft, om als zaad te dienen voor
het lichaam der opstanding? Want dit staat volgens de Schrift vast,
dat het lichaam der opstanding niet door de zaligen uit den hemel
meegebracht of uit geestelijke, hemelsche elementen gevormd wordt. Het
lichaam der opstanding komt niet uit den hemel maar uit de aarde;
het is geen eigengevormd product van pneuma of psyche, maar komt op
uit het lichaam, dat bij den dood in het graf werd gelegd; en het is
daarom niet geestelijk in dien zin, dat het pneuma tot zijne substantie
zou hebben, maar het is en blijft stoffelijk, al is die stof niet meer
tot verderfelijk vleesch en bloed maar tot een verheerlijkt lichaam
georganiseerd. Cf. Tertullianus, de resurrectione carnis. Augustinus,
de civ. XXII c. 12-20. Enchir. 84-93. Lombardus, Sent. IV dist. 43.
Thomas, suppl. qu. 82-87. Oswald, Eschat. 262 f. Jansen, Prael. III
1044. Simar, Dogm. § 168. Gerhard, Loc. XXVI tract. 2. Quenstedt,
Theol. IV 576-605. Polanus, Synt. VI c. 66. Synopsis pur. theol.,
disp. 51. Mastricht, Theol. VIII 4, 6. Amyraldus, Theses Salm. III
840. Turretinus, Theol. El. XX qu. 1-3. Marck, Exspect. J. C. II c.
1-18. M. Vitringa IV 109-156. Kliefoth, Eschat. 248 f. Splittgerber,
Tod. Fortleben und Auferstehung³ 1879. Nitzsch, Ev. Dogm. 614 f. Art.
Auferstehung in Herzog³.
4. Na de opstanding volgt het gericht, dat in het Oude Testament
voorgesteld wordt als eene overwinning door den Messias van alle
vijanden Israels, maar in het Nieuwe Testament meer geestelijk beschreven
wordt als een richterlijk werk van Christus, waarbij Hij alle menschen
oordeelt en vonnist overeenkomstig de wet, door God hun gegeven.
Jezus toch is de eerste maal op aarde gekomen, niet om de wereld
te veroordeelen doch om haar te behouden, Joh. 3:17, 12:47; maar
toch heeft Hij terstond bij zijne verschijning eene κρισις in het leven
geroepen, die tot gevolg en tot doel heeft, dat degenen, die niet
zien, zien mogen en die zien, blind worden, 3:19, 20, 9:39. Jezus
houdt voortdurend als Zoon des menschen gericht, als Hij aan degenen,
die gelooven, reeds hier op aarde het eeuwige leven schenkt en op
hen, die niet gelooven, den toorn Gods laat rusten, 3:36, 5:22-27.
Er is dus ongetwijfeld een inwendig, geestelijk oordeel; eene crisis,
die zich voltrekt van geslacht tot geslacht; een immanent, diesseitig
gericht, dat in de gewetens der menschen gespannen wordt. Geloof en
ongeloof brengen reeds hier op aarde hun vrucht en hun loon mede;
gelijk het geloof gevolgd wordt door rechtvaardigmaking en vrede
bij God, zoo leidt het ongeloof tot voortgaande verduistering en
verharding en tot overgave aan allerlei ongerechtigheid. Ja zelfs
buiten de tegenstelling van geloof en ongeloof dragen deugd en ondeugd
elk hare eigene vruchten; het goede en het kwade heeft ook in het
natuurlijk leven zijn eigen loon, niet alleen in de ontschuldiging of
beschuldiging van het geweten, maar ook in den uitwendigen voor- of
tegenspoed, die er dikwerf mede verbonden zijn. Schrift en geschiedenis
leeren het bovendien als om strijd, dat zegen en vloek, ontferming en
toorn, gunstbewijzen en gerichten elkander afwisselen in het leven der
menschen en der volken. Er ligt eene groote waarheid in het woord van
den dichter: die Weltgeschichte ist das Weltgericht. Maar toch is in
deze spreuk de waarheid met de leugen vermengd. Zij is niet theistisch
maar pantheistisch gedacht, en ondermijnt alle gericht, in plaats dat
zij het bevestigt en hoog houdt. Immers, indien de wereldgeschiedenis
_het_ wereldgericht is, houdt zij ten eenenmale op een gericht te zijn
en wordt zij een natuurproces, dat om de ontzachlijke tegenstelling
van goed en kwaad in het geheel zich niet bekommert en deze tot den
verborgen schuilhoek van het geweten, en ook daar nog maar voor een
tijd, terugdringt. Er is dan immers geen God meer, die de natuurorde
aan de zedelijke orde dienstbaar kan maken, maar er is niets anders
dan eene natuurmacht, die heel de physische wereld beheerscht en
straks ook dat beperkte terrein, dat aanvankelijk voor de zedelijke
heerschappij van het goede nog werd ingeruimd, inkrimpt en verdwijnen
doet. Want het goede is geen macht, die tegen de natuur bestand is,
indien het zijn steun niet heeft in een almachtig God, die Schepper is
van natuur en zedelijke orde beide. Wel brengt het pantheisme hiertegen
altijd weder in, dat het goede toch om zichzelf en niet uit hoop op
loon of uit vrees voor straf gedaan moet worden. Maar het verlangen
der ziel naar den triomf van het goede, naar de zegepraal van het
recht, heeft hoegenaamd niets gemeen met den zelfzuchtigen wensch
naar aardsch geluk en zinnelijke bevrediging. Integendeel, hoezeer de
Schrift ermede rekent, dat de mensch een zinnelijk wezen is, en hem
een loon voorspiegelt, groot in de hemelen; dat loon is altijd aan de
eere van Gods naam ondergeschikt en met de goede werken, waarin de
geloovigen wandelen, door Christus verworven. Het zijn juist de vromen,
die reikhalzend naar dien dag uitzien, waarin God zijn naam voor het
oog van alle schepselen verheerlijkt en in hunne zaak de zijne over
allen tegenstand doet triumfeeren. En dit verlangen wordt te sterker,
naarmate het bloed, dat om wrake roept, in breeder en dieper stroom
over de aarde vloeit, naarmate het onrecht zegeviert, de goddeloosheid
toeneemt, de leugen triumfeert en Satans rijk zich uitbreidt en tegen
het rijk der gerechtigheid zich verheft. Heel de geschiedenis roept om
een wereldgericht; het gansche schepsel zucht er naar; alle volken
getuigen ervan; de martelaren in den hemel roepen erom met groote
stem; de gemeente bidt om de komst van Christus; en Christus zelf,
die de Alpha en de Omega is, zegt: Zie, Ik kom haastelijk en mijn loon
is met mij, om een iegelijk te vergelden naar zijn werk. Hoezeer de
Schrift dus, vooral in het evangelie van Johannes, een geestelijk, in
de geschiedenis doorloopend gericht erkent, zij spreekt toch allerwege
ook van een eindgericht, dat het rijk van Christus triumfeeren doet over
alle ongerechtigheid. De wereldgeschiedenis moge een wereldgericht
zijn; _het_ wereldgericht heeft plaats aan het einde der dagen, als
Christus komt om te oordeelen de levenden en de dooden. Meermalen
schrijft de H. Schrift daarbij aan den Vader het oordeel toe, Mt. 18:35,
2 Thess. 1:5, Hebr. 11:6, Jak. 4:12, 1 Petr. 1:17, 2:23, Op. 20:11,
12; maar Hij oefent dit werk toch uit door Christus, wien Hij al het
oordeel gegeven, dien Hij tot Rechter aangesteld heeft, Joh. 5:22, 27,
Hd. 10:42, 17:31, Rom. 14:9, en die daarom eenmaal alle menschen voor
zijn rechterstoel dagen en naar hunne werken oordeelen zal, Mt. 25:32,
Rom. 14:9-13, 2 Cor. 5:10, 2 Tim. 4:1, 8, 1 Petr. 4:5, Op. 19:11-21.
Christus is immers de Zoon des menschen, die door zijne verschijning
reeds eene crisis teweegbracht, die haar voortzet in de geschiedenis
en aan het einde der dagen voltooit. De verhouding tot Hem bepaalt
des menschen eeuwig wel of wee; in het gericht over levenden en
dooden viert Hij zijn hoogsten triomf en bereikt Hij de voleinding van
zijn rijk en de volkomen onderwerping van al zijne vijanden. Daarom is de
hoofdvraag bij het laatste oordeel ook die naar geloof of ongeloof.
Geloof in Christus is toch het werk Gods bij uitnemendheid, Joh. 6:29,
1 Joh. 3:23. Wie gelooft, komt niet in het gericht, Joh. 5:24, en wie
niet gelooft, is alreede geoordeeld en blijft onder Gods toorn, Joh.
3:18, 36. Maatstaf in het eindgericht is dus in de eerste plaats het
evangelie, Joh. 12:48. Maar dat evangelie staat niet tegenover en is
zelfs niet los te denken van de wet; de eisch tot geloof is immers
zelf reeds in de wet gegrond, en het evangelie is de herstelling en
vervulling der wet. Daarom komen bij het eindgericht ook al de werken
in aanmerking, welke door de menschen volbracht en in de boeken voor
Gods aangezicht opgeteekend zijn, Pred. 12:14, 2 Cor. 5:10, Ef. 6:8,
1 Petr. 1:17, Op. 20:12, 22:12. Die werken toch zijn uitingen en
vruchten van bet levensbeginsel, dat binnen in het hart woont, Mt.
7:17, 12:33, Luk. 6:44, en omvatten alles wat door den mensch, niet
in den tusschentoestand, maar in zijn lichaam geschied is, niet alleen
de daden, Mt. 25:35v., Mk. 9:41, 42, Luk. 6:35, 14:13, 14, 1 Cor. 3:8,
1, Thess. 4:6 enz., maar ook de woorden, Mt. 12:36, en de verborgen
raadslagen des harten, Rom. 2:16, 1 Cor. 4:5; want er blijft niets
verborgen en alles wordt openbaar, Mt. 6:4, 6, 18, 10:26, Ef. 5:11-14,
1 Tim. 5:24, 25. Norma is dus in het eindgericht het gansche woord
Gods, naar zijne beide deelen: wet en evangelie. Maar daarbij zegt de
Schrift toch duidelijk, dat rekening gehouden zal worden met de mate der
openbaring, welke iemand ten deel is gevallen. Die den wil des Heeren
kenden en niet deden, zullen met dubbele slagen geslagen worden, Luk.
12:47. Het zal Tyrus en Sidon in den dag des oordeels verdragelijker zijn
dan Jeruzalem en Kapernaum, Mt. 10:15, 11:22, 24, Mk. 6:11, Luk. 10:12,
14, Hebr. 2:3. Wie het evangelie niet hoorden, worden ook niet naar het
evangelie maar naar de wet geoordeeld; en de Heidenen, die de Mozaische
wet niet kenden maar zondigden tegen de wet, die hun van nature bekend
is, komen ook om zonder die Mozaische wet, terwijl de Joden juist door
deze geoordeeld worden, Rom. 2:12. Hoewel de Schrift het oordeel laat
gaan over alle menschen zonder uitzondering, Mt. 25:32, Hd. 17:31, Rom.
2:6, 14:10, 2 Cor. 5:10, 2 Tim. 4:1, Op. 20:12, maakt zij daarbij toch
onderscheid tusschen die natiën, welke het evangelie gekend en ten
slotte het antichristendom hebben voortgebracht, en die andere volken,
welke nooit van Christus hebben gehoord en daarom voor de eerste maal
bij zijne parousie van Hem vernemen, terwijl zij voorts nog bijzonder
spreekt van het oordeel over de kwade engelen, en van de plaats, welke
de goede engelen en de geloovigen in het eindgericht innemen.
Zeker kost het moeite, om van dat gericht zich eene eenigszins heldere
voorstelling te vormen. Het draagt zonder twijfel niet uitsluitend een
inwendig en geestelijk karakter, zoodat het alleen zou plaats hebben
in het geweten van den mensch; maar het is bepaald een gericht, dat
ook uitwendig ten aanschouwe van alle schepselen voltrokken wordt.
Beeld en zaak mogen nog zoo ineenvloeien, de verschijning van Christus,
de opstanding en evenzoo al wat van het gericht wordt verhaald is
te realistisch geteekend, dan dat het vrij zou staan, om alles te
vergeestelijken. Doch dan is voor het houden van dit gericht ook
een plaats en eenige ruimte van tijd van noode. En de Schrift geeft
ons aanleiding om te denken, dat het een successief verloop heeft.
De engelen vergezellen Christus bij zijne komst op de wolken, om hem
in de uitvoering van het vonnis behulpzaam te zijn; zij vergaderen
de rechtvaardigen, scheiden de boozen van hen af en drijven hen van
voor zijn aangezicht weg, Mt. 13:30, 49, 24:31. Bovendien is Hij
omringd door de gezaligden, 1 Thess. 3:13, 4:16, 2 Thess. 1:10, Jud.
14, Op. 17:14, 19:14. Nadat dan de opstanding der gestorven en de
verandering der levend overgebleven geloovigen heeft plaats gehad,
worden dezen saam opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet, in de
lucht, 1 Thess. 4:17. Niet onmogelijk is het, dat, evenals bij Christus
opstanding en hemelvaart uiteenvielen en zelfs door veertig dagen
van elkander gescheiden waren, zoo ook de opstanding of verandering
van de geloovigen aan het einde der dagen nog niet in eens die volle
heerlijkheid hun toevoegt, welke na de wereldvernieuwing in den nieuwen
hemel of op de nieuwe aarde hun deel zal zijn, Lampe en Gerdes bij M.
Vitringa IV 143. Maar hoe dit zij, de opstanding of verandering sluit
voor de geloovigen, evenals voor Christus, de rechtvaardiging in. Wel
zegt de Schrift, dat alle menschen zonder onderscheid, dus ook de
geloovigen, voor den rechterstoel van Christus moeten verschijnen. Maar
zij getuigt tevens, dat wie gelooft niet geoordeeld wordt en niet in
het gericht komt, want hij heeft reeds het eeuwige leven, Joh. 3:18,
5:24; dat de gestorven geloovigen reeds in den hemel bij Christus zijn
en met lange, witte kleederen zijn bekleed, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op.
