Om nu met het laatste te beginnen, verdient het 1º de aandacht, dat

bijgeloovige practijken bij alle volken voorkomen, ook bij die, met

welke Israel in aanraking kwam, zooals de Egyptenaren, Gen. 41:8,

Ex. 7:11, de Kananieten, Deut. 18:9, 14, de Babyloniërs, Dan. 1:20,

2:2 enz. Ook onder Israel drongen ze door en werden menigmaal druk

beoefend, 1 Sam. 28:9, 2 Kon. 21:6, Jes. 2:6. Tot deze practijken

behoorde ook het vragen der dooden, en zij, die zich daarmede bezig

hielden, heetten אֹבוֹת of יִדְּעֹנִים. Het woord אוב geeft eerst

te kennen den waarzeggenden geest, die in iemand woont, Lev. 20:27,

dien iemand bezit, 1 Sam. 28:7, 8, die door iemand ondervraagd wordt,

1 Sam. 28:8, door wien iemand een doode doet opkomen, 1 Sam. 28:9,

en die, gelijk men zich van de dooden voorstelde, op fluisterende,

geheimzinnige wijze orakels verkondigt, Jes. 8:19, 19:3, 29:4; en duidt

dan vervolgens den waarzegger zelven aan, 1 Sam. 28:3, 9, 2 Kon. 21:6,

2 Chron. 33:6, LXX ἐγγαστρομυθος, buikspreker. Het andere woord,

ידענים, wetenden, wijzen, is maar eene nadere bepaling van אֹבוֹת en

duidde eerst de waarzeggende personen aan en daarna den waarzeggenden

geest, die in hen was, Lev. 19:31, 20:6, 27, Jes. 19:3. Dit waarzeggen

kon geschieden op velerlei wijze, maar o. a. ook door het vragen van

dooden, Deut. 18:11, cf. Stade, Gesch. des Volkes Israel I 443 f.

505. Schwally, Das Leben nach dem Tode 69 f. Maar wet en profetie

verklaarden zich daar beslist tegen, en riepen het volk tot den Heere,

tot zijn openbaring en getuigenis terug, Ex. 22:18, Lev. 19:26, 31,

20:6, 27, Deut. 18:11, 1 Sam. 28:19, Jes. 8:19, 47:9-15, Jer. 27:9,

29:8, Micha 3:7, 5:11, Neh. 3:4, Mal. 3:5; en het Nieuwe Testament

drukt daarop zijn zegel, Luk. 16:29, Hd. 8:9v., 13:6v., 19:13v., Gal.

5:20, Ef. 5:11, Op. 9:21, 21:8, 22:15. Zelfs is het 2º onbewijsbaar,

dat de H. Schrift de mogelijkheid van het oproepen en verschijnen der

gestorvenen aanneemt. Wel hebben er soms door Gods wondere macht

doodenopwekkingen plaats, en erkent de Schrift daemonische krachten

en werkingen, die menschelijk vermogen te boven gaan, Deut. 13:1,

2, Mt. 24:24, 2 Thess. 2:9, Op. 13:13-15. Maar nergens leert zij de

mogelijkheid of de werkelijkheid van eene doodenverschijning. De eenige

plaats, welke hiertegen aangevoerd kan worden, is 1 Sam. 28, waar

Saul tot de tooveres te Endor de toevlucht neemt; want de verschijning

van Mozes en Elia met Christus op den berg der verheerlijking Mt. 17,

Luk. 9, is zonder menschelijke bemiddeling door God alleen bewerkt.

Maar al is de rationalistische verklaring te verwerpen, welke in deze

geschiedenis niets anders ziet dan eene opzettelijke bedriegerij van de

vrouw; eene objectieve, reëele verschijning van Samuel is evenmin aan

te nemen. Want Saul ziet Samuel niet, vs. 14; de vrouw ziet hem wel

maar verkeert in hypnotischen toestand, vs. 12, en zij ziet hem, gelijk

hij er bij zijn leven uitzag, als een oud man en in een profetenmantel

gehuld, vs. 14. De schrik der vrouw, vs. 12, had dan ook zijne oorzaak

niet daarin, dat zij tegen hare verwachting in Samuel werkelijk zag,

maar hierin, dat zij, Samuel ziende, in haar hypnotischen toestand ook

terstond Saul den koning herkende en voor hem vreesde. Nadat Saul onder

den indruk gebracht is, dat een onderaardsch, geestelijk wezen, אלהים,

uit de aarde opgekomen en Samuel zelf verschenen was, spreekt deze uit

en door de vrouw tot Saul en kondigt hem het oordeel aan. Er is niets

in 1 Sam. 28, wat boven de bekende verschijnselen van hypnotisme en

somnambulisme uitgaat en niet op dezelfde wijze te verklaren is. 3º Daar

zijn er echter velen, die juist uit de verschijnselen van hypnotisme,

somnambulisme, spiritisme enz. tot de werking van geesten meenen te

moeten besluiten. Maar deze hypothese schijnt vooralsnog volstrekt

niet gerechtvaardigd. Afgedacht van de vele bedriegerijen, die op dit

gebied hebben plaats gehad, is hetgeen van verschijning en werking der

geesten verhaald wordt zoo kinderachtig en nietsbeteekenend, dat de

bemoeienis der geestenwereld er volstrekt niet voor aangenomen behoeft

te worden. Daarmede wordt niet ontkend, dat er allerlei verschijnselen

zich voordoen, die nog niet verklaard zijn; maar deze zijn alle van

dien aard (zooals bijv. het plotseling kennen en spreken van vreemde

talen, clairvoyance, hypnose, suggestie, secondsight, voorgevoel,

wetenschap van hetgeen op hetzelfde oogenblik elders gebeurt,

telepathie enz.), dat zij door de hypothese der geestenverschijning

hoegenaamd niet duidelijker worden. Wanneer wij daarbij nog bedenken,

dat de mensch bij zijne waarnemingen gebonden is aan en beperkt is

binnen een bepaald aantal aethertrillingen, zoodat eenige wijziging

daarin hem een gansch ander beeld der wereld zou vertoonen en hij zelf

een diep en rijk zieleleven bezit, dat in het zelfbewustzijn maar zeer

ten deele tot verschijning komt, cf. mijne Beginselen der Psychologie

70v. 78v.; dan ligt er binnen de grenzen van het Diesseits voor het

occultisme nog zulk een uitgestrekt terrein open, dat wij vooreerst tot

de inwerking der geestenwereld nog geen toevlucht behoeven te nemen.

Cf. Kirchner, Der Spiritismus, die Narrheit unseres Zeitalters, Berlin

Habel 1883. Ed. v. Hartmann, Der Spiritismus, Leipzig Friedrich 1885.

Id. Die Geisterhypothese des Spiritismus und seine Phantome, ib. 1891.

Voorts gaat 4º heel de Schrift van de gedachte uit, dat de dood eene

totale breuke is met het leven aan deze zijde des grafs. Wel behouden

de gestorvenen herinnering aan hetgeen hier op aarde met hen gebeurd

is. De rijke man en de arme Lazarus weten, wie en wat zij hier geweest

zijn en in welke omgeving zij geleefd hebben, Luk. 16. In het laatste

gericht zijn de menschen zich bewust van wat zij op aarde gedaan hebben,

Mt. 7:22. De werken volgen hen na, die in den Heere gestorven zijn, Op.

14:13. Wat wij hier op aarde gedaan hebben, wordt ons zedelijk eigendom

en gaat met ons mede in den dood. Ook is er geen twijfel aan, dat de

gestorvenen herkennen, die zij op aarde gekend hebben; de onderaardsche

bewoners begroeten spottend den koning van Babel, Jes. 14; de machtige

helden spreken uit het midden van den Scheol Egypte’s vorst en volk

toe, Ezech. 32; de rijke man kent Lazarus, Luk. 16. De vrienden, die wij

hier door weldoen ons verwerven, ontvangen ons eens met vreugde in de

eeuwige tabernakelen, Luk. 16:9. Maar overigens stelt de Schrift het

altijd zoo voor, dat de gemeenschap met deze aarde bij den dood totaal

verbroken wordt. De gestorvenen hebben geen deel meer in alles, wat

onder de zon geschiedt, Pred. 9:5, 6, 10. Of hunne kinderen tot eere

komen of in armoede vervallen, zij weten het niet, Job 14:21. Abraham

weet niet van de kinderen Israels en Jakob kent hen niet, en daarom

roepen zij tot den Heere, die immers hun Vader is, Jes. 63:16. Van een

verkeer der gestorvenen met de levenden is nergens sprake; zij behooren

tot een ander rijk, dat van de aarde totaal gescheiden is. Ook Hebr.

11:1 leert niet, dat de wolke van getuigen ons ziet en gadeslaat in

onzen strijd. Want de μαρτυρες daar zijn geen ooggetuigen van onzen strijd

maar geloofsgetuigen, die dienen tot onze bemoediging. 5º Daarom is er

ook voor aanroeping en vereering der heiligen geen plaats. Op zichzelf

is er niets vreemds of onbehoorlijks in de gedachte, dat engelen en

zaligen voor de menschen op aarde voorbede doen; eene belangstelling

in de geschiedenis der strijdende kerk, eene generale voorbede werd ook

menigmaal door de Protestanten wel aangenomen. Maar des te opmerkelijker

is het, dat de Schrift, die van voorbede der menschen op aarde zoo

dikwerf gewag maakt en ze bepaald aanbeveelt en voorschrijft, Mt. 6:9v.,

Rom. 15:30, Ef. 6:18, 19, Col. 1:2, 3, 1 Tim. 2:2, en bovendien leert,

dat God anderen dikwerf spaart om der uitverkorenen wil en op hunne

voorbede, Gen. 18:23v., Ex. 32:11v., Num. 14:13v., Ezech. 14:14, 20,

Mt. 24:22 enz., van eene voorbede der engelen en der zaligen voor de

op aarde levenden nooit met een enkel woord spreekt. Ten aanzien van

de voorbede der engelen is dit reeds vroeger bewezen, deel II 449v.,

en van de voorbede der zaligen geven de Roomschen het zelven toe, dat

zij in de Schrift niet voorkomt, cf. bijv. Oswald, Eschatologie² 132;

alleen 2 Makk. 15:12-14 maakt melding van een voorbede van Onias en

Jeremia voor hun volk in een droomgezicht aan Judas en bewijst alleen,

dat de Joden in dien tijd van de voorbede der zalige afgestorvenen

overtuigd waren. 6º Nog minder grond is er voor de aanroeping en

vereering der heiligen. De H. Schrift zegt wel, dat de geloovigen

op aarde elkanders voorbede mogen inroepen, Num. 21:7, Jer. 42:2, 1

Thess. 5:25, maar gewaagt nergens van een verzoek tot de afgestorvenen

om hunne voorbede; en engelen en menschen weren uitdrukkelijk alle

godsdienstige vereering van zich af, die alleen Gode toekomt, Deut.

6:13, 10:20, Mt. 4:10, Hd. 14:10, Col. 2:18, 19, Op. 19:10, 22:9,

cf. deel II 451v. Ook van de vereering der reliquiën is geen sprake;

al verricht God er soms wonderen door, 2 Kon. 13:21, Mt. 9:21, Luk.

6:19, Hd. 5:15, 19:12, zij mogen niet zijn voorwerp van vereering,

Deut. 34:6, 2 Kon. 18:4, 2 Cor. 5:16. Oswald t. a. p. 143 rekent de

invocatie en veneratie der heiligen dan ook tot de Traditionsdogmen.

Ook al wordt eene generale voorbede der heiligen voor de geloovigen

op aarde toegegeven, dan volgt daaruit nog in het minst niet, dat zij

daartoe mogen aangeroepen en vereerd worden. Want wel is een verzoek

om iemands voorbede op zichzelf volstrekt niet ongeoorloofd, en heeft

dan ook telkens onder de geloovigen plaats. Maar zulk een verzoek

onderstelt steeds een of ander middel van verkeer, en moet mondeling of

schriftelijk kunnen worden overgebracht. En dat juist ontbreekt hier en

is ook met de leer der Schrift over den toestand der afgestorvenen in

lijnrechten strijd. Rome durft daarom ook niet zeggen, dat de aanroeping

en vereering der heiligen geboden en noodzakelijk is, maar spreekt

alleen uit, bonum atque utile esse, suppliciter eos invocare, Trid.

sess. 25. De theologie weet hoegenaamd niet duidelijk te maken, hoe de

heiligen van onze gebeden kennis bekomen, en draagt allerlei gissingen

voor. Sommigen meenen, dat zij hun door de engelen, die hier telkens

op aarde komen, worden medegedeeld, of dat de heiligen evenals de

engelen zich wondersnel verplaatsen kunnen en quodam modo ubique zijn;

anderen zijn van oordeel, dat de heiligen door God zelven van den inhoud

onzer gebeden in kennis worden gesteld, of alle dingen, die zij noodig

hebben te weten, in het Goddelijk bewustzijn aanschouwen; en ook zijn er,

die zeggen, dat het niet noodig is, dat zij alles weten, mits zij maar

gansch in het algemeen van onze behoeften kennis dragen, of ook, dat

wij over de wijze, waarop zij van onze gebeden kennis bekomen, ons niet

hebben te bekommeren, Thomas S. Theol. II 2 qu. 83 art. 4. Suppl. qu.

72 art. 1. Oswald, Eschatologie² 139. Daarbij komt nog, dat de Roomschen

volstrekt niet met zekerheid weten, wie van de afgestorvenen in den

hemel zijn en tot de volmaakte heiligen behooren. De vromen des O. T.

verkeerden eerst in den limbus patrum en werden wel door Christus in

den hemel overgebracht, maar staan toch te ver van ons af, om veel

door ons te worden aangeroepen, Oswald t. a. p. 132. 167. Van enkele

vromen in het N. T., zooals Maria, de apostelen, en ook van de latere

martelaren neemt Rome wel aan, dat zij in den hemel zijn opgenomen. Maar

dat zijn enkelen, en vergissing is hierbij niet uitgesloten. In vroegere

tijden was het de stem des volks, die aan een gestorvene het praedicaat

der heiligheid toekende; en daarbij kwam het voor, dat mannen, die

dit praedicaat bezaten, het weder verloren, gelijk bijv. Clemens

Alexandrinus door Benedictus XIV. Om deze dwalingen te voorkomen, is

daarom sedert Alexander III en Innocentius III de kerkelijke verklaring

van iemands heiligheid, dat is de canonisatie, een recht geworden van

den apostolischen stoel. Echter is het hierbij wederom eene vraag, of

de paus in deze canonisatie onfeilbaar is al dan niet. En al moge

dit ook het geval zijn, uit den aard der zaak maakt de paus er een

spaarzaam gebruik van. Verreweg de meeste heiligen worden aangeroepen

en vereerd, zonder dat men nauwkeurig weet, of zij in den hemel dan

wel in het vagevuur vertoeven. Men moet zich daarom met eene zedelijke

overtuiging tevreden stellen, voorts bedenken, dat eene mogelijke

vergissing geen schadelijke gevolgen meebrengt, en veiligheidshalve de

aanroeping ook maar tot de „arme zielen” in het vagevuur uitstrekken,

gelijk in de practijk steeds meer en meer geschiedt, Oswald t. a. p. 148.

