afgebeeld en verzegeld wordt, is het verbond der genade, Gen. 9:12,
13, 17:11, de gerechtigheid des geloofs, Rom. 4:11, vergeving der
zonden, Mk. 1:4, Mt. 26:28, geloof en bekeering, Mk. 1:4, 16:16,
gemeenschap aan Christus, aan zijn dood en opstanding, Rom. 6:3v.,
aan zijn vleesch en bloed, 1 Cor. 10:16 enz. Saamvattende kan men
dus zeggen, dat Christus, de gansche, rijke, volle Christus, naar
zijne Goddelijke en menschelijke natuur, met zijn persoon en werk, in
den staat zijner vernedering en in dien zijner verhooging, de materia
interna, de res coelestis, de beteekende zaak in het sacrament is.
Deze Christus is toch met al zijne weldaden en zegeningen de middelaar
van het genadeverbond, het hoofd der gemeente, de ja en amen van alle
beloften Gods, de inhoud van zijn woord en getuigenis, de wijsheid,
gerechtigheid, heiligmaking en verlossing der geloovigen, de profeet,
priester en koning, in wien God alleen al zijn genade mededeelt en die
gister en heden en eeuwig dezelfde is. Jezus Christus is de waarheid
der sacramenten, zonder wien zij niet met al zijn zouden, Ned. Gel. 33,
cf. conf. Belg. 34. 35. Cat. Heid. 67. Conf. Helv. II 19. Scot. 21.
Westm. 27, 1. Calvijn, Inst. IV 14, 16. 17. Synopsis pur. theol. 43,
20. 21. Mastricht, Theol. VII 3, 7 enz. De Roomschen verstaan onder
de materia interna der sacramenten de heiligmakende, d. i. de aan de
natuur toegevoegde, tot het doen van goede werken en eenmaal tot de
aanschouwing Gods in staat stellende, geschapene genade, welke van
de ongeschapen genade, dat is van God zelf, niet wezenlijk verschilt,
want eigenlijk geeft God in iedere geschapene genade zichzelf,
Heinrich-Gutberlet, Dogm. VIII 550 f., en zij leeren, dat die genade
als iets zakelijks in het teeken ingegaan en vervat is, daarmede dus
ex opere operato meegedeeld wordt, en op geene andere wijze, n.l.
door het geloof alleen aan Gods woord, te verkrijgen is. Conc. Trid.
VII can. 4 sq. De Luthersche dogmatici noemden in den eersten tijd de
beide bestanddeelen van het sacrament verbum en elementum, en lieten
dus door het sacrament dezelfde genade meedeelen als door het woord.
Maar tengevolge van hunne consubstantiatieleer kwamen zij er allengs
toe, vooral sedert Gerhard, om in het sacrament bij het woord nog eene
materia coelestis aan te nemen. Door het woord der consecratie houdt
het element niet alleen op, gelijk de oudere dogmatici zeiden, een
gewoon, uitwendig element te zijn, maar neemt het ook eene bijzondere,
Goddelijke kracht in zich op, die van het woord onderscheiden is,
als materia coelestis aangeduid wordt en door het element werkt als
zijn medium en vehiculum. Er kwam daarom een verschil tusschen de
genadeweldaden, die door het woord, en die, welke door het sacrament
werden meegedeeld; in het avondmaal toch werd het eigen vleesch en
bloed van Christus genoten. Omdat echter zulk eene van de heilsweldaden
onderscheidene materia coelestis alleen bij het avondmaal en niet bij
den doop zich aanwijzen liet, kwamen Baier en anderen er tegen op, om
bij de sacramenten in genere van eene materia coelestis te spreken,
Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. 391 f. Toch heeft de nieuwere theologie
meermalen eene dergelijke voorstelling van het sacrament voorgedragen
en woord en sacrament zoo onderscheiden, dat het eerste eene Person-,
en het tweede eene Naturwirkung uitoefent; dat het eene een middel is
van de metanoetische en het andere een middel van de anagennetische
werking des H. Geestes; dat het woord het bewustzijn omzet, maar het
sacrament den geest, het ik, ja de geistleibliche natuur van den
mensch verandert. Dit alles is echter met de Schrift in strijd en
eene invoering van Roomsche dwaalleer. Het sacrament schenkt geen
enkele weldaad, die niet ook uit het woord Gods door het geloof alleen
ontvangen wordt. Immers, wie gelooft, is wedergeboren, Joh. 1:12, 13,
heeft het eeuwige leven, Joh. 3:36, is gerechtvaardigd, Rom. 3:28,
5:1, geheiligd, Joh. 15:3, Hd. 15:9, verheerlijkt, Rom. 8:30, heeft
gemeenschap aan Christus, Ef. 3:17, aan zijn vleesch en bloed, Joh.