6:11, 7:9, 14; en dat Christus komt, om verheerlijkt te worden in zijne
heiligen en bewonderd te worden in allen die gelooven, 2 Thess. 1:10.
Voordat Christus het vonnis uitspreekt over de kwade engelen, over de
antichristelijke wereld en over de cultuurlooze volken, heeft Hij de
schapen reeds aan zijne rechterhand gesteld en is Hij door zijne engelen
en zijne heiligen omstuwd. Dit blijkt ook uit 1 Cor. 6:2, 4, waar Paulus
uitdrukkelijk zegt, dat de heiligen de wereld en de engelen zullen
oordeelen, M. Vitringa IV 163. Want deze uitspraak mag niet verzwakt
worden tot een goedkeuren door de geloovigen van het oordeel, dat
Christus over wereld en engelen velt, maar duidt bepaald blijkens het
verband aan, dat de heiligen deel zullen nemen aan het oordeel over
de wereld en engelen. Trouwens beloofde Jezus reeds aan zijne twaalf
discipelen, dat zij met Hem zitten zouden op twaalf tronen, oordeelende
de twaalf geslachten Israels, Mt. 19:28, Luk. 22:30, en Johannes zag
rondom den troon Gods tronen in den hemel, bezet door de ouderlingen
der gemeente, Op. 4:4, 11:16, 20:4, 6. Christus toch en zijne gemeente
zijn één; wat wereld en engelen tegen haar hebben misdaan, dat rekent
Hij, als ware het tegen Hem geschied, Mt. 25:40, 45, Mk. 9:41, 42. Zelfs
tot de goede engelen breidt dit oordeel van Christus en zijne gemeente
zich uit, 1 Cor. 6:4, want de engelen zijn gedienstige geesten, die
tot den dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid
beerven zullen en daarom in het toekomstig Godsrijk eene plaats erlangen
naar den dienst, welken zij in betrekking tot Christus en zijne gemeente
hebben verricht. In het visioen van Johannes trekt daarom Christus,
door zijne heirlegers omringd, de antichristelijke macht tegemoet,
Op. 19:11-21; de triumfeerende kerk heeft deel aan zijne koninklijke
heerschappij, Op. 20:4-6 en maakt ten slotte met Christus aan allen
tegenstand een einde, als hij de volken oordeelt, die in de vier hoeken
der aarde wonen, Op. 20:7-10. Cf. over het laatste oordeel: Lombardus,
Sent. IV dist. 43 sq. Thomas, Suppl. qu. 88-90. Oswald, Eschat. 334f.
Atzberger, Die christl. Eschat. 356-370. Jansen, Prael. III 1062.
Simar, Dogm. § 169. Gerhard, Loc. XXVIII. Quenstedt, Theol. IV 605-634.
Polanus, Synt. VI c. 69. Synopsis pur. theol., disp. 51. Mastricht,
Theol. VIII 4, 7. Turretinus, Theol. XX qu. 6. Marck, Exspect. J. C. 1.
III c. 1-18. Moor VI 706-718. Kliefoth, Eschat 236f. 275f. Nitzsch, Ev.
Dogm. 620f. Art. Gericht in Herzog³.
5. De plaats, waarheen de goddeloozen na het gericht verwezen worden,
draagt in het N. Test. den naam van gehenna. Het hebr. גֵּי הִנּוֹם was
oorspronkelijk de naam van het dal van Hinnom, dat ten zuidoosten van
Jeruzalem lag en volgens Jos. 15:8, 18:16 de grensscheiding tusschen
twee stammen vormde. Onder Achaz en Manasse werd dit dal een plaats
voor den cultus van Moloch, ter wiens eere kinderen werden geslacht
en verbrand, 2 Kon. 16:3, 21:6, 2 Chr. 28:3, 33:6, Jer. 32:34, 35.
Daarom werd deze plaats onder Josia verwoest en door de priesters
onrein verklaard, 2 Kon. 23:10. Jeremia profeteerde, dat hier een
vreeselijk bloedbad voor de Israelieten aangericht en de naam van het
dal Tofeth in dien van moorddal veranderd zou worden, Jer. 7:32, 19:6.
En het apocriefe boek Henoch uitte de verwachting, dat in dit dal de
goddeloozen verzameld zouden worden tot het gericht. Om deze reden werd
later de naam Gehinnom overgedragen op de strafplaats der goddeloozen
na den dood. Volgens anderen echter had deze overdracht eene andere
oorzaak. Nadat het dal van Hinnom door Josia verwoest was, werd het
volgens de latere Joden gebruikt voor het nederwerpen en verbranden
van allerlei onreinigheid. Evenals Gan Eden de plaats aanduidde, waar
na den dood de rechtvaardigen vertoefden, werd Gehinnom de naam van
het oord, waarheen de onreinen en goddeloozen werden verwezen, om er
straf te lijden in het eeuwige vuur. Vuur was trouwens al van ouds een
openbaring en symbool van den toorn en de grimmigheid des Heeren.
Israels God is een verterend vuur, een eeuwige gloed, Deut. 4:24,
9:3, Jes. 33:14; Hij sprak tot de kinderen Israels uit het midden des
vuurs, Deut. 4:12, 33, 5:4, 22-26, 9:10, 10:4, cf. Ex. 3:2; zijn toorn
is een brandend vuur, uitgaande uit zijn neus, Ps. 18:9, 79:5, 89:47,
Jer. 4:4; vuur, uitgaande van het aangezicht des Heeren, verteert de
offerande, Lev. 9:24; door vuur verdelgt Hij Nadab en Abihu, Lev. 10:2,
de murmureerders des volks, Num. 11:1, Ps. 106:18, de Korachieten, Num.
16:35, de benden, die tegen Elia worden afgezonden, 2 Kon. 1:10v.; en
in vuur komt Hij eenmaal, om recht te doen op aarde en de goddeloozen
te straffen, Deut. 32:22, Ps. 11:6, 83:15, 97:3, 140:11, Jes. 30:33,
31:9, 66:15, 16, 24, Jer. 4:4, 15:14, 17:4, Am. 1:4v., Joel 2:30;
en dat vuur brandt tot in den benedensten Scheol, Deut. 32:22, het
wordt nimmer uitgebluscht, Jes. 66:24, en brandt eeuwig, Jer. 17:4.
Deze voorstelling ging over in het Nieuwe Testament. Gehenna is de
strafplaats der goddeloozen na den oordeelsdag, onderscheiden van
ἁδης, φυλακη, ἀβυσσος, boven bl. 374, maar identisch met de καμινος
του πυρος, Mt. 13:42, 50 en de λιμνη του πυρος, Op. 19:20, 20:10, 14,
15, 21:8. Het is de plaats, bestemd voor het beest uit den afgrond en
voor den valschen profeet, Op. 19:20, voor Satan en zijne engelen, Op.
20:10, voor dood en hades, Op. 20:14, en voor alle goddeloozen, Op.
20:15, 21:8. En dezen worden er allen ingeworpen na de opstanding,
Mt. 5:29, 30, 10:28, en na het eindgericht, Op. 19:20, 20:10, 14, 15,
21:8, terwijl vóór dien tijd de hades, de gevangenis, φυλακη, 1 Petr.
3:19, Op. 20:7 of de abyssus hun verblijfplaats zijn, en de straffe van
het eeuwige vuur of de donkerheid der duisternis nog voor hen bewaard
wordt, Mt. 8:29, 25:41, 46, 2 Petr. 2:17, Jud. 13. In die gehenna toch
brandt het eeuwige, onuitblusschelijke vuur, Mt. 18:8, Mk. 9:43, 44, 48,
knaagt de worm, die niet sterft, Mk. 9:44, 48, en is er eene eeuwige
pijniging, Mt. 25:46, 2 Thess. 1:9, Op. 14:11; het is een γεεννα of
καμινος του πυρος, Mt. 5:22, 13:42, 50, 18:9, en tevens eene plaats
der uiterste en buitenste duisternis, Mt. 8:12, 22:13, 25:30, 2 Petr.
2:17, Jud. 13, cf. Deut. 5:22, Ps. 97:2, 3, buiten gelegen, Op. 22:15,
in de diepte, zoodat men erin geworpen wordt, Mt. 5:29, 30, Op. 19:20,
20:10, 14, 15, ver van de bruiloftstafel des Lams, Mt. 8:11, 12, 22:13,
ver van de gemeenschap met God en met Christus, Mt. 7:23, 25:41, Luk.
13:27, 28, 2 Thess. 1:9, in het gezelschap van Satan en zijne engelen,
Mt. 25:41, Op. 20:10, 15. De toorn Gods openbaart zich daar in al zijne
verschrikkelijkheid, Rom. 2:5-8, 9:22, 1 Thess. 1:10, Hebr. 10:31, Op.
6:16, 17, zoodat de gehenna niet alleen een oord is van gemis, maar
ook van smart en pijn, beide naar ziel en naar lichaam, eene plaats van
κολασις, Mt. 25:46, Op. 14:10, 11, van κλαυθμος en βρυγμος των ὀδοντων,
Mt. 8:12, 13:42 enz., van θλιψις en στενοχωρια, Rom. 2:9, 2 Thess. 1:6,
van ἀπωλεια, Mt. 7:13, Rom. 9:22, Phil. 1:28, 3:19, 2 Petr. 3:7, Op.
17:8, 11, van φθορα, Gal. 6:8, ὀλεθρος, 1 Thess. 5:3, 2 Thess. 1:9,
1 Tim. 6:9; de gehenna is het gebied van den tweeden dood, Op. 2:11,
20:6, 14, 15, 21:8.
Op dezen vasten grond der Schrift werd in de christelijke kerk de leer
van de eeuwigheid der helsche straf gebouwd; en theologie en prediking,
poezie en schilderkunst wedijverden menigmaal met elkaar in plastische
beschrijving en realistische teekening van de pijnen, welke daar naar
lichaam en ziel in het eeuwige vuur werden geleden. Maar van tijd tot
tijd werden er toch bezwaren tegen deze leer ingebracht. En sedert de
Aufklärung in de vorige eeuw eene zachtere beoordeeling van zonde en
misdaad deed opkomen, de pijnbanken afschafte, de straffen matigde en
allerwege een gevoel van humaniteit ontwaken deed, kwam er ook een
gansch andere beschouwing over de straffen der hel en werden deze door
velen of gewijzigd voorgesteld of ganschelijk verworpen, Lecky, Gesch.
d. Ursprungs und Einflusses der Aufklärung in Europa, Leipzig 1873 I
259f. De gronden, waarop de eeuwigheid der helsche straf bestreden
wordt, komen dan altijd hierop neer: _a._ eeuwige straf strijdt met
de goedheid, de liefde, de barmhartigheid Gods en maakt Hem tot een
tiran, die behagen schept in plagen en pijnigen en zich lof bereidt uit
het eeuwig gekerm van millioenen ongelukkige schepselen. _b._ Eeuwige
straf strijdt met de rechtvaardigheid Gods, wijl zij geen verband houdt
met en niet evenredig is aan de zonde, die, hoe schrikkelijk ook, toch
altijd een beperkt, eindig karakter draagt. Het is niet te denken,
dat God, die de volmaakte liefde en de hoogste gerechtigheid is, een
menschenkind, ook al had het duizend jaren gezondigd, straffen zal
met een eeuwigdurende pijniging. _c._ Zulk eene eeuwige straf is ook
onvoorstelbaar en ondenkbaar. De Schrift spreekt van vuur en worm en
duisternis, maar dit zijn alle beelden; letterlijk opgevat, zouden zij
elkander uitsluiten. Doch afgedacht daarvan, wat is de waarde eener
eeuwige straf, die geen ander doel heeft dan om den zondaar eeuwig
te pijnigen? Wat nuttigheid heeft zij voor hem, die haar ondergaat,
dewijl zij waar berouw uiteraard uitsluiten moet en hem steeds doet
voortgaan met zondigen? Wat eere brengt zij toe aan Gods naam, als zij
de zonde niet overwint en vernietigt maar bestendigt en eeuwig doet
voortduren? En hoe is het mogelijk, dat de verlorenen onder zulk eene
eeuwige straf zich voortdurend verharden, zonder ooit tot inkeer te
komen en zich voor God te verootmoedigen? _d._ De Schrift leert dan ook
geen eeuwige, eindelooze straf in de hel. Wel spreekt zij van eeuwige
pijn enz., maar eeuwig heeft daar evenals elders niet de beteekenis
van eindeloos, doch duidt een tijdduur aan, waarvan de grens zich
aan de waarneming of berekening onttrekt; αιωνιος is, wat boven een
langeren of korteren αἰων uitgaat. Dit wordt nog daardoor versterkt,
dat αἰωνιος, in bonam partem</la> van de goederen des heils, bijv. van
het leven gebruikt, vooral eene innerlijke qualiteit aanduidt, waardoor
al deze heilsgoederen worden voorgesteld als boven de vergankelijkheid
verheven. Daartegenover wordt de toestand der verlorenen als ἀπωλεια,
φθορα, ὀλεθρος, θανατος aangeduid, hetgeen er op wijst, dat zij zoo niet
eeuwig kunnen blijven bestaan maar of ten eenenmale vernietigd of eens
geheel en al hersteld worden. _e._ Voor het laatste biedt de Schrift
hope, als zij leert, dat Christus eene verzoening is voor de zonden der
gansche wereld, 1 Joh. 2:2, Col. 1:19, 20, en dat God in dien weg aller
zaligheid wil, 1 Tim. 2:4, 4:10. Gelijk alle menschen in Adam sterven,
zoo worden zij ook allen in Christus levend gemaakt, 1 Cor. 15:22, Rom.
5:18. Thans vergadert God alle dingen onder Christus als hoofd bijeen,
Ef. 1:10, opdat eens alle knie voor Christus zich buige, Phil. 2:10, en
God alles in allen moge wezen, 1 Cor. 15:28. God heeft allen onder de
zonde besloten, opdat Hij allen barmhartig zou zijn, Rom. 11:32.