164. De aanroeping der heiligen is 7º bij Rome volstrekt niet alleen

meer een verzoek om hunne voorbede (ora pro nobis), maar is allengs

overgegaan in eene adoratie en veneratie; de heiligen zijn object van

een cultus religiosus, zij het ook, dat deze geen latria maar dulia

heet. Nu is er geen twijfel aan, dat wij aan de engelen en zaligen

eerbiedige hulde zouden moeten bewijzen, indien wij hen ontmoetten en

eenig verkeer met hen hadden, deel II 455. Maar juist dit laatste komt

niet voor. En daarom loopt alle aanroeping der engelen en der zaligen

op eene godsdienstige vereering uit, die door den naam van dulia niet

goedgemaakt wordt, ib. 451v. Op den weg, dien Rome met deze vereering

van het schepsel bewandelt, is er geen stilstand. De heiligheid wordt

door Rome gedacht als een donum superadditum, als iets substantieels,

dat aan alle schepselen in verschillende mate kan meegedeeld worden,

en in diezelfde mate dan godsdienstig vereerd mag worden. Voorzoover

een persoon of zaak deel hebben aan de Goddelijke heiligheid, hebben

zij aanspraak op een cultus religiosus. Allereerst deelen daarin dus

Maria, de apostelen, de martelaren, de heiligen, maar voorts allen

en alles, wat met dezen in aanraking geweest is of nog met hen in

betrekking staat, dus ook reliquiën, beelden, woonplaatsen enz. Naar

dit beginsel kan alle schepsel godsdienstig vereerd worden, quod et

quatenus respectum habeat ad Deum, tot zelfs de handen der soldaten,

die Jezus grepen, en de lippen van Judas, die hem kusten, toe,

Voetius, Disp. III 880. 896. In elk geval is niet in te zien, waarom

de heiligen, die op aarde zijn, niet reeds door de Roomsche Christenen

aangeroepen en vereerd worden, en onder hen dan vooral de paus, die de

heilige bij uitnemendheid is. Es spricht an sich nichts dagegen, dass

auch die Heiligkeit auf Erden religiös veneriert werde. Wäre man also

von der Gottseligkeit einer Person vollkommen überzeugt, so durfte

sie an sich wohl eine Verehrung geniessen, wie sie den Heiligen im

Himmel zukommt. In einzelnen Fällen mag es privatim geschehen sein und

geschieht vielleicht noch, Oswald t. a. p. 157. Wat er door Oswald nog

tegen aangevoerd wordt, is aan de utiliteit ontleend en doet zien, dat

de vereering der levende heiligen, bepaaldelijk van den paus, bij Rome

slechts eene quaestie is van tijd. De gemeenschap der heiligen ontaardt

in eene onderlinge veneratie, die den middelaar Gods en der menschen op

den achtergrond dringt.

11. Tot dusverre was er alleen sprake van, of de afgestorvenen nog in

eenig rechtstreeksch verkeer met de aarde staan; thans komt de vraag

aan de orde, of de H. Schrift ons iets leert van de nieuwe verhoudingen

en toestanden, in welke de gestorvenen zich bevinden aan gene zijde des

grafs. Veel is het niet, wat de Schrift ons daarover bericht. Toch

zijn reeds in het Oude Test. de lijnen aanwezig, die doorgetrokken,

leiden tot een onderscheid in den toestand van rechtvaardigen en

goddeloozen na den dood. De vreeze des Heeren is de weg ten leven,

maar de goddeloozen komen om en nemen een einde, boven bl. 369. En

volgens het Nieuwe Test. komt de rijke man terstond in eene plaats der

pijniging, welke echter nog niet met de gehenna of den abyssus identisch

is. Waar deze plaats te zoeken is, wordt in de Schrift niet vermeld.

Wel wordt de scheol, de hades, de gehenna, de abyssus altijd voorgesteld

als beneden ons zich bevindende. Maar dit kan en mag toch niet in

topographischen zin worden verstaan. Want de begrippen boven en beneden

zijn, locaal genomen, zeer relatief en hebben in dit verband slechts

eene ethische beteekenis; wij plaatsen het rijk der duisternis vanzelf

lijnrecht tegenover dat des lichts en zoeken volgens eene natuurlijke

symboliek het eerste beneden en het tweede boven ons. Alle bepaling

van de strafplaats der gestorvenen, in de aarde, onder de aarde, in

de zee, in de zon, in de lucht of op eene der planeten is niets meer

dan eene gissing. Alleen kan gezegd worden, dat het Jenseits niet

alleen een toestand maar ook eene plaats is, want zielen mogen niet

circumscriptive in tijd en ruimte zijn, zij zijn toch nog veel minder

eeuwig en alomtegenwoordig en moeten ergens zijn en ook eene successie

van tijdsmomenten hebben. Overigens is het meer in overeenstemming met

de weinige gegevens, welke de Schrift ons biedt, om van alle bepaling

van de strafplaats der dooden af te zien; μη ζητωμεν που ἐστι, ἀλλα πως

αὐτην φυγοιμεν (Chrysostomus). Even weinig weten wij van den toestand

af, waarin de ongeloovigen en goddeloozen zich bevinden na den dood

tot het laatste gericht toe. Alleen kunnen wij met zekerheid zeggen,

dat, wanneer de toorn Gods hier reeds op de ongeloovigen blijft, deze

na den dood terstond veel zwaarder moet gevoeld worden, wijl alle

afleiding van het aardsche leven ontbreekt en het naakte bestaan met

niets dan het bewustzijn en het gevoel van dien toorn gevuld wordt. De

vraag is echter opgeworpen, of er voor dezulken, die hier op aarde

het evangelie niet of slechts zeer gebrekkig hebben gehoord, aan de

overzijde des grafs nog niet eene gelegenheid zal bestaan, om zich te

bekeeren en te gelooven in Christus. De eersten, die in de christelijke

kerk daarop een toestemmend antwoord gaven, waren Clemens, Strom. VI

6 en Origenes, c. Cels. II 44. Zij leidden uit 1 Petr. 3:18, 19 af,

dat Christus en ook de apostelen aan de gestorvenen in den hades, die

er vatbaar voor waren, het evangelie hadden verkondigd. Hoewel dit

gevoelen nu door Augustinus, de haeresi c. 79 en anderen weerlegd en

de nederdaling van Christus ter helle gewoonlijk anders opgevat werd,

deel III 378v., keerde het toch telkens terug en vond het vooral in

deze eeuw, waarin men een helder besef kreeg van de groote menigte

en de snelle uitbreiding der niet-Christenen, bij zeer velen ingang,

boven bl. 382. Inderdaad is het een feit van de grootste beteekenis,

dat er millioenen menschen geweest zijn en nog zijn, die van den weg der

zaligheid in Christus nooit eenige kennis hebben gedragen en dus ook

nooit in de gelegenheid zijn gesteld, om Hem met een geloovig hart aan

te nemen of met beslistheid van wil te verwerpen. Tot de ongeloovigen

in engeren zin zijn dezen niet te rekenen, en de Schrift zegt zelve, dat

zij naar een anderen maatstaf beoordeeld worden dan Joden en Christenen,

Mt. 10:15, 11:20-24, Luk. 10:12-25, 12:47, 48, Joh. 15:22, 24, Rom.

2:12, 2 Petr. 2:20-22.

Toch volgt daaruit in het minst niet, dat er ook eene prediking des

evangelies is of moet zijn aan de overzijde des grafs. Want 1º de

Schrift spreekt daarvan met geen enkel woord. Vele plaatsen, die er

wel eens voor bijgebracht zijn, zooals Mt. 12:40, Joh. 20:17, Hd. 2:24,

27, 31, 13:29, 30, 34-37, 1 Tim. 3:16, hebben niet de minste kracht

van bewijs en handelen volstrekt niet van eene prediking van Christus

in de hel. Ook Ezech. 16:53-63 opent hierop geen uitzicht; er wordt

daar door den Heere beloofd, dat Hij Jeruzalem, in weerwil van de

gruwelen, die zij bedreven heeft en die erger zijn dan die van hare

zusters, Sodom en Samaria, toch in het einde weder herstellen en in

genade aannemen zal. Om echter alle valsch vertrouwen op Gods belofte

en alle zelfverheffing bij Israel weg te nemen, wordt er bijgevoegd,

dat de Heere niet alleen de gevangenis van Jeruzalem maar ook die

van Sodom en Samaria wenden zal, vs. 53, zoodat ook deze terugkeeren

zullen tot haren vorigen staat. Hieruit hebben sommigen besloten tot

eene mogelijkheid van bekeering in den tusschentoestand; want Sodom

en hare zusteren, d. i. de andere steden in het Siddimdal, waren in

Ezechiels dagen allen reeds lang verdelgd en konden dus niet in haren

vorigen staat hersteld en door God in genade aangenomen worden, indien

hare vroegere inwoners niet in den scheol door de prediking van

het woord Gods tot bekeering kwamen. Maar deze gedachte ligt verre

buiten den tekst. De Heere belooft hier alleen, dat Hij Jeruzalem in

weerwil van haar hoererij toch weer in genade aannemen zal; en dat

niet alleen, maar ook Sodom en Samaria, die bepaald, blijkens vs. 61,

typen zijn van al de heidensche volken, zullen in haar vorigen staat

worden hersteld, d. w. z. de toekomst zal deze zijn, dat Jeruzalem

hersteld en de heidensche steden haar onderworpen zullen wezen. Van

eene prediking en bekeering in den Scheol en van eene opstanding en

terugkeer der vroegere bewoners is geen sprake. 2º De eenige plaatsen,

waarop men zich voor eene prediking van het evangelie in den hades

met schijn van recht beroepen kan, zijn 1 Petr. 3:19-21 en 4:6. Maar

ook deze teksten bevatten niet, wat men er in lezen wil. Ook al zou

daar sprake zijn van eene prediking, welke Christus na zijne opstanding

tot de tijdgenooten van Noach in den hades hield, dan zou alleen dit

feit daarmede vaststaan maar geenszins recht geven tot de leer, dat er

in den hades eene voortdurende verkondiging van het evangelie plaats

had aan allen, die het op aarde niet hebben gehoord. Want immers de

tijdgenooten van Noach waren juist niet zoodanige menschen, die het

woord Gods nooit tijdens hun leven op aarde hadden gehoord; zij hadden

het woord van Noach, den prediker der gerechtigheid, in moedwillige

boosheid versmaad en waren der stemme des Heeren in volle bewustheid

ongehoorzaam geweest. Met hen was het dus een gansch bijzonder geval,

dat tot geen verdere conclusiën recht geeft; de aoristus ἐκηρυξεν wijst

ook aan, dat deze prediking door Christus maar eenmaal is geschied.

Voorts kan deze prediking geen verkondiging van het evangelie tot

zaligheid zijn geweest, want als men bedenkt, hoe streng de Schrift

steeds over alle goddeloozen oordeelt en hoe zij het geslacht der

menschen tijdens Noach altijd beschrijft als overgegeven tot alle boosheid

en ongerechtigheid, dan wordt de gedachte ongerijmd, dat Christus

juist aan hen in onderscheiding van zoovele anderen het evangelie

der zaligheid zou hebben verkondigd. Hoogstens kan er dan sprake zijn

van eene plechtige bekendmaking van zijn triumf aan de bewoners der

onderwereld, gelijk de oude Lutherschen den tekst verklaarden. Bovendien

is er aan zulk eene voortdurende prediking van het evangelie in den

hades allerlei moeilijkheid verbonden. Volgens 1 Petr. 3:18, 19 heeft

Christus, bepaaldelijk nadat Hij levendgemaakt en opgestaan was, die

prediking gehouden. Is Hij dan met zijn lichaam plaatselijk naar den hades

gegaan? Wanneer heeft Hij dat gedaan? Hoelang heeft Hij er vertoefd? En

laat dit alles nu mogelijk zijn, hoe onwaarschijnlijk het op zichzelf al

zij, wie brengt die prediking dan in den hades na dien tijd en nu altijd

door? Is er dan ook eene kerk in de onderwereld? Is daar eene zending,

eene roeping, eene ordening? Zijn het menschen of engelen, zijn het de

apostelen of andere dienaren des woords, die na hun dood daar het

evangelie verkondigen? De leer van eene Missionsanstalt in den hades

komt op allerlei manier met de Schrift in strijd. Maar zij vindt ook,

gelijk vroeger reeds werd aangetoond, deel III 422 cf. 379, in 1 Petr.

3:18-22 hoegenaamd geen steun. Daar wordt alleen gezegd, dat Christus,

na zijne opstanding, levendgemaakt zijnde als Geest, naar den hemel is

gegaan en door deze zijne hemelvaart aan de geesten in de gevangenis

gepredikt en de engelen, machten en krachten aan zich onderdanig

gemaakt heeft. Evenmin is er in 1 Petr. 4:6 van zulk eene prediking

des evangelies in den hades sprake. Reeds de aoristus εὐηγγελισθη doet

denken, niet aan eene voortdurende prediking maar aan een bepaald feit.

Die verkondiging van het evangelie had eenmaal plaats, en wel met het

doel, dat zij, die haar hoorden, naar der menschen wijze in het vleesch

geoordeeld zouden worden, d. i. sterven zouden, maar naar de wijze Gods

in den geest leven zouden. De prediking van het evangelie ging dus aan

het sterven vooraf; de νεκροι zijn zij, die nu dood zijn, maar die bij hun

leven het evangelie hoorden. De reden, waarom Petrus deze menschen

νεκροι noemt, ligt in het voorgaande vers. Daar werd gezegd, dat

Christus gereed staat, om te oordeelen de levenden en de dooden. Welnu,

evenals aan de levenden thans, zoo werd vroeger aan hen, die thans dood

zijn, het evangelie verkondigd, opdat zij, ja nog wel sterven zouden in

het vleesch, maar toch nu reeds in den geest bij God leven zouden. 3º

Met deze bezwaren, aan de Schrift ontleend, valt reeds geheel de leer

van de prediking van het evangelie in den tusschentoestand. Want indien

de Schrift ze niet behelst, staat het der christelijke theologie niet

vrij, haar desniettemin voor te dragen. Maar er zijn toch ook nog vele

andere bedenkingen. Aangenomen, dat het evangelie in den hades nog

gepredikt wordt, gaat die prediking uit tot allen zonder onderscheid?

Gewoonlijk zegt men van neen en laat het alleen brengen tot diegenen,

die het hier op aarde niet leerden kennen. Dit is nu niet alleen met

hunne exegese van 1 Petr. 3:18-22 in strijd, want _indien_ daar sprake

is van eene evangelieprediking van Christus in den hades, dan heeft

deze daar juist plaats tot zulken, die het evangelie door Noach wel

hadden gehoord, maar ook doet het dan vanzelf de vraag oprijzen, of

het leven hier op aarde voor die prediking van het evangelie in den

hades totaal onverschillig is. Ook hierop durft men begrijpelijkerwijze

in den regel geen ontkennend antwoord geven, want dan ware dit leven

geheel zonder waarde of beteekenis. Daarom zegt men gewoonlijk met

Clemens en Origenes, dat het evangelie in den tusschentoestand alleen

gebracht wordt aan zulken, die vatbaar voor bekeering zijn, die zich

hier op aarde door hunne houding tegenover de vocatio realis voor het

geloovig aannemen van het evangelie hebben geprepareerd, cf. bijv. ook

Ebrard, Dogm. § 576. Feitelijk wordt daarmede het zwaartepunt toch weer

in dit leven verlegd en brengt de evangelieverkondiging in den hades

slechts aan het licht, wat hier op aarde reeds in de harten verborgen

was. Dat is, de beslissing over zaligheid en verderf staat niet bij

het evangelie maar bij de vocatio realis, bij de wet. En dit is in het

wezen der zaak hetzelfde gevoelen, dat ook door de Pelagianen, de

Socinianen, de Deïsten enz. omhelsd werd, n.l. dat er drie wegen tot

de zaligheid zijn, de lex naturae, de lex Mosaica en de lex Christi. 4º

Daarbij komt nog, dat de leer van eene evangelieprediking in den hades

van allerlei onjuiste onderstellingen uitgaat. Er ligt n.l. aan ten

grondslag, dat het Gods bedoeling is, om alle menschen te zaligen;

dat de prediking van het evangelie volstrekt universeel moet zijn; dat

alle menschen persoonlijk en individueel voor de keuze vóór of tegen

het evangelie moeten geplaatst worden; dat de beslissing bij die keuze

staat in de macht van den mensch; dat erf- en dadelijke zonden niet

genoegzaam zijn om te verdoemen maar dat alleen het besliste ongeloof

ten opzichte van het evangelie het eeuwig verderf waardig maakt enz. Al

deze onderstellingen zijn in strijd met besliste uitspraken der Schrift

en maken de leer van de evangelieprediking in den tusschentoestand

onaannemelijk. En als dan ten slotte gevraagd wordt, of het niet hard

is te gelooven, dat allen, die hier op aarde geheel buiten hun

schuld het evangelie niet hoorden, verloren gaan, dan dient daarop

ten antwoord: _a._ dat in deze hoogernstige zaak niet ons gevoel maar

Gods woord beslist; _b._ dat de leer van eene evangelieprediking aan

de gestorvenen deze hardheid in het minst niet verzacht, wijl zij alleen

ten goede komt aan hen, die zich hier op aarde reeds voldoende voor het

geloof hadden toebereid; _c._ dat zij de hardheid nog toenemen doet, wijl

zij aan het belang van de millioenen kinderkens, die jong sterven, niet

denkt en hen feitelijk buiten de mogelijkheid plaatst om zalig te worden;

en _d._ dat zij niet rekent met de vrijmacht en de almacht Gods, welke

ook behouden kan zonder de uitwendige prediking des woords, alleen door

de inwendige roeping en de wedergeboorte des H. Geestes.

