Over de Laatste Dingen.
§ 54. DE TUSSCHENTOESTAND.
1. Gelijk oorsprong en wezen, zoo is ook het einde der dingen ons
onbekend. Op de vraag: waarheen, geeft de wetenschap een evenmin
bevredigend antwoord als op die, vanwaar alle dingen zijn. En toch
heeft de religie dringend behoefte, om iets te weten van de bestemming
van den enkelen mensch, van menschheid en wereld. Alle volken hebben
daarover dan ook eene of andere gedachte en alle godsdiensten bevatten
eene soort van eschatologie. Wel zijn er nog, die beweren, dat het
geloof aan de onsterfelijkheid der ziel oorspronkelijk volstrekt niet
aan alle menschen eigen is en nog heden ten dage, bijv. bij de Weddas
op Ceylon, bij de indische Seelongs e. a. ontbreekt, Büchner, Kraft
und Stoff{16} 423. Häckel, Die Welträthsel, Bonn 1899 S. 223. Op het
standpunt der evolutie kan ook het geloof aan God, aan het zelfstandig
bestaan der ziel en aan hare onsterfelijkheid geen oorspronkelijk
bestanddeel der menschelijke natuur hebben uitgemaakt, maar moet het
langzamerhand en toevallig door allerlei omstandigheden ontstaan
en ontwikkeld zijn. Voorvadervereering, liefde tot afgestorven
bloedverwanten, levenslust en de wensch tot levensverlenging, hoop op
betere levensverhoudingen aan de andere zijde des grafs, vrees voor
straf en hoop op belooning enz. zijn dan de oorzaken geweest, die het
onsterfelijkheidsgeloof allengs hebben doen opkomen. Maar daartegenover
getuigen de meeste en de beste beoefenaars van de geschiedenis
der godsdiensten, dat het geloof aan de onsterfelijkheid bij alle
volken voorkomt en een bestanddeel is ook van de laagste en ruwste
godsdiensten. Wij treffen het overal en op iederen trap van ontwikkeling
aan, waar geen wijsgeerige twijfelingen het ondermijnd of andere oorzaken
het op den achtergrond gedrongen hebben en overal is het ook met den
godsdienst verbonden, Tiele, Inl. tot de godsdienstwetenschap, tweede
reeks Amst. 1899 bl. 97. Peschel, Volkerkunde⁵ 257. Men kan zelfs
zeggen, dat dit geloof oorspronkelijk iets zeer natuurlijks was. Evenals
de auteur van het paradijsverhaal in Genesis, zegt Tiele, t. a. p. bl.
197, gaan de volken allen uit van de overtuiging, dat de mensch van
nature onsterfelijk is en dat niet de onsterfelijkheid bewezen, maar de
dood moet verklaard worden. De dood schijnt iets tegennatuurlijks. Er
moet wat gebeurd zijn, waardoor iets zoo onlogisch in de wereld kwam.
De sagen van allerlei volken, verschillend in afkomst en ontwikkeling,
drukken dat denkbeeld uit. Er was een tijd, dat er noch ziekte noch
dood was op aarde. De „eenvoudige natuurmensch” kan zelfs nog niet
gelooven aan den dood, als hij hem ziet voor zijne oogen. Het is een
slaap, zegt hij, een toestand van bewusteloosheid; de geest heeft
het lichaam verlaten maar kan nog terugkeeren. Daarom wacht hij nog
eenige dagen, om te zien of dit niet geschieden zal. En als de geest
van den doode niet terugkeert, houdt men het ervoor, dat hij slechts
verdwenen is, om ergens, waar ook, in een ander lichaam in te gaan
of met de bovenaardsche geesten te verkeeren. De vormen, waarin dit
leven der ziel na den dood werd voorgesteld, waren zeer verschillend
en werden dikwerf ook met elkander verbonden en vermengd. Nu eens
dacht men, dat de zielen na den dood in de nabijheid van het graf
bleven voortleven en tot haar bestaan de voortdurende verzorging der
bloedverwanten behoefden, of ook in de onderwereld, in den hades,
ver verwijderd van goden en menschen, een treurig, schimachtig leven
leidden. Dan weder geloofde men, dat de zielen der afgestorvenen,
evenals zij soms reeds vóór haar wonen in het menschelijk lichaam
allerlei gedaanteverwisselingen hadden ondergaan, zoo ook na het
verlaten daarvan nog een tijd lang in andere lichamen van dieren en
menschen moesten vertoeven, om zich te louteren, de volmaaktheid
te bereiken en in de Godheid of in een bewusteloos Nirvana op te
gaan. Of ook werd geleerd, dat de zielen terstond na den dood in het
Goddelijk gericht kwamen, en indien zij het goede gedaan hadden, over
de gevaarlijke doodenbrug ingingen in het land der zaligen, waar
zij leefden in gemeenschap der goden, of ook, indien zij het kwade
hadden gedaan, neerstortten in eene plaats van eeuwige duisternis en
pijniging. Cf. het tweede deel van C. W. Flügge, Gesch. des Glaubens an
Unsterblichkeit, Auferstehung, Gericht und Vergeltung, Leipzig 1795.
Spiess, Entwicklungsgesch. der Vorstellungen vom Zustande nach dem Tode
auf Grund vergl. Religionsforschung 1877. Knabenhauer, Das Zeugniss
des Menschengeschlechts über die Unsterblichkeit der Seele, Freib.
1878. Merschmann, Die Idee der Unsterblichkeit in ihrer gesch. Entw.,
Berlin 1870. Pfleiderer, Religionsphilos. 1896 S. 625 f. Runze, art.
Unsterblichkeit in Herzog² 16, 189 vooral 198 f. Id. Die Psychologie
des Unsterblichkeitsglaubens und der Unsterblichkeitsleugnung, Berlin
1894.
De leer van de persoonlijke onsterfelijkheid ging uit de religie over
in de philosophie. Nadat Pythagoras, Heraclitus en Empedocles reeds
waren voorgegaan, trachtte vooral Plato zijn religieus geloof aan de
onsterfelijkheid in den Phaedo met philosophische redeneeringen te
staven. Zijne bewijzen komen hierop neer, dat de ziel, die de kennis der
ideeën uit de herinnering put, reeds vóór haar wonen in het lichaam
bestaan heeft en zoo ook na het verlaten van dat lichaam voortbestaan
zal; dat zij door haar denkende beschouwing van de eeuwige ideeën aan
het goddelijke wezen verwant en door hare beheersching van het lichaam
en zijne begeerten als iets zelfstandigs en eenvoudigs verre boven het
lichaam verheven is; en vooral, dat zij als principe des levens en
met het leven identisch, niet als niet-levend en vergankelijk gedacht
worden kan. Met deze leer over de onsterfelijkheid der ziel verbindt
hij dan allerlei voorstellingen over voorbestaan, val, vereeniging met
het lichaam, oordeel, zielsverhuizing, die voor een voornaam deel een
mythisch karakter dragen en ook door Plato zelven zeker niet alle in
wetenschappelijken zin bedoeld zijn. Hoewel andere wijsgeeren, zooals
Democritus, Epicurus, Lucretius de onsterfelijkheid der ziel bestreden
of er zich, gelijk Aristoteles, niet beslist over uitspraken, had de
leer van Plato op theologie en philosophie een verbazend grooten
invloed. De mythische bestanddeelen van praeëxistentie, metempsychose
enz. vonden dikwerf bij sectarische richtingen ingang. En de theologie
wijdde onder Plato’s invloed aan de onsterfelijkheid der ziel veel
grooter aandacht dan de H. Schrift. De leer van de natuurlijke
onsterfelijkheid der ziel werd een articulus mixtus, welks waarheid nog
meer uit de rede dan uit de openbaring werd betoogd, Tert., de an. 22.
Orig., de princ. VI 36. Iren., adv. haer. II 34 enz., bij de Geref.,
Heppe, Dogm. 166. Toch bleef er altijd eenig verschil. Het besef stierf
nooit geheel en al uit, dat de H. Schrift aan leven en dood, behalve
eene physische, ook steeds eene religieus-ethische beteekenis hecht.
Leven is bij haar nooit alleen voortbestaan en dood is nimmer aan
vernietiging gelijk, maar leven sluit in gemeenschap met God en dood
is gemis van zijne genade en gunst. Vandaar dat de kerkvaders telkens
zeggen, dat Christus gekomen is, om ons de ἀθανασια te schenken en
het soms den schijn hebben kan, alsof zij de natuurlijke onsterfelijkheid
der ziel loochenden. En daar kwam nog bij, dat men Plato’s leer van de
praeëxistentie, dat is van de ongeschapenheid der ziel bestrijden moest
en om die reden soms bezwaar maakte, om de ziel van nature onsterfelijk
te noemen, wijl God alleen onsterfelijk was door zichzelven en de ziel
slechts onsterfelijk kon wezen door zijn wil, Just. Dial. 5. Theophylus,
ad Autol. II 27. Dit moet men in het oog houden bij het onderzoek, of
er onder de kerkvaders ook voorstanders waren van de conditioneele
onsterfelijkheid. Want al leerde ook een enkele, zooals Arnobius, eene
vernietiging der booze zielen en al nam Tatianus aan, dat de ziel bij
den dood met het lichaam stierf, om aan het einde der dagen wederom op
te staan, het geloof was toch algemeen, dat de ziel krachtens de door
God haar geschonken natuur onsterfelijk was, Münscher- v. Coelln, D.
G. I 333 f. Harnack, D. G. I 449. Dr. Jonker, Theol. Studiën I 167v.
Atzberger, Gesch. d. christl. Eschat. 118 f. 187 f. 222 f. 338 f. 577
f. Ook in de wijsbegeerte behield Plato’s leer van de onsterfelijkheid
eene belangrijke plaats. Cartesius vatte geest en stof, ziel en lichaam
op als twee gescheiden substantiën, die ieder haar eigen attribuut
hadden, n.l. denken en uitgebreidheid, ieder voor zichzelf konden
bestaan en daarom niet anders dan mechanisch vereenigd konden zijn.
Spinoza nam deze zelfde twee attributen aan maar beschouwde ze als
verschijningsvormen der ééne, eeuwige, oneindige substantie, als twee
zijden van dezelfde zaak, die niet uit elkander kunnen vallen maar
altijd bij elkaar zijn als subject en object, als beeld en tegenbeeld,
als idea en res. Voor de onsterfelijkheid was er in zijn stelsel geen
plaats, en hij had er ook geen behoefte aan, want quamvis nesciremus,
mentem nostram aeternam esse, pietatem et religionem et absolute omnia,
quae ad animositatem et generositatem referri ostendimus in quarta
parte, prima haberemus, Eth. V 41. De wijsbegeerte der achttiende eeuw
was echter Spinoza niet genegen; zij droeg een deistisch karakter,
vergenoegde zich met de trilogie van God, deugd en onsterfelijkheid en
achtte van deze drie de laatste nog de meeste. Op voorgang van Leibniz,
Wolf, Mendelssohn e. a. werd hare waarheid met allerlei metaphysische,
theologische, kosmische, moreele en historische bewijzen betoogd en
met sentimenteele beschouwingen over een zalig herkennen en wederzien
aan gene zijde des grafs aangedrongen, litt. bij Bretschneider, Syst.
Entw. 824. De uitspraak van den dichter in Ps. 73:25 werd naar het
woord van Strauss omgezet in deze andere: wenn ich nur mein Ich in
Sicherkeit habe, so frage ich nichts nach Gott und Welt. Aan die
zekerheid werd echter door Kant een einde gemaakt, doordat hij de
ongenoegzaamheid aantoonde van alle bewijzen, voor de onsterfelijkheid
der ziel aangevoerd, en deze alleen aannemelijk achtte als postulaat
der practische rede. Schleiermacher stelde tegenover de egoistische
wenschen van het rationalisme zijn woord: wer nicht gelernt hat, mehr zu
sein als er selbst, der verliert wenig, wenn er sich selbst verliert,
en kende geen andere en hoogere onsterfelijkheid, dan om mitten in der
Endlichkeit eins zu werden mit dem Unendlichen und ewig zu sein in
jedem Augenblick, Reden über die Religion II, cf. Chr. Gl. § 158, 1. En
de idealistische philosophie van Fichte, Schelling, Hegel, liet voor de
onsterfelijkheid der ziel in ’t geheel geen plaats over, al aarzelde zij,
om op dit punt haar intieme gedachte open uit te spreken. Het boek van
Fr. Richter, Die Lehre Von Den Letzten Dingen 1833, bracht echter de
consequentie van Hegels stelsel aan het licht en baande, in weerwil van
veler tegenspraak, den weg tot het materialisme, dat reeds luide door
Feuerbach gepredikt en later door Vogt, Moleschott, Büchner, Häckel
e. a. met zoogenaamd natuurwetenschappelijke argumenten gesteund werd.
Op de philosophie hebben deze redeneeringen zooveel indruk gemaakt,
dat zij de onsterfelijkheid der ziel geheel prijs geeft, Strauss, Chr.
Gl. II 738. Id. Der alte und der neue Glaube² 123 f. Schopenhauer, Die
Welt u. s. w. I 330. Hartmann, Religionsphilos. II 232, of hoogstens
hare mogelijkheid betoogt en slechts van eene hope der onsterfelijkheid
spreekt, Hoekstra, De hoop der onsterfelijkheid 1867. Rauwenhoff,
Wijsbeg. v. d. godsd. 811. Ook theologen hechten dikwerf aan de bewijzen
voor de onsterfelijkheid der ziel slechts geringe of in het geheel geen
waarde, Vilmar, Dogm. II 295. Runze in Herzog² 16, 211 f. Frank, Chr.
Wahrheit II 437 f. Maar tegenover hen staan nog altijd vele mannen van
naam, die alle of sommige of althans een enkel van de bewijzen sterk
genoeg achten, om daarop een vast geloof aan de onsterfelijkheid der
ziel te bouwen, Weisse, Philos. Dogm. § 952-972. Fichte, Die Idee der
Persönl. u. d. indiv. Fortdauer 1834. Id. Die Seelenfortdauer u. die
Weltstellung des Menschen 1867. Göschel, Von den Beweisen für die
Unsterbl. der menschl. Seele 1835. Art. Unsterblichkeit in Herzog{1 en
2}. Kahnis, Dogm. II 485 f. Dorner, Gl. II 916 f. Luthardt, Komp. d.
Dogm. § 75. W. Schmidt, Christl. Dogm. 492 f. Doedes, Leer v. God 248.
Oosterzee, Dogm. § 68 enz.
2. De bewijzen voor de onsterfelijkheid der ziel, aan historie en rede
ontleend, geven geen afdoende zekerheid maar zijn toch niet van belang
ontbloot. In de eerste plaats is het al van beteekenis, dat het geloof
aan de onsterfelijkheid bij alle volken, op iederen trap van ontwikkeling
voorkomt. De consensus gentium is hier even sterk als bij het geloof
aan God, Cic. Tusc. I 3. De verschillende overwegingen, waaruit men
het geloof aan de onsterfelijkheid afgeleid heeft, zooals bijv. uit de
vrees voor den dood en den dorst naar het leven, de ervaringen van
droom en extase, het raadsel van den dood en de onmogelijkheid, om
zich eene absolute vernietiging van het denkend wezen des menschen
voor te stellen, de vrees voor straf en de hoop op belooning, cf.