Op deze overwegingen worden dan aangaande het uiteinde der goddeloozen,
indien wij afzien van het pantheisme en materialisme, dat alle
onsterfelijkheid en eeuwigheid loochent, de volgende drie hypothesen
gebouwd. Ten eerste zijn er, die leeren, dat er eene mogelijkheid van
bekeering open blijft, niet alleen in den tusschentoestand tot op het
eindgericht toe, boven bl. 382, maar ook daarna nog en tot in alle
eeuwigheid. Of er dus eene hel en eene eeuwige straf is, hangt geheel
van den mensch en van zijn vrijen wil af. Indien hij zich voortdurend
tegen de roepstem tot bekeering verzet, wikkelt hij zich steeds vaster
en dieper in de zonde in en verlengt zijne straf. Wijl echter de
prediking van geloof en bekeering nooit ophoudt en de wil des menschen
steeds vrij blijft, wordt de mogelijkheid van eene eeuwige straf in de
hel zeer onwaarschijnlijk en vleit men zich liever met de hope, dat
ten slotte allen tot bekeering komen en in het eeuwige leven ingaan.
Eeuwige pijn in de Schrift beteekent dus alleen, dat zij, die zoo laat
zich bekeeren, altijd de herinnering aan hun hardnekkig verzet blijven
behouden en bij hen, die in dit leven het evangelie geloofden, eeuwig
zullen achterstaan. Dit hypothetisch universalisme komt dus op eene
voortdurende loutering neer en is eene hernieuwing van de leer der
zielsverhuizing. Het verschil is alleen, dat de metempsychose deze
loutering laat plaats vinden in het Diesseits, terwijl het hypothetisch
universalisme haar in het Jenseits stelt. Deze leer vond vooral in de
vorige eeuw bij de Rationalisten ingang, maar wordt ook thans door vele
theologen verdedigd, cf. Wegscheider, Instit. § 200. Bretschneider,
Dogm. II 468 f. 581 f. Reinhard, Dogm. 706 f. Lange, Posit. Dogm.
§ 131. Dorner, Gl. II 972. Nitzsch, Ev. Dogm. 624. W. Schmidt,
Christl. Dogm. II 517. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 71-75.
H. Ernst, Geloof en Vrijheid 1886 blz. 407-444. Voorts in Engeland de
voorstanders van de zoogenaamde future (second) probation of van
de wider hope, zooals Robertson, Maurice, Theol. Essays 1853 p.
442: the word eternal and the punishment of the wicked. Thomas de
Quincey, On the supposed scriptural expression for eternity 1852.
Tennyson, In Memoriam. Farrar, Eternal Hope 1878 en Mercy and
Judgment 1881 met de door deze beide werken te voorschijn geroepen
litteratuur, cf. The wider hope, essays and strictures on the
doctrine and literature of future punishment by numerous writers, lay
and clerical, London Unwin 1890. In Amerika de verdedigers van de
Andover position, ingenomen door de vijf professoren van Andover
College, Churchhill, Harris, Hincks, Tucker en Egb. C. Smith, die van
verschillende artikelen der belijdenis afweken, ook van dat aangaande
de eeuwige straf, cf. Andover Review April 1890 p. 434 enz.
Vanzelf leidt dit gevoelen van een voortgaande bekeering en loutering
tot de leer van de zoogenaamde universalisten, die meenen, dat aan
het einde alle schepselen de zaligheid en de heerlijkheid deelachtig
zullen worden. Wat daar gewenscht en gehoopt wordt, wordt hier zeker
verwacht en als dogma verkondigd. De leer van den terugkeer aller
dingen in God komt reeds voor in de indische en grieksche philosophie,
ging vandaar over in Gnosticisme en Neoplatonisme en werd dan het
eerst in de christelijke theologie voorgedragen door Origenes. Deze
spreekt wel herhaaldelijk van eene eeuwige straf in de hel maar ziet
daarin toch slechts eene practische leer, die voor de onontwikkelden
noodig is doch door de gnostici geheel anders opgevat wordt. Volgens
Origenes toch zijn alle geesten oorspronkelijk door God gelijk geschapen,
doch de daden van den vrijen wil brengen ongelijkheid en veroorzaken,
dat de zielen der menschen ter loutering in eene stoffelijke wereld
verplaatst en aan lichamen verbonden worden. Doch deze loutering zet
ook na den dood en na het eindgericht zich voort, totdat uit en door
de grootst mogelijke verscheidenheid de gelijkheid weer te voorschijn
treedt en alle geesten weder tot God terugkeeren in dienzelfden
toestand, waarin zij oorspronkelijk bij Hem verkeerden. Wijl echter de
vrije wil altijd dezelfde blijft, kan hij evengoed als van het kwade tot
het goede, zoo weder van het goede tot het kwade terugkeeren, en is
er dus eene voortdurende wisseling van afval en wederbrenging aller
dingen, eene eindelooze schepping en vernietiging der stoffelijke
wereld, cf. Atzberger, Gesch. der christl. Eschat. 1896 S. 366-456.
Deze gedachte van de wederherstelling aller dingen vond in de oudheid
weerklank bij Gregorius Naz., Gregorius Nyss., Didymus, Diodorus van
Tarsus, Theodorus van Mopsuestia, e. a., cf. Petavius, de angelis III
7. 8, in de Middeleeuwen bij Scotus Erigena, Amalrik van Bena en de
broeders en zusters van den vrijen geest, na de Hervorming bij Denck en
vele Wederdoopers, bij Jane Leade, J. W. Petersen, Ludwig Gerhard, F.
C. Oetinger, Michael Hahn, Jung-Stilling, Swedenborg enz., en in den
nieuweren tijd bij Schleiermacher, Chr. Gl. § 117-120 en § 163 Anhang.
Schweizer, Gl. II 577 f. 591. 604. Schoeberlein, Prinzip und System
der Dogm. 679. Riemann, Die Lehre von der Apokatastasis² Magdeburg
1897. Scholten, Initia 268 sq. W. Francken, Geloof en Vrijheid 1886. Cf.
Köstlin, art. Apokatastasis in Herzog³. Veel grooter instemming vond
echter nog een derde gevoelen, dat onder den naam van conditioneele
onsterfelijkheid bekend staat. Hoewel de vroegere theologie zeer dikwerf
van de onsterfelijkheid sprak in geestelijken zin, als eene gave, door
Christus verworven, toch dacht daarom schier niemand eraan, om de
natuurlijke onsterfelijkheid der ziel te loochenen. Het eerst leerden de
Socinianen onder den invloed van hun abstract supranaturalisme, dat
de zielen niet van nature onsterfelijk waren maar dit eerst werden in
geval van gehoorzaamheid door eene gave Gods. Daaruit volgde, dat de
goddeloozen en de duivelen krachtens eene natuurlijke vergankelijkheid
eenmaal moesten ophouden te bestaan. Socinus sprak dit nog niet zoo
duidelijk uit, maar zijne volgelingen leerden zonder omwegen, dat de
tweede dood in vernietiging bestond; en deze had dan volgens Crell,
Schmalz e. a. niet bij of spoedig na den dood, doch eerst na de
algemeene opstanding en het wereldgericht plaats, Fock, Der Socin.
714 f. Van de Socinianen werd deze leer overgenomen door Locke,
Warburton, Whiston, Dodwell, Walter e. a., en in deze eeuw door Rothe,
Theol. Ethik § 470-472 en Weisse, Ueber die philos. Bedeutung der
christl. Eschat. Stud. u. Krit. 1836. Vooral echter begon zij opgang
te maken en aanhangers te vinden, sedert zij in 1885 verdedigd werd
door Edward White in zijn Life in Christ, a study of the Scripture
doctrine on the nature of man, the object of the divine incarnation
and the conditions of human immortality, 3 ed. Stock London 1878. Dit
boek bracht vele pennen in beweging en lokte niet alleen ernstige
bestrijding doch ook velerlei betuiging van instemming uit. Overal vindt
het conditionalisme thans talrijke verdedigers, zooals bijv. Schultz,
Voraussetzungen der christl. Lehre von der Unsterblichkeit 1861. H.
Plitt, Evang. Glaubenslehre 1863. II 413. Weisse, Philos. Dogm. § 970.
Lemme, Endlosigkeit der Verdammnis und allgemeine Wiederbringung,
Lichterfelde-Berlin, Runge. (voordracht, geh. 12 Aug. 1898). Charles
Byse, L’immortalité conditionelle ou la vie en Christ, Paris 1880.
Petavel-Olliff, Le problème de l’immortalité, Paris 1891. Dr. Jonker,
De leer der condit. onsterfelijkheid, Theol. Stud. I.
6. Indien nu bij de leer van de eeuwige straf het menschelijk gevoel
te beslissen had, zou zij zeker moeilijk te handhaven zijn en thans ook
maar weinig verdedigers vinden. Dankbaar dient het te worden erkend,
dat sedert de vorige eeuw de idee der humaniteit en het gevoel van
sympathie krachtig ontwaakt zijn en aan de wreedheid, die vroeger
vooral ook op het gebied van het strafrecht heerschte, een einde
hebben gemaakt. Maar niemand kan er toch blind voor zijn, dat ook deze
humanitaire beschouwing hare eenzijdigheden en gevaren medebrengt.
De machtige omkeer, die plaats gegrepen heeft, laat zich in dezen
éénen zin beschrijven, dat, terwijl vroeger de krankzinnigen zelfs als
misdadigers werden behandeld, thans de misdadigers als krankzinnigen
beschouwd worden. Voorheen werd in elke abnormaliteit schuld gezien;
thans worden alle begrippen van schuld, misdaad, verantwoordelijkheid,
toerekenbaarheid enz. van hunne realiteit beroofd, cf. Simons, Nieuwe
richtingen in de strafrechtwetenschap, Gids April 1900 bl. 48-84. Het
besef van recht en gerechtigheid, van wetsovertreding en schuld wordt
op bedenkelijke wijze verzwakt, naarmate de maatstaf van al deze dingen
niet in God, maar in den mensch en in de maatschappij wordt verlegd.
Daarmede gaat allengs alle zekerheid en veiligheid teloor. Want als
het belang der maatschappij den doorslag geeft, dan wordt niet alleen
elke grens tusschen goed en kwaad uitgewischt, maar loopt ook het
recht gevaar, aan de macht te worden opgeofferd. Het is u nut, dat
één mensch voor het volk sterve en niet heel het volk verloren ga,
Joh. 11:50, wordt dan de taal der hoogste rechtspleging. En hetzelfde
menschelijk gevoel, dat eerst voor de humanitaire behandeling van den
misdadiger pleitte, ontziet zich niet, om straks den marteldood van den
onschuldige te eischen; het hosanna maakt voor het kruis hem plaats;
de vox populi, die dikwerf ten onrechte als eene vox Dei wordt geëerd,
schrikt voor geen gruwelen terug; en terwijl de rechtvaardige er nog
mede rekent, hoe het zijn vee te moede is, is zelfs het ingewand, het
hart, het gemoed van den goddelooze nog wreed, Spr. 12:10. Op het
menschelijk gevoel valt daarom weinig te bouwen; dat mag en kan bij de
bepaling van recht en wet de beslissing niet geven; zelfs als de schijn
er tegen is, is het toch oneindig veel beter, in de hand des Heeren,
dan in die van menschen te vallen, 1 Chron. 21:13. En dit geldt ook
bij de leer van de eeuwige straffen in de hel. Want 1º verdient het
opmerking, dat deze leer, hoezeer zij in kerk en theologie dikwerf veel
te realistisch is uitgewerkt, toch in de Schrift is gegrond. En niemand
spreekt er in de Schrift vaker en breedvoeriger over dan onze Heere
Jezus Christus, wien niemand diepte van menschelijk gevoel en medelijden
ontzeggen kan, en die de zachtmoedigste en nederigste was onder alle
kinderen der menschen. Het is de hoogste liefde, die met de zwaarste
straffen dreigt. Tegenover de zaligheid van het eeuwige leven, welke Hij
voor de zijnen verwierf, staat de rampzaligheid van het eeuwig verderf,
dat Hij den goddeloozen aankondigt. Beide waren in het Oude Test. in
schaduwen gehuld en werden onder beelden voorgesteld. Maar in het
Nieuwe Test. is het Christus, die het vergezicht opent zoowel in de
diepten van de buitenste duisternis als in de woningen van het eeuwige
licht. 2º Dat de straf in deze plaats der buitenste duisternis eene
eeuwige is, valt met de Schrift in de hand niet te betwijfelen. Wel is
waar, geeft αἰωνιος (van αἰων, hebr. עולם, d. i. tijdduur, levensduur,
levensloop, menschenleeftijd, onbepaald lange tijd in verleden of
toekomst; de tegenwoordige wereldtijd, αἰων οὑτος; de toekomende eeuw,
αἰων μελλων) zeer dikwijls een tijdduur te kennen, die wel menschelijke
berekening te boven gaat maar volstrekt niet eindeloos of eeuwig is.
Dikwerf wordt het ook in het N. T. nog gebruikt van den ganschen tot
op de verschijning van Christus toe voorbijgeganen wereldtijd, waarin de
raad Gods door de profeten verkondigd werd maar toch niet ten volle
geopenbaard was, Luk. 1:70, Hd. 3:21, Rom. 16:25, Col. 1:26, 2 Tim.
1:9, Tit. 1:2. Doch het woord αἰωνιος dient in het N. T. vooral, om
de onvergankelijke, boven alle bederf en verderf verheven natuur van
de door Christus verworvene heilsweldaden aan te duiden, en wordt dan
inzonderheid zeer dikwerf met ζωη verbonden; het eeuwige leven, dat
Christus schenkt aan een iegelijk die gelooft, heeft zijn begin reeds
hier op aarde maar wordt toch eerst in de toekomst volkomen openbaar;
het behoort wezenlijk tot den αἰων μελλων, Luk. 18:30, is onverderfelijk,
Joh. 11:25, 26, en heet eeuwig, evenals de οἰκοδομη ἐκ θεου, 2 Cor.