12. De toestand der gestorven geloovigen, die hier op aarde nog niet de

volmaakte heiligheid hebben bereikt, wordt door Rome gedacht als eene

reiniging der zielen door de straffe des vuurs. Het denkbeeld van zulk

een louteringstoestand is van heidenschen oorsprong en kwam vooral in

twee vormen voor. De leer der zielsverhuizing, die bij de Indiërs, de

Egyptenaren, de Grieken, de Joden enz. wordt aangetroffen, houdt in,

dat de ziel, voordat zij in het menschelijk lichaam kwam, reeds in andere

lichamen heeft gewoond en ook, nadat zij het menschelijk lichaam verlaten

heeft, in nieuwe organismen ingaat, om zich te louteren en eindelijk de

volmaaktheid te bereiken. Deze leer is echter te zeer met de Schrift

in strijd, dan dat zij ooit binnen de grenzen van het Christendom anders

dan bij enkele secten en individueele personen instemming verwerven

kon. Immers gaat zij uit van de gedachte, dat de zielen praeëxistent

zijn, oorspronkelijk geen lichaam bezaten en indifferent tegenover alle

lichamen staan. Voorts strijdt zij met de leer der verlossing, die door

Christus volbracht is en beschouwt de reiniging en volmaking als

het eigen werk van den mensch. En eindelijk maakt zij in het geheel

niet duidelijk, hoe de zielen, door telkens in andere lichamen over

te gaan, van de zonden bevrijd en tot de heiligheid opgeleid zouden

kunnen worden, cf. M. Vitringa IV 87-97. Moor II 1081. Bretschneider,

Syst. Entw. 846. Spiess, Entwicklungsgesch. der Vorst. v. Zustande

nach dem Tode 31. 558. J. F. von Meyer, Blätter für höhere Wahrheit

1830 I 244-299 enz. Meer invloed op de christelijke theologie had de

andere voorstelling, dat de zielen na den dood nog een tijd lang door

allerlei straffen gereinigd moeten worden, om eerst daarna deel aan de

hoogste zaligheid te verkrijgen. In het Parzisme vinden wij het geloof,

dat er na de algemeene opstanding eene driedaagsche loutering volgt in

vloeiend metaal, welke voor de goeden zacht maar voor de boozen zeer

pijnlijk is, Saussaye, Rel. Gesch. II 51. De Joden leerden, dat alleen

de volmaakt rechtvaardigen terstond naar den hemel gingen; de anderen

werden naar Gehinnom verwezen, dat volgens sommigen voor alle menschen

maar in elk geval voor de Joden een purgatorium was, Weber, Syst. 327.

Sedert Origenes drong deze voorstelling ook onder de Christenen door

en leidde daar tot de leer van het Roomsche vagevuur of van eene door

vele Protestanten aangenomene louteringsperiode, boven bl. 381. Bij het

eerste hooren heeft deze gedachte veel aantrekkelijks. De geloovigen

toch zijn in het moment van hun sterven allen nog met zonde behept;

zelfs de allerheiligsten bezitten nog maar een klein beginsel der

volmaakte gehoorzaamheid. Deze zonde, welke den geloovigen aankleeft,

zetelt voorts niet in het lichaam maar in de ziel, welke daarom in den

hemel niet kan ingaan, tenzij zij vooraf niet alleen van de schuld der

zonde bevrijd maar ook van haar smet volkomen gereinigd zij. Het laat

zich moeilijk denken, hoe deze reiniging door of bij den dood plotseling

tot stand kon komen. Want niet alleen gaat de heiligmaking in dit leven

langzaam voort, maar op elk gebied zien wij geen plotselinge overgangen,

doch geleidelijken wasdom en ontwikkeling. Alles pleit er dus voor, dat

de zielen der geloovigen na den dood eene loutering moeten ondergaan,

om daarna eerst in den hemel opgenomen en tot de aanschouwing Gods

toegelaten te worden.

Doch welke menschelijke redeneering zulk een vagevuur ook aanbevele,

het eerste en op zichzelf reeds afdoende bezwaar is, dat de Schrift

er nergens van spreekt. Wel halen de Roomschen eenige teksten aan,

maar geen van alle bewijst den dienst, die ervan verlangd wordt. Mt.

5:22 spreekt met geen woord van een purgatorium maar wel van de

gehenna, cf. deel III 99. Bij de φυλακη in Mt. 5:25 aan het vagevuur

te denken, is willekeur; veeleer is zij een beeld van de gehenna, want

wie erin komt, is vooraf door den rechter veroordeeld en heeft nooit

gelegenheid meer, om de schuld af te doen en de gevangenis te verlaten;

het ἑως in vs. 26 geeft een onbereikbaren termijn aan, cf. 18:30, 34.

In Mt. 12:32 zegt Jezus, dat de lastering tegen den H. Geest noch

in deze noch in de toekomende eeuw vergeven zal worden. De woorden:

noch in de toekomende eeuw, dienen alleen, om de onvergefelijkheid

van de lastering tegen den H. Geest te versterken en behoeven daarom

geenszins te onderstellen, dat sommige zonden ook na dit leven nog

vergeven kunnen worden. Maar ook al ware dit zoo, dan zou deze tekst

toch nog niets voor de leer van het vagevuur bewijzen, want hier is van

vergeving der zonde sprake, terwijl het vagevuur juist geene plaats

is voor vergeving maar alleen een oord voor afbetaling van tijdelijke

straffen; en de tekst spreekt van vergeving in de toekomende eeuw, dat

is de tijd na de parousie, terwijl het vagevuur valt vóór die parousie

en met het laatste gericht ophoudt te bestaan. Volgens 1 Cor. 3:12-15

zal het werk van de dienaren der gemeente in den dag van Christus’

parousie de proef moeten doorstaan; wie op het fundament Christus

goud, zilver, kostelijke steenen zal gebouwd hebben, d. i. wie in zijn

ambt en dienst goed, deugdelijk werk verricht heeft, die zal wel in zijn

werk beproefd worden, maar wijl dat werk bestand blijkt tegen het vuur

des gerichts, zal hij loon ontvangen; wie daarentegen op het fundament

hout, stroo, stoppelen gebouwd heeft, welke tegen het vuur niet bestand

zijn, die zal gestraft worden, zijn loon verliezen, al is het ook, dat

hijzelf door het vuur des gerichts heen behouden wordt. Inderdaad wordt

hier dus gesproken van een ignis revelatorius, vs. 13, een ignis

probatorius, vs. 13 en een ignis exarsorius, vs. 15; maar Paulus stelt

zoo het vuur des gerichts voor in de toekomst van Christus en heeft

daarom juist voor een vagevuur geen plaats, dat thans de geloovigen

reinigen en vóór het laatste gericht eindigen zou. Andere teksten zijn

er niet, waarop Rome zich voor de leer van het purgatorium, al ware

het alleen met eenigen schijn van recht, beroepen kan. Slechts ééne

plaats in de apocriefe boeken des O. Test., n.l. 2 Makk. 12:42-46

leert, dat de Joden van dien tijd offeranden en gebeden voor de in

zonden gestorvenen noodig en goed achtten, hetgeen trouwens ook van

elders bekend is. Maar des te meer verdient het de opmerkzaamheid,

dat dit onder de Joden bestaande volksgeloof noch in het Oude, noch

in het Nieuwe Testament vermeld en veel minder goedgekeurd wordt.

2º De leer van het vagevuur hangt ten nauwste saam met die over

de rechtvaardigmaking. Rome verstaat daaronder de instorting der

bovennatuurlijke, heiligmakende genade, welke dan den mensch in staat

stelt, om goede werken te doen en daardoor het eeuwige leven te

verdienen. Deze genade is echter voor vermeerdering en vermindering

vatbaar; wie door doodzonde ze verliest en dan sterft, is verloren,

wie het door het houden van praecepta en consilia in de ure des

stervens tot de volmaaktheid bracht, gaat terstond den hemel binnen;

maar wie de schuld en de tijdelijke straf voor eene vergefelijke zonde

nog heeft te voldoen of wie, na de door eene doodzonde verloren gratia

infusa in de boete te hebben terugontvangen, toch bij zijn dood nog

achterstallig was in het afbetalen der tijdelijke straffen, wordt naar

het vagevuur verwezen en blijft daar, totdat hij den laatsten penning

heeft betaald. De rechtvaardigmaking, de heiligmaking, de heerlijkmaking

is bij Rome het werk van den mensch zelf, zij het ook op grond van de

hem ingestorte bovennatuurlijke genade; als hij deze ontvangen heeft,

moet hij zichzelf het eeuwige leven en de zalige aanschouwing Gods in

den hemel naar een meritum ex condigno waardig maken; en indien hij het

dus hier op aarde zoover niet brengt, moet hij, evenals de Heidenen

zich dit voorstelden, het aangevangen werk hiernamaals voortzetten

zoolang, totdat hij de volmaaktheid heeft bereikt. Maar de Reformatie

leerde uit de Schrift weer kennen de rechtvaardigmaking des zondaars

door het geloof en moest daarom komen tot de verwerping van het

louteringsvuur. Christus heeft alles volbracht, niet alleen de straf

gedragen maar ook door zijne wetsonderhouding voor ons het eeuwige

leven verworven. En al die weldaden, welke Christus door zijn lijden en

sterven verworven heeft en die in Hem gansch volmaakt gereed liggen,

worden terstond het deel van iemand, als hij in waarheid gelooft. Wie

gelooft, _heeft_ het eeuwige leven. In de rechtvaardigmaking wordt den

mensch niet alleen toegerekend de verdienste van Christus’ lijdelijke

maar ook van zijn dadelijke gehoorzaamheid. Hij ontvangt in die weldaad

niet alleen de vergeving, de straffeloosheid, en komt er niet door

in den stand van Adam vóór den val, die met de hem geschonken kracht

de wet onderhouden en het eeuwige leven verdienen moest. Maar hij

heeft ook op grond van Christus’ volmaakte gehoorzaamheid terstond

recht op het eeuwige leven; de heilige werken, die Christus heeft

volbracht, worden hem toegekend; hij heeft door wetsvolbrenging niet

het eeuwige leven te verdienen maar doet goede werken uit het beginsel

des eeuwigen levens, dat hem reeds in het geloof is geschonken. De

heiligmaking is hier dus geen zelfvoorbereiding voor den hemel, geen

zelfvolmaking, maar niets anders dan de ontplooiing in den geloovige

van wat hij in Christus reeds heeft, een wandelen in de goede werken,

welke God in Christus voorbereid heeft, Ef. 2:10. God behoeft dus niet

te wachten op eenige meerdere goede werken, eer hij den geloovige in

den hemel opnemen kan, want in Christus is die hemel terstond geopend

voor een iegelijk, die gelooft. Wie gelooft, die heeft vergeving en

eeuwig leven, die is „rijp” voor den hemel, en behoeft noch hier noch

hiernamaals door een purgatorium heen. Zelfs het lijden, dat hij hier op

aarde menigmaal nog en zelfs ten gevolge der zonde te dragen heeft,

is geen straf, geen boete, geen afbetaling van een eisch der wet,

maar eene vaderlijke kastijding, die tot zijne opvoeding dient. 3º De

eenige vraag op reformatorisch standpunt is dus deze: wanneer komt

de geloovige in het volle bezit van de hem geschonken weldaden van

Christus. Wie gelooft, ontvangt deze terstond in juridischen zin; hij

heeft in Christus recht op alle goederen des verbonds, op de gansche

zaligheid. Maar deze wordt op aarde toch nog niet in zijn volle bezit

gesteld; wanneer heeft dit dan plaats, wanneer houdt de geloovige op

een pelgrim te zijn en komt hij in het vaderland aan? Daarop heeft de

Schrift maar één antwoord: bij den dood. Nergens stelt zij ons de vromen

voor, als nog na den dood door straf of lijden der zonde gekweld. Altijd

spreken de vromen hunne zekere verwachting uit, dat met den dood het

einde van hun pelgrimsbaan en de ingang in het eeuwige, zalige leven

des hemels bereikt is, Ps. 73:23, 24, Luk. 23:43, Hd. 7:59, 2 Cor.

5:1, Phil. 1:23, 2 Tim. 4:7. Na den dood is er geen heiligmaking meer,

maar treedt er een toestand van heiligheid in, waarin de geesten der

volmaakte rechtvaardigen, Hebr. 12:23, bekleed zijn met lange, witte

kleederen en staan voor den troon en voor het Lam, Op. 7:9, 14. Van den

bescheiden de Saci van Port-Royal wordt verhaald, dat hij altijd stond

in de vreeze Gods en daarom niet op eene onmiddellijke zaligheid na den

dood durfde hopen maar stervende uitriep: o bienheureux purgatoire!

Maar zulk een gemoedstoestand is aan de vromen des O. en N. Verbonds

geheel vreemd en is alleen daaruit te verklaren, dat iemand, ziende

op zichzelven, geen oog heeft op het volbrachte werk van Christus.

4º Op welke wijze de toestand van heiligheid terstond bij den dood van

den geloovige intreedt, is natuurlijk niet te begrijpen noch duidelijk

te beschrijven. Ook de wedergeboorte en de heiligmaking, welke hier op

aarde door den H. Geest gewerkt wordt, is eene geheimenis. Maar zonder

twijfel doet daarbij de dood als een middel dienst. Niet in den zin van

het platonisch dualisme, als ware de bevrijding van het lichaam zonder

meer reeds de heiliging der ziel, want de zonde heeft haar zetel juist

in de ziel. Noch ook in den zin van het sentimenteel rationalisme, dat

den mensch door den dood, als een bode des vredes, tot een engel laat

worden, want de dood is op zichzelf eene openbaring van Gods toorn en

eene bezoldiging der zonde. Maar wel naar de meening der H. Schrift,

die in den dood voor den geloovige een afsterven van de zonde ziet.

Immers, alle kastijding dient den geloovigen tot hun nut, opdat zij

de Goddelijke heiligheid deelachtig worden, Hebr. 12:10. Wie evenals

Christus om der zonde wil aan het vleesch lijdt, die houdt op van de

zonde, 1 Petr. 4:1. Maar dit geldt vooral van den dood. De ethische

dood, d. i. het sterven in gemeenschap met Christus aan de zonde, heeft

ten gevolge, dat iemand van de zonde gerechtvaardigd en der zonde dood

is en voortaan Gode leeft in Christus, Rom. 6:6-11, 8:10, 1 Petr. 2:24.

