3. Dit avondmaal nam van den aanvang af in de christelijke

godsdienstoefening eene voorname plaats in. Het werd gewoonlijk in eene

bijzondere samenkomst der gemeente op den dag des Heeren des avonds

en in verbinding met een gewonen maaltijd gevierd, boven bl. 216.

Van de wijze dezer viering is ons weinig bekend; alleen weten wij uit

Did. 9. 10. 14, dat er eerst eene belijdenis van zonden plaats had,

daarna over den beker en over het brood afzonderlijk een dankgebed

werd uitgesproken, dan de maaltijd gehouden en het geheel met eene

dankzegging besloten werd. Maar in de tweede eeuw kwam er allengs in

heel de kerk scheiding tusschen de ἀγαπαι en de εὐχαριστια. De eerste

gingen haar eigen weg en ontaardden al spoedig, Zahn, art. Agapen in

Herzog³; en de tweede werd in de morgengodsdienstoefening verlegd en

met de bediening des woords in verbinding gebracht. Daarmede gingen

verschillende veranderingen gepaard. De ééne godsdienstoefening werd

spoedig in twee gedeelten gesplitst, waarvan het eerste, de bediening

des woords, ook voor catechumenen, poenitenten en ongeloovigen

openstond, maar het tweede, de viering van het avondmaal, alleen voor

de gedoopten toegankelijk was. Dit laatste kreeg hoe langer hoe meer

een mysterieus karakter, boven bl. 217; doop en avondmaal werden een

μυστηριον, een sacramentum, Tert. adv. Marc. 4, 34, en door dezen naam

alsmede door allerlei bijkomende plechtigheden in een geheimzinnig

donker gehuld. Geheel verkeerd is het daarom ook, om de opvattingen

dier eerste tijden te interpreteeren naar de meeningen, die in het

Westen later, en vooral in de 16e eeuw gekoesterd werden over de unio

sacramentalis. De Schrift zeide, dat het brood het lichaam en de wijn

het bloed van Christus is, en dit spraakgebruik werd overgenomen

en door ieder op zijne wijze verstaan en uitgelegd. Eene officieele

interpretatie ontbrak; strijd ontstond er niet over; en de vraag naar

den aard dier vereeniging van teeken en beteekende zaak kwam niet op;

eene realistische con- of transsubstantiatie lag even ver buiten het

bewustzijn van dien tijd als eene uitsluitend symbolische of figuratieve

beteekenis van het avondmaal. Symbool en zaak was voor het Oostersch

denken veel inniger verbonden dan voor het Westersche; wij verstaan,

zegt Harnack, D. 6. I² 397 terecht, onder symbool eene zaak, die niet

is, wat zij beduidt, maar toen verstond men veelmeer onder symbool

eene zaak, die op eene of andere wijze ook is, wat zij beduidt. Het

stond van den aanvang af in de christelijke kerk vast, dat brood en

wijn het lichaam en bloed van Christus waren; maar de wijze, waarop

zij zich beider vereeniging dachten, is niet klaar en daarom voor

verschillende uitlegging vatbaar. Dat geldt van Ignatius, Smyrn. 7.

Ef. 20. Justinus, Apol. I 66. Iren. adv. haer. IV 18, 5 en van vele

andere schrijvers. Maar de ontwikkeling der avondmaalsleer werd vooral

in verkeerde baan geleid door de toepassing der offeridee. In het N.

T. wordt wel de heiliging des lichaams, Rom. 12:1, het gebed, Hebr.

13:15, cf. Op. 5:8, 8:3, de weldadigheid en mededeelzaamheid, Hebr.

13:16, Phil. 4:18, maar nooit het avondmaal eene offerande genoemd. Nu

was echter in den eersten tijd het avondmaal met een gewonen maaltijd

verbonden, en voor dien maaltijd brachten de meer gegoede gemeenteleden

de noodige ingrediënten mede, brood, wijn, olie, melk, honing enz.,

die waarschijnlijk door de diakenen in ontvangst genomen, voor den

bisschop op hoofd- en bijtafels (de latere zijaltaren) neergelegd, bij

den maaltijd bediend en daarna tot onderhoud van de dienaren en tot

ondersteuning der armen bestemd werden. Deze gaven kregen den naam van

προσφοραι, oblationes, θυσιαι, sacrificia, offeranden, en werden door

den bisschop met een dankgebed, εὐχαριστια, gezegend. Deze opvatting

werd op heel het avondmaal overgedragen. Naar het dankgebed, dat over

de gaven gesproken werd, heette weldra het avondmaal zelf en ook de

beide avondmaalselementen εὐχαριστια, Did. 9. Ign., Philad. 4. Smyrn.

7. 8. Justinus, Apol. I 66, en werd het ook spoedig opgevat als eene

offerande, die door de gemeente Gode toegebracht werd, Did. θυσια

καθαρα, reeds met beroep op Mal. 1:11. Dit was nu nog zoolang vrij

onschuldig, als het avondmaal werkelijk als een maaltijd beschouwd en de

dankzegging in naam van de gansche gemeente gedaan werd; de inhoud der

offerande was niet het lichaam en bloed van Christus maar de door de

gemeente saamgebrachte gaven, zoodat men in den eersten tijd dus alleen

aan een dank- doch hoegenaamd niet aan een zoenoffer dacht. Maar er lag

toch een gevaarlijk element in, dat te zijner tijd verkeerd zou werken,

vooral toen het door de clericale opvatting van het ambt versterkt

werd. Reeds Clemens vergelijkt de episcopi en diaconi met de priesters

en levieten des O. T., omschrijft hun werkzaamheid als een προσφερειν

τα δωρα της ἐπισκοπης en brengt hun εὐχαριστια met de O. T. θυσιαι in

verband, 1 Cor. 40-44. En toen avondmaal en agapae, de aanbieding van

brood en wijn voor het avondmaal en de bijdragen voor het onderhoud der

dienaren en de ondersteuning der behoeftigen uit elkander vielen, kreeg

het avondmaal hoe langer hoe meer het karakter van eene offerande, die

niet door de gemeente maar door den bisschop werd gebracht, niet in

hare aanbieding maar in zijne dankzegging en wijding bestond, en niet op

de gaven voor maar op de elementen van het avondmaal betrekking had,

Justinus, Dial. 41. 70. Iren. adv. haer. IV 18, 5. Deze opvatting van

het avondmaal als eene offerande had nu weer invloed op de gedachte,

welke men zich vormde van de unio sacramentalis, gelijk omgekeerd deze

op gene. Naarmate de bisschop als priester, de dankzegging als wijding,

het avondmaal als een offer beschouwd werd, moest ook de realistische

vereeniging van brood en wijn met het lichaam en bloed van Christus zich

te sterker aanbevelen. De symbolische, spiritualistische opvatting van

Origenes, die in het wezen der zaak ook bij Eusebius Caes., Basilius,

Gregorius Naz. e. a. gevonden wordt, maakt in verband met de Oostersche

Christologie bij Cyrillus, Gregorius Nyss., Chrysostomus en Johannes

Damascenus voor de realistische leer der μεταβολη, μεταποιησις of

transformatie plaats, welke dan later nog in de leer der μετουσιωσις

of transsubstantiatie overging, Damascenus, de fide orthod. IV 14.

Conf. orthod. qu. 107. Conf. Dosith. decr. 17, cf. Steitz, Die

Abendmahlslehre der gr. K. in ihrer gesch. Entw. Jahrb. f. d. Theol.

1864 S. 409-481. 1865 S. 64-152. 399-463. 1866 S. 193-252. 1867 S.

211-286. 1868 S. 2-67. 649-700. Kattenbusch, Vergl. Konf. I 410 f.

Loofs, art. Abendmahl in Herzog³ 1, 38-57.

De ontwikkeling ging in het Westen veel langzamer, al leidde zij later

tot een zelfde resultaat. Cyprianus stelde wel het sacrificieel

karakter van het avondmaal sterk op den voorgrond maar zag daarin toch

slechts eene imitatie van wat Christus in waarheid op Golgotha gedaan

had, Ep. 63, 2. 14. En hoewel Augustinus telkens in de taal der Schrift

het brood het lichaam en den wijn het bloed van Christus noemt, toch is

er bij hem nog niets te vinden van de latere transsubstantiatie-theorie.

Integendeel, Augustinus maakt zoo sterk mogelijk onderscheid tusschen

verbum en elementum, accedit verbum ad elementum et fit sacramentum;

brood en wijn worden daarom sacramenten genoemd, quia in eis aliud

videtur, aliud intelligitur. Het teeken wordt wel dikwerf met den

naam van de beteekende zaak genoemd, maar dat komt, wijl het er eene

gelijkenis van vertoont. Si enim sacramenta quendam similitudinem earum

rerum, quarum sacramenta sunt, non haberent, omnino sacramenta non

essent. Ex hac autem similitudine plerumque etiam ipsarum rerum nomina

accipiunt. Sicut ergo secundum quendam modum sacramentum corporis

Christi corpus Christi est, sacramentum sanguinis Christi sanguis

Christi est, ita sacramentum fidei fides est, Ep. 23 ad Bonif. Brood en

wijn zijn similitudines, signa, commemorationes van het lichaam en bloed

van Christus; Dominus non dubitavit dicere: hoc est corpus meum, cum

signum daret corporis sui, c. Adam. c. 12. Christus is lichamelijk ook

niet meer bij ons, maar is opgevaren ten hemel; secundum praesentiam

majestatis semper habemus Christum, secundum praesentiam carnis, recte

dictum est discipulis: me autem non semper habebitis, tract. 1 in Ev.

Joann. Als Augustinus het avondmaal dan ook menigmaal een sacrificium

noemt, verstaat hij daaronder niet, dat Christus andermaal in waarheid,

zij het ook op onbloedige wijze, geofferd wordt; maar dan noemt hij het

zoo, wijl het eene gedachtenis is van Christus’ offerande aan het

kruis. Hujus sacrificii caro et sanguis ante adventum Christi per

victimarum similitudinem promittebatur; in passione Christi per ipsam

veritatem reddebatur; post ascensum Christi per sacramentum memoriae

celebratur, c. Faustum 20, 21. Christus se ipsum obtulit holocaustum

pro peccatis nostris et ejus sacrificii similitudinem celebrandam in

suae passionis memoriam commendavit, 83 qu. qu. 61. de doctr. chr.

III 16. Of ook verstaat hij onder het lichaam van Christus, dat in

het avondmaal geofferd wordt, de gemeente. Hoe is, zoo vraagt hij,

het brood het lichaam van Christus? en hij antwoordt: corpus Christi

si vis intelligere, apostolum audi dicentem fidelibus: vos estis

corpus Christi et membra. Si ergo vos estis corpus Christi et membra,

mysterium vestrum in mensa propositum est, mysterium Dei accipitis.

En het brood is daar het teeken van, quia panis non fit de uno grano

sed de multis, Serm. ad infantes, cf. de civ. 10, 6. 22, 10. Daarom

wordt Augustinus ook niet moede, om te verzekeren, dat het gebruik

van het avondmaal op zichzelf niet voldoende is, dat het alleen voor

de geloovigen ten zegen maar voor anderen ten verderve is, dat het

ware eten van Christus’ lichaam in het gelooven bestaat: crede et

manducasti, Tract. 25 in Joann. en zoo passim, cf. Bibl. studii theol.

apud J. Crispinum 1565 p. 89-100. Dorner, Augustinus 263-276 enz. De

leer van Augustinus hield door haar machtigen invloed nog langen tijd de

volle ontwikkeling der realistische theorie tegen, en domineerde nog

onder de karolingische theologen, maar werd in den strijd van Ratramnus

tegen Paschasius Radbertus en later in dien van Berengarius tegen

Lanfranc meer en meer teruggedrongen en eindelijk geheel en al door de

metabolische theorie vervangen. Het woord transsubstantiatie ontmoeten

wij het eerst bij Hildebert van Tours † 1134, maar deze gebruikt het in

eene preek, zoodat het toen reeds vrij algemeen bekend moet geweest

zijn, cf. Deutsch in Schürer’s Theol. Lit. Z. 1898 col. 442. De zaak

die er door uitgedrukt werd, stond reeds vroeger vast. Berengarius

moest 1079 de formule onderteekenen, panem et vinum... per mysterium

sacrae orationis et verba nostri Redemptoris substantialiter converti

in veram et propriam ac vivificatricem carnem et sanguinem Domini

nostri J. C. etc. En het vierde Lateraanconcilie 1215 bepaalde, dat

het lichaam en bloed van Christus in sacramento altaris sub speciebus

panis et vini veraciter continentur, transsubstantiatis pane in corpus

et vino in sanguinem potestate divina, Denzinger, Enchir. 298. 357.

Dit dogma stelde aan den dialectischen geest der scholastiek een

reeks van problemen over aard, tijd en duur der verandering, over de

verhouding van substantie en accidentiën, over de wijze, waarop Christus

tegenwoordig was in beide elementen en in elk gedeelte daarvan, over

bewaring en aanbidding der hostie enz., Lombardus, Thomas, Bonaventura,

Duns Scotus op Sent. IV dist. 8-13. Thomas, S. Theol. III qu. 73-83.

c. Gent. IV 61-69. Bonaventura, Brevil. VI 9, cf. Schwane, D. G.

III 628-661. Harnack, D. G. III 488-498 enz. Van het sacrament des

avondmaals leert dan Rome aldus: de teekenen in dit sacrament zijn

ongezuurd brood en met een weinig water vermengde wijn. Deze elementen

worden door het woord der consecratie veranderd in het eigen lichaam

en bloed van Christus. Toen de Heiland n.l. bij den laatsten maaltijd

de woorden sprak: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed; toen heeft

Hij niet alleen voor deze ééne maal brood en wijn in zijn lichaam en

bloed doen veranderen, maar Hij heeft tegelijk daarin zijne discipelen

tot priesters aangesteld en in de woorden, die Hij sprak, eene kracht

gelegd tot verandering der substantie van brood en wijn. De bediening

van de eucharistie is daarom het priesterlijk werk bij uitnemendheid en

mag nooit door een ander dan een geordend priester worden waargenomen.