5:1, de σωτηρια, Hebr. 5:9, de λυτρωσις, 9:12, de κληρονομια, 9:15, de
δοξα, 2 Tim. 2:10, de βασιλεια, 2 Petr. 1:11, evenals God, Christus, de
H. Geest ook eeuwig worden genoemd, Rom. 16:26, Hebr. 9:14, 13:8 enz.
Daartegenover wordt gezegd, dat de straf der goddeloozen bestaan zal in
το πυρ το αἰωνιον; Mt. 18:8, 25:41, Jud. 7, κολασις αἰωνιος, Mt. 25:46,
ὀλεθρος αἰωνιος, 2 Thess. 1:9, κρισις αἰωνιος, Mk. 3:29. Evenals het
eeuwige leven, wordt door deze omschrijving de eeuwige straf voorgesteld
als te behooren tot den αἰων μελλων, waarin geen verandering van staat
meer mogelijk is. Nergens duidt de Schrift met eenig woord aan of
laat zij zelfs de mogelijkheid open, dat er aan den toestand, die daar
intreedt, nog een einde komen kan. En positief spreekt zij uit, dat het
vuur daar onuitblusschelijk is, Mt. 3:12, dat de worm niet sterft, Mk.
9:44, dat de rook der pijniging opgaat in alle eeuwigheid, Op. 14:11,
en voortduurt dag en nacht in alle eeuwigheid, 20:10, en dat zij als
eeuwige pijn staat tegenover het eeuwige leven der rechtvaardigen, Mt.
25:46. Onbevangen exegese kan hier niet anders vinden dan eene eeuwige,
nimmer eindigende straf. Cf. Cremer s. v. 3º De toestand der verlorenen
wordt beschreven als ἀπωλεια, Mt. 7:13, φθορα. Gal. 6:8, ὀλεθρος,
2 Thess. 1:9, θανατος, Op. 2:11 enz., in overeenstemming daarmede,
dat in O. en N. Test. menigmaal gezegd wordt, dat de goddeloozen
verdelgd, uitgeroeid, verwoest, verdorven, verdaan, buitengeworpen,
afgesneden, als kaf verbrand zullen worden enz. De voorstanders van
de conditioneele onsterfelijkheid verstaan al deze uitdrukkingen in
den zin van eene volkomen vernietiging, cf. White, Life in Christ
358-390. Maar deze opvatting mist allen grond. Leven beteekent
in de Schrift nooit puur bestaan, en dood is nooit hetzelfde als
vernietiging. Van den tijdelijken, lichamelijken dood kunnen ook de
conditionalisten dit niet ontkennen; zij nemen meest als de Socinianen
aan, dat de goddeloozen ook na den dood nog blijven voortbestaan, hetzij
om eerst na opstanding en eindgericht door God vernietigd te worden,
hetzij om langzamerhand weg te sterven en ten slotte ook physisch te
gronde te gaan. Het laatste is zoowel wijsgeerig als Schriftuurlijk eene
onmogelijke gedachte. Zonde toch is geen substantie, geen materia maar
forma, die een zijn onderstelt en dat zijnde niet vernietigt maar in
eene verkeerde, van God afgewende richting stuurt, deel III 81v. En de
lichamelijke dood is niet maar een natuurlijk gevolg doch eene positieve,
door God bedreigde en voltrokken straf op de zonde, ib. 176v. In dien
dood vernietigt God den mensch niet, maar scheidt Hij ziel en lichaam
tijdelijk vaneen, om beide in stand te houden en bij de opstanding
weder te vereenigen. De Schrift leert duidelijk en onwedersprekelijk
de onsterfelijkheid van den mensch. Het conditionalisme verwart het
ethische met het physische zijn, als het in ἀπωλεια, die de straf der
zonde is, eene vernietiging van de substantie des menschen ziet. En
evenals God in den eersten dood den mensch niet vernietigt, zoo doet
Hij dit ook niet in den tweeden dood. Immers wordt deze in de Schrift
ook omschreven als pijniging, Mt. 25:46, weening en knersing der tanden,
Mt. 8:12, verdrukking en benauwdheid, Rom. 2:9, onuitblusschelijk vuur,
Mt. 18:8, nooit stervende worm, Mk. 9:44 enz., welke uitdrukkingen
alle het bestaan der verlorenen onderstellen. Maar hun toestand kan
toch ἀπωλεια, φθορα, ὀλεθρος, θανατος heeten, wijl zij in zedelijken,
geestelijken zin geheel te gronde zijn gegaan en in volstrekten zin die
levensvolheid missen, welke den geloovigen door Christus geschonken
wordt. Zoo heet de verloren zoon νεκρος en ἀπολωλος, Luk. 15:24, 32, de
Efeziërs in hun vroegeren toestand νεκροι in hun zonden en misdaden,
Ef. 2:3, vervreemd van het leven Gods, Ef. 4:18, die van Sardes νεκροι,
Op. 3:1 enz., zonder dat iemand hierbij aan hun niet-bestaan denkt. 4º
Aan eene zelfde miskenning van het ethisch karakter der zonde maken de
voorstanders van de apokatastasis zich schuldig. Het woord is aan Hd.
3:21 ontleend maar houdt daar, gelijk thans iedereen erkent, volstrekt
niet in, wat er thans mede bedoeld wordt. De Schrift leert nergens,
dat eenmaal alle menschen en zelfs alle duivelen zalig zullen worden.
Wel spreekt zij dikwerf zeer universalistisch, omdat het werk van
Christus intensief van oneindige waarde is en aan de geheele wereld en
menschheid in haar organisch bestaan ten goede komt, deel III 390v.
Maar zij sluit beslist uit, dat alle individuen onder de menschen of
ook zelfs de duivelen eenmaal burgers zouden worden in het koninkrijk
Gods. Ten allen tijde is de leer van de wederbrenging aller dingen dan
ook slechts door enkele op zichzelf staande personen geleerd, en zelfs
heden ten dage vindt onder de theologen nog eer het conditionalisme
dan de apokatastasis voorspraak. Feitelijk is deze leer ook niet
van christelijken doch van heidenschen oorsprong, en draagt zij geen
Schriftuurlijk doch een wijsgeerig karakter. Het is het pantheisme, dat
er aan ten grondslag ligt en alle dingen, gelijk zij uit God voortkomen,
zoo ook successief tot Hem terugkeeren doet. God is hier geen Wetgever
en Rechter, die eenmaal de wereld in rechtmatigheid oordeelen zal, maar
eene onbewuste, immanente kracht, die alles voortstuwt tot het einde
en eens alles tot zich hereent. De zonde is hier geen ἀνομια, maar
een noodzakelijk moment in de wereldontwikkeling. En de verlossing in
Christus is geen juridisch herstel en geen ethische vernieuwing maar
een physisch proces, dat alles beheerscht. 5º Om de eeuwige straf te
billijken is daarom vóór alle dingen noodig, dat men met de Schrift
de onkreukbare rechtvaardigheid Gods en het diep zondig karakter der
zonde erkenne. Zonde is geen zwakheid, geen gebrek, geen tijdelijke en
allengs verdwijnende onvolkomenheid, maar zij is naar haar oorsprong
en wezen ἀνομια, overtreding van de wet, opstand en vijandschap tegen
God, negatie van zijn recht, van zijn gezag, zelfs van zijn bestaan. Wel
is de zonde eindig in dien zin, dat zij door een eindig schepsel in
een eindigen tijd wordt volbracht, maar Augustinus heeft reeds terecht
opgemerkt, dat niet de tijdduur, waarin de zonde gepleegd wordt,
maar haar innerlijke aard de maatstaf is van hare straf. Een uur van
onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit. Op zonden van een
enkel oogenblik volgt heel een leven van schande en straf. Wie eene
misdaad begaat, wordt soms gestraft met den dood en door de aardsche
overheid in een onherstelbaren toestand overgebracht. Zoo doet God
ook; want wat op aarde de doodstraf is, is de straf der hel in het
eindgericht. Hij beoordeelt en straft de zonde naar haar innerlijke
qualiteit. En dan is de zonde oneindig in dien zin, dat zij begaan wordt
tegen de hoogste Majesteit, die een absoluut recht op onze liefde en
onze vereering heeft. God is onze gehoorzaamheid en toewijding waardig
op absolute, oneindige wijze; de wet, waarin Hij deze eischt, is daarom
absoluut verbindend, hare verbindbaarheid oneindig groot; en de
overtreding van die wet is dus, intensief beschouwd, een absoluut,
een oneindig kwaad. Bovendien komt hier niet zoozeer de diuturnitas
peccandi in aanmerking, als wel de voluntas peccantis, quae hujusmodi
est ut semper vellet peccare si posset, Aug. de civ. 21, 11. Wie de
zonde doet, is een dienstknecht der zonde en wil en kan niet anders dan
zondigen. Het ligt waarlijk niet aan hem, als hij buiten de gelegenheid
wordt gesteld, om op den zondigen weg voort te gaan; naar zijn innerlijke
begeerte zou hij niet anders willen, dan eeuwig blijven leven, om eeuwig
te kunnen zondigen. Wie zou dan, lettende op deze zondige natuur van
de zonde, durven zeggen, dat God onrechtvaardig is, als Hij haar niet
alleen met tijdelijke maar ook met eeuwige straffen bezoekt? 6º Gemeenlijk
wordt dit argument, aan de rechtvaardigheid Gods ontleend, dan ook
slechts schuchter en aarzelend aangevoerd. Des te meer wordt de eeuwige
straf in strijd geacht met de goedheid en de liefde Gods. Indien zij
echter niet met de rechtvaardigheid Gods in strijd is, dan is zij dit
ook niet en kan het zelfs niet zijn met zijne goedheid. Er is hier geen
keus. Indien de eeuwige straf onrechtvaardig is, dan is zij daarmede
geoordeeld en behoeft de goedheid Gods er niet meer bij te pas gebracht
te worden. Indien zij echter beantwoordt aan Gods rechtvaardigheid, dan
blijft de goedheid Gods daarbij ongedeerd; wat rechtvaardig is, is ook
goed. Het argument, aan Gods goedheid tegen de eeuwige straf ontleend,
brengt dus op het voetspoor van Marcion heimelijk een conflict tusschen
Gods gerechtigheid en zijne goedheid en offert de eerste aan de laatste
op. Eene goedheid echter, die de rechtvaardigheid te niet doet, is
geen ware, wezenlijke goedheid meer. Zij is niets anders dan menschelijke
zwakheid en weekheid, en, op God overgebracht, een verzinsel van het
menschelijk brein, op geenerlei wijze beantwoordend aan den levenden,
waarachtigen God, die zich in de Schrift en ook in de natuur heeft
geopenbaard. Want indien de eeuwige straf met Gods goedheid
onbestaanbaar is, dan is het ook de tijdelijke straf. Doch deze is een
feit, dat door niemand kan worden ontkend. De menschheid vergaat onder
Gods toorn en door zijne verbolgenheid wordt zij verschrikt. Wie kan het
lijden der wereld rijmen met Gods goedheid en liefde? Toch moet het er
mede overeen te brengen zijn, want het bestaat. Indien nu het bestaan
van het ontzettende lijden in deze wereld ons niet mag doen twijfelen
aan Gods goedheid, dan mag ook de eeuwige straf ons niet leiden tot
hare loochening. Als deze wereld bestaanbaar is met Gods liefde, gelijk
zij is en moet zijn, dan is het ook de hel. Want buiten de H. Schrift
is er geen sterker bewijs voor het bestaan der hel, dan het bestaan
dezer wereld, aan wier ellende de trekken van het beeld der hel zijn
ontleend. 7º Bovendien bestaat er voor den mensch, die de eeuwige straf
bestrijdt, groot gevaar, om tegenover God den schijnheilige te spelen.
Hij doet zich voor als de liefderijke, die in goedheid en medelijden den
Vader van onzen Heere Jezus Christus zeer verre overtreft. Dat neemt
niet weg, dat diezelfde mensch, zoodra _zijne_ eer wordt aangerand, in
woede ontsteekt en zijn beleediger alle kwaads toewenscht in dit en in
het toekomende leven. Nijd, haat, toorn, wraakgierigheid komen op in
het hart van iederen mensch tegen elk, die hem in den weg staat. Wij
zoeken onze eigene eer, maar om de eer van God bekommeren wij ons niet;
wij komen op voor ons eigen recht, maar het recht van God laten wij met
voeten treden. Dat is toch waarlijk een afdoend bewijs, dat de mensch
niet de geschikte beoordeelaar is van de woorden en de handelingen
Gods. En toch, ook in dat opkomen voor eigen recht en eere ligt iets
goeds. Hoe verkeerd de mensch het ook toepasse, er ligt toch in, dat
recht en eere boven goed en leven gaan. Er sluimert ook in den zondaar
nog een diep rechts- en eergevoel. En als dat aangerand wordt, ontwaakt
het en onderdrukt het alle medelijden. Als het in een strijd tusschen
twee menschen of tusschen twee volken gaat om het recht, dan bidt elk
van ganscher harte, dat God het recht doe triumfeeren en de schenders
ervan met zijn oordeel treffe. Alle menschen beseffen nog iets van het
fiat justitia, pereat mundus, en billijken het, dat het recht triumfeere
ten koste van duizenden menschenlevens. Om het recht gaat het ook in
den oordeelsdag, en niet om een of ander privaat recht, maar om _het_
recht bij uitnemendheid, om het recht in zijne gansche beteekenis en in
zijn vollen omvang, om de gerechtigheid Gods, om God zelven als God te
prijzen in der eeuwigheid. 8º Er is dan ook geen twijfel aan, of God zal
zich in den oordeelsdag, ook als Hij de eeuwige straf over de zondaren
uitspreekt, voor het oog van alle schepselen ten volle rechtvaardigen.
Thans kennen wij ten deele en kennen ook de schrikkelijkheid der zonde
slechts ten deele. Maar als wij hier reeds bij het hooren van sommige
gruwelen de zwaarste straf reeds niet zwaar genoeg achten, wat zal
het dan zijn, als wij aan het einde der dagen een inzicht ontvangen in
de diepten der ongerechtigheid? En daarbij zijn wij hier op aarde altijd
eenzijdig; rechtsbesef en medelijden komen telkens in conflict; wij zijn
of te zacht of veel te streng in ons oordeel. Maar alzoo is het niet
en kan het niet zijn bij den Heere onzen God. In Christus heeft Hij zijne
volle liefde geopenbaard, en die liefde is daarom zoo groot, wijl zij
eene verlossing heeft geschonken van den toekomenden toorn en van het
eeuwig verderf. De bestrijders van de eeuwige straf doen niet alleen
aan de doemwaardigheid der zonde, aan de strengheid van het Goddelijk
recht tekort; zij maken ook inbreuk op de grootte van Gods liefde en
van de verlossing, die in Christus is. Indien het niet gegaan had om
de redding van een eeuwig verderf, ware de prijs van het bloed van
Gods eigen Zoon veel te duur geweest. De hemel, dien Hij door zijn
zoendood ons verwierf, onderstelt eene hel, waarvan Hij ons bevrijdde.