En deze ethische dood voleindt zich in den physischen dood, Rom. 7:24,

2 Cor. 5:1, Phil. 1:21, 23. De dood is eene geweldige verandering, eene

verbreking van alle banden met dit aardsche leven, en een intreden in

eene nieuwe wereld met gansch andere verhoudingen en toestanden. Er

is niets vreemds in, dat God, gelijk van alle lijden, zoo van den dood

zich bedient, om de ziel van den geloovige te heiligen en van alle smet

der zonde te reinigen. Hiertegen geldt niet als bezwaar, dat zulk eene

heiliging mechanisch is en met een sprong geschiedt, want de dood is de

grootste sprong, dien iemand maken kan, eene plotselinge verplaatsing

van den geloovige in de tegenwoordigheid van Christus, en daardoor eene

algeheele verderving van den uitwendigen en eene totale vernieuwing van

den inwendigen mensch. 5º Daarbij komt, dat de leer van het vagevuur

deze heiliging van den geloovige hoegenaamd niet begrijpelijker maakt.

Want vooreerst moet ook de Roomsche theologie aan den dood nog eene

soortgelijke critische beteekenis toekennen als de Protestantsche. Het

vagevuur toch is geen plaats, waar nog zonden vergeven worden, maar

alleen een oord, waar overgebleven tijdelijke straffen kunnen afbetaald

worden. Wie dus peccata venialia begaan heeft en daarvoor in dit leven

geen vergeving ontving, moet deze in den dood deelachtig worden; en

zoo leeren de Roomsche theologen dan ook, dat de in vergefelijke zonden

stervende ziel terstond in den dood vergeving der schuld ontvangt, om

dan in het vagevuur de daarvoor bepaalde tijdelijke straffen te voldoen,

Oswald, Eschat.² 87. Vervolgens is niet in te zien, op welke wijze

het purgatorium de heiliging der zielen bewerkt. Afgedacht daarvan,

dat het vagevuur door de Roomschen meest beschreven wordt als een

materieel vuur, dat daarom niet dan idealiter op de ziel inwerken kan,

rijst vanzelf de vraag, hoe pijn zonder meer heiligen kan. Dat ware wel

mogelijk, indien door middel van die pijniging berouw, verootmoediging,

bekeering, geloof, liefde enz. in de ziel mocht gewerkt worden.

Maar dat mag op Roomsch standpunt niet aangenomen worden. Want het

purgatorium is geen Missionsanstalt, geen bekeeringsinstituut, geen

school ter heiligmaking, maar eene strafplaats, waar alleen tijdelijke

straffen afbetaald worden. De arme zielen kunnen dus eenerzijds niet

meer zondigen en nieuwe schuld op zich laden, en andererzijds kunnen

zij zich ook niet verbeteren, want alle verbetering sluit bij Rome

verdienste in en in het vagevuur kan niet meer verdiend worden. Van den

toestand der arme zielen in het vagevuur is dus geen goede voorstelling

te maken. Indien zij nog te denken zijn als meer of minder door de zonde

besmet, dan is het op Roomsch standpunt niet te begrijpen, dat zij niet

nog zondigen en zelfs de ontvangen genade wederom geheel verliezen

kunnen. Is dit uitgesloten, dan zijn de zielen in zichzelve rein en

heilig en hebben zij alleen nog enkele tijdelijke straffen te dragen,

welke zij op aarde niet konden voldoen, waarbij het dan weer onbegrijpelijk

is, dat volmaakte rechtvaardigen nog tijdelijk buiten den hemel gesloten

en aan de pijniging van het vagevuur kunnen worden overgegeven. En

in beide gevallen blijft het een raadsel, hoe het vagevuur een ignis

purgatorius kan zijn; het is niets anders dan een ignis vindicativus.

Oswald t. a. p. 116 zegt terecht, dat dit louterend karakter van het

vagevuur tot de quaestiones difficiliores behoort! Eindelijk zijn er nog

verschillende vragen, waarop de leer van het vagevuur het antwoord

schuldig blijft. De vromen des O. T. gingen volgens het Roomsche geloof

naar den limbus patrum; is deze limbus als een purgatorium te denken,

of was voor hen geen vagevuur noodig? En hoe worden zij gelouterd,

die korten tijd vóór de parousie sterven en daarom niet meer in het

vagevuur kunnen komen, wijl dit met het einde dezer wereld ophoudt te

bestaan? De zielen van de in vroeger eeuwen gestorvenen hebben het veel

zwaarder te verantwoorden, dan die later in het vagevuur komen, want

de mogelijke duur van de pijniging in het purgatorium wordt hoe langer

hoe korter. Hoe is dit op Roomsch standpunt overeen te brengen met de

gerechtigheid Gods en met de louteringsbehoefte der zielen? Indien men

zegt, dat naarmate het einde der wereld nadert, de heiliging te meer in

het lijden van den tegenwoordigen tijd en in den dood verlegd wordt, dan

ondermijnt men de leer van het vagevuur op bedenkelijke wijze en nadert

men het standpunt, dat de Reformatie tegenover dit Roomsche leerstuk

innam. 6º Indien de leer van het vagevuur onhoudbaar is, dan vervalt

daarmede ook vanzelf alle offerande en gebed voor de afgestorvenen.

Vereering der dooden door offers en gebeden was bij de Heidenen gewoon.

Voorbede voor de afgestorvenen kwam later onder de Joden in gebruik, 2

Makk. 12:40-45 en bleef dit tot den huidigen dag, Schwally, Das Leben

nach dem Tode 188-190. In de christelijke kerk kwam spoedig de gewoonte

op, om de gestorvenen pax, lux, refrigerium toe te wenschen en hunner

in de gebeden en bij de avondmaalsviering te gedenken. In den eersten

tijd had dit plaats ten aanzien van alle in den Heere gestorvenen zonder

onderscheid en werden deze oblationes en sacrificia alleen gevierd ob

commemorationes eorum, Cypr. Ep. 12, 2. 39, 3. Const. Ap. VI 30. VIII

13. 41-44. Maar langzamerhand werd er onderscheid gemaakt tusschen die

zielen, welke terstond in den hemel werden opgenomen en andere, die nog

een tijdlang in het purgatorium vertoeven moesten. De gemeenschap met de

eerste werd daarop allengs geoefend door aanroeping en yereering, die

met de tweede door voorbeden, goede werken, aflaten en zielmissen, cf.

Trid. sess. 22 c. 2. 3. en sess. 25. Bellarminus, de purg. II 15-18.

Perrone, Prael. VI 289. VIII 29. Simar, Dogm. 900. Jansen, Prael. III

1 030 enz. In den oudkatholieken zin, als bede tot God, dat Hij de

zaligheid der in Christus ontslapenen vermeerderen en hunne gebeden

voor de levenden aannemen mocht, en tevens als gedachtenisviering

van en gemeenschapsoefening met de afgestorvenen, werd de voorbede

voor de dooden ook goedgekeurd door de Grieken, M. Vitringa VIII 509,

vele Anglikanen, ib. 515, de Lutherschen, ib. IV 79, Grotius, ib. 80

en door vele nieuwere theologen, Franz, das Gebet für die Todten in

seinem Zusammenhang mit Kultus und Lehre nach dem Schriften des h.

Augustinus, Nordhausen Büchting 1857. K. M. Leibbrand, Das Gebet für

die Todten in der evang. Kirche zulässig und recht, Stuttgart 1864.

Maar de Gereformeerden verwierpen de voorbede voor de afgestorvenen,

wijl hun lot bij den dood onveranderlijk beslist was, Suicerus s. v. ταφη.

Vossius, Disp. de orationibus et oblationibus pro defunctis, Op. VI 458

sq. Rivetus in zijne polemiek tegen Grotius, Op. III 962. 1026. Moor V

30-32. In Oud of Nieuw Testament is er dan ook met geen woord van zulk

eene voorbede sprake. De eenige plaats, waarop men zich beroepen kan,

is 1 Cor. 15:29, waar Paulus melding maakt van zulken, die zich lieten

doopen ὑπερ νεκρων. Er is hier echter niet uit af te leiden, dat zulk

een doop door de levenden ondergaan werd, opdat hij den gestorvenen ten

goede zou komen. Want er is geen enkel bewijs, dat zoodanig gebruik in

den tijd van Paulus of later voorkwam. Wel melden Tertullianus e. a.,

dat deze gewoonte bij de volgelingen van Cerinthus en Marcion gevonden

werd, maar ten eerste is de juistheid van dit bericht volstrekt niet

boven allen twijfel verheven, en ten andere zou er uit volgen, dat het

een kettersch gebruik was, hetwelk in de christelijke kerk nooit bestaan

heeft of ingang vond. Wie dezen tekst wilde laten gelden als bewijs

voor het recht, om voor de dooden te bidden, zou allereerst beginnen

moeten, om levenden ten behoeve der gestorvenen te doopen. Paulus zegt

echter ook niet, dat de levenden zich voor de dooden lieten doopen,

opdat die doop den gestorvenen ten goede zou komen. De dooden worden

door Paulus voorgesteld als het motief, waarom de levenden zich lieten

doopen. Omdat zij, die in Christus ontslapen waren, zouden opstaan,

daarom lieten hunnentwege, hunshalve de levende geloovigen zich doopen.

De apostel spreekt geen andere gedachte uit dan deze, dat de doop het

geloof aan de opstanding van Christus en de geloovigen onderstelt;

neem de opstanding weg en de doop wordt eene ijdele ceremonie. De

voorbede voor de afgestorvenen vindt daarom niet den minsten grond in

de Schrift, gelijk trouwens Tertullianus reeds erkende. Want nadat hij de

cor. mil. c. 3 gesproken had van verschillende kerkelijke gebruiken en

daarbij ook van de offeranden voor afgestorvenen, voegde hij er in c. 4

aan toe: harum et aliarum ejusmodi disciplinarum, si legem expostules

scripturarum, nullam invenies; traditio tibi praetenditur auctrix,

consuetudo confirmatrix, et fides observatrix, cf. ook Bellarminus, de

missa II c. 7. Oswald, Eschat. 95. Omdat er geen praeceptum Patris is,

moet men zich vergenoegen met de institutio matris, d. i. der kerk,

die alzoo weder naast en boven Gods Woord komt te staan. Wijl alzoo de

voorbede der afgestorvenen voor de Schrift niet kan bestaan, komt de

vraag naar hare nuttigheid en troost niet meer te pas. Toch zijn ook

deze moeilijk aanwijsbaar. Want al schijnt het schoon, dat levenden door

hunne voorbeden de afgestorvenen helpen kunnen en kunnen goedmaken,

wat zij misschien tegenover hen tijdens hun leven hebben misdreven;

feitelijk leidt deze kerkelijke practijk de christelijke vroomheid in

een gansch verkeerd spoor. Zij doet het voorkomen, alsof in strijd met

Mt. 8:22 zorg voor de dooden van hooger waarde is dan liefde tot de

levenden; zij schrijft aan eigen werken en gebeden eene verdienstelijke,

satisfactorische kracht toe, welke haar werking zelfs oefent aan de

overzijde des grafs en daar den gestorvenen ten goede kan komen; zij

is gebouwd op en bevorderlijk aan de leer van het vagevuur, welke

eenerzijds, vooral bij de rijken, de zorgeloosheid voedt en ter andere

zijde de onzekerheid der geloovigen bestendigt; zij verzwakt in het

christelijk bewustzijn het geloof aan de genoegzaamheid der offerande en

voorbede van Christus. Cf. tegen het purgatorium: Calvijn, Inst. III 5.

Polanus, Synt. Theol. VII 25. Chamier, Panstr. Cath. T. III lib. 26.

Amesius, Bellarminus enervatus, T. II lib. 5. Voetius, Disp. II 1240.

Forbesius a Corse, Instruct. hist. theol. lib. XIII. Gerhard, Loc. XXVI

181 sq. Quenstedt, Theol. IV 555. Kliefoth, Eschatologie, 82 f. Charles

H. H. Wright, The intermediate state and prayers for the dead,

examined in the light of Scripture and of ancient Jewish and Christian

literature, London Nisbet 1900.

13. Al is er voor eene vereering der heiligen en eene voorbede voor de

afgestorvenen geen plaats, er is en blijft toch eene onverbrekelijke

gemeenschap tusschen de strijdende kerk op aarde en de triumfeerende

in den hemel. De geloovigen op aarde zijn, toen zij Christen werden,

toegetreden tot het hemelsche Jeruzalem, dat boven en aller moeder is;

tot de vele duizenden van engelen, die aldaar God dienen en loven; tot

de gemeente der eerstgeborenen, d. i. van de vromen des O. Verbonds,

die in de hemelen opgeschreven zijn en daar het burgerrecht hebben

ontvangen; tot de geesten der rechtvaardigen, d. i. van de Christenen,

die reeds ontslapen zijn en de volmaaktheid, de voleindiging, hebben

bereikt; tot Christus, den middelaar des Nieuwen Testaments en

tot God, den rechter van alle schepselen, Hebr. 12:22-24. Deze

gemeenschap sluit niet in, dat er een rechtstreeksch verkeer moet

bestaan tusschen de leden der strijdende en der triumfeerende kerk;

want ofschoon dit ook ontbreekt tusschen de verschillende menschen en

volken in de onderscheidene tijden en plaatsen, is toch de menschheid

een organisme, uit éénen bloede gesproten. De persoonlijke omgang,

dien elk geloovige hier op aarde heeft, is tot weinige personen

beperkt, maar desniettemin is hij lid van de ééne, heilige, algemeene,

christelijke kerk. De eenheid, die alle geloovigen, zoowel de gestorvene

als de levende, saam verbindt, ligt in Christus, en door Hem in de

gemeenschap met denzelfden Vader, in het bezit van denzelfden Geest,

in het deelgenootschap aan dezelfde goederen des verbonds. De liefde,

die blijft, ook als geloof en hope verdwijnen, houdt alle geloovigen

met Christus en onderling verbonden. En die liefde uit zich onzerzijds

daarin, dat wij de heiligen, die ons voorgegaan zijn, met eerbied

gedenken, dat wij waardiglijk van hen spreken, dat wij hen navolgen

in geloof en goede werken, en door hun voorbeeld aangespoord met

lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is, dat wij één met

hen ons gevoelen en leven in de verwachting, van tot hen te gaan, dat

wij met hen en alle schepselen den naam des Heeren grootmaken. Onder de

vormen, waarin de gemeenschap van de strijdende met de triumfeerende

kerk zich openbaart, neemt de hope des wederziens eene breede plaats

in. Er is door het rationalisme daarvan schrikkelijk misbruik gemaakt;

het scheen, alsof de zaligheid des hemels niet in de gemeenschap met

Christus maar in de sentimenteele genieting van elkanders bijzijn gelegen

was. Maar desniettemin ligt er eene goede, ware gedachte in. De hope op

het wederzien aan de overzijde des grafs is volkomen natuurlijk, echt

menschelijk en ook in overeenstemming met de H. Schrift. Want deze leert

geen naakte onsterfelijkheid van schimachtige zielen, maar eeuwig leven

van individueele menschen. Wedergeboorte wischt de individualiteit,

de persoonlijkheid, het karakter niet uit maar heiligt ze en stelt ze

in dienst van Gods naam. De gemeente is de nieuwe menschheid, welke

allerlei schakeering en onderscheid in zich draagt en in de eenheid de

rijkste verscheidenheid openbaart. De vreugde des hemels ligt daarom

wel allereerst in de gemeenschap met Christus, maar vervolgens toch

ook in de gemeenschap der zaligen onderling. En evenmin als deze

op aarde, schoon zij hier altijd gebrekkig is, inbreuk maakt op de

gemeenschap der geloovigen met Christus, maar deze veeleer bevestigt

en verrijkt, alzoo is het ook in den hemel. Het hoogste, wat Paulus

wenschte, was ontbonden te zijn en met Christus te wezen, Phil. 1:23,

1 Thess. 4:17. Maar Jezus stelt zelf de vreugde des hemels voor onder

het beeld van een maaltijd, waar allen aanzitten met Abraham, Izak en

Jakob, Mt. 8:11, cf. Luk. 13:28. De hope op het wederzien is daarom op

zichzelve niet verkeerd, indien zij maar ondergeschikt blijft aan het

verlangen naar de gemeenschap van Christus. En andererzijds is het ook

geen ongerijmde gedachte, dat de zaligen in den hemel verlangen naar

de geloovigen, die op aarde zijn. Immers behouden zij de herinnering

aan de personen en toestanden, die zij op aarde gekend hebben, Luk.