Herzog² 16, 206-211, kunnen het geloof aan de onsterfelijkheid wel
aposteriori steunen en bevestigen, maar zij geven geen bevredigende
verklaring van zijn ontstaan. Ook waar dergelijke overwegingen
ontbreken of waardeloos worden geacht, komt toch het geloof aan de
onsterfelijkheid voor. De wensch, om voort te bestaan, is dikwerf bij
vele menschen zwakker dan die, dat met den dood aan het bestaan een
einde kwame. De hoop op belooning verklaart het geloof niet bij hen,
die alle zelfzucht afgestorven zijn en in de gemeenschap met God de
hoogste zaligheid hebben gevonden. De gedachte aan vergelding is
vreemd aan de voorstellingen van het voortbestaan als een schaduwachtig
schimmenleven. Het raadsel van den dood doet niet, dan bij hooge
uitzondering, tot de onsterfelijkheid van dieren en planten besluiten.
En de ervaringen van droom en extase dooven het besef niet uit van het
wezenlijk onderscheid, dat tusschen deze verschijnselen en het sterven
bestaat. Veeleer hebben wij bij dit geloof aan de onsterfelijkheid der
ziel evenals bij dat aan het bestaan van God met eene overtuiging te
doen, die niet uit nadenken en redeneering verkregen is maar aan alle
reflectie voorafgaat en spontaan uit de menschelijke natuur opkomt.
Het is vanzelf sprekend en natuurlijk en wordt overal aangetroffen,
waar geen wijsgeerige twijfelingen het ondermijnd hebben. Met het
bewustzijn van het eigen, zelfstandig, individueel bestaan ontwaakt
ook dat van den persoonlijken voortduur. Het zelfbewustzijn, niet het
afgetrokken zelfbewustzijn, waarvan de psychologie handelt, maar het
zelfbewustzijn van den mensch als persoonlijk, zelfstandig, redelijk,
zedelijk, godsdienstig wezen sluit overal en altijd het geloof aan de
onsterfelijkheid in, dat daarom ook geen bloote wensch of begeerte,
geen conclusie uit praemissen is, maar een machtig, onuitroeibaar,
tegen alle redeneering en bestrijding zich handhavend getuigenis
der menschelijke natuur zelve. En de zoogenaamde bewijzen voor de
onsterfelijkheid zijn niets anders dan verschillende pogingen, welke
dit geloof in den weg der redeneering aanwendt, om zich denkende
eenigermate rekenschap van zichzelf te geven, zonder dat het daarvan
ooit in werkelijkheid afhangt of zichzelf afhankelijk maakt. Daarin ligt
hun kracht en tegelijkertijd hun zwakheid; getuigenissen zijn het van,
geen gronden voor het geloof; het weten blijft verre achter het gelooven
terug.
Het _ontologisch_ bewijs, dat uit de idee der onsterfelijkheid tot hare
waarheid besluit, overbrugt, evenmin als het ontologisch bewijs voor
het bestaan van God, deel II 53, de klove, die het denken scheidt
van het zijn. Het formuleert alleen het besef, dat het geloof aan
onsterfelijkheid bij den mensch geen willekeur of toeval is, maar met
zijne natuur is gegeven en in zedelijken zin voor hem noodzakelijk is. De
mensch ontleent de idee der onsterfelijkheid niet aan de wereld om hen
heen, want deze predikt hem niets dan vergankelijkheid en dood; maar
zij wordt hem opgedrongen door zijn eigen natuur. Gelijk God zich niet
onbetuigd laat maar tot ons spreekt uit al de werken zijner handen,
zoo dringt zich aan den mensch uit zijn eigen wezen de overtuiging
op, dat hij niet vergaat als de dieren des velds. En dat beoogt het
ontologisch bewijs aan te toonen; het overschrijdt de grens van het
denken tot het zijn niet, maar het geeft uiting aan de algemeenheid,
de noodzakelijkheid en de aprioriteit van het onsterfelijkheidsgeloof.
Een stap verder gaat het _metaphysisch_ bewijs, dat uit de natuur der
ziel tot hare onsterfelijkheid concludeert. Het kan dit echter doen en
doet het op verschillende wijzen. Men kan er op wijzen, dat de ziel als
principe des levens en met het leven identisch, onaantastbaar is voor
den dood; of dat zij blijkens de eenheid van het zelfbewustzijn, eene
ondeelbare, eenvoudige eenheid vormt, alle samenstelling mist en daarom
voor geen ontbinding vatbaar is; of dat zij, onder alle wisselingen
van de stof en alle veranderingen van het lichaam, wederom blijkens
het zelfbewustzijn steeds met zichzelf identisch blijft en dus een van
het lichaam onafhankelijk, zelfstandig bestaan en leven geniet; en
langs deze verschillende wegen kan men dan trachten te komen tot het
besluit, dat de ziel onsterfelijk is. Maar er zijn tegen dit argument
zeer ernstige bezwaren ingebracht. Al is de ziel ook een actief,
levend principe, zij is toch nooit met het leven zelf identisch. God
alleen is het leven zelf; Hij alleen is onsterfelijk, 1 Tim. 6:16.
Indien de ziel blijft voortbestaan, kan dat alleen geschieden door Gods
alomtegenwoordige en almachtige kracht. De ziel is een schepsel, en dus
beperkt, eindig, relatief, nooit van alle passiviteit en samenstelling,
van alle verandering en wisseling volkomen vrij. Trouwens, wij zien het
voor onze oogen, dat zij verandert, toeneemt of afneemt in kennis en
kracht, afhankelijk is van het lichaam en allerlei invloeden ondergaat.
En de subjectieve eenheid en identiteit van het ik bewijst volstrekt
niet de objectieve eenheid en eenvoudigheid der ziel of zou, indien
zij deze bewees, ook de onsterfelijkheid van planten of althans van
dieren bewijzen, gelijk deze dan ook consequent door Leibniz, Bonnet,
Bilderdijk e. a. aangenomen werd. Maar tegenover deze bedenkingen staat
het onwedersprekelijk feit, dat het leven uit mechanische stofwisseling
niet is te verklaren en op een eigen principe terugwijst. Omne vivum ex
vivo is nog heden ten dage het laatste woord der wetenschap. En wat
van het leven in het algemeen geldt, geldt in nog sterkere mate van
het bewuste leven; de primitiefste gewaarwording is reeds door eene
ondempbare klove van elke zenuwtrilling gescheiden. Wij treden daarmede
eene gansch nieuwe, hoogere wereld in, die wezenlijk verschilt van
die der zinnelijke, tastbare, weeg- en meetbare dingen. Dat het leven
en zoo ook het bewuste leven aan de zinnelijke wereld gebonden en met
haar ten nauwste vereenigd is, was reeds lang bekend en is waarlijk
geen ontdekking der nieuwere wetenschap te noemen. Maar dat het in
de zinnelijke wereld zijn oorzaak heeft, is wel menigmaal beweerd maar
tot dusver door niemand bewezen. Het metaphysisch bewijs behoudt zijne
waarde, voorzoover het uit de eigensoortige psychische verschijnselen
tot een van de stof onderscheiden, zelfstandig, geestelijk principe
besluit. Toch blijft dan nog altijd het bezwaar bestaan, dat op dezelfde
wijze bij planten of althans bij dieren geredeneerd en geconcludeerd
worden kan, en dat hunne onsterfelijkheid toch niet aannemelijk is.
Daarom moet aan het metaphysisch vervolgens het _anthropologisch_
bewijs worden toegevoegd, dat uit het eigenaardige van het psychisch
leven van den mensch tot een van dieren en planten onderscheiden
geestelijk bestaan besluit. De ziel van het dier, ofschoon ook
eenvoudig en zelfstandig tegenover de wisseling der stof, is op het
zinnelijke gericht; zij is beperkt binnen het eindige; zij leeft in het
tegenwoordige; zij is zoo gebonden aan het lichaam, dat zij daarbuiten
niet kan bestaan. Maar de mensch heeft niet alleen gewaarwording en
waarneming, maar ook verstand en rede; door het denken gaat hij boven
de zinnelijke, stoffelijke, eindige wereld uit; hij verheft zich tot
het ideale, het logische, tot het ware, goede en schoone, dat met de
oogen niet gezien en de handen niet getast worden kan; hij zoekt een
duurzaam, eeuwig geluk, een hoogste goed, dat deze wereld hem niet
schenken kan, en is door dit alles burger en inwoner van een ander,
hooger rijk dan dat der natuur. Het redelijk, zedelijk, godsdienstig
bewustzijn van den mensch duidt op een psychisch bestaan, dat boven de
zienlijke wereld uitgaat; wat krachtens zijne natuur het eeuwige zoekt,
moet voor de eeuwigheid bestemd zijn. Daarbij komt nog het _moreele_ en
het _vergeldingsbewijs_, dat de disharmonie aantoont, die er in dit
leven tusschen ethos en physis bestaat, en daaruit tot een ander leven
besluit, waarin beide verzoend zijn. Men brenge hiertegen niet in, dat
dit bewijs op egoisme berust en dat de deugd haar loon en de zonde
haar straf in zichzelve draagt, Spinoza, Eth. V 41. 42. Strauss, Gl.
II 706 f. Want dit wisten de vromen van alle eeuwen wel, dat God om
zichzelf gediend worden moest en niet om eenig loon, cf. ook Calvijn,
Inst. III 2, 26. 16, 2. Maar desniettemin hielden zij staande dat zij,
indien zij alleen in dit leven op Christus waren hopende, de ellendigste
van alle menschen zouden zijn, 1 Cor. 15:17, 19, 30, 32. Want er is
hier volstrekt niet de bevrediging van een zelfzuchtig verlangen in
het spel, maar er is hiermede niet minder gemoeid dan de heerschappij
en de triumf van het recht. De vraag, die aan het moreele bewijs ten
grondslag ligt, is deze: zal aan het einde het goede of het kwade,
God of Satan, Christus of Antichrist het winnen? De historie geeft
daarop geen afdoend antwoord. Van het standpunt van het Diesseits is
er geen bevredigende verklaring der wereld mogelijk; dan is er maar al
te veel grond voor pessimistische vertwijfeling. En daarom eischt het
rechtsgevoel, hetwelk de rechtvaardige God zelf diep in des menschen
hart heeft geplant, dat er rechtsherstel kome aan het einde der
dagen, dat er harmonie zij tusschen deugd en geluk, tusschen zonde en
straf, dat de waarheid het eeuwiglijk winne van de leugen en het licht
van de duisternis. Al is terecht gezegd, dat le néant fut toujours
l’horizon des mauvaises consciences, zelfs zij, die van een leven na
dit leven niets goeds te hopen hebben, worden door hun rechtsbesef
van de noodzakelijkheid van dit rechtsherstel overtuigd. Indien het
recht niet zegepraalt aan het einde, dan is er geen recht. En indien
God ten slotte niet blijkt, de overwinnaar van Satan te zijn, is het
leven de moeite van het leven niet waard. Niet een egoistische wensch,
maar een diep rechtsgevoel, de dorst naar harmonie, verlangen naar
de volkomene verheerlijking Gods, in wien heiligheid en zaligheid één
zijn, komt in het moreele bewijs tot uiting. Zelfs de kunst profeteert
van zulk eene toekomst, als zij het ideaal in zichtbare gestalte ons
voorstelt. Al deze bewijzen, en nog meer die, welke aan ’s menschen
volmakingsvatbaarheid, aan zijne zedelijke persoonlijkheid, aan de vele
onbewoonde sterren, aan de spiritistische verschijningen enz. worden
ontleend, zijn geen bewijzen in dien zin, dat zij alle tegenspraak tot
zwijgen brengen, maar zij zijn toch getuigenissen en aanduidingen, dat het
onsterfelijkheidsgeloof gansch natuurlijk en spontaan uit de menschelijke
natuur zelve opkomt. Wie het ontkent en bestrijdt, doet zijne eigene
natuur geweld aan. Der Gedanke an die Unsterblichkeit ist schon der
erste Akt der Unsterblichkeit, Von Baer bij Splittgerber, Tod, Fortleben
und Auferstehung³ 1879 S. 93.
3. Hoeveel waarde deze indicaties ook hebben mogen, welke natuur en
geschiedenis ons bieden voor het geloof aan de onsterfelijkheid der
ziel, de Schrift neemt ten opzichte van deze leer een standpunt in,
dat bij de eerste kennisneming niet anders dan bevreemden kan. De
onsterfelijkheid der ziel schijnt van de grootste beteekenis te zijn voor
godsdienst en leven; en de Schrift maakt er nooit met even zoovele
woorden gewag van; zij kondigt haar nooit als een Goddelijke openbaring
af en stelt haar nergens op den voorgrond; en nog veel minder stelt zij
ooit eenige poging in het werk, om hare waarheid te betoogen of deze
tegenover hare tegensprekers te handhaven. Het is daarom te verklaren,
dat er vroeger en later velen beweerd hebben, dat de leer van de
onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament, of althans in de oudste
boeken daarvan in het geheel niet voortkwam en eerst van buiten af
onder Israel ingevoerd werd, cf. Oehler, Unsterblichkeit in Herzog¹ 21,
409 f. Himpel, Die Unsterblichkeitslehre der A. T. 1857. Atzberger,
Die christl. Eschatologie, Freib. 1890 S. 17. Maar langzamerhand is
men hiervan toch teruggekeerd, en tegenwoordig erkent men algemeen,
dat Israel evenals alle volken wel terdege aan een voortbestaan na
den dood heeft geloofd. Zelfs hebben Stade, Gesch. des Volkes Israel
I 387-427 en Ueber die altt. Vorstellungen vom Zustande nach dem
Tode 1877, voorts Oort, De doodenvereering bij de Israelieten, Theol.