Het eeuwige leven, dat Hij ons schonk, onderstelt een eeuwigen dood,
waarvan Hij ons verlost heeft. De gunst en het welbehagen Gods, waarin
Hij ons eeuwig doet deelen, onderstelt een toorn, onder welken wij
anders eeuwig hadden moeten verzinken. En daarom zal deze Christus
ook eenmaal het gericht houden en het oordeel uitspreken. Een mensch,
een waarachtig, volkomen mensch, die weet wat in den mensch is, die
de zachtmoedigste aller menschen is, zal de rechter der menschen zijn,
zoo rechtvaardig, dat allen het zullen erkennen en alle knie voor Hem
zich buigen en alle tong belijden zal, dat Christus de Heer is, tot
heerlijkheid Gods des Vaders. God zal aan het eind, zoo niet gewillig,
dan onwillig door alle schepselen als God worden erkend. 9º Dit moet
ons genoeg zijn. Onderzoekingen over de ligging en grootte der hel,
over de hoedanigheid van vuur en worm, over den psychischen en den
physischen toestand der verlorenen leiden tot geen resultaat, omdat
de Schrift er het zwijgen over bewaart. Alleen dit weten wij nog, dat
de straf der hel eerst een aanvang neemt na den oordeelsdag, dat zij
steeds gedreigd wordt aan degenen, die de waarheid Gods hardnekkig
tegenstaan, aan de vreesachtigen en ongeloovigen en gruwelijken en
doodslagers en hoereerders en toovenaars en afgodendienaars en
leugenaars, Op. 21:8, en dat zij ook dan nog verschilt naar de mate van
ieders ongerechtigheid. Nergens leert de Schrift, dat er dan nog plaats
voor bekeering en vergeving is. De toevoeging in Mt. 12:32: noch in
deze eeuw noch in de toekomende, strekt niet, om de vergefelijkheid der
zonde tegen den Zoon des menschen ook nog in de toekomende eeuw, maar
om de volstrekte onvergefelijkheid der zonde tegen den H. Geest in het
licht te stellen. Straf is in haar wezen handhaving der gerechtigheid
en dient bepaaldelijk na het oordeel, niet om te louteren maar om een
iegelijk te vergelden naar zijn werk. Maar toch leert de Schrift zeer
duidelijk, dat er in die straf graden zijn; de poena damni is gelijk, maar
de poena sensus verschilt; een ieder ontvangt naar zijne werken, Mt.
10:15, 11:24, 23:14, 24:51, Luk. 10:12, 14, 12:46, 47, 2 Cor. 5:10 enz.
En daarin spreekt zich nog iets van Gods barmhartigheid uit, deel II
362. 365. Alle zonde staat absoluut tegen de gerechtigheid over, maar
toch rekent God bij de straf met het relatief verschil, dat tusschen de
zonden bestaat. Ook al wordt daarom niet met Augustinus, Enchir. 110,
cf. Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. IV 46 toegegeven, poenas
damnatorum certis temporum intervallis aliquatenus mitigari, toch
betoont zich zijne gerechtigheid in de eeuwige straf op die wijze, dat
zijne goedheid en liefde ongeschonden blijven en nooit rechtmatig kunnen
worden aangeklaagd. Ook in de hel geldt het woord, dat Hij de menschen
niet van harte plaagt, Klaagl. 3:33; de smart, die Hij toezendt, is geen
voorwerp van zijne of van der zaligen verlustiging, maar een middel
tot verheerlijking van zijne deugden en dus door dit einddoel in hare
zwaarte en hare mate bepaald. Cf. Augustinus, Enchir. 110-113. de civ.
XXI. Lombardus e. a. op Sent. IV 46-50. Thomas, S. Theol. suppl. qu.
97-99. Dante, De Hel. Petavius, Theol. dogm. t. IV de angelis III c.
4-8. Simar, Dogm. § 163. Jansen, Prael. III 946-975. Bautz, Die Hölle,
Mainz 1882. Sachs, Die ewige Dauer der Höllenstrafen, Paderborn 1900.
Gerhard, Loc. IX tract. 5 en Loc. XXX. Quenstedt, Theol. I 560-565.
Vilmar, Dogm. II 323. Philippi, Kirchl. Gl. III 389. Kähler, Art.
Höllenstrafen in Herzog³. Limborch, Theol. Christ. VI 13. Calvijn, Inst.
III 25, 12. Synopsis pur. theol. disp. 52. Turretinus, Theol. El. XX
qu. 7. Marck, Exspect. J. Chr. III c. 12. 13. Moor III 354-358. VI 798.
M. Vitringa IV 175 II 305. 320. J. A. Turretinus, Op. II 612. Swinden,
An inquiry into the nature and place of hell. Lond. 1727. Jon.
Edwards, Works, New-York 1881 I 612-642 IV 254-321. Id. Betoog voor de
eeuwigheid der straffen in een toekomstig leven, Utrecht 1792. Hodge,
Syst. Theol. III 818. Shedd, Dogm. Theol. II 667. Oosterzee, Dogm. §
149.
7. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld. Sommigen hebben
deze met Thomas, S. Theol. suppl. qu. 74 art. 7 wel vóór het laatste
oordeel geplaatst, maar de gewone voorstelling is toch deze, dat zij
daarop volgt en dan eerst intreedt, als de goddeloozen reeds van de
aarde verbannen zijn. Ongetwijfeld komt deze orde ook het meest met die
in de H. Schrift overeen. In het Oude Test. wordt de dag des Heeren wel
door allerlei schrikkelijke teekenen voorafgegaan en heeft het gericht
over de volken onder allerlei ontzettende gebeurtenissen plaats, maar
de nieuwe aarde met hare buitengewone vruchtbaarheid neemt dan eerst
een aanvang, als de overwinning over de vijanden behaald en het volk
Israels in zijn land wedergekeerd en hersteld is. Evenzoo gaan volgens
het Nieuwe Test. aan den dag des gerichts vele teekenen vooraf, zooals
verduistering van zon en maan en sterren, beweging van de krachten
des hemels enz., Mt. 24:29, maar de verbranding der aarde heeft toch
eerst in den dag des Heeren plaats, 2 Petr. 3:10, en daarna komt dan de
nieuwe hemel en de nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont, 2 Petr.
3:13. Als het oordeel voltrokken is, ziet Johannes het nieuwe Jeruzalem
neerdalen van God uit den hemel, Op. 21:1v. Bij deze verwachting
eener wereldvernieuwing neemt de Schrift een standpunt tusschen twee
uitersten in. Eenerzijds is door velen, zooals Plato, Aristoteles,
Xenophanes, Philo, Maimonides, Averroes, Nolanus, Peyrère, Edelmann,
Czolbe enz. beweerd, dat deze wereld eeuwig in hare tegenwoordige
gedaante zou voortbestaan. En andererzijds waren Origenes, de
Lutherschen, de Mennonieten, de Socinianen, Vorstius, de Remonstranten
en ook enkele Gereformeerden, zooals Beza, Rivetus, Junius, Wollebius,
Prideaux van meening, dat zij niet slechts in gedaante veranderd
doch in substantie vernietigd en door eene gansch nieuwe wereld
vervangen zou worden, M. Vitringa IV 194-200. Doch geen van deze beide
gevoelens vindt steun in de Schrift. De Oudtest. profetie verwacht
eene buitengewone verandering in heel de natuur maar leert toch geen
vernietiging van de tegenwoordige wereld. De plaatsen, waarin men deze
laatste geleerd acht, Ps. 102:27, Jes. 34:4, 51:6, 16, 65:17, 66:22,
beschrijven de verandering, welke na den dag des Heeren intreden zal,
wel in zeer sterke bewoordingen, maar houden toch geen vernietiging van
de wereldsubstantie in. Vooreerst toch is de beschrijving, welke daar
gegeven wordt, veel te beeldrijk, dan dat er eene letterlijke reductio
ad nihilum van heel de wereld uit afgeleid zou kunnen worden. Voorts
wordt het vergaan, אבד, van hemel en aarde, Ps. 102:27, dat op zichzelf
reeds nooit eene volstrekte vernietiging der substantie te kennen
geeft, daardoor verklaard, dat zij als een kleed verouderen, als een
gewaad veranderen, als een blad afvallen, als rook verdwijnen zullen,
Ps. 102:27, Jes. 34:4, 51:6. En eindelijk geeft het woord scheppen,
ברא, dat van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde gebezigd wordt, Jes.
65:17, volstrekt niet altijd een voortbrengen uit niets te kennen,
maar duidt het dikwerf zulk eene werkzaamheid Gods aan, waardoor Hij
uit het oude iets nieuws te voorschijn doet komen, Jes. 41:20, 43:7,
54:16, 57:19; daarom wisselt het ook af met planten, gronden, maken,
Jes. 51:16, 66:22, en kan de Heere in Jes. 51:16 zeggen, dat Hij die
nieuwe schepping daarmede begint, dat Hij zijn woord in Israels mond legt
en het dekt met de schaduw zijner hand. Het nieuwe Test. verkondigt
op dezelfde wijze, dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, Mt. 5:18,
24:35, 2 Petr. 3:10, 1 Joh. 2:17, Op. 21:1, dat zij zullen vergaan, en
verouden als een kleed, Hebr. 1:11, ontbonden, 2 Petr. 3:11, verbrand,
2 Petr. 3:10, veranderd worden, Hebr. 1:12. Maar deze uitdrukkingen
sluiten geen van alle eene vernietiging der substantie in. Immers
leert Petrus uitdrukkelijk, dat de oude aarde, die door scheiding der
wateren ontstond, door het water van den zondvloed vergaan is, 2 Petr.
3:6, en dat de tegenwoordige wereld evenzoo, ofschoon krachtens Gods
belofte niet meer door water, toch door vuur zal vergaan. Aan eene
vernietiging van de substantie bij het vergaan der tegenwoordige wereld
valt dus evenmin te denken als bij de verderving der vroegere wereld in
den zondvloed; vuur verbrandt, reinigt, zuivert maar vernietigt niet.
De tegenstelling in 1 Joh. 2:17: die den wil Gods doet, blijft in der
eeuwigheid, leert, dat met de woorden: de wereld gaat voorbij met hare
begeerlijkheid, niet bedoeld is eene vernietiging van de substantie der
wereld, maar eene verdwijning der wereld in haar door de zonde verwoeste
gedaante. Paulus zegt daarom ook zeer duidelijk, dat de gedaante, το
σχημα, van deze wereld voorbijgaat, 1 Cor. 7:31. Trouwens komt zulk
een wereldvernieuwing alleen overeen met wat de Schrift over de
verlossing leert. Deze is immers nooit eene tweede, nieuwe schepping,
maar eene herschepping van het bestaande. Daarin bestaat juist Gods
eere, dat Hij dezelfde menschheid, dezelfde wereld, denzelfden hemel en
dezelfde aarde verlost en vernieuwt, welke door de zonde verdorven en
verontreinigd waren. Zooals een mensch in Christus een nieuw schepsel
is, bij wien het oude voorbijgegaan en alles nieuw is geworden, 2 Cor.
5:17, zoo gaat ook deze wereld in haar tegenwoordige gedaante voorbij,
om op het machtwoord Gods uit haar schoot aan eene nieuwe wereld het
aanzijn te geven. Gelijk bij den enkelen mensch, zoo heeft er aan het
einde der dagen ook bij de wereld eene wedergeboorte plaats, Mt. 19:28,
die geen physische schepping maar eene geestelijke vernieuwing is.
Cf. Thomas, S. Theol. Suppl. qu. 74 art. 1 en qu. 91. Atzberger, Die
christl. Eschat. 372 f. Gomarus, Op. I 131-133. 416. Spanheim, Dubia
Evang. III 670-712. Turretinus, Th. El. XX qu. 5. Moor VI 733-736. M.
Vitringa IV 186-215. Kliefoth, Eschat. 297 f.
8. Deze vernieuwing der zienlijke wereld stelt de eenzijdigheid van het
spiritualisme in het licht, dat de toekomstige zaligheid tot den hemel
beperkt. Bij de Oudtest. profetie is er geen twijfel mogelijk, dat zij
de zaligheid als eene aardsche beschrijft; zij verwacht, dat het volk
Gods na den grooten dag in veiligheid en vrede onder den gezalfden
koning uit Davids huis in Palestina wonen en door de heidensche
natiën omringd en gediend worden zal. Er ligt waarheid in de woorden
van Delitzsch op Jes. 66:24: Das ist ja eben der Unterschied des
A. und N. T., dass das A. T. das Jenseits verdiesseitigt, das N.
T. das Diesseits verjenseitigt; dass das A. T. das Jenseits in den
Gesichtskreis des Diesseits herabzieht, das N. T. das Diesseits in
das Jenseits emporhebt. Maar toch doen zij de N. T. verwachting van de
toekomstige zaligheid niet geheel tot haar recht komen. Er ligt in
het N. Test. ongetwijfeld eene vergeestelijking der Oudtest. profetie;
wijl Jezus’ komst in eene eerste en tweede uiteenvalt, wordt eerst het
koninkrijk Gods in geestelijken zin in het hart der menschen geplant;
en de goederen van dat rijk zijn alle inwendig en onzienlijk, vergeving,
vrede, gerechtigheid, eeuwig leven. Dienovereenkomstig wordt het wezen
van de toekomstige zaligheid ook meer geestelijk opgevat, vooral door
Paulus en Johannes, als een altijd bij den Heere zijn, Joh. 12:26, 14:3,
17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, 1 Thess. 4:17, 5:10, 1 Joh. 3:2. Maar
toch wordt die zaligheid daarmede niet binnen den hemel opgesloten.