16:27-31. De zielen onder het altaar roepen om wraak over het vergoten

bloed, Op. 6:10. De bruid, d. i. de gansche gemeente zoowel in den

hemel als op aarde, bidt om de komst van den Heere Jezus, Op. 22:17.

Al geeft de Schrift ons geen recht om te gelooven, dat de zaligen

in den hemel alles weten, wat hier op aarde gebeurt, toch is het

waarschijnlijk, dat zij van de strijdende kerk op aarde minstens evenveel

weten als deze van hen. En dat weinige, gevoegd bij de kennis, die zij

uit de herinnering bezitten en die misschien telkens door mededeelingen

van engelen en pas ontslapenen uitgebreid wordt, is genoegzaam, om

hen steeds met belangstelling te doen denken aan deze aarde en aan

de machtige worsteling, die hier gestreden wordt. Daarbij komt nog,

dat de toestand der zaligen in den hemel, hoe heerlijk ook, toch om

verschillende redenen nog een voorloopig karakter draagt. Immers zijn

zij thans alleen in den hemel en tot dien hemel beperkt, en nog niet

in het bezit der aarde, wier erfenis hun met die des hemels toegezegd

is. Voorts zijn zij verstoken van het lichaam, en dit lichaamloos bestaan

is niet, gelijk het dualisme meenen moet, eene winst maar een verlies,

geen vermeerdering maar vermindering van zijn, wijl het lichaam tot het

wezen van den mensch behoort. En eindelijk kan het deel niet volmaakt

zijn zonder het geheel; eerst in de gemeenschap van al de heiligen

wordt de volheid van Christus’ liefde gekend, Ef. 3:18; de eene groep

van geloovigen kan zonder de andere de voleindiging niet bereiken,

Hebr. 11:40. Daarom is er bij de zaligen in den hemel ook nog plaats

voor geloof en hope, voor verlangen en gebed, Op. 6:10, 22:17. Evenals

de geloovigen op aarde strekken zij zich uit naar de wederkomst van

Christus, de opstanding der dooden en de wederoprichting aller dingen.

Dan eerst is het einde bereikt, 1 Cor. 15:24. Deze gedachte staat in

de Schrift zoozeer op den voorgrond, dat de tusschentoestand tot eene

korte spanne tijds inkrimpt, die bij het eindgericht in het geheel niet

in aanmerking komt. Nergens wordt gezegd, dat ook hetgeen door de

gestorvenen in dien tusschentoestand wordt verricht, in den laatsten

dag voor den rechterstoel van Christus geoordeeld zal worden. Het

oordeel gaat uitsluitend over wat in het lichaam geschied is, hetzij

goed hetzij kwaad, 2 Cor. 5:10; het judicium universale is in zoover

met het judicium particulare identisch. Daaruit is echter nog niet met

Kliefoth, Eschatologie 61-66 af te leiden, dat de zielen na den dood

buiten tijd en ruimte leven en van alle ontwikkeling of vooruitgang

verstoken zijn. Want al is er zeker geen ontwikkeling, gelijk die op

aarde, en al is er nog veel minder aan eene mogelijke verandering

ten goede of ten kwade te denken, toch is een waarachtig bestaan en

leven der zielen zonder activiteit niet mogelijk, tenzij men ze in

bewustloozen slaap verzonken acht. Want de gestorvenen blijven eindige

en beperkte wezens en kunnen niet anders bestaan dan in ruimte en tijd.

De afmetingen der ruimte en de berekeningen van den tijd zijn zonder

twijfel aan gene zijde des grafs geheel andere dan hier op aarde, waar

mijlen en uren onze maatstaf zijn. Maar ook de zielen, die daar wonen,

worden niet eeuwig en alomtegenwoordig als God; zij moeten, evenals de

engelen, deel II 438, een ubi definitivum hebben, kunnen niet op twee

plaatsen tegelijk zijn en zijn altijd ergens op eene bepaalde plaats,

in het paradijs, in den hemel enz. En evenzoo zijn zij niet boven allen

tijdvorm, dat is boven alle successie van oogenblikken verheven, want zij

hebben een verleden, dat zij zich herinneren, een heden waarin zij leven,

en eene toekomst, die zij te gemoet gaan. De rijke man weet, dat zijne

broeders nog leven, Luk. 16:28; de zielen onder het altaar zien uit

naar den dag der wrake, Op. 6:10; de bruid verlangt naar de komst van

Christus, Op. 22:17; zij, die uit de verdrukking gekomen zijn, dienen God

dag en nacht, Op. 7:15; en die het beest hebben aangebeden, hebben geen

rust dag en nacht, Op. 14:11.

Indien nu de zielen in eenigen vorm van ruimte en tijd bestaan, kunnen

zij ook niet zonder alle werkzaamheid gedacht worden. Wel zegt Jezus,

dat in den nacht des doods niemand werken kan, Joh. 9:4, en wordt de

hemelsche zaligheid dikwerf in de Schrift als een rusten voorgesteld,

Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar evenmin als het met elkander strijdt, dat God

rust van zijn scheppingswerk, Gen. 2:2 en toch altijd werkt, Joh. 5:17,

of dat Christus zijn werk op aarde had volbracht, Joh. 17:4 en toch

in den hemel plaats voor de zijnen bereidt, Joh. 14:3; evenmin sluit

het een het ander uit, dat de geloovigen rusten van hunne werken en

toch God dienen in zijnen tempel. Hun werk op aarde is af, maar daarom

hebben zij in den hemel nog wel andere werken te doen. De Schrift leert

dit duidelijk. Die in den Heere ontslapen zijn, zijn bij Jezus, Phil.

1:23, staan voor den troon Gods en van het Lam, Op. 7:9, 15, roepen

en bidden, loven en dienen, Op. 6:10, 7:10, 15, 22:17. Trouwens, als

zij bewustheid hebben en God, Christus, de engelen, elkander kennen,

dan oefenen zij daarmede vanzelf werkzaamheden uit van verstand en van

wil, nemen toe in kennis en worden bevestigd in liefde. Als Paulus

zeggen kan, dat de geloovigen op aarde, door de heerlijkheid des

Heeren in den spiegel van zijn woord te aanschouwen, naar zijn beeld in

gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, 2 Cor. 3:18;

hoeveel te meer zal dat dan het geval zijn, als zij toegelaten worden

tot zijne onmiddellijke tegenwoordigheid en Hem zien van aangezicht

tot aangezicht? Verandering van staat is er niet; er is ook geen

ontwikkeling in aardschen zin; zelfs geen heiligmaking, gelijk in de

strijdende kerk, want de heiligheid zelve is aller deel. Maar gelijk

Adam vóór den val en Christus als mensch, schoon volkomen heilig,

toch toenemen konden in genade en wijsheid, zoo is er in den hemel

eene voortgaande bevestiging van staat, een altijd meer gelijkvormig

worden den beelde des Zoons, een nimmer eindigend opwassen in de

kennis en liefde van God. En daarbij heeft ieder zijn eigen taak en

plaats. De Roomschen nemen aan, dat de vromen des O. T. na hun dood

in den limbus patrum vertoefden en daaruit eerst door Christus bij

zijne nederdaling ter helle werden bevrijd; en tevens meenen zij, dat de

ongedoopt stervende kinderen noch in de hel noch in den hemel maar in

een afzonderlijk receptaculum, den limbus infantum, worden opgenomen.

Maar voor geen van beide receptacula is er grond in de Schrift. Wel

spreekt het vanzelf, dat wie de eenheid des genadeverbonds uit het

oog verliest en de weldaden, door Christus verworven, opvat als eene

nieuwe substantie, die vroeger niet bestond, de vromen des O. T. in

den limbus patrum moet laten wachten op deze verwerving en mededeeling

van Christus’ weldaden. Maar wie de eenheid des verbonds erkent, en

de weldaden van Christus opvat als de goede gunste Gods, die met het

oog op Christus reeds vóór zijn lijden en sterven kon worden uitgedeeld,

die heeft aan geen limbus patrum behoefte. De weg naar de hemelsche

zaligheid was onder het O. dezelfde als onder het N. Test., al is er

ook verschil in het licht, waarbij de geloovigen toen en nu wandelen,

cf. deel III 196v. 211v. En evenzoo is er aan de overzijde des grafs

geen plaats voor een limbus infantum; want de kinderen des verbonds,

gedoopt of ongedoopt, gaan stervende ten hemel in; en over het lot

der andere is ons zoo weinig geopenbaard, dat wij het best doen van

een stellig oordeel ons te onthouden, cf. B. B. Warfield, The

development of the doctrine of infant salvation, in zijn Two Studies

in the history of doctrine, New-York 1897. Maar toch ligt er in den

limbus patrum en infantum deze ware gedachte, dat er verschillende

graden zijn zoowel in de straf der goddeloozen als in de zaligheid der

vromen. Er is onderscheid van rang en werkzaamheid in de wereld der

engelen. Er is verscheidenheid onder alle schepselen en het rijkst

onder de menschen. Er is verschil van plaats en taak in de gemeente

van Christus; aan ieder geloovige wordt hier op aarde een eigen gave

geschonken en een eigen taak opgedragen. En bij den dood volgen ieders

werken dengene na, die in den Heere ontslaapt. Zonder twijfel wordt

deze verscheidenheid in den hemel niet uitgewischt maar integendeel

van al het zondige gereinigd en op het rijkst vermenigvuldigd, Luk.

19:17-19. Toch ontneemt dit verschil in graad niets aan de zaligheid,

welke elk naar zijne mate geniet. Want allen wonen in bij denzelfden

Heere, 2 Cor. 5:8, zijn opgenomen in denzelfden hemel, Op. 7:9, genieten

dezelfde rust, Hebr. 4:9 en vinden hun vreugde in denzelfden dienst van

God, Op. 7:15.

§ 55. DE WEDERKOMST VAN CHRISTUS.

1. Gelijk het den mensch gezet is, om eenmaal te sterven, zoo moet er

ook eens een einde komen aan de geschiedenis der wereld. Niet alleen

de religie, ook de wetenschap was daarvan ten allen tijde overtuigd.

Enkelen, zooals Aristoteles in de oudheid en Czolbe, Friedrich Mohr

e. a. in den nieuweren tijd, hebben wel gemeend, dat deze wereld

eeuwig was en geen begin noch einde had. Maar de onhoudbaarheid dezer

meening wordt thans algemeen toegestemd; er zijn vele overwegingen,

die den eindigen duur der wereld boven allen twijfel verheffen. De

omdraaiingssnelheid der aarde neemt volgens berekening minstens ééne

seconde in 600,000 jaren af; hoe weinig dit ook zij, het brengt na

billioenen van jaren toch op aarde een omkeer in de verhouding van dag

en nacht teweeg, welke aan alle leven een einde maakt. Voorts wordt

de rotatie der aarde voortdurend door den invloed van ebbe en vloed

vertraagd, wijl deze de deelen der aarde verplaatst en den voorraad

kinetische energie vermindert; de aarde nadert daarom steeds de zon

en moet eindelijk in haar verdwijnen. Vervolgens is de ruimte, waarin

de planeten zich bewegen, niet volstrekt ledig, maar met aether of

verdunde lucht gevuld, die, hoe zwak dan ook, de beweging tegenhoudt,

de omdraaiingssnelheid vermindert, de baan der planeten doet inkrimpen

en ze alzoo steeds meer in de nabijheid der zon doet komen. Verder

kan ook de zon niet altijd duren; hetzij zij hare warmte produceere

door invallende meteorieten of door voortdurende inkrimping of door

chemische werkingen, zij verbruikt die warmte allengs, verkleint

haar omvang, trekt zich saam en gaat haar einde te gemoet; volgens

Thompson zou de middellijn der zon jaarlijks 35 meter afnemen en zou

zij, daar zij reeds 20 millioen jaren geschenen had, nog slechts een

10 millioen jaren kunnen bestaan. Kinetische energie toch kan zich

wel in warmte omzetten, maar warmte niet meer in kinetische energie,

tenzij zij uitstroome op een kouder lichaam. Als de temperatuur dus

eens overal gelijk zal zijn, houdt de omzetting van warmte op en is

het einde der dingen bereikt. De vraag is dus maar, wie van beide,

de zon of de aarde, het het langst uithouden zal; indien de zon,

dan wordt de aarde ten slotte door haar verslonden en eindigt alles

met verbranding; indien de aarde, dan houdt eens alle warmte op en

gaat het leven onder in den dood der verstijving. Daarbij komen nog

allerlei andere gronden voor de eindigheid der wereld; het water der

aarde moet wegens zijne chemische verwantschap met de mineralen steeds

afnemen; water en zuurstof worden almeer aan vaste stoffen verbonden;

de producten der aarde, steenkolen, hout, turf, voedingsmiddelen,

verminderen; de aarde, hoe rijk ook, raakt eenmaal uitgeput, en dit te

spoediger, naarmate het menschelijk geslacht toeneemt en het gevaar van

overbevolking dreigt. Voor eene optimistische verwachting aangaande

de toekomst is er daarom op het standpunt der wetenschap volstrekt

geen plaats. Toch hebben velen zich daaraan overgegeven en van een

gestadigen vooruitgang en een toekomstig paradijs der menschheid in het

Diesseits gedroomd. Humanisten en materialisten wedijveren met elkander

in het koesteren van dergelijke illusiën, achten door het principe der

kosmische evolutie hunne broodprofetieën gewaarborgd en oordeelen, dat

door de vermeerdering van ideale goederen, zooals wetenschap, kunst,

zedelijkheid, of door den vooruitgang in stoffelijke welvaart, door

overvloed van voedsel en deksel en kleeding, het geluk der menschheid

eenmaal ten volle bereikt worden zal. Kant, Lessing, Herder, Fichte,

Schelling enz., achtten eene toekomst aanstaande, waarin het ethische

Godsrijk allen omvatten, de Aufklärung aller deel en de humaniteit het

beginsel van aller leven zou zijn. Zelfs Darwin spreekt aan het slot

van zijn boek over het Ontstaan der soorten en in het laatste hoofdstuk

van zijne Afstamming des menschen de hope uit, dat de mensch, die van

zijn dierlijken oorsprong thans reeds zoo hoog is opgeklommen, eene

nog hooger bestemming in eene verwijderde toekomst tegemoet gaat. In

die toekomst zal volgens Pierson, Eene Levensbeschouwing 269, het

huwelijk door de edelsten niet meer worden begeerd, maar zal de man

met de vrouw als met zijne zuster verkeeren en de wellust niet meer de

dood van den levenslust zijn, of zal volgens anderen het huwelijk bij een

hoogbeschaafd volk mettertijd den vorm van een dubbelhuwelijk aannemen

en twee vrienden gezamenlijk twee vrouwen huwen. Nog buitensporiger zijn

de verwachtingen van de socialisten, deze chiliasten van het ongeloof,

die meenen, dat in den toekomststaat naar hun model alle zonde en

strijd verdwenen en een onbezorgd, tevreden leven aller voorrecht

zal zijn. Maar, gelijk gezegd is, veel grond bestaat er voor zulke

verwachtingen niet. En al zou er ook een tijd van meerdere welvaart

en grooter geluk voor de menschheid aanbreken, wat zou het voordeel

daarvan zijn, als toch alle ontwikkeling, gelijk de wetenschap leert,

ten slotte moest ondergaan in den dood? Fr. van Hellwald weet aan het

slot van zijne Kulturgeschichte op de vraag, waartoe alles geweest is,

waartoe ook de mensch met zijn worstelen en streven, zijn beschaving

en ontwikkeling bestaan heeft, niet het minste antwoord te geven. En

Otto Henne-Am Rhyn eindigt zijne Kulturgeschichte met de voorspelling,

dat heel de menschheid met haar cultuur eens spoorloos verdwijnen zal;

einst wird Alles, was wir gethan, nirgends mehr aufzufinden sein; en

hij kan zich daartegenover alleen troosten met de gedachte, dat het

nog langen tijd duren zal, eer het zoover is. Wie zonder God en zonder

Christus leeft, en alles van het Diesseits, van immanente, kosmische

krachten verwachten moet, is ook zonder hope in de wereld. Zelfs de

cultuur is niet eindeloos te denken. Milliarden van jaren kunnen in

het verleden of in de toekomst der wereld wel willekeurig aangenomen

maar niet concreet, gevuld met geschiedenis, gedacht worden. Als bijv.

de menschheid eens duizend millioen jaren oud werd, zou een leerboek

over de wereldgeschiedenis, dat eene eeuw op tien bladzijden afhandelde,

niet minder dan tweehonderdduizend deelen vormen, elk deel gerekend

op vijfhonderd bladzijden, of nog twintigduizend deelen, als aan elke

eeuw slechts ééne bladzijde, of nog vijfhonderd deelen, indien aan elke

eeuw niet meer dan één regel gewijd werd. En zoo zou het zijn met al

wat den inhoud onzer cultuur vormt. De mensch en de menschheid zijn

eindig, en daarom is ook hunne beschaving niet eindeloos te denken.