Als de priester de woorden der consecratie uitspreekt, verandert de

substantie van brood en wijn in de substantie van het lichaam en bloed

van Christus. De lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in de

eucharistie kan immers niet daardoor tot stand komen, dat Christus

den hemel verlaat en in het sacrament gaat inwonen, want Christus

is en blijft gezeten aan de rechterhand des Vaders; noch ook kan zij

door schepping bewerkt worden, want dan ware het brood niet het eigen

lichaam van Christus, niet hetzelfde, waarmede Hij uit Maria geboren

en aan het kruis gestorven is; zij kan daarom alleen op die wijze

geschieden, dat de substantie van brood en wijn in de substantie van

Christus’ lichaam en bloed overgaat, ongeveer gelijk de spijze, die

wij nuttigen, omgezet wordt in een bestanddeel van ons lichaam. De

accidentia van brood en wijn, n.l. de vorm, smaak, reuk, kleur en zelfs

de voedende kracht, blijven wel na de consecratie, maar zij inhaereeren

niet meer in een subject; de substantie, waarvan zij de eigenschappen

waren, is weggenomen en door eene gansch andere vervangen, van

welke zij geen eigenschappen zijn, maar die zij alleen door hun schijn

bedekken voor het oog. Wijl nu Christus’ lichaam en bloed niet van zijne

menschelijke natuur en deze niet van zijne Godheid is af te scheiden,

zoo is de gansche Christus in ieder element en in elk gedeelte der

beide elementen ten volle tegenwoordig. Daarom is het niet noodig, al

is het ook niet ongeoorloofd en soms toe te staan, dat de eucharistie

sub utraque specie genoten wordt, want in het kleinste stukske brood is

toch de gansche Christus aanwezig. En deze Christus is in de elementen

aanwezig van het oogenblik der consecratie af tot den tijd toe dat zij

verbruikt zijn, dus ook ante en extra omnem usum. De eucharistie is

daarom van alle andere sacramenten onderscheiden. Want deze worden

alle door het gebruik voltrokken; de doop bijv. is dan eerst een

sacrament, als de mensch er werkelijk door afgewasschen wordt. Maar dit

is met de eucharistie niet het geval. De formule, die hierbij gesproken

wordt, richt zich niet tot den ontvanger, maar richt zich tot het

element en dient, om dit element in het lichaam en bloed van Christus

te veranderen. Bij de eucharistie is dus het gebruik, de communie,

secundair; het behoort tot de perfectio maar niet tot de necessitas van

het sacrament. Het sacrament der encharistie bestaat wezenlijk in de

consecratie zelve, in de daardoor teweeggebrachte transsubstantiatie,

in de handeling van den priester, dat is in de offerande. De

eucharistie is bij Rome niet alleen een sacramentum, zij is in de eerste

plaats een sacrificium. Toen Christus de woorden sprak: dit is mijn

lichaam, heeft Hij op datzelfde oogenblik zich Gode opgeofferd; en als

Hij zeide: doet dat tot mijne gedachtenis, heeft Hij daarin verordend

dat zijne priesters deze offerande herhalen zouden van dag tot dag,

Mal. 1:11. De offerande, die door den priester in de mis geschiedt,

is dezelfde als die volbracht werd aan het kruis; zij is er maar geen

beeld, symbool, herinnering van, maar zij is er volkomen identisch mede,

zij is geheel dezelfde offerande, alleen met dit verschil, dat die aan

het kruis eene bloedige en deze in de mis eene onbloedige offerande

is. Immers is het ook dezelfde priester, die zich aan het kruis en die

zich hier offert, want Christus zelf is het, die door middel van den

priester zich Gode opoffert en daarom door zijn mond de woorden spreekt:

dit is mijn lichaam. Daarom is het misoffer niet alleen een lof- en een

dank-, maar ook een waarachtig zoenoffer, niet minder rijk in werking

en vrucht dan de offerande aan het kruis. Terwijl de eucharistie als

sacrament het geestelijk leven voedt, voor doodzonden bewaart, tijdelijke

straffen kwijtscheldt, de geloovigen vereenigt en de toekomstige

heerlijkheid waarborgt, bewerkt zij als misoffer de kwijtschelding van

tijdelijke straffen en de genade der boete, niet alleen voor hen, die de

mis bijwonen maar ook voor de afwezigen; niet slechts voor de levenden

maar ook voor de boetenden in het vagevuur. De mis is het middelpunt

van den Roomschen cultus, φρικτον μυστηριον, tremendum mysterium. En

omdat de gansche Christus lichamelijk in de elementen van brood en wijn

aanwezig is, moeten deze zorgvuldig bewaard, in een monstrans aan het

volk ter aanbidding voorgehouden, op het festum corporis Christi in

plechtige processie rondgedragen worden en kunnen ze ook aan kranken in

hunne woning bediend en aan gestorvenen tot een viaticum medegegeven

worden. Cf. Trident. 13. 21. 22. Catech. Rom. II 2 cap. 4. Bellarminus,

de sacr. eucharistiae 1. IV en de sacrificio missae, 1. II in deel III

van zijne Controversiae p. 150-376. Perrone, Prael. Theol. Lovan. 1841

VI 136-364. Möhler, Symbolik § 34. Jansen, Prael. theol. dogm. III

408-596. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche 2e

Aufl. 1864 I 301-584. C. Pesch, Prael. dogm. VI 238-399. Gihr. Das h.

Messopfer, 6e Aufl. Freiburg Herder 1897 enz.

4. De Reformatie verwierp eenstemmig de Roomsche leer van

transsubstantiatie en misoffer, van asservatio, adoratio en

circumgestio der hostie, van kelkonthouding en het gebruik der

latijnsche taal, maar zij ging in de positieve opvatting van het

avondmaal spoedig uiteen. Luther leerde eerst, dat brood en wijn

teekenen en onderpanden waren van de vergeving der zonden, welke

door Christus’ dood verworven was en door het geloof ontvangen

werd. Maar spoedig kwam hij hierop terug en hield, vooral sedert

1524 tegen Carlstadt en Zwingli, op grond van de synecdochisch

verklaarde instellingswoorden, staande, dat het lichaam van Christus

overeenkomstig den wil en de almacht Gods en zijne eigene ubiquiteit

reëel en substantiëel in, met en onder het avondmaal tegenwoordig was,

gelijk zijne Goddelijke in de menschelijke natuur en gelijk de warmte in het

ijzer, en daarom ook lichamelijk door onwaardigen, zij het ook tot hun

eigen verderf, gegeten werd, Köstlin, Luthers Theol. I 163 f. 290 f. II

116 f. 511 f. Deze leer ging over in de Luthersche belijdenisschriften,

ed. Müller S. 41. 164. 248. 320. 365. 499. 538. 645. 779, en werd door

de dogmatici breeder uitgewerkt, Gerhard, Loc. XXI. Quenstedt, Theol.

IV 176-255. Hollaz, Ex. 1103-1141. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. §

55. Maar velen waren reeds in de eeuw der Hervorming van een gansch

ander gevoelen. Op voorgang van Honius, cf. de Hoop Scheffer, Gesch.

d. Kerkherv. I 86v., vatte Zwingli de woorden der instelling figuurlijk

op en verklaarde het woordeke: is door beteekent, evenals ieder dat

telkens elders doet, bijv. Gen. 41:26, Joh. 10:9, 15:1. Brood en wijn

in het avondmaal zijn dus teekenen van en herinneringen aan den dood

van Christus, en de geloovigen, hierop vertrouwende, genieten in die

teekenen het lichaam en bloed van Christus. Zwingli bestrijdt beslist

de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal, maar

hij ontkent daarmede volstrekt niet, dat Christus op geestelijke wijze

tegenwoordig is voor het geloof. Integendeel, Christus wordt wel

terdege in het avondmaal genoten, gelijk Joh. 6 duidelijk leert, maar

Christus is in het avondmaal niet anders tegenwoordig en wordt daarin

niet anders genoten dan in het woord en door het geloof, dat is op

geestelijke wijze. Dit genieten van Christus bestaat in niets anders dan

in vertrouwen op zijn dood. Spiritualiter edere corpus Christi nihil

est aliud quam spiritu ac mente niti misericordia et bonitate Dei

per Christum. En wie zoo door het geloof Christus geniet en dan ten

avondmaal komt, die geniet Hem daar ook sacramentaliter in de teekenen

van brood en wijn. In het avondmaal belijden wij daarom ons geloof,

spreken wij uit, wat wij door het geloof voortdurend aan Christus hebben

en van Hem genieten; en wij doen dat tot Christus’ gedachtenis, tot

verkondiging van en dankzegging voor zijne weldaden, Zwingli, Opera II

1 S. 426. II 2 S. 1 f. III 239. 326. 459. IV 51. 68. Weldra kwam er

tusschen de Duitsche en Zwitsersche Reformatie scheuring en twist, die

door het religiegesprek te Marburg en door de bemiddelende pogingen

van Bucer van Geref. en Melanchton van Luth. zijde niet bijgelegd werd.

Men verstond elkander niet; beiderzijds werd erkend, dat Christus

waarachtig, met zijne Goddelijke en menschelijke natuur, met zijn eigen

lichaam en bloed in het avondmaal aanwezig was en genoten werd, maar

men hechtte aan deze „waarachtige” tegenwoordigheid een verschillende

beteekenis. Toen Calvijn optrad, was er reeds aan geen verzoening

meer te denken, al nam hij ook met zijne leer van het avondmaal een

standpunt tusschen en boven beide partijen in. Immers staat Calvijn

beslist aan Zwingli’s zijde, inzoover hij alle lichamelijke, plaatselijke,

substantieele tegenwoordigheid van Christus in de teekenen van brood

en wijn ten eenenmale verwerpt; zulk eene tegenwoordigheid toch is in

strijd met de natuur van een lichaam, met de waarachtige menschheid

van Christus, met zijne hemelvaart, met den aard der gemeenschap, die

tusschen Christus en de zijnen bestaat en van eene onnutte oralis

manducatio hemelsbreed verschilt. Maar verder voelt Calvijn zich

door Zwingli niet bevredigd; hij heeft vooral twee dingen op zijne

avondmaalsleer tegen, 1º dat Zwingli de gave Gods in het avondmaal al

te zeer laat terugtreden achter hetgeen de geloovigen daarin doen en

dus het avondmaal eenzijdig opvat als eene belijdenisacte, en 2º dat hij

in het eten van Christus’ lichaam niets anders en hoogers ziet dan het

gelooven in zijn naam, het vertrouwen op zijn dood. Daarom stelt Calvijn

zich voorts aan den kant van Luther en zegt, dat Christus, ofschoon

niet lichamelijk en plaatselijk, toch wel waarachtig en wezenlijk, met

zijn ganschen persoon, ook met zijn lichaam en bloed, in het avondmaal

tegenwoordig is en genoten wordt. Niet over het feit, alleen over

de wijze dier tegenwoordigheid bestaat er tusschen hem en Luther

verschil. En het eten van Christus’ lichaam in het avondmaal gaat in

het gelooven, in het vertrouwen op zijn dood niet op. Het eten is niet

met het gelooven één, al komt het altijd slechts door het gelooven tot

stand, maar het is er veeleer de vrucht van, evenals in Ef. 3:17 het

inwonen van Christus in ons wel door het geloof geschiedt maar toch

van dat geloof onderscheiden is. Het is Calvijn blijkbaar te doen om

de unio mystica, om de gemeenschap der geloovigen met den ganschen

persoon van Christus. Deze komt nu niet eerst door het avondmaal tot

stand, want Christus is het brood onzer ziel reeds in het woord, maar

ze wordt ons toch in het avondmaal illustrius geschonken en in de

teekenen van brood en wijn verzegeld en bekrachtigd. In het avondmaal

is er eene gemeenschap niet alleen aan de weldaden maar ook aan den

persoon van Christus, en wederom niet alleen aan zijne Goddelijke maar

ook aan zijne menschelijke natuur, aan zijn eigen lichaam en bloed; en

deze gemeenschap wordt een eten genoemd. Dit bestaat dus niet in een

lichamelijk neerdalen van Christus uit den hemel noch ook in eene

mixtura vel transfusio carnis Christi cum anima nostra, maar in eene

verheffing onzer harten hemelwaart, in eene vereeniging met Christus

door den H. Geest, in eene communio aan zijn lichaam, tengevolge waarvan

Christus spirat e carnis suae substantia vitam in animas nostras, imo

propriam vitam in nos diffundit, Inst. IV c. 17 en voorts C. R. 37,

461-524. 681-688 enz. cf. mijn opstel over Calvijns avondmaalsleer in de

_Vrije Kerk_ 1887 bl. 459-487. De voorstelling van Calvijn is niet in elk

opzicht duidelijk, vooral niet wat de gemeenschap aan het eigen vleesch

en bloed van Christus en het daaruit voortvloeiende leven betreft.

Utenhove verzocht hem daarom niet ten onrechte, om, wanneer hij handelde

over het avondmaal, van min of meer duistere uitdrukkingen zich te

onthouden, Pijper, Jan Utenhove, Leiden 1883 bl. 40. En zoo was er ook

in de belijdenis en leer van de Gereformeerde kerken en theologen wel

verschil van uitdrukking. Sommigen, zooals Bucer, zochten toenadering

tot de Luthersche voorstelling en zeiden, dat het lichaam van Christus

substantialiter, quoad substantiam, in het avondmaal tegenwoordig was,

M. Vitringa VIII 265. 299. Maar de hoofdgedachte van Calvijn, dat er in

het avondmaal door den H. Geest eene geestelijke gemeenschap geoefend

wordt met den persoon en dus ook met het lichaam en bloed van Christus

en dat de geloovigen daardoor gespijsd en gelaafd worden ten eeuwigen

leven, is in verschillende Geref. belijdenisschriften overgenomen,

Tigur. Gall. 36. Belg. 35. Cat. Heid. 75-80. Scot. 21. Helv. II 21.

Westmon. 29, en gemeengoed geworden van de Geref. theologie, Beza,

Tract. Theol. I 30. 206. 211. 259. II 121. III 148. Martyr, Loci Comm.

445. Zanchius, Op. VII 387. VIII 517. Junius, Theses theol. disp. 52.

Ursinus, Tract theol. 359. a Lasco, Op. I 190. 549. Polanus, Synt.

theol. VI 56. Bucanus, Instit. theol. 649. enz., cf. M. Vitringa VIII 1

p. 266. Heppe, Dogm. 471.