6:47v., aan zijn Vader, 1 Joh. 1:3, aan den H. Geest, Joh. 7:39, Gal.
3:2, 5 enz. Het woord bevat alle beloften Gods, en het geloof neemt ze
alle aan. De inhoud van het woord is Christus, de gansche Christus,
en deze is ook de inhoud van het sacrament. Er is geen enkele weldaad
der genade, die in het woord teruggehouden en nu langs een bijzonderen
weg, door het sacrament, aan de geloovigen meegedeeld wordt. Er
is noch eene aparte doops-, noch eene aparte avondmaalsgenade. De
inhoud van woord en sacrament is volkomen dezelfde; beide bevatten
denzelfden middelaar, hetzelfde verbond, dezelfde weldaden, dezelfde
zaligheid, dezelfde gemeenschap met God; één zijn zij zelfs in modus en
instrumentum perceptionis, want ook in het sacrament wordt Christus
niet lichamelijk maar geestelijk, niet door den mond maar door het geloof
genoten. Zij verschillen alleen in forma externa, in de _wijze_, waarop
zij _denzelfden_ Christus ons aanbieden. In zekeren zin is ook het woord
een teeken en zegel; een teeken dat ons denken doet aan de zaak die het
aanduidt; een zegel, dat bevestigt, hetgeen in de werkelijkheid bestaat.
Dat geldt in het algemeen van alle woord, maar het geldt in bijzondere
mate van het woord Gods; wie dat loochent, maakt God tot een leugenaar,
1 Joh. 5:10. Maar het woord beteekent en verzegelt ons Christus door
het zintuig van het oor; het sacrament beteekent en verzegelt ons
Christus door het zintuig van het oog. Saam bieden zij Christus met al
zijne weldaden ons aan langs den weg van de beide hoogere zintuigen,
welke God aan den mensch heeft geschonken, zonder dat daarom de andere,
reuk-, smaak- en tastzin, geheel zijn buitengesloten. Uit dit verschil
in de _wijze_, waarop wij Christus met zijne weldaden ons aanbieden,
vloeit verder voort, dat het sacrament aan het woord ondergeschikt
is; het is een teeken van den inhoud des woords; een zegel, dat God
aan zijn getuigenis gehecht heeft; een zuil, zooals Calvijn zegt, die
op den grondslag van het woord is opgetrokken; een appendix, dat bij
het evangelie bijkomt en eraan toegevoegd wordt. Het woord is dus iets
en veel zonder het sacrament, maar het sacrament is zonder het woord
niets en heeft dan geenerlei waarde of kracht; het is niets minder
maar ook niets meer dan een verbum visibile. Alle goederen des heils
zijn te verkrijgen uit het woord en door het geloof alleen, maar er is
geen enkele weldaad, die uit het sacrament alleen zonder het woord
en buiten het geloof om ontvangen zou kunnen worden. Het woord werkt
en versterkt daarom het geloof, het richt zich tot ongeloovigen en
geloovigen beide; maar het sacrament zegt niets en bevat niets voor de
ongeloovigen, het is uitsluitend voor de geloovigen bestemd, het kan
alleen het geloof, dat aanwezig is, versterken; het is immers niets dan
een teeken en zegel van het woord. Daarin bestaat zijn eenige maar toch
ook naar Gods bedoeling zijn genoegzame waarde en kracht, om het woord
te verduidelijken en te bevestigen en daardoor het geloof te versterken.