Tijdschr. 1881 bl. 358-363 en vooral Fr. Schwally, Das Leben nach dem
Tode nach den Vorstellungen des alten Israel u. s. w. Giessen 1892
trachten te betoogen, dat oudtijds onder Israel evenals bij de andere
volken de dooden vereerd werden, en dus ongetwijfeld gedacht werden te
bestaan. De bewijzen daarvoor ontleenden zij aan het bij een sterfgeval
gebruikelijke ritueel, zooals het inscheuren van kleederen en dragen
van rouwgewaad, het bedekken van gelaat en hoofd, het afleggen van
sieraden, bijzondere haardracht en zelfverminking, het werpen met stof
en asch, het nietwasschen en zalven, het vasten en maaltijd houden,
het aanheffen van klaagzangen en het brengen van offers, al welke
gebruiken niet anders dan uit vroegere doodenvereering verklaarbaar
zouden zijn. Maar Schwally t. a. p. 75 moet zelf erkennen, dass in
der Zeit, als Israel in die Geschichte eintritt, die animistische
Naturreligion im Princip bereits überwunden ist. En tegen zijne
afleiding van de rouwgebruiken uit een oorspronkelijk animisme, heeft
Joh. Frey, Tod, Seelenglaube und Seelenkult im alten Israel, Leipzig
1898, zulke ernstige bezwaren in het midden gebracht, dat de hypothese
van oorspronkelijken doodencultus bij Israel eerst door andere en nieuwe
bewijzen aannemelijk kan worden gemaakt. Toch is het duidelijk, dat er
in Israel een groot onderscheid was tusschen den volksgodsdienst, die
allerlei bijgeloovige en afgodische bestanddeelen bevatte, en den dienst
van Ihvh, die door Mozes en zijne volgelingen voorgestaan werd. Het
Jahvisme heeft dien volksgodsdienst eensdeels tegengestaan, verboden
en uitgeroeid, maar heeft anderzijds ook verschillende godsdienstige
voorstellingen en gebruiken, die op zichzelf niet verkeerd waren,
stil laten bestaan of overgenomen en gesanctioneerd, cf. Wildeboer,
Jahvedienst en volksreligie in Israel 1898. Bij zijne openbaring aan
Israel heeft God zich aangesloten bij de historische omstandigheden,
onder welke het leefde; de genade deed de natuur niet teniet maar heeft
ze vernieuwd en geheiligd. Zoo is het ook gegaan met het volksgeloof
aan het voortbestaan na den dood. Reeds de gewoonte van het begraven
en de groote beteekenis, die daaraan gehecht werd, is van dat geloof
een bewijs. Verbranding der lijken was in Israel niet inheemsch; zij had
alleen plaats na voltrokken doodstraf, Gen. 38:24, Lev. 20:14, 21:9,
Jos. 7:15, 25; uit 1 Sam. 31:12 en Am. 6:10 laat zich niets afleiden,
wijl de tekst misschien gecorrumpeerd is of anders slechts van op
zichzelf staande gevallen bericht; en 2 Chr. 16:14, 21:19, Jer. 34:5
handelen alleen van het verbranden van welriekende specerijen bij het
begraven. Begrafenis werd echter op hoogen prijs gesteld en wordt daarom
telkens in het O. Test. afzonderlijk vermeld; onbegraven te blijven,
was eene groote schande, 1 Sam. 17:44, 46, 1 Kon. 14:11, 13, 16:4, 2
Kon. 9:10, Ps. 79:3, Pred. 6:3, Jes. 14:19, 20, Jer. 7:33, 8:1, 9:22,
16:6, 25:33, Ezech. 29:5. Een gestorvene behoort niet meer in het land
der levenden; zijn onbegraven lijkt wekt afschuw op; het vergoten bloed
roept om wraak, Gen. 4:10, 37:26, Job 16:18, Jes. 26:21, Ezech. 24:7,
wijl het bloed de zetel der ziel is, Lev. 17:11; en daarom moet het
gestorvene bedekt, verborgen, aan het oog onttrokken worden. Door den
dood komen alle zielen in het doodenrijk, in den Scheol, שׁאול, een
woord, dat van onzekere afleiding is en volgens sommigen komt van שׁאל,
vragen, eischen, of ook invorderen, tot beslissing brengen, volgens
anderen van שׁעל, שׁול, slap zijn, naar beneden hangen, zinken,
Delitzsch, Neuer Comm. über die Genesis 444. Atzberger, Christl.
Eschat. 24. Deze Scheol bevindt zich in de diepte der aarde, zoodat
men erin nederdaalt, Num. 16:30, Ps. 30:4, 10, 55:16, Jes. 38:18,
behoort tot de onderste plaatsen der aarde, Ps. 63:10, Ezech. 26:20,
31:14, 32:18, ligt nog beneden de wateren en de grondvesten der bergen,
Deut. 32:22, Job 26:5, Jes. 14:15, en wordt daarom meermalen door het
attribuut תַּחְתִּית, onderste, versterkt, Deut. 32:22, Ps. 86:13,
88:7. Daarom staat de Scheol ook met het graf of den kuil, קֶבֶר of
בּוֹר, in nauw verband; beide zijn niet identisch, want gestorvenen,
die niet begraven zijn, bevinden zich toch in den Scheol, Gen. 37:33,
35, Num. 16:32; maar evenals lichaam en ziel den éénen mensch vormen
en ook na den dood nog in eenige wederkeerige relatie gedacht worden,
zoo zijn graf en Scheol niet los van elkander te denken. Beide behooren
tot de onderste plaatsen der aarde, worden voorgesteld als de woning
der dooden, en wisselen met elkander herhaaldelijk af; de Scheol is het
ééne groote graf, dat alle graven der gestorvenen omvat; het rijk der
dooden, de onderwereld, en daarom ten onrechte in onze Statenvertaling
dikwerf door hel overgezet. De Scheol toch is de plaats, waar alle
gestorvenen zonder uitzondering saam komen, 1 Kon. 2:2, Job 3:13v.,
30:23, Ps. 89:49, Jes. 14:9v., Ezech. 32:18, Hab. 2:5, en waaruit
terugkeer niet dan alleen door een wonder mogelijk is, 1 Kon. 17:22,
2 Kon. 4:34, 13:21; het doodenrijk is als het ware eene stad, die van
gegrendelde poorten is voorzien, Ps. 9:14, 107:18, Job 17:16 (tot de
grendels der onderwereld daalt mijne hope af), 38:17, Jes. 38:10, Mt.
16:18, en door haar macht, Ps. 49:16, 89:49, Hos. 13:14, alle menschen
als in een kerker gevangen houdt, Jes. 24:22. De Scheol is een eeuwig
huis, Pred. 12:5; de vijanden van Israel, die er in nedergestort zijn,
kunnen niet wederopstaan, Jes. 26:14; wie in het graf daalt, komt niet
weder op, Job 7:9, 10, 14:7-12, 16:22. Lijnrecht staat dit doodenrijk
daarom tegen het land der levenden over, Job 28:13, Spr. 15:24, Ezech.
26:20, 32:23v. Wel worden de gestorvenen als bestaande en levende
gedacht; zij worden dikwerf zoo voorgesteld en beschreven, als zij hier
op aarde zich vertoonden, en worden daarom ook door elkander herkend,
en bij de ontmoeting ontroerd, 1 Sam. 18:14, Jes. 14:9v., Ezech. 32:18v.
Ook is er sprake van binnenste, diep naar binnen gelegen kameren in
den Scheol, Spr. 7:27, Ezech. 32:23, en bestaat er in zoover onder de
gestorvenen onderscheid, als elk tot zijne vaderen, Gen. 15:15, Richt.
2:10, of tot zijn volk, Gen. 25:8, 17, 35:29, 49:29 verzameld wordt, en
de onbesnedenen bij elkander worden gelegd, Ezech. 32:19. Maar overigens
wordt de Scheol altijd van zijne negatieve zijde, in tegenstelling met
de aarde als het land der levenden, beschreven. Hij is het gebied der
duisternis en der doodsschaduw, Job 10:21, 22, Ps. 88:13, 143:3, de
plaats des verderfs, ja het verderf zelf, אֲבַדּוֹן, Job 26:6, 28:22,
31:12, Ps. 88:12, Spr. 27:20, zonder ordeningen, d. i. zonder vaste
omtrekken en klare onderscheidingen, Job 10:22, een land der rust, der
stilte, der vergetelheid, Job 3:13, 17, 18, Ps. 115:17, waar God en
menschen niet meer te zien zijn, Jes. 38:11, God niet meer geprezen en
gedankt, Ps. 6:6, 115:17, zijne deugden niet meer verkondigd, Ps. 88:6,
12, 13, Jes. 38:18, 19, en zijne wonderen niet meer aanschouwd worden,
Ps. 88:11, 13, waar de dooden niet met al weten, geen werk meer doen,
geen berekening meer maken, geen wijsheid en wetenschap meer bezitten
en hoegenaamd geen deel meer hebben aan al wat onder de zon geschiedt,
Pred. 9:5, 6, 10. Zij zijn רְפָאִים, van het adjectief רָפֶה, slap, Job
26:5, Spr. 2:18, 9:18, 21:6, Ps. 88:11, Jes. 14:9, verzwakt, Jes.
14:10, zonder kracht, Ps. 88:5.
Heel deze voorstelling van den Scheol is gevormd van uit het standpunt
van dit aardsche bestaan, en geldt slechts in tegenstelling met den
rijkdom van leven, welken de mensch hier op aarde geniet. Dan is het
sterven inderdaad eene verbreking van alle aardsche banden, een
dood-zijn voor het rijke leven op aarde, een rusten, een slapen, een
stil-zijn, een niet-zijn in betrekking tot de dingen aan deze zijde
des grafs. De toestand in den Scheol is geen vernietiging van het
bestaan, maar toch eene vreeselijke levensvermindering, eene berooving
van al wat in dit leven de vreugde des levens uitmaakt. Voor eene
beschouwing, die alleen het lichaam sterven laat en zich troost met de
onsterfelijkheid der ziel, is in het O. Test. geen plaats. De gansche
mensch sterft, als bij den dood de geest, Ps. 146:4, Pred. 12:7, of de
ziel, Gen. 35:18, 2 Sam. 1:9, 1 Kon. 17:21, Jon. 4:3, uit den mensch
uitgaat. Niet alleen zijn lichaam maar ook zijne ziel verkeert in den
staat des doods en behoort der onderwereld toe; daarom kan er ook van
een sterven der ziel gesproken worden, Gen. 37:21, Num. 23:10, Deut.
22:20, Richt. 16:30, Job 36:14, Ps. 78:50, en van verontreiniging door
aanraking van de ziel van een doode, d. i. van een lijk, Lev. 19:28,
21:11, 22:4, Num. 5:2, 6:6, 9:6, 7, 10, Deut. 14:1, Hagg. 2:13. Gelijk
de gansche mensch in den weg der gehoorzaamheid voor het leven bestemd
was, zoo vervalt hij ook door zijne overtreding geheel, naar ziel en
lichaam beide, aan den dood, Gen. 2:17. Deze gedachte moest diep
ingeprent worden in het bewustzijn der menschheid; en het werd ook in
de oudheid door alle volken beseft, dat de dood eene straf is, dat hij
iets onnatuurlijks is, met het wezen en de bestemming des menschen in
strijd. De openbaring, welke God aan Israel gaf, sluit zich daarbij dan
ook aan; zij laat haar bestaan en neemt haar over, gelijk zij zoovele
gebruiken en ceremoniën overneemt (offerande, priesterschap, besnijdenis
enz.); alleen reinigt zij haar van de onreine elementen, die er zich
bij de volken allengs mede verbonden hadden, zooals de zelfverminking,
Lev. 19:28, 21:5, Deut. 14:1 en het dooden vragen, Lev. 19:31, 20:6,
27, Deut. 18:10, 11. Maar de openbaring doet nog iets anders en meer.
Zij handhaaft en versterkt niet alleen de tegenstelling, die er tusschen
het leven en den dood bestaat, maar zij brengt in dit leven zelf eene
nog scherpere tegenstelling aan. Dit leven toch is het ware leven
niet, omdat het een zondig, onrein, door lijden gekweld en voor den
dood bestemd leven is. Het wordt eerst leven in waren zin en krijgt
eerst een wezenlijken levensinhoud door den dienst van Ihvh en in de
gemeenschap met God. Geheel in overeenstemming met de toenmalige
bedeeling des genadeverbonds en met de verkiezing van Israel tot volk
van God, denkt het O. T. het verband tusschen godsvrucht en leven zoo,
dat gene in een lang leven op aarde haar vrucht en haar loon ontvangt,
Ex. 20:12, Deut. 5:16, 29, 6:2, 11:9, 22:7, 30:16, 32:47 enz. In de
algemeen bekende, natuurlijke tegenstelling van leven en dood weeft
zich eene andere, zedelijke, geestelijke tegenstelling in, die n.l.
tusschen een leven in den dienst der zonde en een leven in de vreeze
des Heeren. Aan het kwade is de dood, aan het goede is het leven
verbonden. Deut. 30:15. Zij, die met geweld de wijsgeerige leer van de
onsterfelijkheid der ziel in het Oude Testament hebben willen vinden,
hebben de openbaring Gods aan Israel niet verstaan en Westersche,
rationalistische ideeën ingelegd in de religie van het Oostersche
volk. Veelmeer naar waarheid zegt Pfleiderer, Religionsphilos.
626: was man oft für eine Schwäche der prophetischen Jahvereligion
Israels gehalten hat (n.l. dat het Jenseits er zoo geringe plaats in
bekleedt), ist in Wahrheit ihre auszeichnende Stärke gewesen; der
lebendige Gott, der in geschichtlichen Thaten sich offenbart, hat
nichts gemein mit den Schatten des Scheol. De God van Israel is niet
een God der dooden maar der levenden. Daarom richtte de verwachting
van het vrome Israel zich schier uitsluitend op de aardsche toekomst
des volks, op de verwerkelijking van het Godsrijk. De vraag naar de
toekomst van de individueele personen in den Scheol trad daarbij
geheel op den achtergrond. God, volk en land waren onlosmakelijk met
elkander verbonden, en de individuën waren in dat verbond opgenomen
en werden daarnaar gerekend. Eerst als Israel na de ballingschap eene
godsdienstige gemeente wordt en de religie zich individualiseert, dan
dringt de vraag naar ieders toekomstig lot zich op den voorgrond;
de geestelijke tegenstelling, welke de openbaring in de natuurlijke
ingeweven had, werkte door; de onderscheiding van rechtvaardigen en
goddeloozen verving hoe langer hoe meer die van Israel en de volken, en
zette zich voort ook aan de overzijde des grafs. De gegevens daarvoor
waren trouwens ook reeds in de openbaring van vroeger tijd aanwezig.