Maar er kwam toch al spoedig oppositie tegen deze Calvinistische leer

van het avondmaal. De uitdrukking in de Conf. Gall. 36, dat Christus

ons voedt en levend maakt de la substance de son corps et de son sang,

wekte in de Zwitsersche kerken niet geringe bedenking. Zij wendden

zich ten jare 1572 tot de nationale Synode in Frankrijk met verzoek om

wijziging dezer woorden, maar vonden geen gehoor. Toch bleef bij velen

het bezwaar bestaan, en dit nam toe, toen Bossuet in zijne Exposition

de la doctrine de l’église cath. sur les matières de controverse

1671 er sterkte in zocht voor de Roomsche leer van het avondmaal,

M. Vitringa VIII 1 p. 302 sq. Langzamerhand won de Zwingliaansche

opvatting weer veld, volgens welke het eten niets anders dan gelooven

en de gemeenschap met Christus niets anders dan het aannemen zijner

weldaden was, Ostervald, Verhandeling v. d. geopenb. godsd. 1742 bl.

385. De verslapping der tucht werkte deze veruitwendiging van het

avondmaal in de hand en deed in de sacramenten slechts teekenen zien

van een uitwendig verbond, waarop alle onergerlijk levenden recht en

aanspraak hadden, Swarte, van Eerde, Janssonius, cf. Ypey en Dermout,

Gesch. v. d. Ned. Herv. Kerk III 612. Zoo werd de weg gebaand voor

het rationalisme, dat de gedachten van Socinianen, Remonstranten,

Mennonieten enz., cf. M. Vitringa VIII 2 p. 1014 sq. herhaalde en

in het avondmaal niets hoogers zag dan een gedachtenismaaltijd,

belijdenisacte, en zedelijk opvoedingsmiddel, Wegscheider, Instit. § 178.

179. Door Schleiermacher, die niet alleen de leer van de Roomschen,

maar ook die van de Socinianen enz. verwierp en die van Luther,

Zwingli en Calvijn alle als rechtzinnig erkende, ontwaakte er echter

een streven, om het avondmaal als objectief genademiddel te handhaven

en er eene versterking aan toe te kennen van de levensgemeenschap

met Christus. Dit geschiedde echter op zeer verschillende manieren.

Sommigen gingen van het avondmaal als eene symbolische handeling en

belijdenisacte uit maar voegden er aan toe, dat de geloovigen daarin

betuigden, dat zij Christus aannamen als voor zich gestorven, Doedes,

Leer der Zal. § 144v. Ned. Gel. 502. Heid. Catech. 352. Anderen vatten

het op als eene handeling der kerk, maar die naar Gods bestel dienst

doet, om langs ethischen en psychologischen weg het geloof aan de

vergeving der zonden en de gemeenschap met God te versterken, Lipsius,

Dogm. § 853. Biedermann, Chr. Dogm. § 927. Pfleiderer, Grundniss § 156.

Vele Vermittelungstheologen verwerpen de Luthersche consubstantiatie

en manducatio oralis, en naderen de leer van Calvijn, als zij zeggen,

dat Christus op eene geestelijke wijze in het avondmaal tegenwoordig

is, gelijk als in het woord, en zichzelf en zijne weldaden, (vergeving,

leven, geestelijke kracht, zaligheid) aan den geloovige meedeelt,

Kahnis, Luth. Dogm. II 339. Dorner, Chr. Gl. II 848 f. Müller, Dogm.

Abhandl. 467. Ebrard, Dogm. § 545. Nitzsch, Ev. Dogm. 567-569.

Schmidt, Chr. Dogm. II 471. 478. De oud-luthersche leer werd wederom

voorgedragen door Scheibel, Rudelbach, Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S.

260 f. en door de neolutheranen nog aangevuld met de theosophische

voorstelling, dat Christus door brood en wijn niet alleen de ziel maar

ook rechtstreeks het lichaam voedt, door de krankheden des lichaams

te genezen en den nieuwen mensch der opstanding te versterken, die in

het verborgene door den doop is geschapen, Martensen, Dogm. § 265.

Thomasius, Christi Person u. Werk II³ 327. 341, Hofmann, Schriftbeweis

II 2 S. 220. Vilmar, Dogm. II 245. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. II²

290. Rocholl, Spiritualismus und Realismus, Neue Kirchl. Zeits. 1898,

cf. Luther zelf bij Köstlin II 163. 516. In de Engelsche kerk eindelijk

nam de ritualistische partij meer en meer de leer en gebruiken van het

avondmaal bij Rome over, Wilberforce, The Doctrine Of The Holy

Eucharist 1853. Pusey, The presence of Christ in the holy eucharist

1853 cf. Ryle, Knots untied 1886 p. 205. Williams, The crisis

in the Church of England, Presb. and Ref. Rev. July 1899. Over de

geschiedenis der avondmaalsleer handelen voorts de dogmenhistorische

werken van Hagenbach, Münscher-v. Coelln, Harnack, Schwane enz., de

artikelen Abendmahl, Transsubstantiation, Messe in Herzog². Abendmahl,

Eucharistie in Herzog³. Rückert, Das h. Ab., sein Wesen u. seine Gesch.

in d. alten Kirche 1856. Ebrard, Das Dogma v. h. Ab. u. seine Gesch. 2

Bde 1845/6. Stahl, Die luth. Kirche u. die Union, Berlin 1859. Kahnis,

Dogm. II 360-438, en verdere litteratuur bij Dorner, Chr. Gl. II 848.

Luthardt, Komp. d. Dogm. § 72.

5. In de Schrift wordt het avondmaal aangeduid met de namen δειπνον

κυριακον, 1 Cor. 11:20, τραπεζα κυριου, 1 Cor. 10:21, κλασις ἀρτου, Hd.

2:42, 20:7, ποτηριον τον κυριου, 1 Cor. 11:27, ποτηριον της εὐλογιας, 1

Cor. 10:16. En de kerk voegde daaraan later nog vele andere toe, zooals

ἀγαπη, omdat in den eersten tijd het avondmaal met een liefdemaaltijd

verbonden was; εὐχαριστια, reeds bij Did. 9. Ign. Smyrn. 7. 8. Just. M.

Apol. I 66, omdat de geloovigen aan het avondmaal God dankten voor de

gaven zijner genade; εὐλογια, omdat over brood en wijn door dankzegging

en lofprijzing Gods de zegen uitgesproken werd; συναξις, κοινωνια, wijl

de geloovigen, aan het avondmaal samenkomende, gemeenschap oefenden met

elkander; προσφορα, θυσια (ἁγια, πνευματικη, μυστικη, ἀναιμακτος enz.),

omdat de geloovigen de ingrediënten tot den maaltijd meebrachten en Gode

offerden, of omdat het avondmaal een beeld en herinnering was van de

offerande van Christus aan het kruis; en voorts nog δειπνον μυστικον,

εἰωχια, ἐφοδιον, viaticum, λατρεια, λειτουργια, φρικτον μυστηριον,

tremendum mysterium, sacramentum corporis et sanguinis Domini,

sacramentum altaris, missa, ontleend aan de missio catechumenorum na

afloop van het didactisch deel der godsdienstoefening enz. Hoewel

Luther nog van sacramentum altaris bleef spreken, Art. Smalc. III 6.

Cat. maj. 5, gaven de Protestanten over het algemeen aan den naam sacra

coena of coena Domini de voorkeur en hielden ook daarin vast, dat het

avondmaal een wezenlijke maaltijd was. Sommige Roomsche theologen, zooals

Maldonatus op Mt. 26:25, merkten daartegen wel op, dat de uitdrukking

δειπνον κυριακον in 1 Cor. 11:20 niet op het avondmaal sloeg maar

op den maaltijd, die na het avondmaal gehouden en door de rijkere

gemeenteleden aan de armere aangeboden werd, M. Vitringa VIII 10; doch

het avondmaal werd niet vóór maar na den gewonen maaltijd gehouden, vs.

21 en is onder de uitdrukking zoo niet alleen dan toch mede begrepen.

Maar al ware dit zelfs niet het geval, dan zou daarmede de onjuistheid

der benaming nog geenszins bewezen zijn. Want het avondmaal is toch naar

luid van de Schrift een wezenlijke maaltijd. De verbinding met de agapae,

de instelling bij gelegenheid van het paaschmaal, de bestanddeelen van

brood en wijn, het eten en drinken daarvan--alles wijst erop, dat wij in

het avondmaal met een wezenlijken maaltijd te doen hebben, en er dit

karakter nooit aan mogen ontnemen. Maar het is een δειπνον κυριακον,

een maaltijd des Heeren. Jezus is er de insteller van en volbracht ook

daarin den wil des Vaders, welken te doen zijne spijze was. Het avondmaal

is evenals de doop van Goddelijken oorsprong en moet dat zijn, om een

sacrament te kunnen wezen; want God alleen is uitdeeler der genade en

Hij alleen kan hare uitdeeling aan door Hem verordende middelen binden.

En Jezus stelt dit avondmaal bepaald als middelaar in; Hij treedt erin

op als profeet, die zijn dood verkondigt en verklaart; Hij handelt erin

als priester, die zichzelven voor de zijnen overgegeven heeft aan het

kruis; Hij komt erin voor als koning, die vrij over de verworvene genade

beschikt en haar onder de teekenen van brood en wijn aan zijne discipelen

te genieten geeft. En gelijk de insteller, zoo is Hij ook de gastheer en

de bedienaar van het avondmaal; Hij neemt zelf het brood en den wijn,

zegent ze en deelt ze aan zijne jongeren uit. En gastheer en bedienaar

was Hij niet alleen, toen Hij lichamelijk met zijne discipelen aanzat;

maar is en blijft Hij overal en altijd, waar _zijn_ maaltijd gevierd wordt.

Elk avondmaal, overeenkomstig zijne instelling bediend, is een δειπνον

κυριακον. Want Christus is insteller niet alleen door voorbeeld maar

ook door voorschrift. Het is een maaltijd tot zijne gedachtenis, 1 Cor.

11:24, tot verkondiging van zijn dood, vs. 26, tot gemeenschap aan

het lichaam en bloed van Christus, 1 Cor. 10:16, 21, 11:27. In het

avondmaal komt Christus met de gemeente en de gemeente met Christus

samen, getuigenis afleggend van hunne geestelijke gemeenschap, cf.

Op. 3:20. De dienaar, die brood en wijn zegent en uitdeelt, doet dit

daarom in den naam van Christus en is slechts een instrument in zijne

hand. Omdat Paulus in 1 Cor. 10:16 in den pluralis spreekt van hen,

die den drinkbeker zegenen, en Tertullianus, Exhort. ad cast. 7 zegt,

ubi ecclesiastici ordinis non est consessus, et offert et tingit

sacerdos, qui est ibi solus; sed et ubi tres, ecclesia est, licet

laici, beweerden sommigen, zooals Grotius, Salmasius, Episcopius e. a.,

dat, indien een priester of leeraar ontbrak, het avondmaal ook door een

gewoon lid der gemeente bediend mocht worden. Maar deze meening mist

genoegzamen grond. In Mt. 28:19 wordt de bediening des doops tegelijk

met die des woords aan de apostelen opgedragen; zij met de leeraars zijn

uitdeelers der verborgenheden Gods, verkondigers van de mysteriën,

die God in het evangelie van Christus heeft geopenbaard, 1 Cor. 4:1;

huisverzorgers Gods, die zijne genade hebben uit te deelen, 1 Cor. 9:17,

Tit. 1:7. Ongetwijfeld is bij deze verborgenheden allereerst aan het

woord des evangelies te denken. Maar het sacrament volgt het woord en

is altijd met het woord verbonden. De apostelen in Jeruzalem oefenden

aldaar den dienst der gebeden en des woords, Hd. 6:4; bij de breking des

broods, Hd. 20:7, 11, voert Paulus het woord; het uitspreken van de

dankzegging bij het avondmaal was een deel van de bediening des woords

en alzoo aan den leeraar opgedragen, al wordt het evenals het breken

des broods in 1 Cor. 10:16 als eene handeling der gemeente voorgesteld,

Sohm, Kirchenrecht 69. Volgens Did. 10, 7 komt het εὐχαριστειν dan ook

aan de profeten toe, volgens Ign. Smyrn. 8 aan den bisschop, volgens

Just. Apol. I 65 aan den προεστως, terwijl de diakenen daarbij hun

dienst verleenden en brood en wijn aan de communicanten overgaven, cf.

Suicerus, s. v. διακονος en συναξις, Voetius, Pol. eccl. I 756-751.

Moor V 638-641. M. Vitringa VIII 1 p. 327 sq. Deze enge verbinding

van de bediening des avondmaals met die van het woord bewijst, dat

de dienaar optreedt in den naam van Christus en als huisverzorger

en uitdeeler zijner verborgenheden werkzaam is. Het avondmaal is een

maaltijd, waarvan Christus de gastheer is.

Voorts komt de idee van maaltijd bij het avondmaal zeer sterk uit in de

spijze en den drank, welke er bij uitgedeeld en genoten wordt. Evenmin

als het water in den doop, zijn de teekenen van brood en wijn in het

avondmaal naar willekeur of toeval gekozen. Bij de offeranden des O.

Test. waren vleesch en bloed de hoofdzaak, wijl zij typisch heenwezen

naar de offerande van Christus aan het kruis. Maar het avondmaal

is zelf geen offerande doch eene gedachtenis van de offerande aan

het kruis en drukt de gemeenschap der geloovigen aan die offerande

uit. Daarom kiest Christus geen vleesch en bloed maar brood en wijn

tot spijze en drank in het avondmaal, om te kennen te geven, dat het

geen offerande maar een maaltijd is, een maaltijd op grond van, ter

herinnering aan, ter gemeenschapsoefening met den gekruisten Christus.

En daartoe zijn de teekenen van brood en wijn bij uitnemendheid geschikt;

zij waren in het Oosten de gewone bestanddeelen van den maaltijd, zij

zijn nog gemakkelijk overal en ten allen tijde te verkrijgen, zij zijn de

voornaamste middelen tot versterking en verheuging van het hart des

menschen, Ps. 104:15, en zijn een sprekend symbool van de gemeenschap

der geloovigen met Christus en met elkander, M. Vitringa VIII 1 p. 43.

Daarbij is het onverschillig, of het brood uit tarwe, rogge of gerst

bestaat en de wijn eene witte of roode kleur draagt; of het brood naar

het gebruik der Grieksche kerk gezuurd of naar dat der Roomsche kerk

ongezuurd genoten wordt; en of de wijn naar de leer der Armenische

Christenen onvermengd of naar de stellige uitspraak van Trente XX c. 7

met water vermengd gebruikt wordt. Christus heeft van dit alles niets

bepaald of voorgeschreven. Zelfs aarzelden de Gereformeerden niet te

zeggen, dat, ingeval brood en wijn beslist ontbraken, ook een andere

spijze en drank, bijv. rijst en brood als teekenen in het avondmaal

gebruikt mochten worden, Voetius, Pol. Eccl. I 732. 738. Moor V 575.