Dat dit niet het geval kan zijn, blijkt principiëel reeds daaruit, dat
het N. T. de vleeschwording des Woords en de lichamelijke opstanding
van Christus leert, aan het eind der dagen zijn lichamelijke wederkomst
verwacht en terstond daarna de lichamelijke opstanding van alle
menschen, en inzonderheid die van de geloovigen, laat plaats hebben.
Dit alles werpt het spiritualisme omver, dat, indien het aan zijn
beginsel getrouw bleef, evenals Origenes na den oordeelsdag niets dan
geesten in een ongeschapen hemel mocht laten overblijven. De Schrift
leert echter gansch anders. Volgens haar bestaat de wereld uit hemel
en aarde, de mensch uit ziel en lichaam, en heeft dienovereenkomstig
ook het koninkrijk Gods eene geestelijke, verborgene en eene uitwendige,
zienlijke zijde. Terwijl Jezus de eerste maal gekomen is, om dat koninkrijk
in geestelijken zin te stichten, keert Hij aan het einde der dagen weder,
om er ook eene zichtbare gestalte aan te geven. De reformatie gaat
van binnen naar buiten; de wedergeboorte der menschen voltooit zich
in de wedergeboorte der schepping; het Godsrijk is dan eerst ten volle
gerealiseerd, als het ook zichtbaar over de aarde uitgebreid is. Zoo
verstonden het ook de jongeren, als zij aan Jezus na zijne opstanding
vraagden, of Hij nu aan Israel het koninkrijk weder oprichten zou. En
Jezus ontkent in zijn antwoord op die vraag niet, dat Hij eenmaal zulk
een koninkrijk oprichten zal, maar zegt alleen, dat de tijden daarvoor
door den Vader zijn vastgesteld en dat zijne jongeren thans de roeping
hebben, om in de kracht des H. Geestes zijne getuigen te zijn tot aan
het uiterste der aarde, Hd. 1:6-8. Elders getuigt Hij uitdrukkelijk,
dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven, Mt. 5:5, en stelt Hij
de toekomstige zaligheid als een maaltijd voor, waar men aanzit met
Abraham, Izak en Jakob, Mt. 8:11, spijze en drank geniet, Luk. 22:30,
eet van het nieuwe, volmaakte pascha, Luk. 22:16, en drinkt van de
vrucht van den nieuwen wijnstok, Mt. 26:29. Wel is in deze bedeeling,
tot de parousie toe, het oog der geloovigen naar boven, naar den hemel
gericht. Daar is hun schat, Mt. 6:20, 19:21; daar is Jezus, die hun
leven is, gezeten aan de rechterhand Gods, Joh. 14:3, 17:24, Col.
3:1-3; daar is hun burgerschap, terwijl zij hier vreemdelingen zijn,
Phil. 3:20, Hebr. 11:13-16; daar wordt voor hen de erfenis bewaard,
Hebr. 10:34, 1 Petr. 1:4. Maar die erfenis is bestemd, om geopenbaard
te worden. Christus komt eenmaal zichtbaar weer, en doet dan in
zijne heerlijkheid de gansche gemeente, ja heel de wereld deelen. De
geloovigen worden niet alleen naar zijn beeld veranderd, Joh. 17:24,
Rom. 8:17, 18, 28, Phil. 3:21, Col. 3:4, 1 Joh. 3:2, maar de gansche
schepping zal van de dienstbaarheid des verderfs worden vrijgemaakt tot
de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:21; aarde en hemel
worden zoo vernieuwd, dat er de gerechtigheid in woont, 2 Petr. 3:13,
Op. 21:1; het hemelsch Jeruzalem, dat thans boven is en het voorbeeld
van het aardsche Jeruzalem was, daalt dan op aarde neer, Gal. 4:26,
Hebr. 11:10, 13-16, 12:22, 13:14, Op. 3:12, 21:2v. Dit nieuw Jeruzalem
is niet met de gemeente identisch, al kan het ook overdrachtelijk de
bruid des Lams heeten, Op. 21:2, 9, want Hebr. 12:22, 23 maakt zeer
duidelijk onderscheid tusschen het hemelsche Jeruzalem en de gemeente
der eerstgeborenen (vromen des O. T.) en der volmaakte rechtvaardigen
(ontslapen Christenen). Het hemelsch Jeruzalem is eene stad, door God
zelven gebouwd, Hebr. 11:10; zij is de stad des levenden Gods, omdat God
niet alleen haar bouwmeester is maar er ook zelf in woont, Op. 21:3; de
engelen zijn daarin de dienaren en vormen den hofstoet van den grooten
Koning, Hebr. 12:22; de zaligen zijn daarin de burgers, Op. 21:27,
22:3, 4. De beschrijving, welke Johannes van dat Jeruzalem geeft, Op.
21 en 22, mag zeker evenmin als zijne voorafgaande visioenen letterlijk
worden opgevat; dit wordt reeds daardoor uitgesloten, dat Johannes
haar voorstelt als een kubus, waarvan lengte, breedte en hoogte gelijk
zijn, n.l. 12000 stadiën, d. i. 300 Duitsche mijlen, terwijl de hoogte
van den muur toch maar 144 el is, Op. 21:15-17. Johannes bedoelt met
zijne beschrijving geen teekening van de stad, maar hij geeft gedachten
en vertolkt die in beelden, wijl de heerlijkheid van het Godsrijk op geen
andere wijze tot ons bewustzijn te brengen is. En die beelden ontleent
hij aan het paradijs, met zijn rivier en levensboom, Op. 21:6, 22:1, 2,
aan het aardsche Jeruzalem met hare poorten en straten, Op. 21:12v.,
aan den tempel met zijn heilige der heiligen, waarin God zelf woonde,
Op. 21:3, 22, aan heel het rijk der natuur met al zijne schatten van
goud en edele gesteenten, Op. 21:11, 18-21. Maar al zijn het gedachten,
welke op die wijze door beelden vertolkt worden, die gedachten zijn toch
geen inbeeldingen of verdichtselen doch diesseitige beschrijvingen van
jenseitige realiteiten. Alwat waarachtig is, al wat edel is, al wat
rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat welluidt,
in de gansche schepping, in hemel en aarde, wordt in de toekomstige
Godsstad saamgebracht, maar vernieuwd, herschapen, tot zijne hoogste
heerlijkheid opgevoerd. De substantie ervoor is in deze schepping
aanwezig. Gelijk de rups zich ontwikkelt tot vlinder, gelijk koolstof
zich omzet tot diamant, gelijk het tarwegraan, stervend in de aarde,
een ander voortbrengt, gelijk de gansche natuur in de lente herleeft en
in feestdosch zich tooit, gelijk de gemeente gevormd wordt uit Adams
gevallen geslacht, gelijk het opstandingslichaam opgewekt wordt uit het
lichaam, dat gestorven en in de aarde begraven is; zoo komt ook eenmaal
door de herscheppende macht van Christus uit de door vuur gelouterde
elementen van deze wereld de nieuwe hemel en aarde te voorschijn,
stralend in onvergankelijke heerlijkheid en van de δουλεια της φθορας
voor eeuwig bevrijd. Heerlijker dan deze schoone aarde, heerlijker dan het
aardsche Jeruzalem, heerlijker zelfs dan het paradijs zal de heerlijkheid
van het nieuwe Jeruzalem zijn, waarvan God zelf de kunstenaar en de
bouwmeester is. De status gloriae zal geen zuivere restauratie zijn van
den oorspronkelijken status naturae, maar eene reformatie, die, dank
zij de macht van Christus, alle ὑλη tot εἰδος, alle potentia tot actus
doet overgaan en heel de schepping voor Gods aangezicht zal stellen,
stralend in onverwelkelijke pracht en bloeiend in de lente eener
eeuwige jeugd. Substantieel gaat er niets verloren. Buiten zijn wel
de honden en de toovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de
afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft of doet, Op.
22:15. Maar in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde wordt de wereld
hersteld; in de gemeente wordt het menschelijk geslacht behouden; in die
gemeente, die uit alle natiën en talen en tongen door Christus gekocht
en vergaderd is, Op. 5:9 enz., behouden alle de volken, ook Israel,
elk zijne onderscheidene plaats en roeping, Mt. 8:11, Rom. 11:25, Op.
21:24, 22:2; en alle die volken brengen in het nieuwe Jeruzalem saam,
al wat zij elk naar zijn onderscheiden aard van God ontvangen hebben aan
heerlijkheid en eere, Op. 21:24, 26.
9. De zegeningen, waarin de gezaligden deelen, zijn daarom niet alleen
geestelijk maar ook stoffelijk of lichamelijk van aard. Zoo verkeerd als
het is, om de laatste met de heidensche volken en ook met sommige
Chiliasten tot het hoofdbestanddeel der toekomstige zaligheid te
maken, zoo eenzijdig is het ook, om ze op stoische wijze onverschillig
te rekenen of ook van de zaligheid ten eenenmale uit te sluiten. De
Schrift houdt het geestelijke en het natuurlijke steeds in nauw verband;
wijl de wereld uit hemel en aarde en de mensch uit ziel en lichaam
bestaat, behooren heiligheid en heerlijkheid, deugd en geluk, zedelijke
en natuurlijke wereldorde ook ten slotte harmonisch verbonden te zijn. De
zaligen zullen daarom niet alleen vrij zijn van alle zonde, maar ook van
alle gevolgen der zonde, van onwetendheid en dwaling, Joh. 6:45, van
den dood, Luk. 20:36, 1 Cor. 15:26, Op. 2:11, 20:6, 14, van armoede en
krankheid, smart en vreeze, honger en dorst, koude en hitte, Mt. 5:4,
Luk. 6:21, Op. 7:16, 17, 21:4, van alle zwakheid, oneer en verderf, 1
Cor. 15:42 enz. Maar de geestelijke zegeningen zijn toch de voornaamste
en zijn ontelbaar vele: heiligheid, Op. 3:4, 5, 7:14, 19:8, 21:27,
zaligheid, Rom. 13:11, 1 Thess. 5:9, Hebr. 1:14, 5:9, heerlijkheid, Luk.
24:36, Rom. 2:10, 8:18, 21, aanneming tot kinderen, Rom. 8:23, eeuwig
leven, Mt. 19:16, 29 enz., aanschouwing van en gelijkvormigheid aan
God en Christus, Mt. 5:8, Joh. 17:24, Rom. 8:29, 1 Cor. 13:12, 2 Cor.
3:18, Phil. 3:21, 1 Joh. 3:2, Op. 22:4, gemeenschap met en dienen en
prijzen van God en Christus, Joh. 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op.
4:10, 5:9, 13, 7:10, 15, 21:3, 22:3 enz. Omdat al deze weldaden in
beginsel reeds op aarde aan de geloovigen worden geschonken, zooals
bijv. de aanneming tot kinderen, Rom. 9:4, 8:15, Gal. 4:5, Ef. 1:5, en
het eeuwige leven, Joh. 3:15, 16, 36 enz., hebben velen de zaligheid,
welke Christus schenkt, uitsluitend als eene tegenwoordige opgevat,
die alleen in den weg van een ethisch proces zich hoe langer hoe meer
realiseert, Pfleiderer, Grundriss § 177. Biedermann, Dogm. § 974 f.
Scholten, Initia c. 7. Ook Ritschl en vele zijner aanhangers leggen
eenzijdig den nadruk op de diesseitige Weltstellung des Menschen,
houden de zedelijke vrijheid, welke de Christen in het geloof tegenover
de wereld ontvangt, voor de voornaamste weldaad, en spreken weinig of
niet van de eeuwige zaligheid, welke Christus in de toekomst den zijnen,
bereidt, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 459 f. 484 f. 534 f. 600 f.
Tegenover het abstracte supranaturalisme der Grieksche en Roomsche
kerk, dat de zaligheid uitsluitend transcendent opvat en dus hier
op aarde het christelijk levensideaal in den monnik belichaamd acht,
verdedigt deze beschouwing eene belangrijke waarheid. De Reformatie
heeft, teruggaande tot de Schrift, deze supranaturalistische en
ascetische levensopvatting principieel verwonnen. Wie gelooft, heeft
op datzelfde oogenblik vergeving van zonden en eeuwig leven; hij is
een kind van God, dat den Vader dient, niet als knecht uit hoop op
loon, maar als een zoon, die uit liefde en dankbaarheid den wil des
Vaders volbrengt; en hij volbrengt dien wil, niet door uit de wereld
weg te vluchten maar door trouw te zijn in de roeping, welke hem hier
op aarde toebetrouwd is. Het leven voor den hemel vormt daarom geen
tegenstelling met het leven in het midden der wereld; juist in die
wereld bewaart Christus zijne discipelen van den Booze. De nieuwe hemel
en aarde wordt immers opgebouwd uit de elementen der wereld, die thans
bestaat, en de gemeente is de herstelde menschheid onder Christus als
Hoofd. Maar hoezeer de zaligheid in zekeren zin reeds het deel is van
de geloovigen op aarde, zij is dat toch maar in beginsel en niet in
volle werkelijkheid. De geloovigen zijn in hope zalig, Rom. 8:24; Jezus
spreekt de armen van geest enz., zalig, omdat hunner het koninkrijk
der hemelen is, dat in de toekomst op aarde gesticht worden zal, Mt.
5:3-10. De geloovigen zijn kinderen Gods en verwachten toch nog de volle
verwezenlijking van dat kindschap, Mt. 5:9, Rom. 8:23. Zij hebben het
eeuwige leven, en moeten het toch nog bij de opstanding ontvangen, ook
volgens Johannes, 5:20-29, 6:40, 44, 54. Beide is dus waar, dat het
koninkrijk der hemelen er is en dat het toch nog komt. En deze dubbele
waarheid bepaalt heel het karakter van den staat der heerlijkheid.