De mensch, die God dient, blijft leven, Gen. 2:17; aan de onderhouding
zijner geboden is het leven verbonden, Lev. 18:5, Deut. 30:20; zijn
woord is het leven, Deut. 8:3, 32:47. In de Spreuken wordt onder
leven wel dikwerf lengte van dagen verstaan, 2:18, 3:16, 10:30; maar
opmerkelijk is toch, dat zij dood en Scheol meestal alleen in verband
brengen met de goddeloozen, 2:18, 5:5, 7:27, 9:18, en daartegen het
leven schier uitsluitend aan de rechtvaardigen toekennen. De wijsheid,
de gerechtigheid, de vreeze des Heeren is de weg ten leven, 8:35, 36,
11:19, 12:28, 13:14, 14:27, 19:23; de goddelooze wordt omgestooten,
als hem ongeluk treft, maar de rechtvaardige behoudt ook in zijn dood
nog vertrouwen en troost, 14:32. Zalig is hij, die Ihvh tot zijn God
heeft, Deut. 33:29, Ps. 1:1, 2:12, 32:1, 2, 33:12, 34:9 enz., ook in de
zwaarste tegenspoeden, Ps. 73:25-28, Hab. 3:17-19; daarentegen komen
de goddeloozen om en nemen een einde, ook al genieten zij tijdelijk nog
zooveel voorspoed, Ps. 73:18-20. Van dit standpunt uit verwachten de
vromen niet alleen bevrijding van druk en tegenspoed in den tijd, maar
dringen zij met het oog des geloofs ook menigmaal door tot de overzijde
des grafs en verwachten een zalig leven in de gemeenschap met God. De
plaatsen, die hiervoor gewoonlijk bijgebracht worden, Gen. 49:18, Job
14:13-15, 16:16-21, 19:25-27, Ps. 16:9-11, 17:15, 49:16, 73:23-26,
139:18 zijn van onzekere uitlegging, en slaan volgens velen alleen op
tijdelijke redding van den dood. Maar al zou dit ook het geval zijn, heel
het Oude Testament leert, dat God Schepper is van hemel en aarde, dat
zijne macht geen grenzen kent en dat Hij ook volstrekte heerschappij bezit
over leven en dood. Het is God de Heere, die den mensch het leven
heeft geschonken, Gen. 1:26, 2:7, en nog iederen mensch, gelijk al wat
bestaat, schept en onderhoudt, Job 32:8, 33:4, 34:14, Ps. 104:29,
Pred. 12:7. Hij verbindt vrijmachtig aan zijne wet het leven en bepaalt
op hare overtreding den dood, Gen. 2:17, Lev. 18:5, Deut. 30:20,
32:47. Hij woont in den hemel maar is ook met zijn Geest in den Scheol
tegenwoordig, Ps. 139:7, 8. Scheol en abaddon liggen naakt en open
voor den Heere uitgebreid, evenals de harten der menschenkinderen, Job
26:6, 38:17, Spr. 15:11. De Heere doodt, behoudt in het leven en maakt
levend, doet in den Scheol nederdalen en daaruit weder opkomen, Deut.
32:39, 1 Sam. 2:6, 2 Kon. 5:7. Hij heeft uitwegen voor den dood, kan
bevrijden, als de dood reeds dreigt, Ps. 68:21, Jes. 38:5, Jer. 15:20,
Dan. 3:26, enz., kan Henoch en Elia zonder den dood tot zich nemen,
Gen. 5:24, 2 Kon. 2:11, en gestorvenen in het leven terug doen keeren,
1 Kon. 17:22, 2 Kon. 4:34, 13:21. Hij kan den dood te niet doen en door
opwekking van de dooden over diens macht volkomen triumfeeren, Job
14:13-15, 19:25-27, Hos. 6:2, 13:14, Jes. 25:8, 26:19, Ezech. 37:11,
12, Dan. 12:2. Cf. over de onsterfelijkheid in het Oude Test., behalve
Oort, Schwally, Frey, Stade ook nog Oehler, Theol. des A. T. § 78.
245 f. en art. Unsterbl. in Herzog¹. Schultz, Alttest. Theol.⁴ 697
f. Schmend, Altt. Rel. 112 f. 497 f. 504 f. Atzberger, Die christl.
Eschat. 1890 S. 15 f. Bertholet, Die israel. Vorstellungen vom Zustande
nach dem Tode, Freiburg 1899. Matthes, Rouw en doodenvereering bij de
Israel. Theol. Tijdschrift 1900.
4. Deze leer des Ouden Testaments ging in de latere Joodsche
litteratuur wel niet geheel verloren, maar zij werd toch door allerlei
uitheemsche elementen gewijzigd en uitgebreid. In het algemeen komen
de geschriften dezer categorie daarin overeen, dat zij den godsdienst
meer individualistisch opvatten, onder den invloed van de idee der
vergelding reeds terstond bij den dood eene voorloopige scheiding
laten intreden tusschen rechtvaardigen en goddeloozen, en van de
verschillende plaatsen, waar dezen zich ophouden, eene meer uitgewerkte
beschrijving geven. Toch zijn zij duidelijk in twee groepen, eene
Palestijnsche en eene Alexandrijnsche, in te deelen. De eerstgenoemde,
waartoe vooral de apocriefe geschriften van de Makkabeën, Baruch, 4
Ezra, Henoch, het Testament der twaalf patriarchen enz. behooren,
schrijven aan den tusschentoestand slechts een voorloopig karakter
toe. Wel nemen ook zij reeds vreemde bestanddeelen op en leeren eene
zekere scheiding tusschen rechtvaardigen en goddeloozen terstond bij
den dood. De Apocalypse van Henoch plaatst den Scheol in het Westen,
beschrijft hem als door stroomen doorsneden en omgeven, en onderscheidt
er vier afdeelingen in, twee voor de goeden en twee voor de boozen,
17:5, 6, 22:2v.; bovendien neemt zij nog een paradijs aan, dat hoog boven
en aan de einden der aarde gelegen is en terstond bij hun sterven de
verblijfplaats werd van Henoch en Elia, 12:1, 87:3, 89:52 en het ook
worden zal voor allen, die in hunne wegen wandelen, 71:16, 17. Maar het
zwaartepunt ligt toch bij al de schrijvers dezer groep in de universeele
eschatologie, in de komst van den Messias en de oprichting van het
Godsrijk aan het einde der dagen. Tot zoolang worden de zielen der
afgestorvenen in den hades, zij het ook in verschillende afdeelingen en
in voorloopig onderscheiden lot, bewaard als in ταμιεια, promptuaria
animarum, Apoc. Baruch 21:23, 4 Ezr. 4:35, 5:37; rustende en slapende
wachten zij het laatste oordeel af, 4 Ezr. 7:32-35. Apoc. Baruch
21:24, 23:4, 30:2. Maar de geschriften van de tweede groep, zooals
de Spreuken van Jezus Sirach, het boek der Wijsheid, Philo, Flavius
Josephus enz., leggen juist op de individueele eschatologie nadruk en
laten daarbij de komst van den Messias, de opstanding, het eindgericht
en het Godsrijk op aarde geheel in de schaduw treden of spreken er
zelfs met geen woord van. Hoofddogma is de onsterfelijkheid der ziel,
die volgens Philo praeëxistent was, van wege haar val tijdelijk in den
kerker van het lichaam werd opgesloten en al naarmate van haar gedrag
na den dood in andere lichamen verhuist, of in elk geval terstond na
het sterven de definitieve beslissing van haar lot ontvangt, Sir.
1:12, 7:17, 18:24, 41:12, Wijsh. 1:8, 9, 3:1-10, en naar den heiligen
hemel of naar den donkeren hades gaat, Josephus, Bell. Jud. III 8, 5.
Ten tijde van Christus kruisten daarom bij het volk van Israel allerlei
eschatologische denkbeelden dooreen. De Phariseën geloofden aan een
voortbestaan en eene voorloopige vergelding na den dood, maar hielden
daarbij vast de verwachting van den Messias, van de opstanding der
dooden, zoo niet van alle menschen dan toch van de rechtvaardigen, en
de oprichting van het Godsrijk op aarde. De Sadduceën loochenden de
opstanding, Mt. 22:23, Mk. 12:18, Luk. 20:27, Hd. 23:8, en volgens
Josephus, Bell. Jud. II 8, 14. Ant. XVIII 1, 4 ook de vergelding na den
dood en de onsterfelijkheid. De Esseners namen, volgens Josephus, Bell.
Jud. II 8, 11, aan, dat het lichaam sterfelijk maar de ziel onsterfelijk
was. De zielen woonden oorspronkelijk in den fijnsten aether, maar werden
door zinlijken lust bevangen en in lichamen geplaatst, waaruit zij dan
weer door den dood worden bevrijd. De goede zielen ontvangen een zalig
leven aan gene zijde van den oceaan in eene plaats, die door geen regen,
sneeuw of hitte wordt geplaagd, maar de slechte moeten in een duister,
koud oord altijddurende pijnen lijden. Cf. Gröbler, Die Ansichten über
Unsterbl. u. Auferst. in der jüd. Lit. der beiden letzten Jahrh. v.
Chr., Stud. u. Krit. 1879 S. 651-700. Wünsche, Die Vorst. v. Zustande
nach dem Tode nach Apokr., Talmud u. Kirchenvätern, Jahrb. f. prot.
Theol. 1880 S. 355-383. 435-523. Weber, Syst. der altsyn. pal.
Theol. 322 f. Oehler in Herzog¹ 21, 424 f. Runze in Herzog² 16, 193.
Atzberger, Christl. Eschatol. 96-156. Schwally, Das Leben nach d. Tode
131-192.
Op het voetspoor van wet en profeten, wijdt het N. Test. veel meer
aandacht aan de algemeene dan aan de bijzondere eschatologie. Toch is
het onjuist, zoowel om met Episcopius, Op. II 2 p. 455, Limborch,
Theol. Christ. VI 10, 4, Oertel, Hades S. 4-6, Schleiermacher, Chr. Gl.
§ 159, 2, Hofmann, Schriftbeweis III 462 te beweren, dat de Schrift
over den tusschentoestand zoo goed als niets zegt of althans geene
voor ons geldende leer bevat, als om met Kliefoth, Eschatologie 37 het
er voor te houden, dat het N. T. daarover waarschijnlijk alles zegt,
wat erover te zeggen valt. Immers ontbreekt het niet aan uitspraken,
die over den tusschentoestand zooveel licht verspreiden, als ons in
en voor dit leven van noode is. Sterker nog dan het Oude, doet het N.
T. uitkomen, dat de dood een gevolg en straf der zonde is, Kom. 5:12,
6:23, 8:10, 1 Cor. 15:21; en die dood strekt zich tot alle menschen
uit, 1 Cor. 15:22, Hebr. 9:27; slechts een enkele, als Henoch, is
weggenomen, opdat hij den dood niet zien zoude, Hebr. 11:5; en ook zij,
die de parousie van Christus beleven, worden ineens veranderd zonder
tusschenkomst van den dood, 1 Cor. 15:51, 1 Thess. 4:14-17, cf. Joh.
21:22, 23, zoodat Christus oordeelen zal niet alleen de dooden maar
ook de levenden, Hd. 10:42, 2 Tim. 4:1, 1 Petr. 4:5. Maar die dood
is het einde des menschen niet; de ziel kan niet gedood worden, Mt.
10:28, het lichaam wordt eens weder opgewekt, Joh. 5:28, 29, Hd. 23:6,
Op. 20:12, 13 en de geloovigen zijn zelfs een eeuwig leven deelachtig,
dat niet sterven kan, Joh. 3:36, 11:25. Alle gestorvenen bevinden zich
tot de opstanding toe ook volgens het N. T. in den hades, die het rijk
der dooden is. In Mt. 11:23 geeft de καταβασις ἑως ᾁδου te kennen, dat
het trotsche Kapernaum ten diepste vernederd zal worden. In Mt. 16:18
belooft Jezus aan zijne gemeente, dat de πυλαι ᾁδου over haar geen macht
zullen hebben, dat de dood over haar niet triumfeeren zal. Volgens
Luk. 16:23 wordt de arme Lazarus door de engelen gedragen in Abrahams
schoot en komt de rijke man terstond door den dood en de begrafenis in
den hades; waarbij het dan niet te bewijzen is, dat hades reeds hetzelfde
is als plaats der pijniging, wijl deze eerst aangeduid wordt door de
nadere bijvoeging: ὑπαρχων ἐν βασανοις. Ook Jezus is, zoolang Hij in den
staat des doods verkeerde, in den hades geweest, ook al werd Hij niet
door hem gehouden, Hd. 2:27, 31; Hij daalde immers neder εἰς τα κατωτερα
της γης, Ef. 4:9. En zoo zijn alle gestorvenen καταχθονιοι, Phil.
2:10; niet alleen de goddeloozen maar ook de geloovigen bevinden zich
na den dood in den hades, zij zijn νεκροι ἐν Χριστῳ, 1 Thess. 4:16, cf.
1 Cor. 15:18, 23; bij de opstanding geven de zee, de dood en de hades
al de dooden weer, die in hen waren, opdat zij geoordeeld worden naar
hunne werken, Op. 20:13; de hades volgt met en na den dood, zoodat de
dood altijd eene verplaatsing in den hades teweegbrengt, Op. 6:8. Deze
opvatting, dat ook de geloovigen volgens de Schrift van den dood tot de
opstanding toe in den hades zijn, wordt versterkt door de uitdrukking
ἀναστασις ἐκ νεκρων, Mt. 17:9, Mk. 6:14, Luk. 16:30, Joh. 20:9 enz., ἐκ
των νεκρων, Ef. 5:14, dat is, niet uit den dood, maar uit de dooden,
uit het rijk der afgestorvenen. Dit gemeenschappelijk zich bevinden in
den staat des doods sluit echter niet uit, dat het lot van geloovigen
en ongeloovigen daar reeds zeer onderscheiden is. Ook het O. T. sprak
deze gedachte al uit, maar veel klaarder treedt zij ons in het N. T.
tegemoet. Volgens de gelijkenis in Luk. 16 wordt de arme Lazarus door de
engelen gedragen in Abrahams schoot, waarmede te kennen gegeven wordt,
dat Lazarus in den hemel, waar immers de engelen wonen, in de nabijheid
van en in de gemeenschap met Abraham de zaligheid geniet, cf. Mt. 8:11.
Aan een zijner medekruiselingen belooft Jezus, dat hij heden met Hem in
het paradijs zal zijn, Luk. 23:43. Het woord paradijs is van Perzischen
oorsprong en duidt in het algemeen een tuin, een lusthof aan, Neh.
2:8, Pred. 2:5, Hoogl. 4:13; de LXX bezigde het als vertaling van den
hof in Gen. 2:8-15; de Joden gaven er de plaats mede te kennen, waar
God aan de rechtvaardigen na hun dood zijne gemeenschap schenkt, Weber,
Syst. der alts. pal. Theol. 330. Ongetwijfeld is ook volgens het N. T.
het paradijs, evenals de schoot Abrahams, in den hemel te denken; kort
nadat Jezus aan den moordenaar beloofd had, dat hij heden met Hem in
het paradijs zou zijn, beval Hij zijn geest in de handen zijns Vaders, Luk.
23:46; in 2 Cor. 12:2, 4 wisselt het paradijs met den derden hemel af;
in Op. 2:7, 12:2 duidt het de plaats aan, waar in de toekomst God onder
zijn volk wonen zal. Daarmede in overeenstemming leert het evangelie van
Johannes, dat de geloovigen, die hier op aarde reeds het beginsel des
eeuwigen levens hebben en aan het gericht Gods zijn ontkomen, 3:15-21,
5:24, eene gemeenschap met Christus deelachtig zijn, die noch door zijn
heengaan, 12:32, 14:23, noch door den dood, 11:25, 26 wordt verbroken,
en eens in een eeuwig bijeenzijn voltooid wordt, 6:39, 14:3, 19, 16:16,
17:24. Stervende bidt Stephanus, dat de Heere Jezus zijnen geest bij zich
in den hemel opneme, Hd. 7:59. Paulus weet, dat de geloovige een leven
deelachtig is, hetwelk boven den dood verheven is, Rom. 8:10, en dat
niets, ook geen dood, hem scheiden kan van de liefde Gods in Christus,
8:38, 14:8, 1 Thess. 5:10; ofschoon hij nog een tijd lang in het vleesch
moet blijven om der gemeenten wil, verlangt hij toch ontbonden te worden
en met Christus te zijn, Phil. 1:23, 2 Cor. 5:8. Volgens Op. 6:8, 7:9,
bevinden zich de zielen der martelaren bij Christus onder het voor den
troon Gods in den tempel des hemels staande brandofferaltaar, cf. 2:7,
10, 17, 26, 3:4, 5, 12, 31, 8:3, 9:13, 14:13, 15:2, 16:17, en ook Hebr.