Een oneindige tijd is zoowel voor de aarde als voor ons geslacht eene

ongerijmdheid, die nog tastbaarder is dan de dwaasheid van de millioenen

van jaren, uit heidensche mythologieën ons bekend. Op het standpunt der

wetenschap is er veel meer grond, om het pessimisme van Schopenhauer

en Ed. von Hartmann aan te nemen, dat de verlossing der wereld stelt

in de bestrijding van den alogischen wil door de logische voorstelling,

in de absolute Willensverneinung, dat is in de vernietiging der wereld

zelve. Maar ook dan is er niet de minste waarborg, dat de absolute wil

niet tot een ander wereldproces overgaat en tot in het oneindige toe

altijd weer van voren aan begint. Vele Grieksche wijsgeeren hielden het

ervoor, dat aan deze wereld vele andere voorafgegaan waren en op haar

vele andere zouden volgen; zelfs waren de Pythagoreërs en de Stoicijnen

van oordeel, dat alles precies zoo terugkeeren zou, als het op deze

wereld bestond en in vroegere bestaan had; en ook thans zijn velen, bijv.

Haeckel, Die Welträthsel 430, tot dergelijke gevoelens teruggekeerd,

ofschoon Windelband, Geschichte und Naturwissenschaft, Strassburg 1900

S. 22 het terecht eene pijnlijke gedachte noemt, dat in der periodischen

Wiederkehr aller Dingen auch die Persönlichkeit mit allem ihrem Thun

und Leiden wiederkehren soll. Cf. Lange, Gesch. des Materialismus⁴

552 f. Pesch, Die grossen Welträthsel² II 352 f. Mühlhäusser, Die

Zukunft der Menschheit Heilbron 1881. Reiff, Die Zukunft der Welt²

Basel 1875. Fürer, Weltende und Endgericht, Gütersloh 1896. Siebeck,

Religionsphilos. 1893 S. 399-427. Caro, La question du progrès, in zijne

Problèmes de morale sociale, Paris 1887 p. 251. Orr, Christian View 369.

2. De religie heeft zich nooit met deze idee van eene eindelooze

ontwikkeling of van een algeheelen ondergang der wereld verzoend.

Verschillende redenen hielden haar van het overnemen dezer wijsgeerige

theorieën terug. Immers is het voor geen tegenspraak vatbaar, dat al

dergelijke voorstellingen aan de waarde der persoonlijkheid tekort doen

en deze opofferen aan het geheel. Voorts miskennen zij de beteekenis van

het godsdienstig-zedelijk leven en stellen dit verre beneden de cultuur.

En eindelijk bouwen zij voor het heden en voor de toekomst alleen op de

krachten, die in den kosmos immanent zijn en rekenen hoegenaamd niet met

eene Goddelijke macht, die de wereld bestuurt en haar ten slotte door

rechtstreeksche ingrijping beantwoorden doet aan het door haar gestelde

doel. Alle godsdiensten hebben daarom eene andere verwachting voor de

toekomst. Zij kennen alle in meer of minder duidelijke mate een strijd van

het goede en kwade; alle koesteren zij de hope van de zegepraal van het

goede, waarbij de deugdzamen beloond en de goddeloozen gestraft worden;

en meestal achten zij die toekomst ook niet anders bereikbaar dan door

eene openbaring van bovennatuurlijke krachten, cf. deel III 229. In de

perzische religie werd zelfs aan het einde der derde wereldperiode de

verschijning van den derden zoon van Zarathustra, Sosiosh, verwacht,

die een duizendjarig vrederijk inleiden en het verlossingswerk van

zijn vader voltooien zou, Saussaye, Religionsgesch. II 51. Hartmann,

Rel. I 239. Herzog² 11, 239. En onder de Mohammedanen kwam naast het

geloof aan de wederkomst van Jezus ook langzamerhand de verwachting

van een Mahdi op, die de geloovigen weder in den gouden tijd van de

„vier rechtvaardige Khalifs” terugvoeren zou, Dr. C. Snouck Hurgronje,

Der Mahdi, Separatabdruck von der „Revue Coloniale Internationale”

1885. Bij Israel werd de verwachting aangaande de toekomst gebouwd op

den grondslag van het verbond, dat God met Abraham en zijn zaad had

opgericht. Dit verbond toch draagt een eeuwig karakter en wordt door

’s menschen ontrouw niet teniet gedaan, deel III 195. Reeds in de wet

betuigt God herhaaldelijk aan het volk van Israel, dat Hij, wanneer het

zijn verbond overtreedt, het met de zwaarste straffen bezoeken maar zich

daarna toch weer zijner ontfermen zal. Als Israel om zijne zonden onder

de volken verstrooid en zijn land verwoest zal zijn, dan zal de Heere in

dien tijd door het aannemen van andere volken Israel tot jaloerschheid

verwekken en daarna het bekeeren en terugvoeren in zijn land, het

zegenen met allerlei geestelijke en stoffelijke zegeningen en wrake doen

over al zijne vijanden, Lev. 26, Deut. 4:23-31, 30:1-10, 32:15-43. Na

de belofte aan Davids huis, dat het bestendig en zijn stoel vast zou

zijn tot in eeuwigheid, 2 Sam. 7:16, 23:5, 1 Chr. 17:14, krijgt in de

verwachting aangaande Israels toekomst dit element hoe langer hoe meer

beteekenis, dat de bekeering en het herstel van Israel niet anders zal

tot stand komen dan door den gezalfden koning uit Davids geslacht.

In de profetie worden deze gedachten breeder ontwikkeld en nemen zij,

ondanks de eigenaardigheid, die zij bij elk der profeten dragen, steeds

vaster vormen aan.

In de verwachting, welke het Oude Test. koestert aangaande de toekomst

van het volk Gods, zijn de volgende momenten duidelijk te onderscheiden.

Alle profeten verkondigen 1º aan Israel en Juda _een dag des gerichts

en der straf_. De יום יהוה, dat is, de tijd, waarin de Heere zich over

zijn volk ontfermen en zich aan zijne vijanden wreken zal, werd door de

profeten gansch anders dan door het volk opgevat. Het volk misbruikte

deze verwachting en dacht, dat Ihvh het, afgedacht van zijn geestelijken

toestand, tegen alle gevaar beschermen zou, Am. 5:18, 6:13, Jer. 29,

Ezech. 33:23v. Maar de profeten zeiden, dat de dag des Heeren ook voor

Israel een dag des gerichts zou zijn; het volk zou in ballingschap gaan

en zijn land aan de verwoesting worden prijs gegeven, Am. 2:4v., 5:16,

18, 27, 6:14 enz., Hos. 1:6, 2:11, 3:4, 8:13, 9:3, 6, 10:6, 11:5,

13:12, 14:1, Joël 2:1v., Mich. 3:12, 4:10, 7:13, Zef. 1:1-18, Hab.

1:5-11, Jes. 2:11v., 5:5v., 7:18v., Jer. 1:11-16 enz. Maar toch, die

straf is 2º _tijdelijk_. Er komt een einde aan na vele dagen, Hos. 3:3,

na enkele dagen, dat is na een korten tijd, 6:2, na zeventig jaren, Jer.

25:12, 29:10, na driehonderd en negentig jaren voor Israel en veertig

jaren voor Juda, Ezech. 4:4v. God kastijdt zijn volk met mate, Jes.

27:7v., Jer. 30:11, Hij verlaat het slechts voor een kleinen tijd; zijn

toorn is klein, maar zijne goedertierenheid is eeuwig, Jes. 54:7, 8. Hij

heeft zijn volk lief met eene eeuwige liefde, en zal zich daarom weder

ontfermen, Mich. 7:19, Jer. 31:3, 20. Hij kan zijn volk niet verderven,

al schudt Hij het ook als in eene zeef, Am. 9:8, 9. Zijn berouw is in

Hem ontstoken, Hos. 11:8. Hij gedenkt zijn verbond, Ezech. 16:60. Hij

zal zijn volk verlossen, niet om Israels wil, maar om zijns naams wil,

om zijn roem onder de Heidenen, Deut. 32:27, Jes. 43:25, 48:9, Ezech.

36:22. Aan het einde van den straftijd zendt God 3º _den Messias_ uit

Davids huis. Obadja spreekt nog in het algemeen van heilanden, die

de op Zion ontkomene gemeente beschermen, vs. 17, 21, cf. Jer. 23:4,

33:17, 20, 21, 22, 26. Amos zegt, dat God na het gericht over Israel

de vervallen hut van David weer oprichten zal, 9:11. Hosea verwacht,

dat de kinderen Israels zich bekeeren zullen en den Heere zoeken en

ook David hunnen koning, 1:11, 3:5, cf. Jer. 30:9, Ezech. 34:23, 24,

37:22-24. Micha profeteert, dat Israel niet eerder uit de macht der

vijanden verlost zal worden, voordat uit het Davidisch koningshuis

te Bethlehem de Heerscher geboren zal zijn, 5:1, 2. Dat Hij niet uit

Jeruzalem maar, evenals David zelf, uit Bethlehem zal voortkomen,

bewijst, dat het Davidisch koningshuis den troon verloren heeft en tot

een staat van nederheid vervallen is. Jesaja zegt dan ook, dat er

een rijsje zal voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, 11:1, 2,

en Ezechiël drukt dezelfde gedachte aldus uit, dat de Heere van den

oppersten tak des hoogen ceders een klein, teeder takje nemen zal,

17:22. God zal hem als eene spruite aan Davids huis doen uitspruiten,

Jes. 4:2, Jer. 23:5, 6, 33:14-17, zoodat hij daarnaar ook den naam van

Spruite draagt, Zach. 3:8, 6:12. In Israels lijdenstijd geboren, zal deze

Davidide opgroeien in armoedige omstandigheden, Jes. 7:14-17; Hij is een

koning, maar rechtvaardig, zachtmoedig, nederig en daarom rijdende op

het veulen eener ezelin, Zach. 9:9; met de koninklijke verbindt hij de

profetische, Deut. 18:15, Jes. 11:2, 40-66, Mal. 4:5 en de priesterlijke

waardigheid, Jes. 53, Jer. 30:21, Zach. 3, 6:13, Ps. 110; het rijk,

dat Hij komt stichten, is een rijk van gerechtigheid en vrede, Jes. 11,

40-66, Mich. 5:9, Ps. 72, 110; Hij is en verwerft zelf de gerechtigheid

en het heil voor zijn volk, Jes. 11, 42, 53, Jer. 23:5, 6, Ps. 72

enz. Zijne verschijning heeft daarom niet eerst plaats na den dag des

gerichts, maar gaat daaraan vooraf; Juda wordt eerst verlost, als God

aan David eene spruite schenken zal, Jes. 9:1-16, 11:1v., Jer. 23:5,

6, 33:14-17. Tot de weldaden 4º, die door dezen Gezalfde aan zijn volk

geschonken zullen worden, behoort allereerst de _terugkeer_ uit het

land der ballingschap. Land, volk, koning en God behooren bijeen; het

herstel van Israel begint daarom met terugkeer uit de ballingschap,

Am. 9:14, Hos. 11:11, Mich. 4:6, Joel 3:1, Jes. 11:11, Jer. 3:18,

Ezech. 11:17 enz. Die terugkeer zal volgens de schildering van Jesaja

buitengewoon heerlijk zijn; de wildernis zal bloeien als eene roos,

bergen zullen geslecht en dalen gevuld worden; er zal een gebaande weg

zijn, waarop ook de blinde niet dwalen kan, 35:1-9, 41:17-20, 42:15, 16,

43:19, 20 enz. In dien terugkeer zal zoowel Israel als Juda deelen, Am.

9:9-15, Hos. 1:11, 14:2-9, Jes. 11:13, Jer. 3:6, 18, 31:27, 32:37-40,

Ezech. 37:17, 47:13, 21, 48:1-7, 23-29. Maar aan deze verwachting

beantwoordde de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap slechts

zeer ten deele. De na-exilische profeten zien daarom in dien terugkeer

slechts een begin van de vervulling der beloften, maken hunne

verwachting los van een terugkeer uit de ballingschap, en spreken,

behalve Zach. 8:13, niet meer van de tien stammen; de teruggekeerden

beschouwden zich als de vertegenwoordiging van het gansche Israel,

Ezr. 6:17. Trouwens vatten al de profeten 5º den terugkeer uit de

ballingschap tevens in ethischen zin, als eene _bekeering_ van Israel,

op. Vergadering uit de volken en besnijdenis des harten gaan saam, Deut.

30:3-6. Lang niet allen zullen terugkeeren en zich bekeeren tot den

Heere; velen, de meesten zullen in het gericht, dat de dag van Ihvh ook

over Israel brengen zal, omkomen. De Heere zal het huis Jakobs wel niet

ganschelijk verderven, maar Hij zal het toch schudden als in een zeef

en de zondaars doen sterven door het zwaard, Am. 9:8-10. Als de Heere

Israel en Juda wederbrengt, zal Hij hen eerst in de woestijn leiden en

daar met hen richten en de goddeloozen uitzuiveren, Hos. 2:13, Ezech.

20:34v. Vele mannen zullen dan vallen, zoodat zeven vrouwen éénen man

zullen aangrijpen, Jes. 3:25-4:1. De verdelging is vastelijk besloten,

slechts een overblijfsel zal wederkeeren, Jes. 4:13, 6:13, 7:3, 10:21,

11:11. De Heere zal de kinderen Israels dorschen en dan één bij één

oplezen, Jes. 27:12. Hij zal de hoogmoedigen verdoen, maar een arm en

ellendig volk doen overblijven, Zeph. 3: 21, en zijn werk in het leven

behouden, Hab. 3:2. Eén uit eene stad en twee uit een geslacht zullen

wedergebracht, Jer. 3:14, twee deelen zullen uitgeroeid maar het

derde deel gelouterd worden, Zach. 13:8, 9. Maar deze overgeblevenen

zullen dan den Heere tot een heilig volk zijn, dat Hij zich ondertrouwt

in eeuwigheid, Hos. 1:10, 12, 2:15, 18, 22, Jes. 4:3, 4, 11:9. De

Heere vergeeft hun alle ongerechtigheid, wascht hen van al hunne

onreinheid, geeft hun een nieuw hart, stort zijnen Geest op allen uit,

doet alle afgoderij en tooverij uit haar midden verdwijnen, en richt een

nieuw verbond met hen op, Mich. 5:11-14, Joel 2:28, Jes. 44:21-23,

43:25, Jer. 31:31, Ezech. 11:19, 36:25-28, 37:14, Zach. 13:2 enz. Een

onreine zal er onder hen niet meer zijn, Jes. 52:1, 11, 12; allen zijn

zij rechtvaardigen, Jes. 60:21, die, door God geleerd, Hem kennen, op

zijn naam vertrouwen en geen onrecht doen of leugen spreken, Jes.