Gelijk de nieuwe hemel en aarde gevormd wordt uit de elementen dezer
wereld en de gemeente eene herschepping is van het in Adam gevallen
menschelijk geslacht, zoo is ook het leven der zaligen hiernamaals te
denken als in analogie met het leven der geloovigen hier op aarde. Het
bestaat eenerzijds niet in eene visio Dei in Roomschen zin, waartoe de
menschelijke natuur slechts door een donum superadditum kan opgebeurd
worden, en het is aan de andere zijde ook niet eene langzame en
geleidelijke ontwikkeling van het christelijk leven, dat hier reeds op
aarde door de geloovigen geleid wordt. Het is een echt natuurlijk leven,
maar door de genade tot zijne hoogste heerlijkheid opgeheven, en in zijn
rijkste schoonheid ontvouwd; de materia blijft, doch de forma verschilt.
De religie, dat is de gemeenschap met God, neemt er daarom de eerste,
de centrale plaats in. Maar die gemeenschap zal rijker, dieper, zaliger
zijn, dan zij hier op aarde ooit was of wezen kon, want zij zal door geen
zonde verstoord, door geen afstand verbroken, door geen natuur of
Schrift bemiddeld zijn. Nu zien wij in den spiegel van Gods openbaring
slechts zijn beeld; dan zien wij aangezicht tot aangezicht, en kennen,
gelijk wij gekend zijn. Visio, comprehensio, fruitio Dei maken het wezen
der toekomstige zaligheid uit. De zaligen zien God, wel niet met
lichamelijke oogen, maar toch op eene wijze, die alle openbaring in deze
bedeeling door middel van natuur en van Schrift zeer verre te boven
gaat; en dienovereenkomstig zullen zij Hem allen kennen, schoon elk
naar de mate zijner bevatting, met eene kennis, die in de kennisse Gods
haar beeld en gelijkenis heeft, rechtstreeks, onmiddellijk, zuiver en
rein, deel II 150-155. Zij ontvangen en bezitten dan alles, wat zij hier
slechts in hope hebben verwacht. En alzoo God aanschouwende en God
bezittende, genieten zij God en zijn in zijne gemeenschap zalig; zalig
naar ziel en naar lichaam, in verstand en in wil. In de theologie was
er verschil over, of de zaligheid hiernamaals formaliter zetelde in het
verstand of in den wil, en dus in kennis of in liefde bestond. Thomas
zeide het eerste, S. Theol. I 2 qu. 3 art. 4, en Duns Scotus beweerde
het laatste, Sent. IV dist. 49 qu. 4. Maar Bonaventura vereenigde beide
en merkte op, dat de fruitio Dei niet alleen eene vrucht was van de
cognitio Dei maar ook van den amor Dei en in beider vereeniging en
samenwerking haar oorzaak had, Sent. IV dist. 49 p. 1 art. unic. qu. 4.
5, cf. Voetius, Disp. II 1217-1239.
10. De zaligheid der gemeenschap met God wordt genoten in en verhoogd
door de gemeenschap der heiligen. Reeds op aarde is deze gemeenschap
eene heerlijke weldaad des geloofs. Wie om Jezus’ wil huis of broeders
of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten
hebben, ontvangen reeds in dit leven met de vervolgingen huizen en
broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers terug, Mk. 10:29,
30, want allen, die den wil des Vaders doen, zijn Jezus’ broeder en
zuster en moeder, Mt. 12:50. De geloovigen komen door den Middelaar des
Nieuwen Testaments in gemeenschap, niet alleen met de strijdende kerk
op aarde, maar ook met de triumfeerende kerk in den hemel, de gemeente
der eerstgeborenen, de geesten der volmaakte rechtvaardigen, zelfs met
de vele duizenden der engelen, Hebr. 12:22-24. Maar deze gemeenschap,
ofschoon in beginsel reeds op aarde bestaande, boven bl. 28, zal toch
onvergelijkelijk veel rijker en heerlijker zijn, wanneer alle scheidsmuren
van afstamming en taal, van tijd en ruimte geslecht, alle zonde en
dwaling uitgebannen en alle uitverkorenen in het nieuwe Jeruzalem
saamgebracht zullen zijn. Dan zal het gebed van Jezus ten volle worden
verhoord, dat al zijne schapen ééne kudde vormen onder éénen Herder,
Joh. 10:16, 17:21. Alle heiligen zullen dan te zamen ten volle
begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij van de
liefde van Christus, Ef. 3:18; zij zullen saam vervuld worden tot al de
volheid Gods, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10, want Christus, dien God vervult,
Col. 1:19, vervult op zijne beurt de gemeente met zichzelven en maakt ze
tot zijn pleroma, Ef. 1:23, 4:10, cf. deel III 417. En aanzittende met
Abraham, Izak en Jakob aan éénen disch, Mt. 8:11, heffen zij uit éénen
mond het loflied aan tot eere van God en van het Lam, Op. 4:11, 5:12
enz. Van de gemeente op aarde zegt de Schrift menigmaal, dat zij een
klein kuddeken vormt, Mt. 7:14, 22:14, Luk. 12:32, 13:23, hetgeen door
de historie tot op den huidigen dag bevestigd wordt. En zelfs tegen
het einde der dagen, als het evangelie onder alle volken gepredikt zal
zijn, zal de afval toenemen en het getal der getrouwen gering zijn; reeds
de profetie des O. Test. verkondigde, dat slechts een overblijfsel van
Israel zich tot den Heere bekeeren en behouden zou worden, boven bl.
429; en het N. Test. koestert evenzoo de verwachting, dat degenen, die
volharden tot den einde toe, weinigen zullen zijn, Mt. 24:13, 25:1v.,
Luk. 18:8. Maar aan de andere zijde spreekt de Schrift dikwerf toch
zeer universalistisch. Het verbond der genade wordt in Adam aan heel
de menschheid bekend gemaakt, Gen. 3:15. Het verbond der natuur, dat
na den zondvloed gesloten wordt, omvat alle schepselen, Gen. 9:9, 10.
In Abraham worden alle geslachten der aarde gezegend, Gen. 12:3. De
verlossing, welke eens aan Israel geschonken zal worden, komt allen
Heidenen ten goede, boven bl. 433. Jezus zegt, dat Hij zijne ziel zal
geven tot een rantsoen voor _velen_, Mt. 20:28, en dat _velen_ zullen
komen van Oosten en Westen en zullen aanzitten met Abraham, Izak en
Jakob in het koninkrijk der hemelen, Mt. 8:11. De genade, die in Hem
is verschenen, is veel meer overvloedig dan de overtreding van Adam;
zij komt over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens, Rom.
5:12-20, 1 Cor. 15:22. Nu worden in deze bedeeling alle dingen in den
hemel en op de aarde onder Christus tot één vergaderd, Ef. 1:10. En
eens aan het einde, zal alle knie voor Christus zich buigen en alle
tong Hem als den Heer belijden, Phil. 2:10, 11. Dan zal eene groote
schare, welke niemand tellen kan, staan voor den troon en het Lam, Op.
7:9, 19:1, 6. Het zijn volkeren, die zalig worden en in het licht van
het nieuwe Jeruzalem wandelen, Op. 21:24, 26, 22:2. En God zal dan in
allen alles zijn, 1 Cor. 15:28. In aansluiting bij en met beroep op deze
laatste reeks teksten hebben velen de hope gekoesterd, dat ten slotte,
zoo niet alle schepselen, dan toch alle menschen en, indien ook dit
niet het geval mocht zijn, dan toch verreweg de meeste menschen zalig
zouden worden; de hel zou in het geheel niet bestaan of slechts een
kleine uithoek zijn in het heelal. Zij grondden deze hunne verwachting
òf op de mogelijkheid, om ook zalig te worden door de werken der wet
(Pelagianen, Socinianen, Deisten enz.), òf op de gelegenheid, om ook na
den dood in den tusschentoestand of zelfs nog na den oordeelsdag het
evangelie te hooren en in den geloove aan te nemen (Universalisten).
Deze gevoelens zijn vroeger reeds besproken en behoeven dus thans
niet meer aan de Schrift getoetst te worden, cf. deel I 232. II 318
f. 340 f. 350 f. III 390-408 en boven bl. 499v. Maar ook onder hen,
die de belijdenis vasthouden, dat niemand tot den Vader komt dan door
Christus en dat er maar één naam onder den hemel ter zaligheid gegeven
is, Joh. 14:6, Hd. 4:12, zijn er altijd enkelen geweest, die aan de
mogelijkheid der zaligheid in dit leven buiten de prediking van het
evangelie hebben geloofd. Zij leerden alzoo ten aanzien van de kinderen
des verbonds, van al de jongstervende kinderen binnen en buiten de
grenzen des Christendoms, van idioten, krankzinnigen, doofstommen,
die feitelijk van de prediking des evangelies verstoken waren, en
ook van sommige of van vele Heidenen, die in hun helder inzicht en
deugdzaam leven bewijzen gaven van eene waarachtige godsvrucht. Sommige
kerkvaders namen een werkzaamheid van den Logos in de Heidenwereld
aan, deel I 238. Augustinus geloofde, dat er van den beginne af aan
niet alleen onder Israel maar ook onder andere volken altijd enkelen
waren geweest, die in den Logos geloofden en naar zijne geboden vroom
en rechtvaardig leefden, Ep. 102. de civ. 18, 47 en andere plaatsen
bij Reuter, Aug. Studien 1887 S. 90 f. Abaelard beweerde, dat ook
Heidenen de zaligheid konden deelachtig worden, bij Münscher-v. Coelln,
D. G. II 147. Volgens Strauss, Chr. Gl. I 271 sprak Luther eenmaal
den wensch uit, dat God ook mannen als Cicero en Seneca genadig mocht
zijn, en wilde Melanchton in het midden laten, of Hij soms langs een
bijzonderen weg aan Solon, Themistocles e. a. eenige kennis van de
vergeving in Christus had medegedeeld. Zwingli sprak beslister en
geloofde dat God ook onder de Heidenen zijne uitverkorenen had, Chr.
fidei expos. Op. IV 65. Maar anderen lieten alleen de mogelijkheid open
en durfden niet meer dan hopen en wenschen, zooals bijv. à Lasco, bij
Kuyper, Heraut 1047. Zanchius, bij Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704.
Bilderdijk, Brieven V 81. Kuyper, Heraut 594 cf. 1047. Ebrard, Das Dogma
v. h. Ab. II 77. Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Dit gevoelen bleef
echter altijd het gevoelen van enkelen; de kerken lieten er zich in
hare confessies niet over uit en de meeste theologen kwamen er tegen
op, cf. litt. bij M. Vitringa I 29. Iets gunstiger oordeelde men over
de zaligheid der jongstervende kinderen. De Roomschen leeren, dat
alle Christenkinderen, die, voto of re gedoopt, sterven, zalig worden
en alle andere vroegstervende kinderen in den limbus infantum eene
poena damni, niet sensus, lijden, Lombardus e. a. op Sent. II dist.
33. De Lutherschen oordeelen ten aanzien van de Christenkinderen als
de Roomschen en laten de anderen aan Gods oordeel over, Gerhard, Loc.
XVI § 169. Buddeus, Inst. theol. V I, 6. De Gereformeerden neigden
ertoe, om te gelooven, dat alle in het verbond der genade geboren en
dan vóór de jaren des onderscheids door den dood weggenomen kinderen
de hemelsche zaligheid deelachtig worden, Can. Dordr. I 7. Voetius,
Disp. II 417, hoewel velen ook hier tusschen verkoren en verworpen
kinderen onderscheid maakten en niet aan elk dezer kinderen individueel
met zekerheid de zaligheid durfden toekennen, Martyr, Loci Comm. p.
76. 436, Beza, Pareus, Zanchius, Perkins e. a. Wat de vroegstervende
kinderen buiten het verbond betreft, oordeelden sommigen vrij mild;
Junius vermoedde liever uit liefde, dat zij behouden dan dat zij verloren
waren, Op. II 333, en Voetius zeide: of zij verloren zijn dan of sommigen
onder hen uitverkoren zijn en vóór hun sterven wedergeboren worden,
nolim negare, affirmare non possum, Disp. II 413, cf. verdere litt. bij
M. Vitringa II 51. 52, en vooral B. Warfield, The development of
the doctrine of infant salvation, in: Two studies in the history
of doctrine, New-York, Christ. Lit. Comp. 1897 p. 143-239. Met de
Schrift in de hand kunnen wij, zoowel in betrekking tot de zaligheid
der Heidenen als tot die der vroegstervende kinderen, niet verder
komen, dan dat wij van een beslist en stellig oordeel in positieven
of negatieven zin ons onthouden. Alleen verdient het opmerking, dat
de Gereformeerde theologie bij deze ernstige vragen in veel gunstiger
conditie verkeert dan eenige andere. Want alle andere kerken kunnen
hierbij dan alleen een zachter oordeel koesteren, wanneer zij op hare
leer van de volstrekte noodzakelijkheid der genademiddelen terugkomen
of op die van de verdoemelijkheid der zonde inbreuk maken. Maar de
Gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen,
waarmede een mensch ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God
verbonden kan zijn noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid
onmisbaar noodig is, Voetius, Disp. II 537. 538. 781. Witsius, Apost.
Geloof II 2 en 15. Spanheim, Op. III 1291. En ten andere hielden
zij staande, dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk
waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten
kon wederbaren ten eeuwigen leven, Calvijn, Inst. IV 16, 19. In de
tweede Helv. Confessie, art. 1 luidt het: agnoscimus Deum illuminare
posse homines, etiam sine externo ministerio, quos et quando velit;
id quod ejus potentiae est. En de Westminstersche belijdenis spreekt
in cap. X § 3 uit, dat uitverkoren kinderen, die in hun kindsheid
sterven, wedergeboren en behouden worden door den Geest van Christus,
qui quando et ubi et quo sibi placuerit modo operatur, en dat dit ook
geldt van de overige uitverkorenen, quotquot externae vocationis per
ministerium verbi sunt incapaces. Reuter zegt daarom terecht, als hij
de leer van Augustinus op dit punt heeft uiteengezet: In der That, es
lässt sich das Paradoxon rechtfertigen, gerade die _partikularistische_
Prädestinationslehre habe jene _universalistisch_ klingenden Phrasen
ermöglicht, Aug. Studien 92. In de Gereformeerde theologie komen zelfs
de bovenaangehaalde universalistische teksten der Schrift het best en
het schoonst tot haar recht. Want universalistisch in dien zin, dat
alle menschen of zelfs alle schepselen worden behouden, zijn die teksten
zeker niet bedoeld en ook door geen enkele christelijke kerk opgevat.