M. Vitringa VIII 1 p. 46. Maar daarmede is willekeurige afwijking van

de instelling van Christus nog niet geoorloofd verklaard. Evenals

in dezen tijd waren er ook in de eerste eeuwen sommige Christenen

(Tatianen, Severianen, Gnostieken, Manicheën, Aquarii), die uit

ascetisch beginsel bij het avondmaal den wijn door water vervingen.

Maar wij moeten niet wijzer zijn dan Christus, die uitdrukkelijk den wijn

als teeken van zijn bloed verordend heeft, en wiens gebod in dezen

door de christelijke kerk ten allen tijde is opgevolgd, M. Vitringa

VIII 1 p. 71-78. Want de bewering van Harnack, dat de gewoonte, om

bij het avondmaal water te gebruiken, in de eerste en tweede eeuw

vrij algemeen was en nog in de vijfde eeuw bestreden moest worden; en

dat ook Paulus zelfs, sprekende van den drinkbeker, niet beslist

aan een beker met wijn denkt, is voldoende door Zahn, Brot und Wein

im Abendmahl der alten Kirche, Erlangen 1892 weerlegd, cf. ook W.

Schmidt, Christl. Dogm. II 465. Evenzoo is het gebruik der Roomsche

en Luthersche Christenen af te keuren, om het brood toe te dienen

in den vorm van een ouwel (oblie, oblata, wijl de geloovigen oudtijds

zelf de benoodigdheden tot het avondmaal aanboden; hostie, hostia,

wijl het brood een teeken is van de offerande van Christus). Want al

is de quantiteit van het brood evenmin als de qualiteit bepaald, toch

moet het karakter van een maaltijd behouden blijven en dit gaat bij het

gebruik van een kleinen, ronden ouwel schier geheel teloor, Voetius,

Pol. Eccl. I 733. M. Vitringa VIII 1 p. 49. Eindelijk doet ook de plaats

en de tijd, waarin het avondmaal ingesteld en oudtijds gevierd werd,

duidelijk uitkomen, dat het een wezenlijke maaltijd is. Immers stelde

Jezus het avondmaal in bij gelegenheid dat Hij met zijne discipelen

aanlag bij den paaschdisch. En in den eersten tijd werd het avondmaal

in verbinding met een gewonen maaltijd, Hd. 20:7, 11, 1 Cor. 11:21, in

de openbare vergadering der gemeente, 1 Cor. 10:17, 11:18, 20, 21,

33, en dagelijks of althans elken rustdag, Hd. 2:46, 20:7, gevierd.

Eerst langzamerhand werd het avondmaal van de agapae losgemaakt, uit

de avond- naar de morgengodsdienstoefening verplaatst, buiten de

vergadering der gemeente ook aan kranken en stervenden in hunne huizen

bediend, als mis geheel en al buiten en zonder eene samenkomst der

gemeente gevierd, en het gebruik van het avondmaal voor de geloovigen

op drie, of op eene enkele maal des jaars als minimum vastgesteld,

Trid. sess. 13 can. 9. Hoewel nu enkele Gereformeerden van oordeel

waren, dat het avondmaal in zeer bijzondere gevallen ook wel aan kranken

in hunne woning, maar dan toch in bijzijn van anderen, mocht bediend

worden, Calvijn bij Henry II 210. Voetius, Pol. Eccl. I 764, hielden zij

toch algemeen de gedachte vast, dat het als een deel van den cultus

publicus in de vergadering der gemeente thuis behoorde en niet privaat

gevierd mocht worden. En al is de practijk sterker gebleken dan de leer

en de viering van het avondmaal gewoonlijk tot zes of vier malen in het

jaar beperkt, Dordr. 1578 art. 73. Midd. 1581 art. 45. ’s Grav. 1586

art. 56. Dordr. 1618 art. 63, toch was het oorspronkelijk de wensch

van Calvijn, om het minstens eenmaal per maand te vieren, Kampschulte,

Joh. Calvin I 460, cf. a Lasco, bij Dalton 383. Voetius, Pol. Eccl.

I 758-767. 801. 802. Moor V 660 sq. 671 sq. M. Vitringa VIII 1 p.

406-414. Indien de doop als inlijving in de christelijke kerk reeds in

de openbare vergadering der geloovigen behoort plaats te hebben, dan

geldt dit nog veel meer van het avondmaal, dat wezenlijk een δειπνον,

συναξις, convivium is en niet alleen eene gemeenschap met Christus

maar ook eene gemeenschap der geloovigen insluit. Daarom concentreert

zich de bepaling van het karakter van het avondmaal ten slotte geheel

om de vraag, of het op een tafel dan wel op een altaar bediend moet

worden. Jezus en zijne discipelen zaten aan eene tafel aan, toen zij het

avondmaal gebruikten en ook de eerste Christenen wisten van een altaar

niets. Maar langzamerhand ging het onderscheid tusschen de Oud- en de

Nieuwtest. bedeeling teloor; de vergaderplaats werd veranderd in een

tempel, de dienaar in een priester, het avondmaal in eene offerande,

en de tafel in een altaar. In de Roomsche en Grieksche kerk wordt

geheel de cultus door deze beschouwing beheerscht; de Anglikaansche

kerk nam ze grootendeels over en neigt er thans hoe langer hoe meer

heen; de Luthersche kerk behield het altaar en beschouwde het als

een adiaphoron. Maar de Gereformeerden herstelden het schriftuurlijk

denkbeeld van den maaltijd des Heeren ook in de tafel des avondmaals.

Immers bestaat het onderscheid tusschen den cultus des O. en des

N. Testaments daarin, dat tempel en altaar, priester en offerande

niet meer op aarde doch in de hemelen zijn. Het Jeruzalem dat boven

is, is ons aller moeder, Gal. 4:26; daar is Christus, de eeuwige

Hoogepriester, voor ons ingegaan, Hebr. 6:20, nadat Hij door ééne

offerande eene eeuwige verlossing had teweeggebracht, 9:12, om te

verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons, 9:24; en daar hebben

de Christenen hun heiligdom, in hetwelk zij met vrijmoedigheid ingaan

in het bloed van Jezus, 4:16, 10:19, 12:22. Hier op aarde hebben wij

slechts eene onderlinge bijeenkomst, waarin voor geen offerande plaats

is, 10:25. Het eenige altaar der Christenen is het kruis, op hetwelk

Christus zijne offerande heeft gebracht, 13:10, cf. 7:27, 10:10. Van

dat altaar, dat is, van de daarop gebrachte offerande eten zij, als ze

door het geloof gemeenschap hebben aan Christus en zijne weldaden. De

geloovigen hebben geen andere offerande te brengen, dan offeranden

des lofs, dat is vrucht van lippen, die zijnen naam prijzen, 13:15. Het

avondmaal is een offermaal, een maaltijd van de geloovigen met Christus

op grond van zijne offerande en daarom niet op een altaar maar op eene

tafel te bedienen. Certissimum est, everti Christi crucem, simulac

erigitur altare, Calvijn, Inst. IV 18, 3. Voetius, Pol. eccl. I 792.

Moor V 659. M. Vitringa VIII 1 p. 414. Herzog³ art. Altar.

6. Het avondmaal is dus een wezenlijke maaltijd, maar heeft als zoodanig

toch eene eigene, geestelijke beteekenis en bestemming. Christus heeft

het niet ingesteld, opdat het lichamelijk maar opdat het geestelijk

ons voeden zou. Voordat Hij brood en wijn uitdeelt, zegent Hij beide en

zegt, dat het brood zijn lichaam en de wijn zijn bloed is; als zoodanig,

als zijn verbroken lichaam en vergoten bloed, moeten brood en wijn

door zijne jongeren genomen en genoten worden. De materia sacramenti,

de beteekende zaak in het avondmaal is dus het lichaam en bloed van

Christus, gelijk het in zijn offerdood voor zijne gemeente gebroken en

vergoten is tot vergeving der zonden, dat is de gekruiste en gestorven

Christus met al de door zijn dood verworvene weldaden en zegeningen,

ipse Christus cum omnibus suis beneficiis, Heppe, Dogm. 466. 467. In

de moreele, rationalistische opvatting van het avondmaal komt deze

beteekenis niet tot haar recht. Immers 1º het avondmaal is ook wel

een gedachtenismaaltijd, maar het is dit eerst op grond daarvan, dat

Christus brood en wijn tot teekenen van zijn lichaam en bloed heeft

ingesteld. Het komt in de eerste plaats bij het avondmaal aan, niet op

wat wij doen, maar op hetgeen God doet. Vóór alles is het avondmaal

eene gave Gods, een weldaad van Christus, een middel voor zijne

genade. Indien het avondmaal niets dan een gedachtenismaal en eene

belijdenisacte ware, zou het ophouden een sacrament in eigenlijken zin

te zijn; slechts zijdelings en indirect ware het dan, evenals het gebed

een middel der genade te noemen. Het avondmaal staat echter met

woord en doop op ééne lijn en is dus allereerst, evenals deze, als een

prediking en verzekering van Gods genade aan ons te beschouwen. 2º

Christus verheft brood en wijn niet in het algemeen tot teekenen van

zijn lichaam en bloed, maar Hij doet dit bepaald ten aanzien van dat

brood en dien wijn, welke Hij in de hand houdt en aan zijne discipelen

meedeelt. En Hij zegt niet, dat zij in dat brood en dien wijn zijn lichaam

en bloed slechts hebben te zien, maar Hij verklaart uitdrukkelijk, dat

zij beide als zoodanig nemen, eten en drinken moeten. Hij maakt er een

maaltijd van, waarin de discipelen zijn lichaam en bloed genieten en dus

met Hem in de innigste gemeenschap treden. Die gemeenschap bestaat

niet daarin alleen, dat zij samen aan ééne tafel aanzitten, maar zij

eten van één brood en drinken van één wijn; ja de gastheer biedt onder

de teekenen van brood en wijn zijn eigen lichaam en bloed tot spijze en

drank van hunne zielen aan. Dat is eene gemeenschap, welke die in een

gedachtenismaal en belijdenisacte zeer verre overtreft. Zij is geen

herinnering slechts aan, geen overdenking van Christus’ weldaden, maar

zij is een allerinnigst verband met Christus zelven, gelijk de spijze en

drank zich vereenigt met ons lichaam. 3º In het avondmaal ontvangen

wij wel geen andere en meerdere, maar toch ook geen mindere weldaden

dan in het woord. Nu heeft Jezus, Joh. 6:47-58, uitdrukkelijk gezegd,

dat wij in het woord en door het geloof zijn vleesch eten en zijn bloed

drinken en alzoo het eeuwige leven ontvangen. Al is er nu in Joh.

6 niet rechtstreeks van het avondmaal sprake, toch mag en kan het

dienen tot verklaring van dit tweede sacrament. Door het woord en in

het geloof krijgen wij zulk eene innige gemeenschap met Christus, met

zijn lichaam en bloed, als er ontstaat tusschen de spijze en dien, die

haar geniet. En dit is de leer niet alleen van Joh. 6, maar van heel

de Schrift. Het woord schenkt in letterlijken zin die gemeenschap niet

noch ook het geloof, maar God heeft zich verbonden, om dengene, die zijn

woord gelooft, zijne gemeenschap in Christus en al de daaraan verbonden

weldaden mede te deelen. Terecht merkte daarom Calvijn tegen Zwingli op,

dat het eten van Christus’ lichaam en het drinken van zijn bloed niet

in het gelooven opgaat. Het gelooven is een middel, een middel zelfs

dat tijdelijk is en eens in aanschouwen overgaat, maar de gemeenschap

met Christus, die daardoor ontstaat, gaat veel dieper en duurt in

eeuwigheid. Zij is eene unio mystica, die ons slechts eenigszins

duidelijk is te maken onder de beelden van wijnstok en rank, hoofd en

lichaam, bruidegom en bruid, hoeksteen en gebouw, cf. deel III 556. En

het is deze unio mystica, welke in het avondmaal beteekend en verzegeld

wordt.

De christelijke kerk heeft deze unio mystica zoo goed als eenparig

in het avondmaal gehandhaafd; Grieksche en Roomsche, Luthersche en

Gereformeerde Christenen zijn daarin met elkander eenstemmig, dat er

in het avondmaal eene objectieve en reëele mededeeling plaats heeft

van den persoon en de weldaden van Christus aan een iegelijk, die

gelooft. Maar onderling verschillen zij zeer over de wijze, waarop

die mededeeling geschiedt. De eerstgenoemden zijn niet tevreden,

tenzij het lichaam en bloed van Christus ook physisch en locaal in

de teekenen aanwezig zij en door den lichamelijken mond ontvangen en

genoten worde. De Gereformeerden echter leeren, dat Christus in het

avondmaal wel waarachtig en wezenlijk aan de geloovigen medegedeeld

wordt, maar op eene geestelijke wijze en zoo, dat Hij alleen door den

mond des geloofs ontvangen en genoten kon worden. En daarvoor levert

de Schrift overvloedige bewijzen. 1º In de woorden τουτο ἐστι το σωμα

μου kan het subject τουτο op niets anders slaan dan op het brood,

hetwelk Jezus in de hand houdt. Het praedicaat is το σωμα μου, en

duidt daarmede op het eigen lichaam van Christus, dat Hij uit Maria

aangenomen en voor de zijnen in den dood heeft overgegeven. De copula

is ἐστι, welke door Jezus in het arameesch in het geheel niet is

uitgesproken maar in elk geval twee disparate begrippen, brood en

lichaam, verbindt en dus geen copula van het werkelijk _zijn_ kàn

wezen. Zoo moet ἐστι hier dus significatieve, figuratieve beteekenis

hebben, want disparatum de disparate non potest praedicari nisi

figurate. De zin bevat een tropus, en deze ligt niet in het subject

of in het praedicaat, maar gelijk Zwingli juist inzag, in de copula

ἐστι, evenals dat in de Schrift zoo dikwerf het geval is, bijv. Gen.