11:10, 16, 12:23. En evenals de geloovigen reeds terstond na den dood
bij Christus in den hemel eene voorloopige zaligheid genieten, zoo komen
de ongeloovigen, zoodra zij gestorven zijn, in eene plaats der pijniging.
De rijke man was in de pijn, toen hij in den hades zijne oogen ophief,
Luk. 16:23. De ongeloovigen, die Christus verwerpen, blijven onder den
toorn Gods en zijn reeds op aarde geoordeeld, Joh. 3:18, 36, en hebben
terstond na den dood met alle menschen een oordeel te wachten, Hebr.
9:27. Maar toch is deze plaats der pijniging nog niet met de γεεννα
of de λιμνη του πυρος identisch, want de gehenna is de plaats van
het onuitblusselijke en eeuwige vuur, dat den duivelen bereid is, Mk.
9:43, 47, 48, Mt. 18:8, 25:4, 46, en de poel des vuurs is nog niet de
tegenwoordige, maar wel de toekomstige strafplaats van het wereldrijk
en den valschen profeet, Op. 19:20, van Satan, Op. 20:10 en van alle
goddeloozen, Op. 21:8, cf. 2 Petr. 2:17, Jud. 13. Veeleer worden zij
allen nu in eene φυλακη, 1 Petr. 3:19, of in den ἀβυσσος, Luk. 8:31,
cf. Mt. 8:29, Rom. 10:7, Op. 9:1, 2, 11, 11:7, 17:8, 20:1, 3 voor het
laatste oordeel en den poel des vuurs bewaard, 2 Petr. 2:17, Jud. 6.
13. Dit onderscheid in den tusschentoestand der goeden en der boozen
strijdt niet daarmede, dat zij allen te zamen zich in den hades bevinden,
want alle gestorvenen zijn als zoodanig καταχθονιοι, behooren vóór
de opstanding nog tot het rijk der dooden, en worden eerst door die
opstanding volkomen, naar ziel en lichaam beide, van de heerschappij
des doods bevrijd, 1 Cor. 15:52-55, Op. 20:14. Cf. Cremer s. v. ἁδης,
ἀβυσσος, γεεννα enz. en voorts over de Nieuwtest. eschatologie in het
algemeen, behalve de bekende werken van Weiss, Holtzmann e. a. over N.
T. theologie, Briet, De Eschatologie of leer der toek. dingen volgens
de Schriften des N. V. 2 deelen, Tiel 1857/58. Haupt, Die eschatol.
Aussagen Jesu in den synopt. Evang., Berlin 1895. Schwartzkopff, Die
Weissagungen Jesu Christi von seinem Tode, seiner Auferstehung und
Widerkunft und ihrer Erfüllung, Gött. 1895. Kabisch, Die Eschatologie
des Paulus in ihrem Zusammenhange mit dem Gesammtbegriff des
Paulinismus, Gött. 1893. Teichmann, Die paulin. Voraussetzungen von
Auferstehung und Gericht und ihre Beziehung zur jüd. Apokalyptik,
Freiburg 1896. Atzberger, Die christl. Eschatologie in den Stadien
ihrer Offenbarung im A. u. N. T., Freiburg 1890 S. 190 f.
5. In den eersten tijd bepaalde de christelijke theologie zich tot
deze eenvoudige gegevens der H. Schrift. De apostolische vaders
hebben nog geen leer over den tusschentoestand en zijn algemeen van
oordeel, dat de vromen bij het sterven terstond de hemelsche zaligheid
en de goddeloozen de helsche straf deelachtig worden. Burnet in zijn
tractatus de statu mortuorum et resurgentium 1727 en anderen na hem,
zooals Blondel, Ernesti, Baumgarten-Crusius enz. trachtten wel aan te
toonen, dat de oudste christelijke schrijvers de eigenlijke zaligheid
der geloovigen eerst na het wereldgericht een aanvang lieten nemen,
maar zij konden daarvoor geen afdoende bewijzen bijbrengen, Atzberger,
Gesch. der christl. Eschatologie innerhalb der vornicän. Zeit,
Freiburg Herder 1896 S. 75-99. Eerst toen de parousie van Christus
niet zoo spoedig kwam, als aanvankelijk algemeen verwacht werd, en
verschillende ketters de leer der laatste dingen misvormden of
bestreden, begon men over den tusschentoestand meer met opzet na te
denken. Het Ebionitisme trachtte de nationale voorrechten van Israel
tot nadeel van het christelijk universalisme vast te houden en was
daarom over het algemeen chiliastisch gezind; het Gnosticisme verwierp
krachtens zijn dualistisch beginsel heel de christelijke eschatologie
en had geen andere verwachting dan de bevrijding des geestes van de
materie, en zijne terstond bij den dood plaats hebbende opname in het
Goddelijk pleroma, Atzberger, ib. 172-218. De christelijke theologie
werd daardoor genoodzaakt, zich helderder rekenschap te geven van het
karakter van den tusschentoestand en van zijn verband, zoowel met dit
leven als met den eindtoestand na het laatste oordeel. Justinus zeide
reeds, dat de zielen der vromen na den dood in eene betere en die der
onrechtvaardigen in eene slechtere plaats vertoefden, om den tijd van
het gericht af te wachten, dial. c. Tryph. 5, en veroordeelde het als
eene onchristelijke leer, dat er geen opstanding der dooden is en dat
de zielen terstond bij den dood in den hemel worden opgenomen, ib. 80.
Volgens Irenaeus komen de zielen der vromen bij den dood niet terstond
in hemel, paradijs of stad Gods, welke na het laatste oordeel drie
onderscheidene woonplaatsen der rechtvaardigen zullen zijn, adv. haer.
V 36, maar in eene onzichtbare, door God bepaalde plaats, waar zij de
opstanding en de daarna volgende aanschouwing Gods afwachten, want
Christus vertoefde ook eerst drie dagen daar, waar de dooden waren,
in inferioribus terrae, om zijne heilige dooden eruit te verlossen, en
werd, na alzoo de lex mortuorum vervuld te hebben, opgewekt en in den
hemel opgenomen, V 31. Daar, in de schaduw des doods, in den hades,
ontvangt ieder mensch dignam habitationem, etiam ante judicium, de
vrome waarschijnlijk in den schoot Abrahams, die dus eene afdeeling
van den hades is, II 34. Dezelfde voorstelling van verschillende
receptacula in den hades, waar de gestorvenen de eindbeslissing
ten jongsten dage afwachten, treffen wij ook aan bij Hippolytus,
Tertullianus, Novatianus, Commodianus, Victorinus, Lactantius,
Hilarius, Ambrosius, Cyrillus, en ook nog bij Augustinus, Enchir. 109.
110, cf. Atzberger t. a. p. 275 f. 301 f. Schwane, D. G. II 585. Maar
naarmate de parousie van Christus terugweek in een ver verschiet, viel
het te moeilijker, om de oude voorstelling van den hades te handhaven en
het verblijf aldaar voor een korten, voorloopigen, min of meer neutralen
toestand te houden. Voor de martelaren maakte men reeds vroeg eene
uitzondering; dezen waren volgens Irenaeus, Tertullianus e. a. terstond
na hun dood den hemel ingegaan en tot de aanschouwing Gods toegelaten.
De hadesvaart van Christus werd in verband daarmede zoo geduid, dat
zij de geloovigen, die vóór Christus’ offerande gestorven waren, uit
den limbus patrum had bevrijd en naar den hemel had overgebracht. En de
leer van de noodzakelijkheid en de verdienstelijkheid der goede werken,
die meer en meer in de kerk indrong, leidde vanzelf tot de gedachte,
dat zij, die heel hun leven in bijzonderen zin Gode hadden gewijd, nu
ook bij hun dood terstond de hemelsche zaligheid waardig waren. Zoo
werd de hades allengs van zijne bewoners beroofd. Wel bleven nog de
ongeloovigen over, maar dit had juist ten gevolge, dat de hades hoe
langer hoe meer als strafplaats beschouwd en met den tartarus of de
gehenna vereenzelvigd werd. Van de Christenen konden alleen zij nog een
tijd lang in den hades vertoeven, die het hier op aarde niet zoover
in heiligmaking hadden gebracht, dat zij bij hun sterven onverwijld de
hemelsche heerlijkheid konden ingaan. Daarmede werd allengs de gedachte
van een louteringsvuur in verband gebracht, die het eerst door Origenes
werd uitgesproken. Volgens hem waren alle straffen geneesmiddelen,
φαρμακα, en heel de hades, de gehenna inbegrepen, eene plaats der
reiniging, c. Cels. III 75. VI 25. 26; en bepaaldelijk werden de zonden
verteerd en de menschen gereinigd door het πυρ καθαρσιον, dat aan het
einde van deze bedeeling de wereld in vlam zetten zou, ib. VI 12.
13. 21. 64. V 15. 16. Op het voetspoor van Origenes namen daarom de
Grieksche theologen later aan, dat de zielen van vele afgestorvenen
nog wel smarten moesten lijden en daarvan alleen door de voorbeden en
offeranden der levenden konden worden verlost, Conf. orth. qu. 64-68,
maar zij hielden toch bezwaar tegen een bijzonder reinigingsvuur, gelijk
de Westersche kerk dat leerde; eerst op het concilie te Florence deed
men op dit punt eenige concessie, Münscher-v. Coelln, D. G. II 313.
Schwane, D. G. II 587 III 486. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 327. In het
Westen daarentegen werd het reinigingsvuur, waarvan Origenes gesproken
had, uit het eindgericht naar den tusschentoestand overgebracht.
Augustinus zeide soms, dat na de algemeene opstanding of bij het laatste
oordeel nog eenige poenae purgatoriae werden opgelegd, de civ. XX 25.
XXI 24. Maar toch laat hij de ontwikkeling van het Godsrijk gewoonlijk
met het laatste oordeel sluiten, en acht het daarom niet onmogelijk,
nonnullos fideles per ignem quendam purgatorium, quanto magis minusve
bona pereuntia dilexerunt, tanto tardius citiusve salvari, Enchir.
69. Caesarius van Arles en Gregorius Magnus werkten dit zoo uit, dat
bepaaldelijk de peccata venialia hier of hiernamaals konden worden
geboet. En toen met deze leer de reeds door Tertullianus, de monog.
10. 11, de exhort. cast. 11 vermelde kerkelijke practijk, om voor de
gestorvenen voorbeden en offeranden te doen, in verband werd gebracht,
was het dogma van het vagevuur voltooid. De scholastiek gaf er breeder
ontwikkeling aan, Lombardus e. a. op Sent. IV 21. Thomas, S. Theol.
appendix qu. 2. Bonaventura, Brevil. VII 2. 3; het concilie te Florence
1439 en te Trente, sess. 6 can. 30. sess. 22 c. 2 can. 3. sess. 25
stelde het vast, en de latere theologie gaf er voor het godsdienstig en
kerkelijk leven eene steeds grootere beteekenis aan. Volgens de Roomsche
leer komen de zielen der verdoemden terstond in de hel (gehenna,
abyssus, infernus), waar zij met de onreine geesten in een eeuwig en
onuitblusschelijk vuur gepijnigd worden. De zielen dergenen, die na
ontvangst van den doop niet meer door de zonde besmet zijn of van die
smet hier of hiernamaals gereinigd zijn, worden onverwijld in den hemel
opgenomen en aanschouwen daar het aangezicht Gods, zij het ook naar
gelang van hunne verdiensten in onderscheidene mate van volmaaktheid,
bij Denzinger n. 870. 875. Door de nederdaling van Christus ter helle
zijn ook de zielen der heiligen, die vóór dien tijd gestorven waren,
uit den limbus patrum (schoot Abrahams) naar den hemel overgebracht.
Ongedoopt stervende kinderen, over wier lot reeds door de kerkvaders
nu eens zachter dan harder geoordeeld werd, worden naar den infernus
verwezen, waar echter de straffen zeer ongelijk zijn, bij Denzinger
ib., en komen volgens de meest gewone voorstelling in eene bijzondere
afdeeling (limbus infantum), waar zij alleen eene aeterna poena damni,
maar niet een poena sensus lijden, Lombardus, Thomas, Bonaventura op
Sent. II dist. 33. Thomas, S. Theol. suppl. qu. 69 art. 4. Maar zij,
die, na in den doop of ook wederom in de boete de heiligmakende genade
ontvangen te hebben, aan peccata venialia zich schuldig maken en de
daarvoor bepaalde tijdelijke straffen in dit leven niet hebben kunnen
voldoen, zijn niet zuiver genoeg, om terstond te worden toegelaten tot
de zalige aanschouwing van God in den hemel; zij komen in eene plaats
tusschen hemel en hel in, niet om nieuwe deugden en verdiensten te
verwerven, maar om de hindernissen op te ruimen, welke aan hare intrede
in den hemel in den weg liggen. Daartoe worden zij in het eerste moment
na het sterven door een acte van berouw, per actum peccato veniali
contrariae dispositionis, van de schuld der vergefelijke zonden bevrijd
en hebben zij vervolgens nog de tijdelijke straffen te dragen, die ook
na vergeving op die zonden gesteld blijven. Het purgatorium (vagevuur
van vagen, vegen, d. i. reinigen, zuiveren) is daarom geen plaats der
bekeering, der beproeving, der heiliging, maar eene strafplaats, in
welke het meestal stoffelijk gedachte vuur dienst doet, om idealiter,
door de voorstelling van de smart, reinigend op de „arme zielen”
in te werken. Bovendien kan de kerk krachtens de gemeenschap der
heiligen deze lijdende zielen ter hulp komen en haar straf verzachten
en verkorten door voorbeden, misoffers, goede werken en aflaten. Wel
weet niemand, welke zielen bepaald in het vagevuur komen, hoelang zij
er blijven moeten en onder welke voorwaarden harerzijds de gebeden en
offeranden der levenden haar ten goede komen; maar deze onzekerheid
doet aan den cultus der gestorvenen geen schade. Want hoe langer
hoe meer geldt als regel, dat op enkele uitzonderingen na, zooals
martelaars en bijzondere heiligen, de groote massa der geloovigen eerst
in het vagevuur komt. In elk geval zijn zij de levenden, die ook door dat
purgatorium heen naar den hemel moeten gaan, ver vooruit; arme zielen
eenerzijds, zijn zij toch, van een anderen kant beschouwd, gebenedijde
zielen, die met de engelen en de zaligen door de levenden in nood om
hulp worden aangeroepen. Cf. Catech. Rom. I c. 6 qu. 3. Bellarminus,
de purgatorio, Controv. II 228-269. Perrone, Prael. III 309. Möhler,
Symbolik § 23. Oswald, Eschatologie² 1869 S. 81. Simar, Dogm. § 164.