In den strijd tegen Rome is handhaving van deze overeenstemming en van
dit verschil tusschen woord en sacrament van het hoogste belang. Wie
beide anders bepaalt en aan het sacrament eene andere genadewerking
toeschrijft dan aan het woord, deelt Christus en zijne weldaden,
verbreekt de eenheid van het genadeverbond, materialiseert de genade,
maakt het sacrament zelfstandig tegenover en boven het woord, keert de
verhouding van Schrift en kerk om, maakt het sacrament ter zaligheid
noodzakelijk en den mensch van den priester afhankelijk. Daarom werden
de Gereformeerden, evenals ook de Lutherschen in den eersten tijd, niet
moede, om deze juiste, Schriftuurlijke verhouding van woord en sacrament
telkens weer in het licht te stellen en altijd opnieuw te betoogen,
dat het sacrament aan het woord ondergeschikt is en dat beide daartoe
dienen, om ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis,
als den eenigen grond onzer zaligheid te wijzen. Cf. Luther bij Köstlin
II 503. Symb. B. ed. Müller 202. 320. 487. 500. Heppe, Dogm. d. d.
Prot. II 36. Calvijn. Inst. IV 14, 3. 5. 6. 14. Cons. Tigur. bij Niemeyer
204. 206. Conf. Gall. 34. Belg. 33. Cat. Heid. 66. Helv. II 19.
Polanus, Synt. VI 51. Mastricht, Theol. VIII 3, 11. Turretinus, Theol.
El. XIX 3, 6.
5. Het verband, dat tusschen teeken en beteekende zaak bestaat, werd
soms forma sacramenti, soms ook unio sacramentalis genoemd. Tegen
de laatste benaming maakte Gomarus, Theses theol. disp. 31 § 36 niet
zonder grond bezwaar; de relatie, zegt hij, die tusschen teeken en
beteekende zaak bestaat en beide in zekeren zin vereenigt, nova et
obscura phrasi, unio sacramentalis, Ubiquitariorum imitatione, non
satis recta, vulgo nominatur. Quia res significata nobis verius unitur
quam signis idque signis denotatur ac confirmatur, cf. ook Heidegger,
Corp. Theol. XI 58. Roomschen en Lutherschen kunnen tot op zekere
hoogte bij het avondmaal van eene unio tusschen de materia externa en
interna in het sacrament spreken, want zij leeren dat de beteekende zaak
in het teeken ingaat en vervat is; zij nemen eene physische, corporeele,
locale vereeniging aan. Maar zelfs op hun standpunt is er bezwaar;
want bij de Roomschen verandert het teeken in de beteekende zaak, en
is er dus geen eigenlijke vereeniging mogelijk; en bij de Lutherschen
is de beteekende zaak wel in, met en onder het teeken en dus met het
teeken op eene zelfde plaats en in eene zelfde ruimte saamgebracht,
maar zulk eene juxtapositie is toch nog iets gansch anders dan eene
vereeniging. Voorts draagt de unio sacramentalis bij woord en doop en
ook bij de andere door Rome aangenomene sacramenten een zoo verschillend
karakter van die in het avondmaal, dat het niet aangaat, zoo maar in
het algemeen van eene unio sacramentalis te spreken. Veel meer bezwaar
is er echter op Gereformeerd standpunt. De Schrift noemt de sacramenten
teekenen en zegelen en duidt daarmede het verband aan, dat tusschen
materia interna en externa bestaat. Niemand zal het verband tusschen
een woord en de zaak, die het aanduidt, tusschen een beeld en den
persoon, dien het voorstelt, tusschen een pand en datgene, waarvan
het pand is, eene vereeniging noemen. En toch van dienzelfden aard is
de relatie, welke tusschen teeken en beteekende zaak in het sacrament
bestaat. Het is geen physisch, locaal, corporeel, substantieel verband;
de teekenen van water, brood en wijn zijn geen miracula, medicamenta,
ὀχηματα, vehicula, canales, causae physicae van de beteekende zaak.