17:13, 41:26, 27, Ex. 12:11, Ezech. 5:5, Luk. 12:1, Joh. 10:9, 15:1,

enz. Gal. 4:24, 1 Cor. 10:4, Hebr. 10:20, Op. 1:20 enz. En dat bij de

instellingswoorden zulk een tropus moet aangenomen worden, wordt ten

overvloede nog daaruit bewezen, dat Jezus volgens Lukas en Paulus bij

het tweede teeken niet zegt: deze wijn, maar deze drinkbeker is het

nieuwe testament in mijn bloed. Zelfs de Roomschen en Lutherschen

zijn gedwongen, hier een tropus aan te nemen. 2º Wanneer het subject

τουτο niet slaat op het natuurlijk brood en op den natuurlijken wijn,

maar reeds op de substantie van Jezus’ lichaam en bloed, welke onder

den vorm of binnen in de teekenen van brood en wijn verborgen zijn,

dan zijn brood en wijn reeds in Jezus’ lichaam en bloed veranderd of

hebben zij deze reeds in zich opgenomen, voordat de woorden: dit is

mijn lichaam, dit is mijn bloed, uitgesproken zijn en verliezen zij al

de kracht en waarde, welke Roomschen en Lutherschen eraan toekennen.

Immers is de trans- of consubstantiatie dan niet door die woorden tot

stand gekomen maar reeds daaraan voorafgegaan; en de woorden, waarop

zooveel nadruk ligt, houden niets dan eene verklaring in van wat reeds

bestaat en vroeger tot stand kwam. Moeilijk, ja onmogelijk is dan te

zeggen, wanneer en hoe de trans- of consubstantiatie tot stand kwam;

want wel is er van voorafgaande zegening en dankzegging sprake, maar

de inhoud daarvan is met geen enkel woord vermeld; wij weten volstrekt

niet, wat Jezus daarin gezegd heeft en dus ook niet, wat wij moeten

zeggen, om de trans- en consubstantiatie tot stand te doen komen.

En bovendien, als Paulus 1 Cor. 10:16 zegt: de drinkbeker, dien wij

zegenen, is gemeenschap aan het bloed van Christus, dan gaat hij van

de veronderstelling uit, dat de drinkbeker wijn en geen bloed bevat,

want anders konden wij hem niet zegenen, en dat hij als zoodanig, als

wijn bevattende, door de zegening gemeenschap is aan Christus’ bloed.

3º De woorden, die Jezus bij de instelling van het avondmaal gesproken

heeft, zijn als geen vaststaande formule bedoeld. Dat blijkt daaruit, dat

Mattheus, Marcus, Lukas en Paulus ze in verschillende lezing weergeven

en dat het liturgisch gebruik der christelijke kerken onderling allerlei

afwijking vertoont. Volgens de Grieksche kerk behoort de zoogenaamde

epiklese, de aanroeping van den H. Geest, wezenlijk tot de woorden der

consecratie, Schwane, D. G. II 810. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 413,

terwijl volgens Rome de transsubstantiatie tot stand komt door het

uitspreken der woorden: hoc enim est corpus meum, waarbij het woordeke

enim willekeurig is ingevoegd en de woorden: dat voor u verbroken

wordt, willekeurig zijn weggelaten. Veel minder is nog te bewijzen,

dat de woorden --onderstel, dat vaststond, welke bepaald te bezigen

waren-- eene consecratorische, operatieve, conversieve kracht bezitten.

Want Jezus zegt niet: dit _wordt_, maar: dit is mijn lichaam en heeft

dus reeds te voren het brood van het gemeene gebruik afgezonderd en

door zegening en dankzegging voor een hooger doel bestemd. 4º Toen

Jezus het avondmaal instelde, zat Hij lichamelijk met zijne discipelen

aan den disch. Dezen konden daarom niet op de gedachte komen, dat zij

met den lichamelijken mond Jezus’ eigen lichaam en bloed genoten en

konden nog veel minder dat lichaam zelf eten en dat bloed drinken.

Het baat niets, om met Philippi te zeggen, dat zij über das Mass ihres

gewöhnlichen Verständnisses durch den erleuchtenden Geist emporgehohen

wurden, K. Gl. V 2 S. 451, of met Hollaz, Ex. theol. 1119, dat Jezus

naturali modo aan tafel zat maar sacramentaliter zich te eten gaf. Want

niet alleen staat hier niets van in de Schrift, maar de vraag loopt

juist over de wijze, waarop Jezus bij het eerste avondmaal zijn lichaam en

bloed te genieten gaf en mag niet met een petitio principii beantwoord

worden. Indien de wijze, waarop Roomschen en Lutherschen met hunne

trans- en consubstantiatie zich dit genieten van Jezus’ lichaam en

bloed voorstellen, door het eerste avondmaal uitgesloten of daarbij niet

anders dan door een beroep op een wonder of door allerlei uitvluchten,

waarvoor de Schrift geen grond biedt, kan gehandhaafd worden, dan

behoort zij door den Christen, die aan Gods woord zich onderwerpt, te

worden losgelaten. En indien bij het eerste avondmaal geen trans- of

consubstantiatie en geen manducatio oralis plaats had, dan mag zij ook

niet aangenomen worden bij het avondmaal, dat de christelijke kerk na

Jezus’ dood op zijn bevel en naar zijne instelling viert. 5º Evenzeer

toch als met zijn lichamelijk aanzitten aan den disch, is de trans- en

consubstantiatie thans met zijne lichamelijke hemelvaart en met zijn

plaatselijk verblijf in den hemel in strijd. Indien toch brood en wijn bij

het avondmaal in Jezus’ lichaam en bloed veranderd worden of deze in

zich opnemen, moet dat lichaam uit den hemel neerdalen of reeds, naar

de Luthersche ubiquiteitsleer, cf. Kübel, art. Ubiquität in Herzog²,

van te voren overal aanwezig zijn. In het laatste geval is er toch

nog weer een acte noodig, waardoor de tegenwoordigheid van Christus’

lichaam in het avondmaal op eene bijzondere wijze teweeggebracht wordt,

want de ubiquiteit is daarvoor uiteraard niet voldoende; en daarom

zeiden Luther, Brenz e. a., dat het nog iets anders is, wenn Gott

da ist und wenn er _dir_ da ist. Dann aber ist er _dir_ da, wenn er

sein Wort dazu tut und bindet sich damit an und spricht: hie sollst

du mich finden, bij Kübel, art. Ubiquität in Herzog² 16, 123. 128. Het

woord bewerkt dus bij Rome en bij Luther eene zoodanige tegenwoordigheid

van Christus’ lichaam en bloed in het avondmaal, dat Hij niet alleen

lichamelijk in den hemel maar ook op aarde, in de teekenen van brood en

wijn aanwezig is. En deze tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal

wordt bovendien dan nog zoo gedacht, dat Christus geheel, niet alleen

naar zijne Goddelijke maar ook naar zijne menschelijke natuur, aanwezig is

in elk avondmaal, waar en wanneer het gevierd wordt; dat Hij met zijne

gansche Goddelijke en menschelijke natuur aanwezig is in elk teeken van

het avondmaal, ja in elk deeltje van het brood en in elken druppel van

den wijn, totus in tota hostia et in qualibet parte. Dit nu is eene

eindelooze multiplicatie van Christus, die met de leer der Schrift over

zijne menschelijke natuur, over zijne hemelvaart en over zijn verblijf in

den hemel in lijnrechten strijd is. Want zeker is die menschelijke natuur

bij de opstanding en de hemelvaart verheerlijkt maar daarom niet van

hare wezenlijke eigenschappen van eindigheid en beperktheid beroofd,

deel III 414v. Jezus stelt juist het avondmaal tot zijne gedachtenis

in, omdat Hij heengaat en straks niet meer lichamelijk bij zijne jongeren

zal zijn, gelijk Hij elders ook uitdrukkelijk verklaart, Mt. 26:11. En bij

de hemelvaart voer Hij henen en werd Hij opgenomen, Hd. 1:9-11, in den

hemel, die eene plaats is, Joh. 14:2, 4, 17:24, Hd. 7:56, Col. 3:1, Ef.

4:10, Hebr. 7:26, om daar te blijven tot zijne parousie, Hd. 1:11, Phil.

3:20, 1 Thess. 1:10, 4:16. 6º Maar al ware Christus in het avondmaal

lichamelijk en plaatselijk tegenwoordig, men ziet niet in, waartoe dit

noodig en dienstig is. Het nut der manducatio oralis is op geenerlei

wijze aan te toonen, cf. Köstlin, Luthers’ Theol. II 516. Onderstel al,

dat wij met den lichamelijken mond Jezus’ eigen lichaam eten, wat bate

hebben wij daarvan? Het komt toch in het avondmaal daarop aan, dat onze

ziel, dat ons geestelijk leven gevoed en versterkt wordt. En dit kan uit

den aard der zaak niet geschieden door het eten van Christus’ lichaam

met den lichamelijken mond; want wat wij daarmede eten, gaat deels in

bestanddeelen van ons lichaam over en wordt deels uitgeworpen. Nieuwere

theologen zijn daarom op de gedachte gekomen, dat de manducatio oralis

van Christus’ lichaam de kiem van een nieuw, van een opstandingslichaam

in ons plantte. Maar deze voorstelling druischt geheel tegen de Schrift

in en is vrucht van eene valsche theosophie. Toch, als deze vrucht niet

aan het eten van Christus’ lichaam verbonden is, is er geen andere

aan te wijzen. De manducatio oralis is onnut en ijdel en in den grond,

hoezeer men het bestrijde, kapernaïtisch. De Kapernaieten konden zich

geen ander eten van Jezus’ vleesch voorstellen dan met den lichamelijken

mond, Joh. 6:41, 52. En al nemen Roomschen en Lutherschen wel terdege

een geestelijk eten van Jezus’ lichaam aan, zij verbinden dit toch met,

zij maken het toch afhankelijk van het lichamelijk eten, zonder de wijze

van die verbinding of den aard dier afhankelijkheid ook maar eenigszins

duidelijk te maken. Jezus bedoelde echter in de gansche rede, die Hij

tegen de Kapernaieten houdt, niet anders dan een geestelijk eten, een

eten door het geloof en maakt van een lichamelijk eten geen oogenblik

gewag.

Al de hiermede genoemde bezwaren gelden tegen Roomsche en Luthersche

leer beide; tegen de eerste komen er dan nog de volgende bij. 7º De

transsubstantiatie wordt door het getuigenis onzer zintuigen, door

gezicht en tastzin, door reuk en smaak beslist weersproken. En onze

zintuigen hebben hierbij recht van meespreken, omdat brood en wijn onder

hun bereik vallen en door hen kunnen en mogen beoordeeld worden. Zij

zijn ook, indien zij nauwkeurig waarnemen, hier evengoed als elders te

vertrouwen, omdat anders het sceptisch nominalisme voor de deur staat

en alle zekerheid des geloofs en der wetenschap verdwijnt. Ook Rome

moet dan ook voor hunne getuigenis wijken maar heeft erop gevonden,

dat de substantia verandert en de accidentia dezelfde blijven. Hoe dit

te denken zij, blijft onbeantwoord. Te Kana werd het water wijn, maar

zoo dat substantie en accidentiën veranderden. Accidentiën kunnen ook

niet van de substantie gescheiden en als in zichzelve rustend gedacht

worden, want zij houden dan op accidentiën te zijn en worden zelve

substanties. Bovendien, in het brood en den wijn van het avondmaal

blijven alle accidentiën onveranderd, zoowel die door reuk en smaak als

die door gezicht en tastzin worden waargenomen; zwaarte, vastheid,

kleur, verderfelijkheid, voedingskracht enz., alles blijft; wat rest

er dan voor de substantie nog, dat veranderen kan en veranderd is?

8º De transsubstantiatie strijdt met het tweetal teekenen, dat door

Jezus bij het avondmaal verordend is. Hoewel ook vroeger soms bij

bediening van het avondmaal in private woningen, aan kranken, aan

gevangenen, aan anachoreten, aan virgines abstemiae, en in missis

praesanctificatorum alleen het teeken des broods werd uitgereikt,

en omgekeerd aan onmondigen, gelijk thans nog in de Grieksche kerk,

alleen de wijn werd toebediend; kwam toch eerst sedert de twaalfde

eeuw de gewoonte in zwang, om de kelk aan de leeken te onthouden, en

verhief pas het concilie te Constanz 1415, deze gewoonte tot kerkelijke

wet. In weerwil van de oppositie, die er door de Hussieten en de

Hervormingsgezinden tegen gevoerd werd, hechtte ook het concilie te

Trente aan de kelkonthouding hare goedkeuring en werd daartoe geleid

gravibus et justis causis, Sess. 21. De synode noemt deze redenen niet

op, maar ze zijn toch licht te bevroeden. Behalve door den tegenzin

van sommigen, om met anderen uit één beker te drinken, den afkeer van

wijn, het gevaar van te storten en zoo het sacrament te onteeren enz.,

werd de Roomsche kerk tot deze kelkonthouding vooral bewogen door de

zucht, om den priesterstand boven de leeken te verheffen, en door

de overtuiging, dat elk teeken en elk deel daarvan in den ganschen

Christus veranderd was, Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. I 501.

De transsubstantiatie maakt een tweede teeken in het avondmaal geheel

overbodig; in het brood alleen en zelfs in het kleinste stukske daarvan

is reeds de gansche stof der genade vervat. Daardoor komt de Roomsche

kerk met een rechtstreeksch gebod van Christus, Mt. 26:27 in strijd,

waartegen haar beroep op de conjunctie ἠ in 1 Cor. 11:27 niets baat, en

tegelijk, naar haar eigen bekentenis, met de gewoonte der christelijke

kerk in de eerste eeuwen. Zij weet zich alleen te verdedigen met de

bewering, dat zij macht bezit, om bij de uitdeeling der sacramenten te

werk te gaan gelijk zij goedvindt, Trid. sess. 21 c. 2. Omgekeerd is

de instelling van het avondmaal onder twee teekenen een sterk bewijs,

dat de transsubstantiatie niet de leer der Schrift is. Samen toch

stellen zij ons den gekruisten Christus voor oogen en deelen Hem aan de

geloovigen mede, niet op lichamelijke maar op geestelijke wijze, niet in

en onder maar tegelijk met de teekenen; zij vormen saam één sacrament,

als beelden en onderpanden van het ééne geestelijk goed, de gemeenschap

aan Christus en zijne weldaden. 9º De transsubstantiatie wordt eindelijk

nog weerlegd door de afgodische practijken, die haar gevolgd zijn. Al is

de mis voorbereid door de offer- en priesteridee, welke reeds vroeg met

het avondmaal in verbinding werd gebracht, zij is toch wezenlijk gebouwd

op de eerst in de Middeleeuwen uitgewerkte transsubstantiatieleer.