Atzberger, Chr. Eschatologie 269. Deharbe, Kath. geloofs- en zedeleer
II 328. Jansen, Prael. III 975.
6. De Reformatie zag in dit vagevuur eene beperking van de verdiensten
van Christus en leerde krachtens haar beginsel van de rechtvaardiging
uit het geloof alleen, dat de mensch terstond na een judicium
particulare in agone mortis inging in de zaligheid des hemels of in het
verderf der hel. Luther zelf stelde den tusschentoestand der vromen
nog dikwerf als een slaap voor, waarin zij rustig en stil de toekomst
des Heeren verbeidden, Köstlin, Luthers Theol. II 568; maar latere
Luthersche theologen wischten het onderscheid van tusschentoestand en
eindtoestand schier geheel uit en zeiden, dat de zielen der vromen
terstond na den dood eene plena et essentialis beatitudo genoten en
die der goddeloozen terstond eene perfecta ac consummata damnatio
ontvingen, Quenstedt, Theol. IV 540. 567. Gerhard, Loc. XXVI § 160.
191. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 63. In hoofdzaak was dat nu ook
wel het gevoelen der Gereformeerden, Catech. Heid. 57. 58. Ned. Gel.
37. Helv. II 26. Westm. c. 32. Junius, Theses theol. 55. 56. Voetius,
Disp. V 533-539. Maar gewoonlijk lieten zij toch beter dan de Lutherschen
het verschil uitkomen, dat in den toestand der gestorvenen vóór en
na den jongsten dag bestond. Calvijn zeide in zijn geschrift over de
psychopannychie, dat schoot Abrahams niet anders wilde zeggen, dan dat
de zielen der vromen na den dood vollen vrede zullen genieten, dat
haar dan echter nog tot den opstandingsdag toe iets blijft ontbreken,
n.l. summa et perfecta Dei gloria, ad quam semper aspirant, en dat
onze zaligheid dus altijd in cursu bleef usque ad diem illum, qui omnem
cursum claudit et terminabit, C. R. 33, 177-232, cf. Inst. III 25,
6, en voorts, schoon meestal iets zwakker zich uitdrukkende, Ned.
Gel. 37. Synops. pur. theol. 40. 17. Witsius, Oec. foed. III 14, 33,
Heidegger, Corpus Theol. 28, 38. Anderen gingen nog verder en namen
een bepaalden tusschentoestand aan. Lud. Cappellus zeide, dat de
zielen der vromen na den dood in een toestand kwamen, die wel zalig
heeten kon in vergelijking met dien hier op aarde, maar die longe
diversus was van die zaligheid, welke na de opstanding een aanvang
nam; immers bestond de tusschentoestand bijna geheel in spe atque
exspectatione futurae gloriae, non vero in ipsa gloriae fruitione. En
evenzoo kwamen de zielen der goddeloozen na den dood in een toestand,
waarin zij de vastbepaalde toekomstige straf in angst en vreeze
afwachtten, maar toch die straf zelve nog niet leden, want exspectatio
supplicii non est ipsum supplicium. En zoo dachten in hoofdzaak ook
William Sherlock, Thomas Burnet en vele andere Engelsche theologen,
en onder de Lutherschen Calixtus, Hornejus, Zeltner, Tresenreuter,
J. H. Ursinus e. a., cf. M. Vitringa IV 63-69. Zelfs keerden sedert
de vorige eeuw in de Protestantsche theologie al de gedachten terug,
die vroeger door Heidenen en Christenen, door philosofen en theologen
over den tusschentoestand waren uitgesproken. De leer van het Roomsche
purgatorium werd weer opgenomen door vele mystici en pietisten, zooals
Böhme, Antoinette Bourignon, Poiret, Dippel, Petersen, Arnold, Schermer
enz., cf. M. Vitringa IV 81. 82, en voorts door Leibniz, Syst. der
Theol. 1825 S. 340, Lessing, Erziehung des Menschengeschl., J. F. v.
Meyer, Blätter f. höhere Wahrheit VI 233. Jung-Stilling, Theorie der
Geisterkunde § 211. Lange, Dogm. II 1250 f. Rothe, Ethik § 793-795.
Martensen, Dogm. § 276. 277. Dorner, Gl. II 952 f. Oosterzee, Dogm. §
142 enz. In navolging van enkele oud-christelijke schrijvers, leerden
de Socinianen, dat, gelijk de lichamen tot de aarde, zoo de zielen tot
God terugkeerden en bij Hem tot de opstanding toe een bestaan leidden
zonder waarneming of gedachte, zonder lust of onlust, Fock, Der Socin.
714 f. Nauw daarmede verwant was de leer van een zieleslaap, welke
vroeger reeds door enkele ketters, later door de Anabaptisten werd
voorgestaan en sedert de vorige eeuw weer bij Artobe, Heyn, Sulzer,
cf. Bretschneider, Dogm. II 395, bij Fries, Jahrb. f. d. Theol. 1856.
Ulrici, Gott und die Natur² 332 f. en bij de Irvingianen ingang vond.
Door anderen werd deze leer van de psychopannychie zoo gewijzigd, dat
de zielen wel een inwendig bewustzijn behielden maar van het verkeer
met de buitenwereld waren afgesloten, Episcopius, Op. II 2, 455.
Limborch, Theol. Christ. VI 10, 8. J. Müller, Lehre v. d. Sünde II
402-408. Martensen, Dogm. § 276. Ebrard, Dogm. § 570. Dorner, Gl.
II 952 f. Frank, Chr. Wahrh. II 460. Anderen vermeden deze leer van
den zieleslaap door aan te nemen, dat de zielen bij de aflegging van
het stoffelijk omhulsel den organisch en grondvorm van het lichaam
behielden, of ook, dat zij na den dood een nieuw, uit allerfijnste stof
samengesteld lichaam ontvingen, waardoor zij met de buitenwereld in
gemeenschap konden blijven, Paracelsus, Helmont, Böhme, Oetinger, Ph.
M. Hahn, Swedenborg, Priestley, Schott, Jean Paul, cf. Bretschneider,
Dogm. II 396, en voorts Rothe, Ethik § 111 f. 793 f. Hamberger, Die
Rationalität der himml. Leiblichkeit, Jahrb. f. d. Th. 1863. Delitzsch,
Bibl. Psych. 426 f. Martensen, Dogm. § 276. Ulrici, Gott u. die
Natur² 333. Güder, Lehre v. d. Erscheinung Christi unter den Todten
321 f. Splittgerber, Tod, Fortleben u. Auferst.³ 45 f. Rinck, Vom
Zustande nach dem Tode 1885 S. 114 f. Mühe, Das enthüllte Geheimniss
der Zukunft³ 14 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 619. Grétillat, Théol. syst. IV
548 enz. Zelfs zijn er, die tot de oude leer der zielsverhuizing zijn
teruggekeerd en haar in dezen vorm hebben aangeprezen, dat de zielen
door voortgezette overgangen uit het eene in het andere menschelijke
lichaam allengs de volmaaktheid deelachtig worden, Lessing, Erz. d.
Mensch., Schlosser, Ungern-Sternberg, Dr. D. Burger, De Plat. leer
der zielsverhuizing, Amersf. 1877, Carl Andresen, Die Lehre v. d.
Wiedergeburt auf theist. Grundlage, 2e Aufl. Hamburg 1899, die de
reincarnatie in Joh. 3:3-17 geleerd vindt, en anderen bij M. Vitringa
IV 95-97. Bretschneider, Dogm. II 388. Spiess, Entw. Gesch. der
Vorstellungen vom Zustande nach d. Tode 1877 S. 31. Falke, Die Lehre
v. d. ewigen Verdammnis, 1892 S. 59 f. De idee van ontwikkeling is
tegenwoordig zoo de allesbeheerschende, dat zij ook op den toestand aan
de overzijde des grafs wordt toegepast. De leer van den limbus patrum
werd wederom overgenomen door Martensen, Dogm. § 277. Delitzsch,
Bibl. Psych. 407 f. Vilmar, Dogm. II 290. Splittgerber t. a. p. 110
f. Cremer, Ueber den Zustand nach dem Tode 1883 S. 9 f. De meening,
dat er in den tusschentoestand nog prediking van het evangelie en
mogelijkheid van bekeering is, is een lievelingsdenkbeeld der nieuwe
theologie, Lange II 1250 f. Rothe § 796. 797. Delitzsch 413. Martensen
§ 277. Dorner II 952 f. Ebrard § 576. Cremer t. a. p. 48. 62 f.
Kliefoth, Eschatologie 97-113. Falke t. a. p. 152 f. Krauss, Lehre v.
d. Offenbarung 112. Rinck t. a. p. 79-88. Mühe t. a. p. 30 f. Grétillat
IV 540. 549. Oosterzee § 142. Doedes, Ned. Gel. 521 enz. Zelfs vatten
velen heel het Jenseits als eene voortgaande loutering op, waarvan het
resultaat is, dat sommigen mogelijk eeuwig verloren gaan (hypothetisch
universalisme), of dat degenen, die in het kwade volharden, ten slotte
vernietigd worden (conditioneele onsterfelijkheid) of dat aan het einde
allen behouden worden (apocatastasis), cf. § 56.
7. De geschiedenis van den tusschentoestand bewijst, dat het den
theoloog en den mensch in het algemeen moeite kost, om zich te houden
binnen de grenzen der H. Schrift en niet wijs te zijn boven hetgeen
men behoort wijs te zijn. De gegevens, welke de H. Schrift over den
tusschentoestand bevat, zijn genoegzaam voor het leven, maar laten
vele vragen, die er kunnen oprijzen in het nieuwsgierig verstand,
onbeantwoord. Indien men deze toch wil oplossen, kan men niet anders
dan den weg van gissingen betreden, en loopt men gevaar, om het
Goddelijk getuigenis door vindingen van menschelijke wijsheid teniet
te doen. Reeds terstond komt dit uit bij het spreken over dood en
onsterfelijkheid. De wijsbegeerte handelt hierover op eene gansch andere
wijze dan de H. Schrift. Gene acht den dood iets natuurlijks en meent
aan de onsterfelijkheid, dat is aan het voortbestaan der ziel genoeg
te hebben. Maar de Schrift oordeelt gansch anders. De dood is niet
natuurlijk, maar heeft zijn oorzaak in de overtreding van Gods gebod,
Gen. 2:17, in den duivel, inzoover deze door zijne verleiding den
mensch vallen en sterven deed, Joh. 8:44, in de zonde zelve, wijl zij
ontbindend inwerkt op heel het menschelijk leven en als het ware den
dood uit zichzelve voortbrengt, Jak. 1:15, in het oordeel Gods, wijl
Hij de zonde met den dood bezoldigt, Rom. 6:23. En die dood is in de
Schrift nooit met vernietiging, met niet-zijn identisch, maar bestaat
altijd in verbreking der harmonie, in afsnijding van de verschillende
levensverhoudingen, waarin een schepsel overeenkomstig zijne natuur
geplaatst is, in terugkeer tot het elementaire, chaotische zijn, dat
aan den ganschen kosmos, althans logisch, ten grondslag ligt. Volgens
Herbert Spencer bestaat leven in voortdurende aanpassing van in- aan
uitwendige verhoudingen, deel I 416. Al is met deze bepaling het wezen
des levens geenszins verklaard, toch is het waar, dat het leven te
rijker is, naarmate de verhoudingen, waarin het tot zijne omgeving staat,
meerder in aantal en gezonder van nature zijn. Het hoogste schepsel
is daarom de mensch; krachtens zijne schepping staat hij met natuur en
menschenwereld, zienlijke en onzienlijke dingen, hemel en aarde, God en
engelen in verband. En hij leeft, indien hij en naarmate hij tot deze
gansche omgeving in de rechte, door God gewilde verhouding staat, cf.
Drummond, Das Naturgesetz in der Geisteswelt S. 121 f. Dood is daarom
in zijn wezen en in zijn ganschen omvang verstoring, verbreking van al
deze verhoudingen, waarin de mensch oorspronkelijk gestaan heeft en nog
steeds behoort te staan. Zijne oorzaak is daarom geen andere en kan geen
andere zijn dan de zonde, dat is verstoring der rechte verhouding tot en
verbreking der levensgemeenschap met God. De zonde heeft den dood in
dezen zin niet maar ten gevolge doch valt er mede samen; zonde is dood,
dood in geestelijken zin; wie de zonde doet, staat daarmede in hetzelfde
oogenblik tegen God over, is dood voor God en Goddelijke dingen, heeft
aan de kennis zijner wegen geen lust, wendt zich in vijandschap en haat
van Hem af. En wijl deze verhouding tot God, dit geschapen zijn naar zijn
beeld en gelijkenis, geen donum superadditum is maar tot ’s menschen
wezen behoort en een centraal karakter draagt, moet de verstoring van
deze verhouding verwoestend inwerken op alle andere verhoudingen,
waarin de mensch tot zichzelven, tot zijne medemenschen, tot de natuur,
tot de engelen, tot de gansche schepping stond. De zonde had eigenlijk
naar haar aard, op hetzelfde oogenblik, dat zij bedreven werd, den
vollen, ganschen dood ten gevolge moeten hebben, Gen. 2:17, terugkeer
van heel den kosmos tot zijn chaotisch bestaan.
Maar God is tusschen beide getreden en heeft de macht der zonde en
des doods verbroken. Wel ligt, gelijk Schelling zeide, aan al het
bestaande een irrationeele rest ten grondslag. Alwat aan zichzelf
wordt overgelaten, gaat tot ontbinding over. De natuur, die niet
gecultiveerd wordt, verwildert; de mensch, die niet opgevoed wordt,
ontaardt; het volk, dat buiten de beschaving komt te staan, verbastert.
Van nature staat alles in en buiten den mensch in vijandschap tegen
elkander over. Verstand en wil, geweten en neiging, plicht en begeerte,
ziel en lichaam, de mensch en zijn naaste, menschen- en dieren- en
engelenwereld, allen bevinden zich op voet van oorlog tegen elkaar
en verkeeren in een staat van ontbinding en ondergang. Maar toch is
God met zijne genade tusschen beide getreden, eerst met zijne algemeene
genade, om de macht van zonde en dood te beteugelen, dan met zijne
bijzondere genade, om ze te breken en te overwinnen. De lichamelijke
dood wordt niet alleen uitgesteld en door allerlei maatregelen eene
menschelijke existentie en ontwikkeling mogelijk gemaakt; maar Christus
behaalt door zijn kruis principieel over zonde en dood de overwinning
en brengt het leven en de onsterfelijkheid aan het licht, Rom. 5:12v.,
1 Cor. 15:45, Hebr. 2:14, 2 Tim. 1:10, Op. 1:18, 20:14, zoodat wie
in Hem gelooft het eeuwige leven heeft en niet sterven zal in der
eeuwigheid, Joh. 3:36, 5:24, 8:51, 52, 11:25. Dit leven nu is het en
deze onsterfelijkheid, welke in de H. Schrift op den voorgrond treedt.