Maar het is een ethisch verband, eene relatie, volkomen gelijk aan
die tusschen Christus en het evangelie, tusschen de weldaden van het
genadeverbond en het woord Gods, dat ze ons bekend maakt. Mastricht,
Theol. VII 3, 8. Turretinus, Theol. El. XIX 4, 3. Bij het woord is dat
verband met de zaken, die het beschrijft, vanzelf gegeven. Maar bij de
teekenen in het sacrament is dit niet het geval. Water, brood, wijn zijn
niet van nature teekenen en zegelen van Christus en zijne weldaden.
Niemand zou dat erin kunnen of mogen zien, wanneer God het niet
bepaald verklaard had. Dat wil niet zeggen, dat deze teekenen gansch
willekeurig door God uit de zienlijke dingen gekozen zijn. Integendeel,
nu God het in zijn woord ons gezegd heeft, ontdekken wij tusschen teeken
en beteekende zaak de treffendste overeenstemming. Trouwens, het is
dezelfde God en Vader, die in het rijk der natuur en in het rijk der
genade regeert; Hij schiep het zienlijke zoo, dat wij er het onzienlijke
uit kunnen verstaan; het natuurlijke is een beeld van het geestelijke.
Maar toch was er een bijzonder woord van God noodig, om in de teekenen
van doop en avondmaal een afbeelding te zien van de geestelijke goederen
des heils. En dit was te meer noodig, wijl water, brood en wijn de genade
maar niet afbeelden doch ook verzegelen en dus in Gods hand dienst
doen, om ons geloof te versterken. In deze twee dingen bestaat dan ook
de forma sacramenti: in de bovengenoemde relatie tusschen teeken en
beteekende zaak (forma interna) en in de Goddelijke instelling, die door
het woord zulk een verband tusschen beide legt. Bucanus, Instit. theol.
561. Junius, Theses theol. 49, 8. Maresius, Syst. Theol. XVIII 19. M.
Vitringa VI 400.
In overeenstemming met hunne leer van de unio sacramentalis kennen
Roomschen en Lutherschen aan het woord der instelling eene andere
kracht toe dan de Gereformeerden. Bij hen moet het n.l. dienst doen, om
het teeken in de beteekende zaak te veranderen of de beteekende zaak
in het teeken in te dragen. Het heeft daarom eene consecratorische
en operatieve kracht, is meer tot het element dan tot de hoorders
gericht en wordt om die reden in de Roomsche kerk door den priester op
geheimzinnige, fluisterende wijze en in de latijnsche taal gesproken,
Bellarminus, de sacr. I 19. Maar bij de Gereformeerden bezit het
woord der instelling, dat door den dienaar gesproken wordt, geen
verborgen, mysterieuse, magische kracht; het dient niet en behoeft
niet te dienen, om de beteekende zaak in het teeken te incorporeeren;
het is veeleer een verbum concionale seu praedicatum, dat luide tot
de gemeente gesproken wordt, dat hoegenaamd geen verandering in het
teeken aanbrengt, maar het alleen voor het bewustzijn der hoorders
van het gemeene gebruik afzondert en er hic et nunc eene bijzondere
bestemming aan geeft, Calvijn, Inst. IV 14, 4. Turretinus, Th. El. XIX
qu. 6. Zonder dat woord en buiten het gebruik zijn water, brood en wijn
niets dan gewone, dagelijksche spijs. Detrahe verbum et quid est aqua
nisi aqua; accedit verbum ad elementum et fit sacramentum. Daarom
houdt de dienaar, ook nadat hij het woord der instelling gesproken
heeft, niets dan het teeken in zijne hand, en niets dan het teeken deelt
hij aan de geloovigen uit. Alleen heeft God zich verbonden, om, waar
het sacrament naar zijn bevel bediend wordt, zelf door zijnen Geest de
onzichtbare genade te schenken. God en Hij alleen blijft de uitdeeler
der genade, en de Christen hangt ook bij het sacrament niet van den
dienaar maar van God alleen af en heeft alles van Hem te verwachten.