Alle belijden zonder uitzondering, dat er niet alleen een hemel maar ook
eene hel is. Hoogstens is er dus verschil over het getal dergenen, die
zalig worden en die verloren gaan. Maar daarover valt niet te twisten;
want dat getal is alleen Gode bekend. Op de vraag: Heere, zijn er ook
weinigen, die zalig worden, gaf Jezus alleen ten antwoord: strijdt om
in te gaan door de enge poort, want velen zullen zoeken in te gaan en
zullen niet kunnen, Luk. 13:24. Dit alleen is rechtstreeks voor ons van
belang; het getal der uitverkorenen behoeft ons niet bekend te zijn.
Maar in elk geval staat dit vast, dat het getal der uitverkorenen in de
Gereformeerde theologie om geen enkele reden en in geen enkel opzicht
kleiner behoeft gedacht te worden, dan in eenige andere theologie.
Als het er op aankomt, is de Geref. belijdenis ruimer van hart en
breeder van blik, dan eenige andere christelijke confessie. Zij vindt
de laatste, diepste oorzaak der zaligheid alleen in Gods welbehagen,
in zijne eeuwige ontferming, in zijne ondoorgrondelijke barmhartigheid,
in den onnaspeurlijken rijkdom zijner almachtige en vrije genade. Welke
vastere, breedere grondslag zou daarnaast voor de zaligheid van een
schuldig en verloren menschengeslacht te vinden zijn? Laten velen dan
afvallen; hoe ontroerend dit zij, in Christus wordt toch de gemeente,
de menschheid, de wereld behouden. Het organisme der schepping wordt
hersteld. De goddeloozen worden van de aarde verdaan, Ps. 104:35, zij
worden buitengeworpen, Joh. 12:31, 15:6, Op. 22:15. Maar onder Christus
worden alle dingen, in den hemel en op de aarde, vergaderd tot één, Ef.
1:10. Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, Col. 1:16.
11. De gemeenschap met God, die in de gemeenschap der heiligen genoten
wordt, sluit zeker in de toekomende eeuw evenmin als in deze bedeeling
alle handeling en alle werkzaamheid uit. De christelijke theologie
heeft hier in den regel wel weinig aandacht aan gewijd en meest van
de hemelsche zaligheid als een kennen en genieten van God gesproken.
En dit is zonder twijfel ook de kern en het middelpunt, de bron en de
kracht van het eeuwige leven. Ook biedt de Schrift weinig gegevens,
om ons van de werkzaamheid der gezaligden eene heldere voorstelling
te vormen. Zij beschrijft de zaligheid meer als een rusten van den
aardschen arbeid dan als het volbrengen van eene nieuwe werkzaamheid,
Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar toch is de rust, die in het nieuwe Jeruzalem
genoten wordt, evenmin bij God, Joh. 5:17, als bij zijne kinderen, als
een zalig niets-doen te denken. De H. Schrift zegt zelve, dat het
eeuwige leven bestaat in een kennen en dienen, in een loven en prijzen
van God, Joh. 17:3, Op. 4:11, 5:8 enz. Zijne kinderen blijven ook zijne
knechten, die Hem dienen dag en nacht, Op. 22:3. Zij zijn profeten,
priesters en koningen, die op de aarde heerschen in alle eeuwigheid,
Op. 1:6, 5:10, 22:5. Naarmate zij op aarde over weinig getrouw zijn
geweest, worden zij in het koninkrijk. Gods over veel gezet, Mt. 24:47,
25:21, 23. Ieder behoudt zijn eigen persoonlijkheid, want van allen, die
ingaan in het nieuwe Jeruzalem, zijn de namen geschreven in het boek
des levens des Lams, Op. 20:15, 27, en elk ontvangt een eigen, nieuwen
naam, Jes. 62:2, 65:15, Op. 2:17, 3:12, cf. 21:12, 14. De dooden,
die in den Heere sterven, rusten van hunne moeiten, maar worden elk
door zijn eigen werken gevolgd, Op. 14:13. Geslachten, volken, natiën
dragen het hunne tot verrijking des levens in het nieuwe Jeruzalem
bij, Op. 5:9, 7:9, 21:24, 26. Wat hier gezaaid wordt, wordt in de
eeuwigheid gemaaid, Mt. 25:24, 26, 1 Cor. 15:42v., 2 Cor. 9:6, Gal.
6:7, 8. De groote verscheidenheid, die in allerlei opzicht onder de
menschen bestaat, wordt in de eeuwigheid niet vernietigd maar van al
het zondige gereinigd en aan de gemeenschap met God en met elkander
dienstbaar gemaakt. En gelijk de natuurlijke verscheidenheid in de
gemeente op aarde nog met de geestelijke verscheidenheid vermeerderd
wordt, 1 Cor. 12:7v., zoo neemt dit natuurlijk en geestelijk verschil
in den hemel nog weer daardoor toe, dat er onderscheidene graden van
heerlijkheid zijn. Uit oppositie tegen de verdienstelijkheid der goede
werken hebben sommige Gereformeerden, zooals Martyr, Loci C. III 17,
8, Camero, Schoenfeld, Tilenus, Spanheim, evenals in de vierde eeuw
reeds Jovinianus en later sommige Socinianen en thans nog Gerlach,
alle onderscheid in de heerlijkheid hiernamaals geloochend. En het is
ook waar, dat aan alle geloovigen dezelfde weldaden in de toekomst van
Christus worden beloofd; zij ontvangen allen hetzelfde eeuwige leven,
dezelfde woonplaats in het nieuwe Jeruzalem, dezelfde gemeenschap
met God, dezelfde zaligheid enz. Maar desniettemin stelt de Schrift
het buiten allen twijfel, dat er in die eenheid en gelijkheid eene
zeer groote afwisseling en verscheidenheid is. Zelfs de gelijkenis,
Mt. 20:1-16, waarop men zich menigmaal voor het tegendeel beroept,
pleit voor zulk een onderscheid; want Jezus wil met die gelijkenis
leeren, dat velen, die naar eigen en anderer meening lang en zwaar
hebben gearbeid, in het toekomstig Messiasrijk volstrekt niet zullen
achterstaan bij degenen, die veel korter tijd in den wijnberg zijn werkzaam
geweest; de laatsten halen de eersten in, want velen zijn wel geroepen
en arbeiden in den dienst van het koninkrijk Gods, maar weinigen zijn er,
die daarvoor hiernamaals eene bijzondere onderscheiding genieten en een
uitgelezen plaats ontvangen. Veel duidelijker wordt zulk een gradueel
verschil in de heerlijkheid op andere plaatsen in de Schrift geleerd,
vooral daar, waar sprake is van een loon, dat een iegelijk geschonken
zal worden naar zijne werken. Dat loon wordt thans in de hemelen
bewaard, Mt. 5:12, 6:1v., Luk. 6:23, 1 Tim. 6:19, Hebr. 10:34-37,
en wordt eerst in het openbaar uitgedeeld bij de parousie, Mt. 6:4,
6, 18, 24:47, 2 Thess. 1:7, 1 Petr. 4:13. Het wordt dan geschonken
als vergoeding voor hetgeen de discipelen van Jezus hier op aarde
om zijnentwil verloochend en geleden hebben, Mt. 5:10v., 19:29, Luk.
6:21v., Rom. 8:17, 18, 2 Cor. 4:17, 2 Thess. 1:7, Hebr. 10:34, 1 Petr.
4:13, en verder ook als vergelding voor de goede werken, die zij hebben
verricht, zooals bijv. voor goede besteding der talenten, Mt. 25:15v.,
Luk. 19:13v., voor vijandsliefde en belangelooze milddadigheid, Luk.
6:35, voor verzorging der armen, Mt. 6:1, voor bidden en vasten, Mt.
6:6, 18, voor het dienen der broederen, Mt. 10:40-42, voor trouwen
dienst in het rijk Gods, Mt. 24:44-47, 1 Cor. 3:8 enz. Dat loon zal in
verband staan met en evenredig zijn aan de werken, Mt. 16:27, 19:29,
25:21, 23, Luk. 6:38, 19:17, 19, Rom. 2:6, 1 Cor. 3:8, 2 Cor. 4:17,
5:10, 9:6, Gal. 6:8, 9, Hebr. 11:26, Op. 2:23, 11:18, 20:12, 22:12. De
zaligheid is wel voor allen dezelfde, maar er is verschil in glans en
heerlijkheid, Dan. 12:3, 1 Cor. 15:41; er zijn in het Vaderhuis, dat alle
kinderen opneemt, vele woningen, Joh. 14:2; en de gemeenten ontvangen
alle naar de mate van hare getrouwheid en toewijding, van den koning
der kerk een eigen sieraad en kroon, Op. 1-3. De Roomschen hebben
op deze uitspraken der Schrift de leer van de verdienstelijkheid der
goede werken gebouwd, Trid. VI can. 31. 32, en het recht op bijzondere
belooningen in den hemel, die naar Ex. 25:25 aureolae genoemd en aan
de allen ten deel vallende corona aurea toegevoegd worden, vooral aan
de martelaren, de coelibatairen en de leeraars toegekend, Thomas, S.
Theol. III qu. 96. Bonaventura, Brevil. VII 7. Maar dit misbruik neemt
de waarheid niet weg, dat er onderscheid in de heerlijkheid is naar
gelang van de werken, die door de geloovigen hier op aarde verricht
zijn. Er is geen loon, waarop de mensch van nature aanspraak zou kunnen
maken, want de wet Gods is absoluut verplichtend en laat den eisch tot
volbrenging niet afhangen van de vrije keuze van den mensch. Indien
deze daarom de gansche wet heeft volbracht, past hem toch niets anders
te zeggen, dan dat hij een onnutte dienstknecht is, die maar gedaan
heeft wat hij schuldig was te doen, Luk. 17:10. Alle aanspraak op loon
kan daarom alleen voortvloeien uit een verbond, uit eene vrijmachtige
en genadige beschikking Gods, en is daarom een gegeven recht, deel II
553. Zoo was het in het werkverbond en zoo is het nog veel meer in het
genadeverbond, deel III 563. Want Christus heeft alles volbracht,
niet alleen de straf geleden maar ook door het volbrengen der wet het
eeuwige leven verworven. De eeuwige zaligheid en heerlijkheid, welke
Hij ontving, was voor Hem het loon op zijne volmaakte gehoorzaamheid.
Maar als Hij deze zijne gerechtigheid door het geloof den zijnen schenkt
en daaraan het eeuwige leven verbindt, dan zijn beide, zoowel die
geschonken gerechtigheid als de toekomstige zaligheid, gaven van zijne
genade, welke alle verdienste van de zijde der geloovigen ten eenenmale
uitsluit. De geloovigen zijn immers Gods maaksel, geschapen in Christus
Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij in dezelve
zouden wandelen, Ef. 2:10. Het wordt hun uit genade gegeven in de zaak
van Christus, niet alleen in Hem te gelooven maar ook voor Hem te
lijden, Phil. 1:29, Hd. 5:41. Niet alleen in de gave van het eeuwige
leven aan een iegelijk, die gelooft, maar ook in de uitdeeling van eene
verschillende mate van heerlijkheid aan wie uit dat geloof goede werken
hebben voortgebracht, kroont God zijn eigen werk. Maar dat doet Hij dan
ook, opdat er, gelijk hier, zoo hiernamaals in de gemeente eene rijke
verscheidenheid zijn zou en in die verscheidenheid de heerlijkheid zijner
deugden uitkomen zou. Door die verscheidenheid toch neemt het leven
der gemeenschap met God, met de engelen, en van de zaligen onderling
in diepte en in innigheid toe. In die gemeenschap heeft elk, gelijk in
de gemeente hier op aarde, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12, in verband met zijn
persoon en karakter, een eigen plaats en taak. Van de werkzaamheid
der zaligen mogen wij ons geene zuivere voorstelling kunnen vormen,
de Schrift leert toch, dat het profetisch, priesterlijk en koninklijk
ambt, hetwelk de mensch oorspronkelijk bezat, in hen door Christus ten
volle hersteld is. De dienst van God, de onderlinge gemeenschap en de
bewoning van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde biedt ongetwijfeld
voor de uitoefening van deze ambten overvloedige gelegenheid, ook al
is de vorm en wijze ervan ons onbekend. Maar dat werken is een rusten
en genieten tevens. Het onderscheid van dag en nacht, van sabbat en
werkdagen heeft opgehouden; de tijd is doordrongen van de eeuwigheid
Gods; de ruimte is vol van zijne tegenwoordigheid; het eeuwige worden
is gehuwd met het onveranderlijke zijn. Zelfs de tegenstelling van
hemel en aarde is verdwenen. Want al wat in den hemel en op aarde
is, is tot één vergaderd onder Christus als Hoofd, Ef. 1:10. Alle
schepselen zijn en leven en bewegen zich in God, die alles in allen is,
die in den spiegel zijner werken al zijne deugden weerkaatst en daarin
zichzelven verheerlijkt. Cf. over de hemelsche zaligheid: Augustinus,
de civ. XXII c. 29. 30. Lombardus, Sent. IV dist. 49. Thomas, suppl.
qu. 92-96. Bonaventura, Brevil. VII c. 7. Oswald, Eschat. 38-57.
Atzberger, Die christl. Eschat. 238 f. Simar, Dogm. § 162. Jansen,
Prael. III 903-946. O. Ritschl, Luthers Seligkeitsvorstellung in ihrer
Entstehung und Bedeutung, Christl. Welt 1889 S. 874-880. Gerhard, Loc.
XXXI. Quenstedt, Theol. I 550-560. Hollaz 451 sq. Polanus, Synt. VI c.
72-75. Amyraldus, Theses Salm. III 859. Synopsis pur. theol., disp.
52. Mastricht, Theol. VIII 4, 10. Turretinus, Theol. El. XX qu. 8-13.
Marck, Exspect J. C. III c. 8. 10. 11. Moor VI 718-733. M. Vitringa IV
179. Kliefoth, Eschat. 311 f. Titius, Die N. T. Lehre von der Seligkeit
im Reiche Gottes und ihre Bedeutung für die Gegenwart 1895-1900.