De onsterfelijkheid in wijsgeerigen zin, het voortbestaan der ziel na den
dood, heeft bij haar een ondergeschikte waarde; zij ontkent haar niet
maar zij leert ze ook niet opzettelijk en is allerminst, gelijk het deisme
meende, daartoe gegeven, dat zij ons deze onsterfelijkheid als eene der
gewichtigste godsdienstige waarheden bekend maken zou. Immers is deze
waarheid den mensch genoegzaam van nature bekend. Wat de Schrift ons
had te leeren, was dit, dat naakt bestaan, louter zijn zonder meer nog
geen leven is, gelijk het bij menschen hoort en aan menschen past. Dat
is het niet aan deze, en dat is het nog veel minder aan de overzijde
des grafs. Hier op aarde staat het leven van den mensch, ook van
dengene, die de gemeenschap Gods mist, nog in velerlei verhoudingen
en ontvangt daardoor eenigen inhoud en waarde. Maar als dit alles
wegvalt en al deze banden verbroken worden, dan zinkt het leven tot
een arm, ledig, inhoudloos, schaduwachtig bestaan terug. Van deze zijde
vat het Oude Testament het Jenseits gewoonlijk in het oog. Sterven
is een uittreden uit dit leven, een verbreken van _alle_ banden met
_deze_ wereld; de dood is in betrekking tot het leven dezerzijds een
niet-zijn, een rusten, een slapen, in één woord een volkomen dood-zijn
voor het gansche rijke, vreugdevolle leven op aarde. De dooden hebben
geen deel meer voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt, Pred.
9:5, 6. In het begrip van den Scheol staat de negatie van dit aardsche
leven en werken op den voorgrond en vormt er zoo niet het eenige, dan
toch het voornaamste bestanddeel van. Of er nu in den Scheol voor dit
volkomen afgebroken aardsche leven een ander in de plaats komt en
de gestorvenen aldaar naar eene andere zijde in nieuwe verhoudingen
treden, wordt in het O. T. slechts enkele malen uitgesproken, als
het geloofsoog der vromen door de schaduwen des doods heendringt tot
het eeuwige leven in de gemeenschap met God. Genoeg was het op het
standpunt der O. T. openbaring, dat de groote gedachte werd ingedragen
in het menschelijk bewustzijn, dat het waarachtige leven alleen gevonden
wordt in de gemeenschap met God. De angst der hel bleef evengoed als
de vreugde des hemels voor den geloovige van den ouden dag in nevelen
gehuld. Eerst toen Christus gestorven en opgestaan was, werd het leven
in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Christus heeft niet de
onsterfelijkheid in wijsgeerigen zin, het voortbestaan der zielen na
den dood, verworven of geopenbaard. Maar Hij heeft het door de zonde
uitgemergelde en ontledigde leven van den mensch hier en hiernamaals
weer met den positieven inhoud van Gods gemeenschap, met vrede en
vreugde en zaligheid gevuld. De dood is geen dood meer voor wie in
Christus Jezus is, doch een doorgang tot het eeuwige leven, en het
graf eene geheiligde rustplaats tot den morgen der opstanding.
8. Wie deze leer der Schrift over de onsterfelijkheid uit het oog
verliest, komt tot allerlei dwalingen. Wij kunnen ons toch van een
zuiveren geest, van zijn bestaan en leven en werkzaamheid geen
voorstelling maken. Van God, die louter geest is, vermogen wij niet
anders te spreken dan op anthropomorphistische wijze, waarin trouwens
de Schrift zelve ons voorgaat, deel II 65v. De engelen zijn geestelijke
wezens, maar worden menschelijk voorgesteld en nemen bij verschijning
dikwerf menschelijke lichamen aan, ib. 435v. En menschen zijn niet
alleen lichamelijke wezens, maar alle hunne werkzaamheden zijn aan
het lichaam gebonden en van het lichaam afhankelijk; niet alleen de
vegetatieve en animale maar ook de intellectueele werkzaamheden van
denken en willen. Al zijn de hersenen niet de oorzaak van het hooger
ken- en begeervermogen, zij zijn er toch de drager en het orgaan van;
elke storing in de hersens heeft een abnormale werking van de anima
rationalis ten gevolge. Wijl het lichaam geen kerker der ziel is maar
tot het wezen van den mensch behoort, kunnen wij van het leven en werken
eener van het lichaam gescheidene ziel geen voorstelling vormen en zijn
daarom licht tot vermoedens en gissingen geneigd. Drie hypothesen zijn
er daarom in hoofdzaak uitgedacht, om het bestaan der zielen na den
dood eenigszins begrijpelijk te maken.
Ten eerste hebben velen onder de Heidenen en ook onder de Christenen
gemeend, dat de zielen, na van het lichaam gescheiden te zijn,
niet anders dan een slapend leven konden leiden. Inderdaad is de
verandering, die bij den dood intreedt, van buitengewone beteekenis.
Heel de inhoud van ons zieleleven toch is aan de buitenwereld ontleend,
alle kennis begint met de zinnelijke waarneming, heel onze denkvorm is
stoffelijk; zelfs van de geestelijke dingen spreken wij in woorden, die
oorspronkelijk eene zinlijke beteekenis hadden. Als de dood nu, gelijk de
Schrift leert, eene plotselinge, gewelddadige, algeheele en volstrekte
breuke met de diesseitige wereld is, dan schijnt er werkelijk geen andere
mogelijkheid te bestaan, dan dat de ziel voor de buitenwereld volkomen
gesloten wordt, al haar inhoud verliest en als het ware in zichzelve
terugzinkt. In den slaap trekt de ziel zich ook uit de buitenwereld
terug en breekt het verkeer met haar af; maar zij doet dit bij den slaap
toch slechts in betrekkelijken zin, daar zij in verband met het lichaam
blijft staan en het rijke leven behoudt, dat zij uit de wereld zich
verworven heeft; zelfs blijft zij daar, zij het ook op verwarde wijze, in
den droom mede werkzaam. En niettemin, welk eene verandering brengt de
slaap reeds in het menschelijk leven aan; ken- en begeervermogen staken
hunne werkzaamheid; het bewustzijn staat stil; alle gewaarwording en
waarneming houdt op; slechts het vegetatieve leven zet zijn geregelden
arbeid voort. Hoeveel te meer zal dan alle werkzaamheid der ziel
ophouden, wanneer de dood intreedt en alle banden met deze wereld ten
eenenmale verbreekt! Alles schijnt er dus voor te pleiten, dat de zielen
na den dood in een slapenden, bewusteloozen toestand verkeeren. En de
H. Schrift is er, naar zich oppervlakkig laat aanzien, zooverre van
af, dat zij deze leer van den zieleslaap veroordeelt, dat zij veeleer
haar aanprijst en begunstigt. Immers noemt zij niet alleen in het Oude,
maar ook in het Nieuwe Test. het sterven meermalen een slapen, Deut.
31:16, Jer. 51:39, 57, Dan. 12:2, Mt. 9:24, Joh. 11:11, 1 Cor. 7:39,
11:30, 15:6, 18, 20, 51, 1 Thess. 4:13-15, 2 Petr. 3:4 enz.; de Scheol
is een land der stilte, der rust, der vergetelheid, waar geen deel
meer is voor eeuwig aan al wat onder de zon geschiedt, boven bl.
366; Jezus spreekt van den nacht des doods, waarin niemand werken
kan, Joh. 9:4; en nergens maakt de Schrift er eenig gewag van, dat
de uit den dood in het leven teruggekeerden, zooals Lazarus e. a.,
iets verhaald hebben van hetgeen zij in den tusschentoestand gezien of
gehoord hebben. Toch zijn al deze redeneeringen niet in staat, om de
leer der psychopannychie te bewijzen. Want 1º is het duidelijk, dat de
afhankelijkheid der ziel van het lichaam toch hare zelfstandigheid niet
uitsluit. De buitenwereld moge de aanleiding zijn voor het ontwaken van
ons zelfbewustzijn en de eerste bron onzer kennis; het denken moge aan
de hersens gebonden zijn en daarin zijn zetel en orgaan hebben; het is
onbewezen en onbewijsbaar, dat het psychische leven van den mensch in
de physische verschijnselen zijn bron en oorsprong vindt. Het denken en
kennen zijn werkzaamheden der ziel; niet het oor hoort en het oog ziet,
maar het is het psychische Ik van den mensch, dat hoort door het oor en
ziet door het oog; het lichaam is een instrument van den geest. Daarom
is er ook niets ongerijmds in om te denken, dat de ziel desnoods zonder
het lichaam hare werkzaamheden voortzetten kan. Trouwens, wie aan den
geest als zoodanig het bewuste leven zou willen ontzeggen, zou ertoe
moeten komen, om bewustzijn en wil ook bij God en de engelen onmogelijk te
achten. Want al spreken wij van God op menschelijke wijze en al stellen
wij ons de engelen dikwerf lichamelijk voor, zij zijn toch in zichzelven
geest en niettemin bewustzijn en wil deelachtig. 2º De Schrift leert zoo
duidelijk mogelijk, dat de dood eene totale breuke is met dit gansche
aardsche leven en in zoover een slapen, een rusten, een stilzwijgen
is. De toestand des doods is een slaap, de gestorvene slaapt, omdat
het verkeer met de diesseitige wereld opgehouden heeft; maar nergens
zegt de Schrift, dat de ziel van den gestorvene slaapt; integendeel
stelt zij deze altijd na den dood als meer of minder bewust voor; en als
de openbaring voortgaat, treedt het hoe langer hoe duidelijker in het
licht, dat, terwijl in den dood alle relaties tot deze wereld worden
afgesneden, er terstond daarvoor andere verhoudingen tot eene andere
wereld in de plaats treden. De groote gedachte der Schrift, dat aan den
dienst des Heeren het leven en aan zijne verwerping de dood verbonden
is, werpt haar schijnsel ook over de andere zijde des grafs. Terwijl de
rijke man terstond na zijn dood in de pijn verkeert, wordt de arme Lazarus
gedragen in Abrahams schoot, Luk. 16:23. En al de geloovigen, die
immers hier reeds op aarde een eeuwig leven deelachtig zijn, verliezen
dit niet door den dood, Joh. 11:25, 26, maar genieten het na den dood
veel rijker en zaliger in de gemeenschap met Christus, Luk. 23:43,
Hd. 7:59, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op. 6:8, 7:9. Het inwonen in het
lichaam is juist een uitwonen van den Heere, en het sterven dus de
weg tot eene nadere en nauwere gemeenschap met Christus. 3º Daarbij
behoeft het niet te verwonderen, dat de door opstanding in het leven
teruggekeerden niets vermelden van wat zij aan gene zijde des grafs
hebben gezien en gehoord. Want afgedacht van de mogelijkheid, dat zij
wel het een en ander hebben medegedeeld, hetwelk in de Schrift niet is
opgeteekend, is het allerwaarschijnlijkst, dat zij ons niets hebben mogen
en kunnen berichten van hunne ervaringen aan de overzijde des grafs.
Wij hebben aan Mozes en de profeten genoeg, Luk. 16:29; en Paulus kon,
nadat hij opgetrokken was geweest in den derden hemel, niet anders
zeggen, dan dat hij onuitsprekelijke woorden had gehoord, welke het
een mensch niet geoorloofd is te spreken. Cf. tegen de leer van den
zieleslaap: Tertullianus, de an. 58. Calvijn, Psychopannychia, C. R.
33, 177-232. Bullinger, Huisboek Dec. 4 serm. 10. Cloppenburg, Op. II
413-417. Voetius, Disp. I 832-835. Witsius, Oec. foed. III 14, 18-22.
Gerdesius, Exerc. Acad. 592 sq. Moor VI 594-602. M. Vitringa IV 82-86.
Gerhard, Loc. XXVI 293. Delitzsch, Bibl. Psych. 419. Splittgerber, Tod,
Fortleben und Auferstehung³ 102. Rinck, Vom Zustande nach dem Tode
1885 S. 19. Kliefoth, Christl. Eschatologie 1886 S. 66. Atzberger, Die
christl. Eschatol. 212.
9. Anderen zijn van meening, dat de zielen na den dood eene nieuwe
lichamelijkheid ontvangen en daardoor weer met de buitenwereld in
gemeenschap kunnen treden, boven bl. 381. Voor dit gevoelen beroept
men zich daarop, dat van het leven en de werkzaamheid der ziel zonder
lichaam geen voorstelling te vormen is, en voorts op die plaatsen der
Schrift, welke aan de zielen der gestorvenen eene zekere lichaamlijkheid
schijnen toe te kennen. De bewoners van het doodenrijk worden juist
zoo beschreven, als zij er op aarde hebben uitgezien. Samuel wordt
voorgesteld als een oud man en met een mantel bekleed, 1 Sam. 28:14;
de koningen der Heidenen zitten op tronen en gaan den koning van Babel
tegemoet, Jes. 14:9; de Heidenen liggen er als onbesnedenen neer,
Ezech. 31:18, 32:19v. Jezus spreekt bij de gestorvenen nog van oogen
en vingers en tong, Luk. 16:23, 24. Paulus verwacht, dat, zoo het
aardsche huis des tabernakels gebroken wordt, hij een gebouw van God
hebben zal en niet ontkleed maar overkleed zal worden, 2 Cor. 5:1-4.
En Johannes zag eene groote schare, staande voor den troon en het Lam,
bekleed met lange, witte kleederen en met palmtakken in hunne handen,
Openb. 6:11, 7:9. Maar 1º is uit deze spreekwijze der H. Schrift niets
af te leiden voor de lichamelijkheid der zielen na den dood. Want zij
kan van God en de engelen, van de zielen in het doodenrijk, van de
vreugde in den hemel en de smart in de hel niet anders spreken dan
in menschelijke taal, onder beelden, die aan aardsche toestanden en
verhoudingen zijn ontleend. Maar daarnaast verklaart zij toch duidelijk
en beslist, dat God geest is en dat de engelen geesten zijn, en geeft
daarmede den regel aan de hand, waarnaar al deze anthropomorphe
spreekwijzen moeten worden opgevat. En zoo doet zij ook in betrekking tot
de gestorvenen. Zij kan van hen niet anders spreken dan als van menschen
van vleesch en bloed, maar zegt daarnaast, dat zij, terwijl hun lichaam
rust in het graf, zielen, geesten zijn, Pred. 12:7, Ezech. 37:5, Luk.