Deze afhankelijkheid van God alleen wordt door Roomschen en Lutherschen
in eene afhankelijkheid van den dienaar veranderd en deze laatste
bovendien bij Rome nog daardoor versterkt, dat in de dienaren, als zij
het sacrament uitreiken, ten minste de intentie vereischt wordt om te
doen, quod facit ecclesia, Trid. VII can. 11. In de dogmatiek wordt
deze intentie uitermate verzwakt; eene intentio generalis, niet om
dit, maar om een sacrament uit te reiken, is voldoende, en ook die
intentie behoeft niet actualis te zijn maar is reeds als virtualis
genoegzaam. Zelfs is het niet noodig de intentie te hebben, om te doen
wat de Roomsche kerk doet; als een dienaar in de kerk te Genève maar
de intentie heeft om te doen, wat de kerk doet, die hij voor de ware
houdt, dan beantwoordt hij aan den eisch, en Rome erkent het door hem
bediende sacrament, Schwane, D. G. III 600. Bellarminus, de sacr. in
genere I 27. Desniettemin blijft het vereischte der intentie, zonder
nadere verklaring, als eene onfeilbare uitspraak in de Trentsche
canones staan en houdt den ernstigen Roomschen Christen in voortdurende
onzekerheid. En als Calvijn in zijn Antidotum hierop de aandacht vestigt,
geeft Bellarminus alleen ten antwoord, dat de mensen in dit leven zulk
eene onfeilbare zekerheid van zijne zaligheid niet behoeft, dat eene
menschelijke, moreele zekerheid voldoende is, en dat deze genoegzaam te
verkrijgen is, ook al hangt men van de intentie van den dienaar af, cum
habere intentionem sit facillimum, ib. 28. Cf. M. Vitringa VI 458 sq.
Al bestaat het verband tusschen teeken en beteekende zaak niet in
eene corporeele en locale vereeniging van beide, toch is het daarom
wel objectief, reëel, wezenlijk. Roomschen en Lutherschen hebben
echter van realiteit een ander begrip dan de Gereformeerden. Als de
beteekende zaak niet physisch met het teeken vereenigd is, meenen zij,
dat het verband van beide niet wezenlijk is en dat Christus met zijne
weldaden niet waarlijk in het sacrament medegedeeld en genoten wordt.
Toch loopt het verschil in de sacramentsleer niet daarover, of God
zijne genade werkelijk meedeelt, maar over de wijze, waarop Hij dat doet.
En de Gereformeerden zeiden: op geestelijke wijze, omdat zoo alleen de
genade waarlijk meegedeeld wordt en worden kan. Physische meedeeling
van Christus en zijne weldaden is met den aard der christelijke religie,
met het wezen der genade, met de natuur der herschepping in strijd,
en zou, ook al ware zij mogelijk, toch niets baten, Joh. 6:63. Maar de
geestelijke wijze, waarop in het sacrament Christus met zijne weldaden
wordt medegedeeld, vormt met waarachtige realiteit zoo weinig eene
tegenstelling, dat zij deze veeleer in vollen zin tot stand doet
komen en waarborgt. Het is met het sacrament niet anders dan met het
woord. In het woord wordt Christus waarlijk en wezenlijk aangeboden en
geschonken aan een iegelijk, die gelooft. En even reëel wordt Hij aan de
geloovigen medegedeeld in het sacrament. Het sacrament geeft denzelfden
vollen Christus als het woord en op dezelfde, dat is op geestelijke
wijze door het geloof, al is ook het middel verschillend, de eene maal
hoorbaar, en de andere keer zichtbaar. Daarom komt in de Gereformeerde
theologie de zoogenaamde phraseologia sacramentalis even goed tot
haar recht als in de Luthersche en Roomsche. De Schrift n.l. duidt,
om de relatie, die God tusschen signum en signatum gelegd heeft, de
beteekende zaak soms aan met den naam van het teeken, Rom. 2:29, of het
teeken met den naam van de beteekende zaak, Mt. 26:26, of schrijft ook
de eigenschap en werking van de beteekende zaak aan het teeken toe, Hd.