En deze wordt evenzeer door de asservatio, adoratio en circumgestio

ondersteld. Door de leer van de wezensverandering is het avondmaal

in de mis overgegaan, en daardoor van zijn oorspronkelijk karakter

geheel en al beroofd. Ofschoon de communio trots allerlei beperking is

blijven bestaan, is toch de mis het middelpunt van den Roomschen cultus

geworden. Zij is dan ook niets minder dan de volledigste uitwerking van

de Roomsche gedachte, dat de kerk met haar priesterschap de middelares

der zaligheid, de voortdurend op aarde zich realiseerende Godmensch

is. In de mis herhaalt Christus altijd door en telkens opnieuw zijne

offerande aan het kruis; Hij offert zich daarin wezenlijk en waarachtig,

zij het ook op onbloedige wijze, en bewerkt daardoor bij God, dat de

vruchten van zijne offerande aan het kruis, die daar slechts gansch

in het algemeen en in het afgetrokkene verworven zijn, nu toegepast

worden, cf. Trid. 22 c. 1, aan allen, die in de gemeenschap der kerk

leven, hetzij op aarde hetzij in het vagevuur, hetzij zij bij de mis

tegenwoordig of afwezig zijn, hetzij zij haar begeeren voor zichzelven of

voor anderen, voor geestelijke of lichamelijke nooddruft, tot vergeving

van zonden en tot voorkoming of afwending van krankheid en ongeval,

droogte en overstrooming, oorlog en veepest enz. Dat heeft Rome van

het avondmaal van onzen Heere Jezus Christus gemaakt! Aan gronden,

die toch bij zulk een gewichtig leerstuk als de mis in overvloed

aanwezig en onwankelbaar hecht zouden moeten zijn, ontbreekt het geheel

en al. In Gen. 14:18, waar Melchizedek aan Abraham brood en wijn ter

verkwikking aanbiedt, is met geen woord van eene offerande sprake, al

volgt er ook terstond op, niet: want, maar: en hij (Melchizedek) was

een priester des allerhoogsten Gods. Mal. 1:11 handelt misschien niet

eens van de toekomst; maar ook indien dit het geval is, beschrijft

déze plaats slechts in Oudtest. vormen, dat des Heeren naam groot zal

zijn onder de Heidenen en dat hem reukwerk en een rein offer (מִנְחָה,

offergave in het algemeen) gebracht zal worden; en deze vormen zijn in

het N. T. juist door het gebed en door de geestelijke offerande der

geloovigen vervangen, Rom. 12:1. Bij de instelling van het avondmaal

zeide Jezus wel: τουτο ποιειτε εἰς την ἐμην ἀναμνησιν, Luk. 22:19,

maar dat Jezus daarbij het avondmaal als een offer instelde en de

discipelen tot priesters verhief, is in deze woorden in het minst niet

begrepen en wordt zeker daarmede niet bewezen, dat het hebr. עשׂה en

het lat. facere wel eens in de beteekenis van offeren gebruikt wordt.

In 1 Cor. 10:21 stelt Paulus de tafel des Heeren tegenover de tafel

der duivelen; maar omdat de tafel der duivelen een altaar was, volgt

daaruit nog in geenen deele, dat ook de tafel des Heeren een altaar

is, waarop geofferd moet worden. Dit zijn de voornaamste en sterkste

bewijzen, welke de Roomschen uit de Schrift voor hunne leer van de mis

kunnen bijbrengen. En weinig sterker is hun beroep op de kerkvaders,

want zij vergeten daarbij, dat dezen, op het avondmaal de offeridee

toepassende, daaraan een gansch anderen zin hechtten dan Rome er

later mede verbond. En tegenover al deze schijnargumenten staat eene

reeks van bewijzen, die het onschriftuurlijk karakter van de mis in het

helderste licht stellen. Aan de instelling en de in de apostolische

kerk gebruikelijke viering van het avondmaal is al wat op de mis gelijkt

ten eenenmale vreemd. De eeuwigheid van Christus’ priesterschap, Hebr.

5:6, 7:17, 21-25, en de volkomenheid zijner kruisofferande, Hebr. 7:27,

9:12, 28, 10:10, 12, 14 maken eene, zij het ook onbloedige, herhaling

van zijne zelfofferande overbodig en ongeoorloofd; alle weldaden der

genade, vergeving, heiligmaking, verlossing, de gansche zaligheid, zijn

verworven door de offerande aan het kruis en kunnen noch behoeven te

worden aangevuld. Ja, wijl Christus eenmaal aan het kruis zich geofferd

en in den dood heeft overgegeven, kan Hij dit zelfs voor de tweede maal

niet meer doen, zijne offerande in den dood is voor geen herhaling

vatbaar, Hebr. 9:26-28. Zijne priesterlijke werkzaamheid duurt wel in

den hemel nog voort, maar bestaat toch niet in eenige zoenofferande

doch in zijne voorbede en verschijning voor Gods aangezicht ten gunste

van zijn volk, Hebr. 7:25, 9:24; en in die voorbede en verschijning voor

Gods aangezicht werkt de offerande, aan het kruis volbracht, altijd ten

behoeve der zijnen door. Omdat Christus zelf in den hemel leeft, om voor

de geloovigen te bidden en in die voorbede zijne offerande doorwerken

laat, daarom is er voor de herhaling zijner offerande op aarde geen

plaats, deel III 419v. Zijn staat van verhooging, zijne verhevenheid

boven alle lijden, smart en dood, zijne koninklijke heerschappij als

hoofd der gemeente zijn in lijnrechten strijd met een sacrificium

propitiatorium en impetratorium, dat Hij nog op aarde iederen dag en

op duizenden plaatsen te brengen zou hebben. Hoezeer Rome dan ook

bewere, dat de onbloedige offerande de bloedige aan het kruis niet

verzwakt maar werkzaam maakt, feitelijk is zij toch eene verloochening

van de eenige offerande aan het kruis; want een offer, dat niets anders

dan de vruchten van een ander offer genieten doet, is eene tastbare

ongerijmdheid. Indien de offerande aan het kruis genoegzaam is, zijn

andere overbodig; indien deze noodig zijn, is de eerste onvolkomen.

En dit wordt bevestigd door de Roomsche practijk; de aandacht van

den geloovige wordt van Christus en zijn kruis afgeleid en naar den

priester en zijne mis heengeleid. Voor de minste genade is de Roomsche

Christen van den priester en van de kerk afhankelijk. Hen kan hij geen

oogenblik ontberen. In theorie wordt vastgehouden, dat Christus alle

genade verworven heeft; maar in de practijk wordt de genade successief,

bij stukjes en beetjes, door den priester toebedeeld. Het avondmaal is

in de handen van Rome geworden tot een tremendum mysterium, dat de

geloovigen in den staat der onmondigheid houdt, hen voor hun gansche

leven en welzijn aan de hierarchische priesterschap bindt en hen in

afgodische adoratie neerknielen doet voor een God van eigen maaksel.

Cf. tegen de leer van trans- en consubstantiatie: Calvijn, Inst. IV 18.

Beza, Tract. theol. I 211 sq. 507 sq. III 148 sq. Martyr, Loci Comm. IV

c. 12. Ursinus op Heid. Cat. 78-80 en Tract. theol. 359-596. Chamier,

Panstr. Cath. IV l. 6. Amesius, Bellarminus enervatus l. IV. Rivetus,

Op. III 339-376. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 21. M. Vitringa VIII

769. Art. Messe e. a. in Herzog². Hase, Prot. Polemik⁵ 488-535 enz.

7. Beter nog dan de Lutherschen, hebben de Gereformeerden het avondmaal

van de Roomsche inmengselen gezuiverd en in zijn oorspronkelijke

beteekenis hersteld. Het avondmaal was naar de instelling van Christus

een maaltijd, een wezenlijke maaltijd, waarin brood en wijn gebruikt

werden als spijze en drank tot versterking des lichaams, en bovenal

als teekenen en zegelen dienst deden tot gemeenschapsoefening met den

gekruisten Christus. Het is een gewone, natuurlijke maar tevens een

buitengewone, geestelijke maaltijd, waarin Christus de gastheer zijn eigen

gekruiste lichaam en vergoten bloed tot voeding onzer zielen aanbiedt.

Daarom is in dien maaltijd, welken Christus ingesteld heeft, alles

belangrijk; niets erin is zonder beteekenis; alles heeft een diepen

zin. Ten eerste zijn de teekenen van brood en wijn niet willekeurig

gekozen maar bij uitnemendheid geschikt, om ons een denkbeeld te geven

van de geestelijke spijze en drank, welke Christus in zijn dood voor onze

zielen heeft bereid. Ten tweede zijn al de handelingen van beteekenis,

welke Jezus bij de instelling van het avondmaal verricht. Hij neemt het

brood en den wijn niet zooals eerst bij het pascha, uit de hand van

anderen over, δεξαμενος, Luk. 22:17, maar Hij neemt ze zelf van den

disch, λαβων, vs. 19, ten bewijze dat Hij de gastheer is en de spijze

en den drank beschikt. Hij zegent (εὐλογησας, Mt. 26:26, Mk. 14:22,

afwisselend bij den drinkbeker met εὐχαριστησας, Mt. 26:27, Mk. 14:23,

terwijl Luk. 22:19, 20 en Paulus, 1 Cor. 11:24, 25 alleen εὐχαριστησας

hebben) het brood en later evenzoo den drinkbeker; onder dien zegen

is niet te verstaan, dat Christus over brood en wijn van God een zegen

vraagt, maar de verwisseling met εὐχαριστησας bewijst, dat Jezus God

zegent, d. i. prijst en dankt voor de gaven, die door Hem geschonken

zijn. De inhoud van die lofprijzing en dankzegging wordt niet vermeld,

maar had zeker wel betrekking op de gaven der schepping, in brood en

wijn vertegenwoordigd, en voorts vooral op de gaven der genade, die door

den dood van Christus verworven zouden worden en in zijn lichaam en

bloed aan de discipelen werden aangeboden. Door die dankzegging reeds

werden brood en wijn van het gemeene gebruik afgezonderd en voor een

hooger doel bestemd, en werden tevens de discipelen voorbereid voor een

recht verstaan van de beteekenisvolle woorden, dit is mijn lichaam enz.,

die Jezus straks ter verklaring uitspreken zou. Voorts brak Jezus het

brood, waarin de Gereformeerden terecht eene handeling zagen, welke wel

niet tot de essentia maar toch tot de integritas sacramenti behoorde;

want niet alleen wordt dit breken in alle vier berichten vermeld,

maar het gansche avondmaal wordt er naar genoemd, Hd. 2:42; gelijk

het breken van het brood noodig is, om het voor de gasten genietbaar

te maken, zoo moet Christus zijn lichaam in den dood geven, opdat het

eene spijze voor onze zielen zij, Joh. 6:51, 12:24. Eindelijk deelt Jezus

zelf het brood en den wijn aan zijne discipelen uit, opdat zij daarvan

eten en drinken zouden; Hij doet het met de uitdrukkelijke woorden:

λαβετε, φαγετε, πιετε ἐξ αὐτου παντες, die de Roomsche mis zonder

communicanten ten sterkste veroordeelen; de communio behoort tot het

wezen des avondmaals. Ten derde zijn de woorden belangrijk, welke Jezus

bij het uitdeelen van brood en wijn uitspreekt; als Hij het brood aan

zijne discipelen gaf, zeide Hij: dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven

is, Luk. 22:19; en bij het uitreiken van den drinkbeker sprak Hij: deze

drinkbeker is mijn bondsbloed, of het nieuwe testament in mijn bloed, dat

voor u of voor velen vergoten is tot vergeving der zonden. Dat deze

woorden eene consecratorische, operatieve kracht bezitten, vindt in

den tekst der berichten hoegenaamd geen steun. Maar nadat Jezus door

de dankzegging brood en wijn van het gemeene gebruik afgezonderd, voor

een hooger doel bestemd en zijne discipelen voorbereid heeft, spreekt

Hij nu de woorden: dit is mijn lichaam en bloed. Hij zegt niet: dit brood

worde mijn lichaam; Hij gebiedt en beveelt niet, maar Hij verklaart en

licht toe. Het is immers een zinnebeeldige handeling, die Hij verricht;

een geestelijke maaltijd, dien Hij instelt. En van dien maaltijd is zijn

lichaam en bloed, gelijk het in den dood wordt overgegeven, de spijze en

de drank. Al de teekenen, handelingen en woorden in het avondmaal zijn

daarhenen gericht, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus

aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzen. Toch

gaat daarom het avondmaal niet op in een maaltijd ter gedachtenis aan

Christus en zijne weldaden. Onder de teekenen van brood en wijn geeft

Jezus immers zijn eigen lichaam en bloed te genieten; de avondmaalsdisch

brengt eene waarachtige gemeenschap tusschen Christus en de geloovigen

tot stand, eene gemeenschap niet alleen aan de weldaden maar ook en

vóór alles aan den persoon van Christus, zoowel naar zijne menschelijke

als naar zijne Goddelijke natuur.