23:46, Hd. 7:59, Hebr. 12:23, 1 Petr. 3:19, Op. 6:9, 20:4. Aan deze
duidelijke uitspraken hebben wij ons te houden. Wie desniettemin aan de
zielen een soort lichaam toeschrijft, moet er ook toe komen, om met de
theosophen God en de engelen zich in zekeren zin lichamelijk voor te
stellen. 2º De sterkste plaats, die voor eene Zwischenleiblichkeit
der zielen spreekt, is 2 Cor. 5:1-4. Maar ook deze tekst verliest bij
gezonde uitlegging al zijne bewijskracht. Want over de hoofdgedachte,
welke Paulus hier uitspreekt, is geen verschil; de apostel weet dat
hij, wanneer zijn aardsche lichaam ontbonden wordt, een gebouw uit God
heeft; maar hij zucht toch en is bezwaard in dit lichaam, wijl hij opziet
tegen den dood, en zou daarom liever wenschen, niet van dit lichaam
ontkleed, maar in eens naar ziel en lichaam tegelijk door de hemelsche
woonstede overkleed te worden, opdat het sterfelijke door het leven
verslonden werd. Al is dit echter ook zijn liefste wensch, hij weet, dat
hij na verbreking van dit aardsche lichaam, al is het ook dat hij van
het lichaam ontkleed wordt (de lezing in vs. 3 εἰ γε και ἐκδυσαμενοι
verdient m. i. boven εἰπερ of εἰ γε και ἐνδυσαμενοι de voorkeur),
toch daarom niet naakt bevonden zal worden maar bij den Heere zal
inwonen, vs. 1. 3. 8. Indien dit echter de hoofdgedachte is, dan kan
bij de woonstede uit God niet aan het opstandingslichaam en nog veel
minder aan een tusschenlichaam gedacht worden. Want Paulus verlangt
juist, om zonder te sterven, terwijl hij het aardsche lichaam behoudt,
met die woonstede uit God overkleed te worden; het opstandingslichaam
nu staat niet naast het aardsche lichaam en wordt er niet over heen
aangetrokken, maar komt door Gods machtwoord eruit voort of gaat er
bij degenen, die levend overblijven, door verandering in over, 1 Cor.
45:42, 51; en van een tusschenlichaam is er nog veel minder sprake, wijl
Paulus dan niet minder dan drie lichamen kennen zou, die het een over
het ander achtereenvolgens zouden worden aangetrokken. Holtzmann, Neut.
Theol. II 199 zegt daarom terecht: von einem Zwischenleib redet man am
besten gar nicht mehr, Paulus kennt zwei, nicht drei σωματα die echter
dan ook niet dualistisch na en naast elkander te stellen zijn. Om deze
reden kan de οἰκοδομη ἐκ Θεον niets anders zijn dan de als een plaats
en tegelijk als een kleed gedachte hemelsche heerlijkheid, het eeuwige
licht, waarin God zelf woont, 1 Tim. 6:16, hetwelk uit God, zonder
handen gemaakt, uit en in den hemel is, en waarin de geloovigen bij het
sterven of bij de opstanding worden overgezet, cf. Col. 1:12, Joh. 14:2,
17:24. Eindelijk 3º is de lichaamlijkheid, welke men aan de zielen na den
dood toeschrijft, een begrip, waarbij zich niets bepaalds laat denken en
waarover de meeningen dan ook zeer verre uiteenloopen. Delitzsch neemt
op zijn trichotomisch standpunt aan, dat de ziel dezen dienst van het
tusschenlichaam voor den geest vervult. De ziel staat bij hem tusschen
geest en stof in; zij is het uit den geest afgeleide levensbeginsel van
het lichaam, de lichamelijke, uitwendige bekleeding van den geest en
toch ook weer de onstoffelijke, inwendige zijde van het lichaam. Güder
leert, dat de kracht, die ons aardsche lichaam organiseerde, behouden
blijft en aan de overzijde des grafs uit de daar aanwezige elementen een
nieuw lichaam vormt. Splittgeber zegt, dat de organische grondvorm van
het lichaam met de ziel medegaat en haar in den tusschentoestand eene
onvolkomene, voorloopige lichamelijkheid geeft. Binck is van meening,
dat het Nervenleib, een fijn, inwendig lichaam, dat de drager van het
zieleleven is, de ziel na den dood vergezelt en bij de wedergeborenen
door den Geest Gods overkleed en door de bestraling van het verheerlijkt
lichaam van Christus tot een Zwischenleib gevormd wordt, terwijl het bij
de goddeloozen meer en meer van zonde en duisternis doortrokken wordt
enz. Maar wat men er ook van zegge, het blijft er even onduidelijk om. Wij
kennen niets anders dan geest en stof; eene immaterielle Leiblichkeit
is eene tegenstrijdigheid, die ter kwader ure uit de theosophie in de
christelijke theologie is overgebracht en het valsche dualisme van geest
en stof, van thesis en antithesis, te vergeefs door eene ondenkbare
synthesis tracht te verzoenen, cf. deel II 193. 537.
10. In de derde plaats zijn er velen, die meenen, dat de zielen na den
dood nog in eenig verband tot het aardsche leven blijven staan. Bij vele
volken heerschte de gedachte, dat de zielen na den dood in de nabijheid
van het graf bleven, en ook de Joden meenden, dat zij nog een tijd lang
na het sterven om het lijk bleven zweven en verklaarden daaruit, dat de
tooveres te Endor den geest van Samuel nog oproepen kon, Weber, Syst.
der altsyn. pal. Theol. 324. Wijd verbreid was het gebruik, om den
gestorvenen voedsel, wapenen, bezittingen, soms zelfs ook zijne vrouwen
en slaven in het graf mede te geven; en gewoonlijk werd deze vereering
der gestorvenen niet tot den dag der begrafenis of den rouwtijd beperkt,
maar ook daarna voortgezet en in den gewonen, privaten of publieken,
cultus opgenomen. Vereerd werden niet alleen de dooden in het algemeen,
maar ook de gestorven bloedverwanten, de ouders en voorouders; de
vaders en hoofden van den stam; de heroën van het volk; de vorsten
en koningen des lands, soms reeds bij hun leven; en in het Buddhisme
en den Islam ook de heiligen. De cultus bestond daarin, dat men hun
graven onderhield, hun lijken verzorgde (bijv. door balseming), van tijd
tot tijd bloemen en spijzen op hun graf nederlegde, aan hun beelden en
reliquiën hulde bewees, maaltijden en spelen ter hunner eere aanrichtte,
gebeden tot hen opzond en hun offeranden bracht. Tusschen de vereering
van deze gestorven menschen en van de goden maakte men daarbij dikwerf,
zooals in Perzië, Indië, Griekenland wel onderscheid, maar niettemin
was de doodencultus een voornaam bestanddeel van den godsdienst. Met
hunne vereering bedoelde men ten deele, om hun zelf ter hulpe te komen,
maar vooral ook, om het onheil, dat zij stichten konden, af te weren
en hun zegen en bijstand, hetzij op gewone, hetzij op buitengewone wijze,
door orakels en wonderen, zich te verzekeren, cf. Ch. de la Saussaye,
Lehrb. der Religionsgesch. I 79-87. Alle deze elementen drongen reeds
van de tweede eeuw af ook in den christelijken cultus door. Gelijk in
het Buddhisme de monniken en in den Islam de mystici, zoo werden in
de christelijke kerk de martelaren spoedig voorwerp van godsdienstige
vereering; op de plaats, waar zij gestorven of hunne reliquiën bijgezet
waren, werden altaren, kapellen, kerken gebouwd; daar kwamen vooral
op de sterfdagen (dies natales) der martelaren, de geloovigen samen,
om hunne gedachtenis te vieren door vigiliën en psalmgezang, door
het lezen der acta martyrum en het aanhooren van eene prediking ter
hunner eere en vooral ook door het celebreeren der heilige eucharistie.
En na de vierde eeuw breidde deze cultus van Maria, de engelen,
de patriarchen, de profeten en de martelaars ook tot bisschoppen,
monniken, kluizenaars, confessores, virgines en tot allerlei heiligen
en tot hunne reliquiën en beelden zich uit, Schwane D. G. I 389 f.
II 620 f.; en in weerwil van alle verzet zoowel in als buiten de
Roomsche kerk, heeft zij zich niet alleen tot op dezen dag toe staande
gehouden maar neemt zij nog altijd op schrikbarende wijze toe en dringt de
aanbidding van den éénen waarachtigen God en van Jezus Christus, dien
Hij gezonden heeft, hoe langer hoe meer op den achtergrond. Rome viert
in dezen cultus op practische wijze de gemeenschap der heiligen. De ééne
christelijke kerk heeft drie afdeelingen, de ecclesia triumphans in den
hemel, de ecclesia patiens in het vagevuur, en de ecclesia militans
op aarde. Het aandeel, dat de ecclesia patiens in deze gemeenschap
neemt, bestaat daarin, dat de zaligen in den hemel met hunne voorbeden
de arme zielen in het vagevuur te hulp komen; dat de kerk op aarde de
straffen dier zielen door gebeden, aalmoezen, goede werken, aflaten
en vooral door het misoffer verzacht en verkort; en eindelijk ook nog
daarin, dat de zielen in het vagevuur, die in elk geval de meeste
leden der strijdende kerk ver vooruit zijn, en daarom aangeroepen
mogen worden, de geloovigen op aarde door hare voorbeden helpen en
sterken. Dit laatste element, hoewel ook reeds in de gemeenschap met
de ecclesia patiens hoe langer hoe breeder plaats innemend, vormt
toch het hoofdbestanddeel van de gemeenschap der strijdende met de
triumfeerende kerk. De zaligen in den hemel zijn, evenals de engelen,
de volmaakte, bovennatuurlijke heiligheid deelachtig; en daarom zijn zij
objecten van aanbidding en vereering. In die heiligheid deelen zij niet
allen in dezelfde mate; evenals de engelen, vormen zij eene geestelijke
hierarchie; bovenaan staat Maria en na haar volgen de patriarchen,
de profeten, de apostelen, de martelaren, de confessores enz. Het is
eene dalende reeks, maar in allen blinkt iets van de Goddelijke deugden
uit. En daarin deelt dan ook al wat met de heiligen in eenig verband
heeft gestaan of nog staat, hun lichaam, ledematen, kleederen, woning,
beeltenis enz. En in dezelfde mate, als iets dichter bij God staat en
meer zijne heiligheid deelachtig is, is het voorwerp van godsdienstige
vereering. Ook in deze is er dus allerlei verschil. Er is latria, die
alleen Gode toekomt; de menschelijke natuur van Christus en al hare
leden, bijv. het heilige hart, is wel niet per se en propter se maar
toch in se voorwerp van latria; Maria heeft aanspraak op hyperdulia; de
heiligen op dulia; hun reliquien op cultus religiosus relativus enz.;
tot sunt species adorationis, quot sunt species excellentiae, adoratio
est diversa pro diversitate excellentiae, deel II 451v. III 262. 300.
De vereering der heiligen bestaat over het algemeen in gebeden, vasten,
waken, feestdagen, gaven, bedevaarten, processies enz., en heeft ten
doel, om door hunne voorbeden de gunst van God te verwerven en een of
andere weldaad van Hem te verkrijgen. Maar deze vereering en voorbede is
niet alleen generaal, doch ook particulier; er zijn bepaalde heiligen
voor bepaalde volken, familiën, personen, en er zijn bijzondere heiligen
voor de onderscheidene nooden en behoeften. De heilige George is de
schutspatroon van Engeland, Jakobus van Spanje, Stephanus van Hongarije;
de schilders vereeren den heiligen Lukas, de timmerlieden Jozef, de
schoenmakers Crispinus; de heilige Sebastiaan helpt vooral in pest,
Ottilia bij oogziekte, Antonius, in geval men iets verloren heeft;
zelfs dieren hebben hun beschermheilige, de ganzen worden bijzonder
door den heiligen Gallus en de schapen door den heiligen Wendelinus
bewaard enz. Cf. Trid. sess. 25 en andere kerkelijke bepalingen bij
Denzinger 243. 273. 866 enz. Catech. Rom. III 2 qu. 4-14. Hieronymus,
Contra Vigilantium bij Migne XXXIII 339-452. Damascenus, de imaginibus,
Id. de fide orthod. IV 15. 16. Lombardus e. a. op Sent. IV dist. 45.
Thomas, S. Theol. II 2 qu. 83 art. 11. Suppl. qu. 71. 72. Bellarminus,
de ecclesia triumphante sive de gloria et cultu sanctorum, Controv.
II 269-368. Oswald, Eschatologie² 121-233. Atzberger, Die christl.
Eschatol. 263-269 enz. Vele van deze voorstellingen zijn telkens ook in
de Protestantsche theologie teruggekeerd. De Lutherschen gaven toe, dat
de engelen en ook de heiligen bidden pro ecclesia universa in genere,
Apol. conf. 21. Art. Smalc. II 2. Evenals Hugo Grotius reeds vroeger
in zijn Votum pro pace de aanroeping der heiligen verdedigd had, zoo
nam Leibniz later deze en zelfs de vereering van beelden en reliquiën
in bescherming, Syst. der Theol. 1825 S. 116-195. Het ritualisme in
Engeland gaat denzelfden kant uit, Ryle, Knots united p. 491 etc. Vele
theologen nemen aan, dat er na den dood een zeker verband tusschen de
ziel en het lichaam blijft bestaan, Beck, Seelenlehre 40 f. Delitzsch,
Bibl. Psych. 444 f., dat de zielen nog eenig verkeer met de aarde
onderhouden, van de gewichtigste gebeurtenissen kennis dragen, voor ons
bidden en zegenend op ons nederzien, Splittgerber, Tod, Fortleben und
Auferstehung 157 f. In de vorige eeuw meenden velen, zooals Swedenborg,
Jung-Stilling, Oberlin in direct verkeer met de afgestorven geesten te
staan, cf. vooral J. C. Wötzel, Meiner Gattin wirkliche Erscheinung
nach ihrem Tode, Chemnitz 1804. De mogelijkheid van hunne verschijningen
werd en wordt nog door velen erkend, zooals door Kant, Träume eines
Geistersehers, Lessing, Dramaturgie, J. H. Fichte, Anthropologie,
Jung-Stilling, Theorie der Geisterkunde 1808. Kerner, Die Seherin von
Prevorst 1829. Eschenmayer, Das Mysterium des inneren Lebens, erläutert
aus der Gesch. der Seherin van Prevorst 1830. Daarbij is sedert 1848 het
spiritisme gekomen, dat zich opzettelijk in rapport met de geestenwereld
tracht te stellen en werkelijke openbaringen (door teekens, slagen,
schrift, psychographie), werkingen (opheffen en verplaatsen van
meubels, ontbinden van knoopen, bespelen van muziekinstrumenten) en
verschijningen (materialisaties) van geesten meent ontvangen te hebben.
Van de rijke litteratuur van het spiritisme zij alleen genoemd het werk
van den Russischen staatsraad Alexander Atsakow, dat al het materiaal
bevat en getiteld is: Animismus und Spiritismus 2 B{de}, Leipzig Mutze
1894.