22:16, 1 Cor. 11:24. Want dit spraakgebruik doet niets af van het feit,
dat ook volgens Lutherschen en Roomschen God de eigenlijke uitdeeler en
werker der genade in de harten der menschen is. En hiermede stemmen
de Gereformeerden van harte in. Of God die genade meedeelt in, met,
onder het teeken, door het teeken als kanaal heen, dan of Hij het
doet in verband met het teeken, tast de realiteit van die mededeeling
zelve niet aan. Ook in de Scholastieke en Roomsche theologie was
er ten allen tijde verschil over de wijze, waarop de sacramenten de
genade werken. De Thomistische school schreef aan het sacrament eene
physische, de Scotistische eene moreele werking toe. Volgens Thomas
en zijne volgelingen werkt God door het sacrament zoo, dat dit zelf op
physische wijze de genade in den ontvanger veroorzaakt. Volgens Scotus
echter had God zich verbonden, om bij voltrekking van de sacramenteele
handeling de genade te laten volgen, zonder dat Hij ze daarom door het
teeken als door een kanaal henenleidt; hij stelde het sacrament als eene
schuldbekentenis voor, waarop de gebruiker van God genade ontvangt.
Rome leert dus wel, dat het sacrament werkt ex opere operato, maar laat
in het midden, op welke wijze God, de causa principaliter efficiens,
door het sacrament als de causa instrumentalis de genade mededeelt, cf.
Schwane, D. G. III 595. IV 363. Jansen, Prael. III 317. Al verwerpen
de Gereformeerden dan ook de leer, dat de genade door het teeken als
een kanaal ons toegevoerd wordt, zij hebben daarmede in geen enkel
opzicht te kort gedaan aan de waarachtigheid van het sacrament. Ja, zij
hebben daardoor de geestelijke natuur van de genade veel beter dan Rome
en Luther gehandhaafd. Voor het overige blijft de wijze, waarop God bij
het uitdeelen zijner genade van woord en sacrament zich bedient, eene
verborgenheid. De Schrift zegt ook van het woord Gods, dat het schept
en herschept, wederbaart en vernieuwt, rechtvaardigt en heiligt. Maar
wie beschrijft, op welke wijze God zich daarbij van het woord en evenzoo
van het sacrament bedient?
6. Alnaarmate het verband van teeken en beteekende zaak anders opgevat
wordt, verschilt ook de kracht en de werking, welke aan het sacrament
wordt toegeschreven. Wijl bij Rome het zichtbaar teeken de onzichtbare
genade in zich opgenomen heeft, werkt het sacrament ex opere operato,
zonder dat er iets anders of iets meer in den ontvanger geeischt wordt
dan het zuiver negatieve non obicem ponere, Trid. VII can. 6-8. Reeds
Augustinus had het verschil tusschen de sacramenten des O. en des N.
Verbonds daarin gezocht, dat sacramenta novi testamenti dant salutem,
sacramenta veteris testamenti promiserunt salvatorem, Enarr. in Ps.
73, 2. De scholastiek werkte dit zoo uit, dat de sacramenten des O.
V., wijl zij den toekomstigen Christus praefigureerden, geen kracht in
zichzelve hadden, om de genade mede te deelen maar alleen werkten uit
en door het geloof. Onder het O. Test. kwam dus alles aan op het opus
operans, d. i. op het geloovig subject, dat naar den toekomstigen
Christus heenzag. Maar bij de sacramenten des N. T. is dat anders; het
offer van Christus is gebracht, en daarom werken de sacramenten thans
per se, propria virtute, ex opere operato. Deze laatste uitdrukking,
die door Willem van Auxerre en Alexander van Hales in de theologie
werd ingevoerd, vormde eerst nog geen tegenstelling daarmede, dat
in den ontvanger van het sacrament een zekere dispositie geeischt
werd, --Thomas zegt bijv. nog, dat virtus sacramentorum praecipue est
ex _fide_ passionis Christi, S. Theol. III qu. 62 art. 5 ad 2-- maar
gaf alleen te kennen, dat de N. T. sacramenten uit het volbrachte
lijden van Christus de kracht ontvangen hadden ad conferendum gratiam
justificantem, Thomas, ib. art. 6. Maar de handhaving van dit
objectief, causatief karakter der sacramenten leidde er dan vanzelf
toe, om de vereischte dispositie in den ontvanger hoe langer hoe meer
te verzwakken en ten slotte tot het negatieve non obicem opponere te
verminderen. Vroeger werd bij deze uitdrukking, die reeds bij Augustinus,
Ep. 98, 9 voorkomt, aan eene positieve gezindheid, aan een bonus
motus inferior gedacht. Maar de N. T. sacramenten werkten ex opere
operato en sloten van de zijde des ontvangers alle kracht en verdienste
uit; een bonus motus is echter volgens Rome verdienstelijk en daarom
voor het sacrament onnoodig; ja zelfs de zeven praeparationes, die
in volwassenen aan den doop voorafgaan, hebben nog een meritum de
congruo en zijn daarom voor het sacrament overbodig; het sacrament
werkt de genade in elk, die niet opzettelijk zich verhardt, die geen
positieve hindernis in den weg legt, die negatief en passief er zich
onder verhoudt, Schwane, D. G. III 581. Harnack, D. G. III 479 f.