Over de realiteit dier gemeenschap is er tusschen Roomsche, Luthersche

en Gereformeerde Christenen geen verschil; te dezen opzichte staan zij

samen tegenover Zwingli geschaard. Maar wel verschillen zij onderling

over den aard dier gemeenschap en over de wijze, waarop zij in het

avondmaal genoten wordt. Roomschen en Lutherschen meenen, dat zij niet

anders waarlijk en ten volle tot stand kan komen, tenzij zij Christus

lichamelijk uit den hemel op aarde laten dalen en zijn lichaam en bloed,

niet alleen geestelijk, maar ook met den lichamelijken mond eten en

drinken. Daartegenover heeft Calvijn van den beginne af en altijd weer

op nieuw er den nadruk op gelegd, dat de gemeenschap der geloovigen

met Christus, ook naar zijne menschelijke natuur, geestelijk is van

aard, en dat zij tot stand komt, niet doordat Christus lichamelijk naar

beneden daalt, maar daardoor, dat wij geestelijk onze harten opwaarts

naar den hemel verheffen, waar Jezus Christus is, onze voorspraak,

ter rechterhand zijns hemelschen Vaders. En deze leer steunt op de

Schrift en komt met den aard der N. T. bedeeling overeen. Want 1º

de gemeenschap van Christus en de geloovigen is wel zoo innig en

onverbreekbaar, dat zij schier in geen woorden uit te drukken en

alleen onder beelden, zooals van hoofd en lichaam, wijnstok en rank,

bruidegom en bruid, eenigermate te verduidelijken is. Maar zij is toch

geen pantheistische vermenging of vereenzelviging, geen overvloeiing

der substantie, geen wezenseenheid als van de drie personen in de

drieëenheid, geen personeele vereeniging als van de twee naturen

in Christus. Christus en de geloovigen blijven onderscheiden; hun

persoonlijkheid wordt gehandhaafd; de unio mystica is eene vereeniging

van personen, zij het dan ook niet alleen naar hun wil en gezindheid,

maar ook naar hun wezen en natuur. 2º Deze gemeenschap wordt bewerkt

door den H. Geest, die in Christus als het hoofd en in de geloovigen

als zijne leden woont. Een andere weg, om die gemeenschap deelachtig

te worden, is er niet. Eene physische vereeniging, gelijk trans- en

consubstantiatie met de daaraan verbonden manducatio oralis tot stand

wil doen komen, is geheel ijdel en onnut. Alleen de H. Geest, die de

Geest Gods en de Geest van Christus is, kan menschen met Christus zoo

vereenigen, dat zij aan zijn persoon en weldaden deel hebben en door

geen dood of graf, door geen wereld of satan van Hem te scheiden zijn.

En daarom is die gemeenschap ook altijd geestelijk van aard. Zij omvat

ook wel de menschelijke natuur van Christus en de geloovigen naar hunne

lichamen. Want Christus is als middelaar niet zonder zijne menschelijke

natuur te denken en Hij kocht de geloovigen niet alleen naar hun ziel

maar ook naar hun lichaam. Doch de vereeniging blijft geestelijk van

aard, wijl zij niet anders dan door den H. Geest tot stand komt. 3º De

gemeenschap met Christus, die in het avondmaal versterkt wordt, is geen

andere, dan die ook door het genademiddel des woords tot stand komt.

Het sacrament voegt geen enkele genade toe aan die, welke in het woord

aangeboden wordt; het versterkt en bevestigt alleen, wat uit het woord

door het geloof is aangenomen. Wanneer Roomschen en Lutherschen dus

inbrengen, dat de gemeenschap met Christus in het avondmaal volgens de

Geref. opvatting geen waarachtige gemeenschap is met het eigen lichaam

en bloed van Christus, dan dient daartegen alleen te worden opgemerkt,

dat de gemeenschap, in het avondmaal verzekerd, geen andere is noch

zijn kan dan die door het woord. Volkomen op dezelfde wijze, als de

mensch door het geloof Christus wordt ingelijfd, wordt hij ook in die

gemeenschap door het avondmaal versterkt en bevestigd. Eene andere,

hoogere gemeenschap is er niet. Wie het woord gelooft, wordt Christus’

eigendom naar lijf en ziel; en wie het avondmaal in den geloove

ontvangt, wordt daarvan vergewist en verzekerd. Het sacrament schenkt

geen andere genade maar schenkt dezelfde genade, tot versterking des

geloofs, slechts op eene andere wijze. 4º Ook bij de Gereformeerden is

Christus dus wel waarlijk en wezenlijk, met zijne Goddelijke en menschelijke

natuur in het avondmaal tegenwoordig, doch op geen andere wijze dan

Hij tegenwoordig is in het evangelie. Hij is niet lichamelijk in brood

en wijn besloten evenmin als in het verkondigde woord, maar wie het

teeken geloovig aanneemt, ontvangt naar de ordinantie Gods waarachtig

gemeenschap aan den ganschen Christus. Niet in en onder, maar met het

teeken schenkt Christus de beteekende zaak, dat is, zichzelven met al

zijne weldaden. Want terwijl bij Roomschen en Lutherschen de genade iets

zakelijks en passiefs is, dat zelfs lichamelijk door den ongeloovige

ontvangen wordt, is het bij de Gereformeerden de persoonlijke, levende

Christus zelf, die in het avondmaal zich als geestelijke spijze aan

de geloovigen mededeelt, Müller, Dogm. Abh. 458. Tegenwoordig is Hij

dus volgens de Gereformeerden in het avondmaal niet minder, maar

veel sterker en waarachtiger dan volgens Rome en Luther, want Hij is

tegenwoordig, niet physisch, locaal binnen de teekenen maar geestelijk,

als de handelende Christus zelf, in de harten der geloovigen, Aliud

est praesentem Christi substantiam, ut nos vivificet, in pane sistere;

aliud vivificam esse Christi carnem, quia ex ejus substantia vita

in animas nostras profluit, Calvijn, adv. Westph. bij Müller 443 cf.

Conf. Angl. 28 en Ryle, Knots untied 235-254. 5º Daarom is geloof

voor de ontvangst van het sacrament onmisbaar vereischte. De waarheid

van het sacrament hangt wel van dat geloof niet af. Want evenals bij

het woord, heeft God bij het avondmaal zich verbonden, om Christus en

zijne weldaden waarlijk te schenken aan een iegelijk, die gelooft. Maar

de ongeloovige ontvangt uiteraard slechts het teeken, gelijk hij bij

het woord alleen de klanken hoort en niet de zaak zelve, die erdoor

aangeduid wordt, deelachtig wordt. Om aan de beloften en weldaden

van woord en sacrament deel te krijgen, is daarom eene werking des

H. Geestes in het hart des menschen van noode; en het is juist deze

werking des Geestes, die buiten en in het avondmaal de gemeenschap

met Christus tot stand brengt en in stand houdt. 6º De weldaden, die

in het avondmaal genoten worden, zijn hieruit gemakkelijk af te leiden.

Op den voorgrond staat de versterking der gemeenschap met Christus.

De geloovige is die gemeenschap reeds door het geloof deelachtig en

ontvangt in het avondmaal geen andere, dan die hij door het geloof

reeds geniet. Maar als Christus zelf door de hand des dienaars hem

onder de teekenen van brood en wijn zijn lichaam te eten en zijn bloed

te drinken geeft, dan wordt Hij door den H. Geest in die gemeenschap

versterkt en bevestigd, en altijd inniger naar lichaam en ziel met den

ganschen Christus beide naar zijne Goddelijke en naar zijne menschelijke

natuur vereenigd. Want manducatio corporis Christi nihil aliud est,

quam arctissima cum Christo conjunctio, Junius, Theses theol. 52, 7.

Van den doop is daarbij het avondmaal hierin onderscheiden, dat de doop

het sacrament is van de inlijving, het avondmaal het sacrament van de

opwassing in de gemeenschap met Christus. Door den doop worden wij met

Christus in zijnen dood begraven en in zijne opstanding opgewekt, en zijn

wij dus passief; maar in het avondmaal treden wij zelf handelend op,

eten het lichaam en drinken het bloed van Christus en worden alzoo

door zijne gemeenschap gevoed ten eeuwigen leven. Maar indien wij deel

hebben aan den persoon van Christus, dan hebben wij het vanzelf ook

aan al zijne weldaden. Onder deze wordt de vergeving der zonden in de

Schrift in de eerste plaats en met den meesten nadruk genoemd. In het

avondmaal geeft Christus zijn lichaam en bloed tot spijze onzer zielen,

maar dat lichaam en bloed is zulk eene spijze niet, quia est corporea

substantia, quo modo esset cibus corporalis sed quatenus corpus Christi

est datum pro mundi vita, Junius t. a. p. Daarom wordt lichaam en

bloed afzonderlijk, ieder onder een eigen teeken, in het avondmaal voor

oogen gesteld. Daarom zegt Christus uitdrukkelijk, dat zijn lichaam

gegeven en zijn bloed vergoten wordt tot vergeving der zonden. Daarom

wordt de beteekenis van het bloed in de instellingswoorden nog breeder

toegelicht en verklaard dan die van het lichaam, want het is het bloed,

dat op het altaar voor de zonden verzoening doet. Al is Christus thans

dan ook verheerlijkt, de gemeenschap, die door het geloof tot stand

komt en in het avondmaal versterkt wordt, is en blijft eene gemeenschap

aan zijn gekruiste lichaam en aan zijn vergoten bloed. Op het standpunt

der trans- en consubstantiatie is dit onmogelijk; daar treedt de

gestorven Christus achter den verheerlijkten terug. Maar indien het

eten van Christus’ lichaam en het drinken van zijn bloed gelijk staat

met intima nostri cum Christo conjunctio, Bucanus, Inst. theol. 677,

dan is deze en elke andere weldaad uitsluitend eene vrucht van den

dood van Christus en worden wij daarom alleen uit Christus gevoed, wijl

Hij voor ons gekruisigd is. En onder de weldaden, die Christus door zijn

dood verwierf, staat dan de vergeving der zonden bovenaan. Ook deze

weldaad wordt in het avondmaal niet voor de eerste maal geschonken;

want de Christen bezit haar reeds door het geloof en heeft daarvan

in den doop het teeken en zegel ontvangen. Onjuist is het daarom, de

verschillende genaden met Rome over de sacramenten zoo te verdeelen,

dat telkens in ieder sacrament eene bijzondere groep van zonden vergeven

en eene bijzondere genade geschonken wordt, want de vergeving, welke

het woord, de doop en het avondmaal ons aanbiedt, is altijd dezelfde.

De vergeving, welke in het avondmaal medegedeeld wordt, heeft daarom

volstrekt niet alleen op culpae quotidianae, op peccata venialia

betrekking, Trid. sess. 13 c. 2. 22 c. 1. Maar het is dezelfde volle,

rijke weldaad van vergeving, welke in het woord wordt aangeboden, door

het geloof wordt aangenomen en door het sacrament van doop en avondmaal

beteekend en verzegeld wordt. Bij deze weldaad komt het duidelijk uit,

dat het sacrament geen enkele nieuwe genade aan het woord toevoegt;

het geeft dezelfde genade alleen, om onzer zwakheid wil, op eene andere

wijze, opdat wij vastelijk gelooven en van allen twijfel genezen zouden

worden. Bij deze weldaad der vergeving komt die van het eeuwige leven.

Het avondmaal is een geestelijke maaltijd, waar Christus onze zielen

voedt met zijn gekruist lichaam en vergoten bloed. Het eten en drinken

daarvan dient tot versterking van het geestelijke, eeuwige leven, want

wie het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt

heeft het eeuwige leven en wordt opgewekt ten uitersten dage, Joh.

6:54. Duidelijk blijkt hieruit, dat het eeuwige leven eene weldaad is,

die aan den ganschen mensch geschonken wordt, niet alleen naar zijne

ziel maar ook naar zijn lichaam. Ten onrechte is hieruit door sommigen

afgeleid, dat er uit Christus’ lichaam, dat in het avondmaal genoten

wordt, eene rechtstreeksche werking op ons lichaam uitgaat, zoodat

dit van allerlei krankheid en zwakte genezen en in beginsel tot een

nieuw opstandingslichaam herschapen wordt. Het is te begrijpen, dat

men vooral op Luthersch standpunt tot dit gevoelen kwam; want indien

de manducatis oralis _deze_ nuttigheid niet heeft, heeft zij in ’t

geheel geen waarde. Toch leert de H. Schrift dienaangaande niets. In

1 Cor. 11:30 zegt Paulus wel, dat er tengevolge van het schromelijk

misbruik van het avondmaal in Corinthe vele krankheden en sterfgevallen

voorkwamen; maar dit is duidelijk een κριμα, vs. 29, een straf, die God

op dit misbruik van het avondmaal liet intreden, en bewijst hoegenaamd

niet, dat gebruik of een geloovig gebruik van het avondmaal ook strekt

tot genezing van de krankheden des lichaams. Bovendien, Joh. 6 mag wel

gebezigd worden tot illustratie van het avondmaal, maar handelt er niet

rechtstreeks over; en ook dit hoofdstuk leert alleen, dat wie door het

geloof, ook zonder het avondmaal, Christus’ vleesch eet en zijn bloed

drinkt, het eeuwige leven heeft en opgewekt zal worden ten uitersten

dage, cf. 6:40. Volstrekt dus niet alleen door de manducatio oralis,

maar in het algemeen door het geloof wordt de mensch het eeuwige leven

en de hope der opstanding deelachtig. De H. Geest, die in de geloovigen

woont, is het zekerste onderpand voor de opstanding des lichaams en

den dag der verlossing, Rom. 8:11, Ef. 1:14, 4:30. Maar deze Geest van

Christus bedient zich dan wel van het avondmaal, om den geloovige te

versterken in de hope des eeuwigen levens en der zalige opstanding aan

het einde der dagen. Denn wo die Seele genesen ist, da ist dem Leibe

auch geholfen, Luther bij Müller, Dogm. Abh. 419. Praesentia corporis

affert non modo indubitatam vitae aeternae fiduciam animis nostris, sed

de carnis etiam nostrae immortalitate securos nos reddit, siquidem ab

immortali ejus carne jam vivificatur et quodammodo ejus immortalitati

communicat, Calvijn, Inst. IV 17, 32, cf. ook bij Ebrard, Dogm. v. h. Ab.

II 460, en voorts Philippi, K. Gl. V 2 S. 282 f. Müller, Dogm. Abh.

417. In dezen zin mag het avondmaal heeten φαρμακον ἀθανασιας, Ign.

Ef. 20. Eindelijk strekt het avondmaal nog als gedachtenisviering en

verkondiging van Christus’ dood tot belijdenis van ons geloof tegenover

de wereld en tot versterking van de gemeenschap der geloovigen

onderling. In 1 Cor. 10:17 betoogt de apostel, dat het brood wel moet

zijn gemeenschap aan het lichaam van Christus, want hoe konden anders de

geloovigen, die op zichzelf beschouwd velen zijn, één zijn? Die eenheid

komt alleen daardoor tot stand, dat zij in het ééne brood gemeenschap

hebben aan het ééne lichaam van Christus. De geloovigen zijn één in

Christus en daarom ook onderling. Gelijk uit vele graankorrels één

brood gebakken wordt en uit vele beziën, saamgeperst zijnde, één wijn en

drank vliet, zoo zijn allen, die door het waarachtig geloof Christus

ingelijfd zijn, te zamen één lichaam; en dat belijden zij aan het avondmaal

tegenover de wereld, die hunne eenheid niet kent.