54:13, Jer. 31:31, Zeph. 3:12, 13. Alles zal er heilig zijn, tot zelfs

de bellen der paarden toe, Zach. 14:20, 21. Want de heerlijkheid des

Heeren is over hen opgegaan, Zach. 2:5, Jes. 60:1, en God zelf woont

onder hen, Ob. 21, Joel 3:17, Hos. 2:22, Zach. 2:10, 8:8 enz. Deze

geestelijke weldaden sluiten 6º voor de Oudtest. profetie de verwachting

in van _het herstel van tempel en eeredienst_. Volgens Obadja zal er

op Sion ontkoming zijn; daar wonen de heilanden, die Israel beschermen

en zijne vijanden richten zullen, vs. 17, 21. Joel profeteert, dat de

Heere wonen zal op Sion, zijnen heiligen berg en dat Jeruzalem eene

heiligheid zal zijn, die niet meer voor vreemden toegankelijk en eeuwig

van duur zal zijn, 3:17, 20. Amos verwacht, dat de steden van Palestina

herbouwd en bewoond en Israel er nimmermeer uit verdreven zal worden,

9:14, 15. Micha verkondigt, dat, al zal Sion ook als een akker geploegd

en Jeruzalem tot een steenhoop worden, 3:12, toch de berg van het

huis des Heeren vastgesteld zal zijn op den top der bergen, dat uit

Sion de wet zal uitgaan en des Heeren woord uit Jeruzalem, en dat de

Heere op Sion wonen zal, 4:1, 2, 7, 7:11. Dezelfde gedachte wordt door

Jesaja uitgesproken, 2:2, die er voorts nog aan toevoegt, dat Sion en

Jeruzalem, koningschap en priesterschap, tempel en altaar, offeranden

en feestdagen hersteld zullen worden, 28:16, 30:19, 33:5, 35:10, 52:1,

56:6, 7, 60:7, 61:6, 66:20-23. Evenzoo verwacht Jeremia, dat Jeruzalem

herbouwd, des Heeren troon aldaar gevestigd, en de eeredienst in den

tempel vernieuwd zal worden, 3:16, 17, 30:18, 31:38, 33:18,21. Haggaï

voorspelt, dat de heerlijkheid van den tweeden tempel grooter zal zijn

dan die van den eersten, 2:6-10, en Zacharia verkondigt, dat Jeruzalem

herbouwd en uitgebreid, dat priesterschap en tempel vernieuwd zal

worden en dat God in Jeruzalem te midden van zijn volk wonen zal, 1:17,

2:1-5, 3:1-8, 6:9-15, 8:3v. Maar door geen der profeten wordt dit beeld

der toekomst zoo minutieus uitgewerkt als door Ezechiël. Nadat hij in

hoofdst. 34-37 gezegd heeft, dat Israel en Juda weder door den Heere

vergaderd, als één volk onder den eenigen herder uit Davids huis Hem

ten eigendom aangenomen en met een nieuw hart en een nieuwen geest

begiftigd zal worden, en dan in hoofdst. 38 en 39 voorspeld heeft, dat

Israel, in zijn land teruggekeerd, nog één laatsten aanval van Gog uit

Magog heeft te doorstaan, geeft hij in hoofdst. 40-48 eene uitgewerkte

teekening van het Palestina der toekomst. Het land aan de westzijde van

den Jordaan zal door evenwijdige lijnen verdeeld worden in bijna gelijke

strooken. De bovenste zeven worden bewoond door de stammen Dan, Aser,

Naftali, Manasse, Efraïm, Ruben, Juda, en de benedenste vijf door

Benjamin, Simeon, Issaschar, Zebulon en Gad. Tusschen deze bovenste en

benedenste deelen des lands wordt eene strook lands afgezonderd voor

den Heere. In het midden van deze 25000 el breede en lange strook ligt

een hooge berg; en daarop is de met de heerlijkheid des Heeren vervulde

tempel gebouwd, die 500 el in het vierkant bedraagt en door eene ruimte

van 500 el aan elke zijde is omringd. Daaromheen ontvangen de priesters,

die allen zonen Zadoks moeten zijn, in het zuiden en de Levieten in het

noorden hun woonplaats van 25000 el lengte en 10000 el breedte, terwijl

in het oosten en westen een gedeelte van de heilige strook toegewezen

wordt aan den vorst. De stad Jeruzalem is van den tempel gescheiden en

ligt ten zuiden van het land, dat den priesters is toegewezen, in eene

vlakte van 25000 el lengte en 5000 el breedte. Aan elke zijde van de

stad bevinden zich in den muur drie poorten, naar het getal der stammen

Israels. Op de groote feesten komt heel Israel naar den tempel om te

offeren, maar aan de Heidenen is de toegang tot den tempel verboden.

Indien Israel zoo naar Gods inzettingen leeft, zal het rijken zegen

genieten; van onder den dorpel van de tempeldeur stroomt eene beek,

die voortdurend zich verdiept, het land vruchtbaar en zelfs het water

der doode zee gezond maakt; en aan hare oevers staat geboomte, welks

vruchten tot spijze en welks bladeren tot genezing dienen.

Bij deze geestelijke weldaden komen 7º allerlei _stoffelijke zegeningen_.

Israel zal onder den vredevorst uit Davids huis in veiligheid wonen.

Oorlog zal er niet meer zijn; boog en zwaard worden verbroken, Hos.

2:17, paarden en wagenen verdaan, vestingen vernield, Mich. 5:9, 19,

zwaarden tot spaden en spiesen tot sikkelen geslagen, en allen zullen

neerzitten onder hun wijnstok en vijgeboom, Jes. 2:4, Mich. 4:3, 4, want

het koninkrijk is des Heeren en Hij is hunne sterkte, Ob. 21, Joel 3:16,

17. Het land zal eene buitengewone vruchtbaarheid ontvangen, zoodat

de bergen van zoeten wijn druipen en de heuvelen van melk vlieten;

eene fontein, uitgaande uit het huis des Heeren zal het dorre land

bevochtigen en de woestijn in een Eden herscheppen; het boos gedierte

zal verdreven zijn, vijanden zullen den oogst niet meer rooven, en alle

geboomte, te rechter tijd door malschen regen verkwikt, zal overvloedig

vruchten dragen, Am. 9:13, 14, Hos. 2:17, 20, 21, 14:6, Joel 3:18, Jes.

32:15-20, 51:3, 60:17, 18, 62:8, 9, 65:9, 22, Jer. 31:6, 12-14, Ezech.

34:14, 25, 26, 29, 36:29, 47:1-12, Zach. 8:12, 14:8, 10. Er zal zelfs

een groote omkeer in heel de natuur plaats hebben; de dieren ontvangen

een anderen aard, Jes. 11:6-8, 65:25, hemel en aarde worden vernieuwd

en de vorige dingen niet meer gedacht, Jes. 34:4, 51:6, 65:17, 66:22;

zon en maan worden veranderd, het licht der maan wordt als de zon en

het licht der zon wordt zevenvoudig versterkt, Jes. 30:26; ja zon

en maan houden op, het wordt een eenige dag, want de Heere zal zijn

tot een eeuwig licht, Jes. 60:19, 20, Zach. 14:6, 7. En ook in de

menschenwereld zal de verandering groot zijn. Als Israel vergaderd zal

zijn, zal Palestina van menschen deunen, Mich. 2:12, 13; het zaad der

kinderen Israels zal zijn als het zand der zee, en vooral zal dat van

Davids huis en van de levieten vermenigvuldigd worden, Hos. 1:10,

Jes. 9:2, Jer. 3:16, 33:22. Vanwege de veelheid der menschen en der

beesten zal Jeruzalem niet te meten zijn en dorpsgewijze bewoond moeten

worden, Zach. 2:1-4. Deze wonderbare vermeerdering heeft verschillende

oorzaken. Vele Israelieten zullen, als een gedeelte reeds teruggebracht

is, naar Jeruzalem komen en in den zegen Israels willen deelen, Zach.

2:4-9, 8:7, 8, Jer. 3:14, 16, 18; ja, als de boden des Heeren dien

zegen onder de Heidenen bekend maken, zullen dezen de onder hen nog

wonende Israelieten in wagenen en draagstoelen, met paarden, muildieren

en snelle loopers naar Jeruzalem brengen, Jes. 66:19, 20. Voorts zullen

ook de gestorven Israelieten in die zegeningen deelen. Heel Israel kan

gezegd worden, uit den dood in het leven te zijn wedergebracht, Hos.

6:2, 13:14, Jes. 25:8, Ezech. 37:1-14, maar bepaaldelijk verkondigen

Jesaja, 26:19 en Daniel, 12:2, dat ook de verslagen Israelieten zullen

opstaan en althans voor een deel ten eeuwigen leven zullen ontwaken. En

eindelijk zullen ook alle burgers van het Godsrijk een hoogen ouderdom

bereiken. Er zal daar niet meer zijn een zuigeling van slechts weinige

dagen, noch een oud man, die zijne dagen niet vol maakt, want wie

sterft als een knaap zal honderd jaren oud worden, en de zondaar, die

honderd jaren oud sterft, zal geacht worden, om zijne zonde door een

vloek getroffen en daarom zoo vroeg gestorven te zijn, Jes. 65:20,

cf. Zach. 8:4, 5. Ook zal er geen ziekte meer wezen en geen rouw en

gekrijt, 25:8, 30:19, 65:19, ja de Heere zal den dood vernietigen en

verslinden tot overwinning, 25:8. Eindelijk 8º zullen in dien zegen van

het Godsrijk ook de _Heidenen_ deelen. Door heel de Oudtest. profetie

loopt de gedachte, dat God het bloed zijner knechten aan zijne vijanden

wreken zal. Aan verschillende volken, Philistea, Tyrus, Moab, Ammon,

Edom, Assur, Babel, kondigen daarom de profeten Gods oordeelen aan.

Maar die oordeelen strekken toch niet tot verderf maar tot behoud der

Heidenen; in Abrahams zaad worden alle volken der aarde gezegend.

Wel treedt bij den eenen profeet meer de politieke zijde van deze

onderwerping van de Heidenen onder Israel op den voorgrond, en bij een

ander de godsdienstige, geestelijke zijde. Maar allen verwachten toch,

dat de heerschappij van den Messias zich tot alle volken uitbreiden zal,

cf. Ps. 2, 21, 24, 45, 46, 47, 48, 68, 72, 86, 89, 96, 98 enz. Israel

zal de Heidenen erfelijk bezitten, Am. 9:12, Ob. 17-21; zij zullen wel

geoordeeld worden, Joel 3:2-15, maar alwie den naam des Heeren zal

aanroepen, zal behouden worden, want op Zion is ontkoming, 2:32. De

Heerscher uit Bethlehem zal groot zijn tot aan de einden der aarde en

Israel tegen zijne vijanden beschermen, Mich. 5:3v., maar de Heidenen

zullen toch naar Zion gaan, om des Heeren wegen te leeren, 4:1, 2.

Nadat de Heere alle goden der volken verdelgd heeft, Zef. 2:4-11,

3:8, zullen de eilanden der Heidenen zich voor Hem buigen, en zal Hij

allen volken reine lippen geven, om zijnen naam aan te roepen, 2:11,

3:9. Ethiopië zal den Heere geschenken brengen in Zion, Jes. 18:7,

Egyptenaren en Assyriërs zullen Hem dienen, 19:18-25, Tyrus zal haar

loon den Heere afstaan, 23:15-18, en allen volken zal Hij op Zion een

vetten maaltijd bereiden, 25:6-10; ja de knecht des Heeren zal ook tot

een licht der Heidenen zijn, de heerlijkheid des Heeren door zijne boden

ook onder de volken der aarde bekend maken, en ook door dezen gediend

worden; het huis des Heeren zal een bedehuis zijn voor alle volken;

allen zullen daar offers brengen, den Heere aanbidden en naar zijnen

naam zich noemen, en Israels kudde weiden en zijne akkers bouwen, terwijl

de Israelieten zich als priesters geheel aan den dienst van Ihvh wijden

kunnen, 40-66 passim. Als Israel hersteld en Jeruzalem des Heeren troon

zal zijn, zullen aldaar alle Heidenen om den naam des Heeren vergaderd

worden, zich in den Heere zegenen en in Hem zich beroemen, Jer. 3:17,

4:2, 16:19-21, 33:9. Alle volken zullen aan het eind erkennen, dat de

Heere God is, Ezech. 16:61, 17:24, 25:5v., 26:6, 28:22, 29:6, 30:8v.

Alle Heidenen zullen hunne kostbaarheden naar Jeruzalem brengen en het

huis des Heeren met heerlijkheid vervullen, Hagg. 2:7-10. Zij zullen

komen en zeggen: laat ons heengaan, om te smeeken het aangezicht des

Heeren; en tien mannen zullen de slip van een Joodschen man grijpen

en met hem willen gaan, omdat God met hem is, Zach. 2:11, 8:20-23,

14:16-19. Het volk der heiligen ontvangt de heerschappij over alle

natiën der aarde, Dan. 7:14, 27. Cf. de litteratuur, opgenoemd deel III

232 en voor de Messiaansche verwachtingen bij de Joden in Jezus’ tijd:

Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im Zeitalter J. Chr. 3{te} Aufl. II

496-556.

3. Deze Messiaansche verwachtingen des Ouden Testaments dragen, gelijk

ieder terstond inziet, een zeer eigenaardig karakter; zij bepalen zich

tot eene toekomstige zaligheid op aarde. In het O. T. moge een enkele

maal de geloovige zijne hope uitspreken, dat hij na zijn dood in eeuwige

heerlijkheid zal worden opgenomen, deze verwachting is individueel en

staat op zichzelve; doorgaans richt het oog der profetie zich naar die

toekomst heen, waarin het volk Israels onder den koning uit Davids huis

veilig in Palestina wonen en over alle natiën der aarde heerschen zal.

Van eene opneming der geloovigen aan het einde der tijden in den hemel

der heerlijkheid is geen sprake, de zaligheid wordt niet in den hemel

maar op aarde verwacht. In verband daarmede kent de Oudtest. profetie

slechts ééne komst van den Messias. Wel weet zij, dat de Gezalfde

uit Davids huis geboren zal worden, als dit huis tot verval gekomen

is, en dat Hij aan het lijden van zijn volk deel zal hebben, ja dat Hij

als knecht des Heeren voor zijn volk lijden en zijne ongerechtigheden

dragen zal; Hij zal een gansch ander koning zijn dan de vorsten der

aarde, nederig, zachtmoedig, recht doende, zijn volk beschermende; Hij

zal niet alleen koning maar tevens profeet en priester zijn. Maar de

Oudtest. profetie scheidt in het leven van den Messias den staat der

vernedering en den staat der verhooging nimmer vanéén; zij vat beide in

één beeld saam; zij onderscheidt geen eerste en tweede komst en stelt

de laatste, die ten gerichte is, niet geruimen tijd na de eerste, welke

ter behoudenis strekt. Het is ééne komst, waarbij de Messias aan zijn

volk de gerechtigheid en de zaligheid schenkt en het tot heerschappij

brengt over alle volken der aarde. Het rijk, dat Hij komt stichten, is

daarom ook het voltooide Godsrijk. Zelf zal Hij wel als koning over zijn

volk regeeren maar Hij is dan toch niets meer dan een theocratisch

koning, die niet eigenmachtig heerscht maar in volstrekten zin Gods

regeering verwezenlijkt. De Oudtest. profetie maakt geen onderscheid

tusschen eene Christus- en eene Godsregeering; zij verwacht niet, dat de

Messias uit Davids huis, na tijdelijk geregeerd te hebben, zijn koninkrijk

Gode overdraagt; zij houdt de toekomst, welke zij schildert in het

Messiaansche rijk, niet voor «en tusschentoestand, die aan het einde

voor eene Godsregeering in den hemel plaats moet maken; zij beschouwt

het Messiaansche rijk als den eindtoestand en laat duidelijk het gericht

over de vijanden, het afslaan van den laatsten aanval, de verandering

der natuur, de opstanding uit de dooden aan de stichting en bevestiging

van dit rijk voorafgaan. En dit rijk wordt door alle profeten geschetst

in verven en kleuren, onder vormen en beelden, welke alle ontleend zijn

aan de historische omstandigheden, onder welke zij leefden. Palestina

zal hernomen, Jeruzalem herbouwd, de tempel met zijn offerdienst

hersteld, Edom en Moab en Ammon, Assur en Babel onderworpen, aan

alle burgers een lang leven, een rustig nederzitten onder wijnstok en

vijgeboom geschonken worden; het beeld der toekomst is door en door

Oudtestamentisch, het is geheel en al historisch en nationaal bepaald.

Maar in die aardsche, zinnelijke vormen legt de profetie een eeuwigen

inhoud; de schaal wordt drager van eene onvergankelijke kern, die ook in

het O. Test. er soms door henenbreekt. Terugkeer uit de ballingschap

en waarachtige bekeering vallen samen; de religieuse en de politieke

zijde van Israels overwinning over de vijanden zijn ten nauwste verbonden;

de Messias is een aardsch vorst maar ook een eeuwig koning, een koning

der gerechtigheid, een eeuwig vader voor zijn volk, een vredevorst, een

priesterkoning; de vijanden worden aan Israel onderworpen maar erkennen

daarin, dat de Heere God is en dienen Hem in zijnen tempel; deze tempel

met zijn priesterschap en offerdienst zijn het zichtbaar bewijs, dat alle

burgers des rijks met een nieuw hart en een nieuwen geest den Heere

dienen en wandelen in zijne wegen; en de buitengewone vruchtbaarheid des

lands onderstelt eene gansche verandering der natuur, de schepping van

een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.

Het latere Jodendom bracht in deze Oudtest. verwachtingen allerlei

wijzigingen aan. Van zijne politieke heerschappij beroofd en onder de

volken verstrooid, begon het meer en meer rekening te houden met

het toekomstig lot der individuen en breidde zijn gezichtskring tot

de menschheid en tot heel de wereld uit. Israel zou wel eenmaal op

grond van zijne eigene, wettische gerechtigheid door den Messias tot

eene politieke heerschappij over alle volken gebracht worden; maar dit

Messiaansche rijk droeg een voorloopig, tijdelijk karakter en zou aan

het einde plaats maken voor een rijk Gods, voor eene zaligheid der

rechtvaardigen in den hemel, welke door de opstanding aller menschen

en door het algemeene wereldgericht werd ingeleid. De politieke en

de religieuse zijde, welke in het profetische beeld der toekomst ten

nauwste vereenigd waren, werden op die wijze uiteengerukt. Israel

verwachtte in Jezus’ dagen een zinnelijk, aardsch Messiasrijk, welks

toestand in de vormen en beelden der Oudtest. profetie beschreven werd.

Maar deze beelden en vormen werden nu in letterlijken zin opgevat; de

schaal werd met de kern, de zaak met het beeld, het wezen met den

vorm verwisseld; het Messiaansche rijk werd een politieke heerschappij

van Israel over de volken, eene periode van uitwendigen voorspoed en

bloei. En aan het einde daarvan had eerst na de algemeene opstanding

het wereldgericht plaats, waarbij een ieder geoordeeld werd naar zijne

werken en òf de zaligheid in den hemel tot loon òf de pijniging in de

gehenna tot straf voor zijne daden ontving. Op die wijze ontstond de leer

van het Chiliasme. Wel blijft een groot gedeelte der joodsche apocriefe

litteratuur nog bij de Oudtest. verwachtingen staan. Maar dikwerf,

vooral in de Apoc. van Baruch en in het vierde boek van Ezra, komt

toch de voorstelling voor, dat de heerlijkheid van het Messiaansche

rijk de laatste en de hoogste niet is, maar na een bepaalden tijd, die

menigmaal berekend en in den Talmud bijv. op 400 of op 1000 jaren

gesteld wordt, voor de hemelsche zaligheid van het Godsrijk plaats maken

zal. Het Chiliasme is dus niet van christelijken maar van joodschen

en voorts ook van perzischen oorsprong, boven bl. 426. Het berust

altijd op een compromis tusschen de verwachtingen van eene aardsche

en van eene hemelsche zaligheid en tracht de Oudtest. profetie in

dien zin tot haar recht te laten komen, dat het door haar een aardsch

Messiasrijk voorspeld acht, hetwelk na een bestemden tijd door het

Godsrijk vervangen zal worden. De sterkte van het Chiliasme schijnt nu

wel het Oude Testament te zijn, maar feitelijk is dit niet zoo; het Oude

Testament is beslist niet chiliastisch, het teekent in het Messiasrijk

het voltooide Godsrijk, dat zonder einde is en eeuwig duurt, Dan. 2:44,

en dat door gericht, opstanding en wereldvernieuwing voorafgegaan

wordt. Desniettemin vond het bij de Joden en ook bij vele Christenen

geloof en kwam telkens weer op, als de wereld hare Gode vijandige macht

ontwikkelde en de kerk deed lijden onder vervolging en druk. In den

oudsten tijd treffen wij het aan bij Cerinthus, in het testament der

XII patriarchen, bij de Ebionieten, bij Barnabas, Papias, Irenaeus,

Hippolytus, Apollinaris, Commodianus, Lactantius, Victorinus. Maar

het Montanisme maande tot voorzichtigheid; Gnostieken, Alexandrijnsche

theologen en vooral ook Augustinus bestreden het ten sterkste, en

de veranderde toestand der kerk, die de wereldmacht overwonnen had

en zichzelve hoe langer hoe meer voor het Godsrijk op aarde hield,

deed het langzamerhand geheel uitsterven. Bij vernieuwing kwam het op

vóór en tijdens de Reformatie, toen velen Rome als de valsche hoer en

den paus als den antichrist gingen beschouwen; het herleefde bij de

Wederdoopers, de Davidjoristen, de Socinianen, en stierf sedert niet

meer uit, ofschoon de officieele kerken het verwierpen. De politieke

beroeringen, de godsdienstoorlogen, de vervolgingen, de sectarische

bewegingen schonken er telkens nieuw leven aan. In Boheme werd het

gepredikt door Paul Felgenhauer en Comenius; in Duitschland door Jakob

Böhme, Ezechiel Meth, Gichtel, Petersen, Horche, Spener, J. Lange, S.

König; in Engeland door Joh. Archer, Newton, Joseph Mede, Jane Leade en

vele Independenten; in Nederland door Labadie, Ant. Bourignon, Poiret

enz. Zelfs Gereformeerde theologen neigden tot een gematigd Chiliasme,

zooals Piscator, Alsted, Jurieu, Burnet, Whiston, Serarius, Coccejus,

Groenewegen, Jac. Alting, d’Outrein, Vitringa, Brakel, Jungius, Mommers

e. a., cf. H. Brinck, Toetssteen der waarheid en meeningen 1691 bl.

656v. Voetius, Disp. II 1266-1272. Maresius, Syst. Theol. VIII 38.

Moor VI 155. M. Vitringa IX. Marck, Exspectatio gloriae futurae Jesu

Christi, 2 tomi, L. B. 1730. In de 18e en 19e eeuw vond het onder den

druk der maatschappelijke en staatkundige revolutiën niet alleen ingang

bij de Swedenborgianen, de Darbysten, de Irvingianen, de Mormonen, de

Adventisten enz., maar werd het na de realistische richting, ingeslagen

door Bengel, Oetinger, Ph. M. Hahn, J. M. Hahn, Hasenkamp, Menken,

Jung-Stilling, J. F. von Meyer enz., ook omhelsd door vele theologen in

de kerken der Reformatie, zooals Rothe, Theol. Ethik § 586 f. Hofmann,

Weiss. u. Erf. II 372 f. Delitzsch, Die bibl. proph. Theol. 6 f. Beck,

Christl. Gl. II. Auberlen, Der Prophet Daniel und die Offenb. Joh. 2e

Aufl. 1857 S. 372 f. Martensen, Dogm. § 280. Lange, Dogm. II 1271 f.

Luthardt, Die Lehre v. d. letzten Dingen³ 1885. Komp. d. Dogm. § 76.

Frank, Chr. Wahrh. II 463 f. Vilmar, Dogm. II 307. Ebrard, Dogm. § 572

f. Oosterzee, Dogm. § 146. Saussaye, cf. mijne Theol. v. Ch. d. l. S.

71. Bogue, Redevoeringen over het duizendj. rijk, Gron. 1825. Guers,

Israels toekomst en herstel benevens eene schets van het duizendj. rijk

Amst. 1863. John Cumming, De groote verdrukking Amst. 1861. Id. De

verlossing nabij 1862. Id. De duizendj. rust 1863. Id. Beschouwingen

over het duizendj. rijk 1866 enz. Seiss, De komende Christus, Brussel

1892. Art. Chiliasmus in Herzog³ 3, 805-817 en de daar aangehaalde litt.

4. De grondgedachten van het Chiliasme zijn vrijwel bij allen dezelfde;

zij komen hierop neer, dat er eene tweeërlei wederkomst van Christus

en eene dubbele opstanding te onderscheiden valt; dat Christus bij

zijne eerste wederkomst de antichristelijke macht overwinnen, den Satan

binden, de gestorven geloovigen opwekken, de gemeente, inzonderheid

de gemeente van het bekeerde en naar Palestina teruggebrachte Israel

rondom zich vergaderen, van uit die gemeente over de wereld heerschen

en voor zijn volk een tijdperk van geestelijken bloei en stoffelijke

welvaart zal doen aanbreken; en dat Hij aan het einde van dien tijd

nog eenmaal wederkomen zal, om alle menschen uit den dood op te

wekken, voor zijn richterstoel te oordeelen en hun eeuwig lot te

bepalen. Maar deze grondgedachten laten toch allerlei wijzigingen toe.

De aanvang van het duizendjarig rijk werd verschillend bepaald; op

voorgang van den brief van Barnabas leerden vele kerkvaders en later

ook de Coccejanen, dat het beginnen zou met het zevende millennium

der wereld; de Fifth-monarchmen lieten het aanvangen na den val van

het vierde wereldrijk; Hippolytus stelde zijn begin in het jaar 500,

Groenewegen in 1700, Whiston in 1715 en later in 1766, Jurieu in 1785,

Bengel in 1836, Stilling in 1816 enz. De duur werd bepaald op 400

(4 Ezra) of 500 (Evang. van Nicodemus) of duizend (Talmud enz.) of

tweemaal duizend (Bengel) of slechts 7 (Darby) of ook een onbepaald

aantal jaren, zoodat het getal in Op. 20:2, 3 symbolisch opgevat

wordt (Rothe, Martensen, Lange enz.). Enkelen meenen, dat er voor

de oprichting van het duizendjarig rijk geen wederkomst van Christus

(Kurtz); of althans geen zichtbare wederkomst (Darby), of eene slechts

voor de geloovigen zichtbare wederkomst (Irving) zal plaats hebben,

en dat er geen opstanding der geloovigen vóór het millennium behoort

aangenomen te worden (Bengel). Velen nemen wel aan, dat Christus na

zijne eerste wederkomst op aarde blijft, maar anderen zijn van meening,

dat Hij slechts even verschijnt, om zijn rijk op te richten en daarna

weder in den hemel zich terugtrekt. De regeering van Christus in het

millennium geschiedt volgens Piscator, Alsted enz. van uit den hemel.

In die heerschappij deelen dan de opgestane martelaren, die of in den

hemel werden opgenomen (Piscator) of op aarde achterbleven (Alsted),

of al de opgestane geloovigen, die hier op aarde blijven (Justinus,

Irenaeus enz.) of die Christus bij zijne verschijning in de wolken

tegemoet gevoerd worden in de lucht (Irving), of vooral het volk

Israel. Want doorgaans verwachten de chiliasten eene volksbekeering

van Israel, en de meesten stellen zich voor, dat het bekeerde Israel

naar Palestina zal teruggebracht worden en daar de voornaamste burgers

van het duizendjarig rijk zullen zijn (Jurieu, Oetinger, Hofmann,

Auberlen enz.). Als men een blijven van Christus op aarde na zijne eerste

wederkomst aanneemt, bepaalt men gewoonlijk het herbouwde Jeruzalem

als zijne woonplaats, hoewel de Montanisten indertijd aan Pepuza en

de Mormonen thans aan hun Zoutzeedal denken. Herstel van tempel en

altaar, van priesterschap en offerande werd in den regel, als al te

duidelijk met het Nieuwe Testament in strijd, verworpen, maar vond toch

nog verdediging bij de Ebionieten en in den nieuweren tijd bij Serarius,

Oetinger, Hess e. a. Van karakter en toestand van het duizendjarig

rijk maakt men zich zeer verschillende voorstellingen. Soms wordt het

beschreven als een rijk van zinnelijke genietingen (Cerinthus, Ebionieten

enz.); dan weer wordt het meer geestelijk opgevat, en alle genot van

spijze en drank, alle huwelijk en voortplanting eruit verwijderd (Burnet,

Lavater, Rothe, Ebrard). Meestentijds wordt het millennium beschouwd

als een overgangstoestand tusschen het Diesseits en het Jenseits; het

is een rijk, waarin de geloovigen voor de aanschouwing Gods worden

voorbereid (Irenaeus); waarin zij rust en vrede genieten, zonder nog

geheel van de zonde verlost en boven den dood verheven te zijn; waarin

de natuur (Irenaeus) en ook de menschen (Lactantius) buitengewoon

vruchtbaar zullen zijn; en waarin naar eene later geliefkoosde gedachte

de gemeente vooral haar zendingswerk aan de menschheid volbrengen zal

(Lavater, Ebrard, Auberlen enz.). Al deze wijzigingen formuleeren even

zoovele bezwaren tegen het Chiliasme; reeds voor de profetie van het

Oude Testament, waarop het zich bij voorkeur beroept, kan het niet

bestaan. Want, behalve dat, gelijk boven reeds gezegd is, het Oude

Testament in het Messiaansche rijk geen voorloopigen, tijdelijken toestand

maar het eindresultaat der wereldgeschiedenis ziet, maakt het Chiliasme

in de verklaring der profetie aan de grootste willekeur zich schuldig.

Het verdubbelt de wederkomst van Christus en de opstanding der dooden,

zonder dat het Oude Testament daar iets van weet. Het mist alle

regel en methode bij de uitlegging en maakt willekeurig halt, naar de

subjectieve meening van den interpreet. De profeten verkondigen allen

even luide en even krachtig, niet alleen de bekeering van Israel en

van de volken, maar ook den terugkeer naar Palestina, den herbouw van

Jeruzalem, het herstel van tempel, priesterschap en offerdienst enz. En

het is niets dan willekeur, den eenen trek van dit beeld letterlijk en

den anderen geestelijk op te vatten. Het is één beeld der toekomst, dat

de profetie ons teekent. En dit beeld is òf letterlijk te nemen, gelijk

het zich geeft, maar dan breekt men met het Christendom en valt in het

Jodendom terug; òf er is van dit beeld eene gansch andere verklaring te

geven, dan het Chiliasme beproeft. Zulk eene verklaring wordt door de

Schrift zelve ons aan de hand gedaan en moet door ons aan haar worden

ontleend.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 15 / 83 题