8. Evenals de doop, is het avondmaal alleen voor de geloovigen

ingesteld. Jezus gebruikte het alleen met zijne discipelen. Of Judas

daarbij nog tegenwoordig was dan wel vóór de inzetting des avondmaals

de zaal heeft verlaten, is niet met zekerheid te zeggen. Mt. 26:21-25,

Mk. 14:18-21, Joh. 13:21-35 geven den indruk, dat Judas vóór dien tijd

is heengegaan, maar Luk. 22:21-23 verhaalt de ontdekking van Judas

als verrader na de instelling van het avondmaal in vs. 19. 20. Het

is echter mogelijk, dat Lukas zich hierbij niet aan de chronologische

orde houdt. Maar hoe dit zij, dogmatisch belang heeft de vraag niet.

Indien Judas het avondmaal gebruikte, dan zat hij aan als discipel van

Jezus; dat was hij, zoo deed hij zich voor, wat hij innerlijk in zijn hart

tegen Jezus overlegde, bleef voor zijne eigene rekening. M. Vitringa

VIII 347. Evenzoo werd later het avondmaal uitsluitend in den kring

der gemeente door de geloovigen gevierd, Hd. 2:42, 20:7. Ongeloovigen

hadden wel toegang tot de vergadering der gemeente, waarin het woord

werd bediend, 1 Cor. 14:22-24, maar waren uitgesloten van die, waarin

de agapae werden gehouden en het avondmaal werd gevierd, 1 Cor.

11:18, 20, 33. Zoo bleef het ook, toen allengs in de tweede eeuw het

avondmaal van de agapae werd losgemaakt en in dezelfde vergadering als

de bediening des woords des morgens plaats had. Het eerste deel was

voor allen toegankelijk, maar het tweede deel nam eerst een aanvang, als

ongeloovigen, catechumenen, geëxcommuniceerden enz. verwijderd waren.

In dit tweede gedeelte der godsdienstoefening werden de sacramenten

bediend; en het was oude en algemeen verbreide gewoonte, dat zij, die

na beeindiging van het catechumenaat gedoopt werden, terstond daarop

het avondmaal ontvingen. Toen de kinderdoop in gebruik kwam, werd deze

gewoonte ook bij de kinderen gevolgd en bovendien aangedrongen door

de heerschende exegese van Joh. 6:53, volgens welke dit vers van het

avondmaal gold en dit sacrament dus even noodzakelijk ter zaligheid was

als de doop. In het Westen sleet echter deze gewoonte vooral sedert de

twaalfde eeuw weer uit en werd zij allengs door verschillende synoden

onnoodig verklaard, cf. Trid. 21 c. 4. Maar in de Grieksche en andere

Oostersche kerken bleef ze bestaan en wordt nog heden ten dage aan

pasgedoopte kinderen het avondmaal bediend in den vorm van een in wijn

gedoopt stukske brood, Art. Kinderkommunion in Herzog² 7, 671. M.

Vitringa VIII 368. 612. Maar de magische opvatting van het avondmaal

had nog erger misbruiken ten gevolge. De oorspronkelijke eenvoud

ging onder allerlei plechtige ceremoniën teloor. Niet alleen door

zelfbeproeving, maar ook door vasten, wassching der handen, kleeding

enz. moesten zich de communicanten voor het avondmaal voorbereiden.

Het brood werd eerst met de bloote hand, later in een linnen doekje of

een gouden bakje, en nog later, sedert de elfde eeuw, met den mond en

in knielende houding bij het altaar van den priester aangenomen. Het

geconsacreerde brood werd niet alleen genoten door de communicanten

in de kerk, maar ook aan de kranken in hunne woning bediend, als een

viaticum aan stervenden medegegeven en tot afwering van allerlei rampen

en verkrijging van allerlei zegeningen en weldaden nuttig geacht. Niet

alleen tot de levenden maar ook tot de dooden strekte de werking van

het sacrament zich uit. Reeds van ouds bestond het gebruik, om niet

alleen voor zichzelf maar ook voor gestorven verwanten op hun sterfdag

offergaven te brengen en voor hunne ziel te bidden. En toen nu de leer

van het vagevuur door Gregorius M. was vastgesteld, het avondmaal

als eene offerande van het eigen lichaam en bloed van Christus werd

opgevat en de deelneming der gemeente hoe langer hoe minder werd, toen

stond het weldra vast, dat de mis niet alleen voor aan- of afwezige

levenden maar ook voor de gestorvenen in het vagevuur vermindering van

boetedoeningen en tijdelijke straffen bewerken kon, M. Vitringa VIII

733. Herzog² 9, 623 f. Al deze verbasteringen maakten terugkeer tot

de H. Schrift noodzakelijk, volgens welke het avondmaal een maaltijd

is, zonder aanzittende gasten niet bestaanbaar, en uitsluitend voor

geloovigen bestemd. Om zuiver te gaan en de Schrift te dezen opzichte

ten volle tot haar recht te laten komen, stelden de Gereformeerden

gewoonlijk twee vragen: 1º wie recht op het avondmaal hebben en ertoe

moeten naderen, en 2º wie door de kerk tot het avondmaal moeten worden

toegelaten of daarvan moeten geweerd worden, Heid. Cat. 81. 82. De

eerste vraag handelt over den plicht der communicanten, de tweede

over den plicht der kerk en van hare dienaren. Op de laatste vraag

werd ten antwoord gegeven en kon het antwoord naar de H. Schrift

niet anders luiden, dan dat de kerk van het avondmaal had te weren,

allen, die zich met hunne belijdenis en hun leven als ongeloovige en

goddelooze menschen aanstellen. Het avondmaal is een goed der kerk,

door Christus aan zijne gemeente gegeven en dus alleen te genieten

door huisgenooten des geloofs. Ongedoopten, ongeloovigen, ketters,

scheurmakers, openbare zondaren, geëxcommuniceerden waren daardoor

vanzelf buitengesloten. Maar het getal dergenen, die op het avondmaal

recht hadden, werd nog veel meer beperkt. Ten eerste werd door de

verwerping van mis en vagevuur ook de bediening van het avondmaal

voor de gestorvenen afgeschaft. In de Schrift komt iets dergelijks dan

ook met geen enkel woord voor. Wel spreekt Paulus 1 Cor. 15:29 van

zulken, die zich ὑπερ των νεκρων lieten doopen. Maar ook al moest (wat

echter volstrekt niet bewezen is, cf. Cremer³, 156) deze plaats zoo

worden verstaan, dat er in dien tijd Christenen waren, die zich ten

nutte van ongedoopt gestorven vrienden lieten doopen, dan nog bedient

de apostel zich van dit gebruik niet anders dan als een bewijs voor

de opstanding en laat hij het zonder goed- of afkeuring staan. De

kerk heeft den doop voor de dooden, die bij enkele secten in gebruik

was, op het concilie te Carthago 397 beslist veroordeeld en kan er

daarom geen argument aan ontleenen voor de bediening van het avondmaal

ten nutte van gestorvenen. Ten tweede hadden vele Gereformeerden

er bezwaar tegen, dat het avondmaal buiten de openbare vergadering

der geloovigen in eene private woning aan kranken en stervenden zou

worden bediend, Musculus, Bullinger, Beza, Danaeus, Aretius enz., de

Geref. kerken van Frankrijk, Schotland, Nederland enz. En wel stonden

anderen, zooals Calvijn, Oecolampadius, Martyr, Zanchius, de kerken van

Engeland, Polen, Hongarije enz. dit soms toe. Maar ook dan beperkten zij

het toch gewoonlijk zoo, dat er eene kleine vergadering van geloovigen

bij tegenwoordig moest zijn en daardoor alle aanleiding tot superstitie

voorkomen of vermeden werd, Voetius, Pol. Eccl. I 758. M. Vitringa

VIII 356. Moor V 660. Ten derde zijn ook de kinderen van het avondmaal

uitgesloten. Trente veroordeelde alleen de noodzakelijkheid, maar niet

de geoorloofdheid van het avondmaal voor kinderen. En op dat standpunt

plaatste zich van de Gereformeerden ook Musculus in zijne Loci Communes

p. 471-473. Hij voerde daarvoor deze gronden aan, dat wie de beteekende

zaak bezit ook recht heeft op het teeken; dat kinderen, die blijkens den

doop de genade der wedergeboorte kunnen ontvangen ook zonder bewustzijn

in dat geestelijk leven gevoed kunnen worden; dat Christus de zaligmaker

van heel zijne gemeente, ook van de kinderen is en hen allen spijst en

drenkt met zijn lichaam en bloed; dat de vermaning tot zelfbeproeving

1 Cor. 11:26-29 niet als algemeene eisch door den apostel is bedoeld.

Maar al deze gronden verliezen hun gewicht tegenover deze overwegingen:

1º in het O. T. was er een groot verschil tusschen besnijdenis en

pascha. De besnijdenis was voor alle kinderen van het manlijk geslacht

voorgeschreven, maar het pascha werd, niet terstond bij de instelling,

maar later in Palestina bij den tempel te Jeruzalem gevierd; zeer jonge

kinderen waren er dus vanzelf van uitgesloten. 2º Evenzoo is er een

groot onderscheid tusschen doop en avondmaal. De doop is het sacrament

der wedergeboorte, waarbij de mensch passief is; het avondmaal is

het sacrament van de opwassing in de gemeenschap van Christus, van

de voeding des geestelijken levens en onderstelt bewust, handelend

optreden bij dien, die het ontvangt. 3º Christus stelde het avondmaal

te midden zijner jongeren in, zeide tot hen allen: neemt, eet, drinkt,

en onderstelt, dat zij het brood en den wijn uit zijne hand aannemen. En

Paulus zegt, dat de gemeente te Corinthe samenkwam om te eten en geeft

geen anderen indruk, dan dat alleen bewuste, volwassen personen aan het

avondmaal deelnemen. 4º In 1 Cor. 11:26-29 stelt de apostel bepaald

den eisch, dat men voor het avondmaal zichzelf beproeve, opdat men

het lichaam des Heeren kunne onderscheiden en niet onwaardiglijk ete

en drinke. Deze eisch is gansch algemeen gesteld, tot alle deelnemers

aan het avondmaal gericht en sluit daarom vanzelf de kinderen uit.

5º Onthouding van het avondmaal aan de kinderen doet hen geen enkele

weldaad van het verbond der genade derven. Dit ware wel het geval,

wanneer hun de doop werd onthouden. Want dit kan niet doen dan wie

meent, dat de kinderen buiten het verbond der genade staan. Maar met

het avondmaal is het anders gesteld. Wie aan kinderen den doop maar

niet het avondmaal bedient, erkent, dat zij in het verbond en alle

weldaden daarvan deelachtig zijn. Hij onthoudt hun slechts eene bijzondere

_wijze_, waarop dezelfde weldaden beteekend en verzegeld worden, wijl

deze aan hun leeftijd niet past. Het avondmaal geeft toch geen enkele

weldaad, welke niet te voren reeds in het woord en den doop door het

geloof werd geschonken.

Dit onderscheid tusschen doop en avondmaal maakte al spoedig eene

voorbereiding voor de waardige ontvangst van het tweede sacrament

noodzakelijk. In den apostolischen tijd, toen er in den regel slechts

volwassenen gedoopt werden, was er zulk eene voorbereiding nog niet.

Wie het woord des evangelies hoorde en aannam, werd terstond gedoopt

en tot het avondmaal toegelaten. Doch toen in de volgende eeuw de

overgangen tot het Christendom talrijker maar ook minder betrouwbaar

werden, kwam allengs het catechumenaat op, dat eerst voor den doop en

later, na het algemeen worden van den kinderdoop, voor het avondmaal

moest voorbereiden. In de Roomsche kerk ging deze voorbereiding allengs

geheel op in het sacrament van het vormsel, dat uit de oorspronkelijk

met den doop verbonden handoplegging zich ontwikkelde en met eene

zalving zich verbond. De Reformatie verwierp dit sacrament, wijl het in

de Schrift geen grond had, en stelde er de catechese en de openbare

belijdenis voor in de plaats, cf. Höfling, Das Sakr. der Taufe II 347

f. Bachmann, Die Gesch. der Einführung der Confirmation, Berlin 1852.

Caspari, Die evang. Confirmation vornehmlich in der luth. K. Erl. 1890.

Art. in Herzog² 8, 143. Daardoor werd de overgang gemaakt van den doop

tot het avondmaal en de kerk tevens voor verbastering behoed. Calvijn

wilde, dat, als een kind genoegzaam in den catechismus onderwezen

was, het openbaar in de gemeente belijdenis van zijn geloof zou doen,

bij Bachmann t. a. p. 70. à Lasco wenschte, dat kinderen, die veertien

jaren oud geworden waren, belijdenis voor de gemeente zouden doen en

den volgenden Zondag aan het avondmaal zouden gaan; maar wie slecht

leefden, werden vermaand en eindelijk, bij gebleven hardnekkigheid, op

achttien- of twintigjarigen leeftijd van de gemeente afgesneden, ib.

115. De Ned. Kerkenordeningen schrijven evenzoo een belijdenis voor den

kerkeraad of in het midden der gemeente voor, en spreken soms nog van

een voorafgaand onderzoek voor den kerkeraad. Deze theorie liep zuiver:

de kinderen der geloovigen worden als geloovigen gedoopt, dan in de

waarheid onderwezen, bij voldoend onderzoek en na openbare belijdenis

tot het avondmaal toegelaten of bij onchristelijke leer of ongeregelden

wandel na herhaalde vermaning uit de gemeente verwijderd. Naar deze leer

is nog ons kerkelijk leven in te richten, al stuit zij ieder oogenblik

op bezwaren der practijk. Want piëtisme en rationalisme zijn altijd

geneigd om te scheiden wat God heeft saamgevoegd en met minachting

van het sacrament op persoonlijke bekeering of op kerkelijke aanneming

of bevestiging den nadruk te leggen. Maar de regel des verbonds is

deze, dat de kerk hare jeugdige leden, die als kinderen des verbonds

geboren en door den doop haar ingelijfd zijn, opvoede tot zelfstandige,

persoonlijke belijdenis en op dien grond hen toelate tot het avondmaal.

Over het hart oordeelt zij niet en kan zij niet oordeelen. Terwijl zij dus

eenerzijds van het avondmaal allen weert, die met belijdenis of leven

zich als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen, laat zij aan

de andere zijde nimmer van de ernstige prediking af, dat het avondmaal

alleen is ingesteld voor hen, die zichzelven vanwege hunne zonden

mishagen, nochtans vertrouwen, dat deze hun om Christus’ wil vergeven

zijn en ook begeeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun

leven te beteren.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 13 / 83 题