Bellarminus, de sacr. in genere II 1 sq. Simar, Dogm. 686. De genade,
die door de sacramenten meegedeeld wordt, is de gratia habitualis,
infusa, sanctificans, hetzij deze, gelijk in den doop, voor het eerst
wordt geschonken, of gelijk in de boete, na verlies vernieuwd, of
ook, als in de andere sacramenten, vermeerderd wordt. Daarvan is nog
onderscheiden de gratia sacramentalis, die aan de gratia sanctificans
nog een divinum auxilium ad consequendum finem sacramenti toevoegt,
bij de verschillende sacramenten verschillend is en in staat stelt, om
dat speciale doel te bereiken, dat aan ieder sacrament in het bijzonder
eigen is, Thomas, S. Theol. III qu. 62 art. 2. En eindelijk zijn er
nog drie sacramenten, doop, confirmatie en ordening, die, behalve
deze genade, nog een character indelebilis indrukken, Trid. VII c.
9. De kerkvaders zeiden reeds, dat de doop een geestelijk teeken en
zegel was, dat op den doopeling afgedrukt werd; evenals een teeken,
dat een soldaat in de hand gebrand wordt, dezen altijd kennen doet
en verplichten blijft. Zoo drukt ook de doop een πνευματικη σφραγις,
nota, character, op, dat nooit verloren gaat, Schwane, D. G. II 734.
De scholastiek bracht ook dit leerpunt tot verdere ontwikkeling. Zij
omschreef het character als een habitus of virtus, welke der ziel
werd ingedrukt en den mensch recht en macht gaf ad cultum divinum.
Drie sacramenten toch waren er, die den mensch inlijfden in een
verschillenden hierarchischen stand en hem onherroepelijk als lid
daarvan voor God, engelen en menschen deden kennen. De doop lijft in in
den status fidei genitae, scheidt de geloovigen van de ongeloovigen
af en maakt ons Christus als ons geestelijk hoofd gelijkvormig; de
confirmatie lijft in in den status fidei roboratae, scheidt de sterken
van de zwakken af en maakt ons tot strijders onder Christus als koning;
de ordening lijft in in den status fidei multiplicatae, scheidt de
priesters van de leeken en verheft hen tot gelijkvormigheid aan Christus
als hoogepriester. Het is een signum dispositivum, distinguitivum,
configurativum, obligativum, dat den mensch Gode toewijdt, hem tot zijn
dienst verplicht, en nooit, zelfs niet in de verlorenen, uitgewischt
wordt, Schwane, D. G. III 592. Thomas, S. Th. III qu. 63. Bonaventura,
Brevil. VI 6. Bellarminus, de sacr. II 18-22.
Deze leer werd door de Reformatie eenparig verworpen. Immers leerde
de Schrift duidelijk, dat de sacramenten teekenen en zegelen van het
genadeverbond zijn, dat zij alleen voor de geloovigen bestemd zijn en dus
altijd het geloof onderstellen, Mk. 16:16, Hd. 8:37, 38, 9:11, 17, 18,
10:34, Rom. 4:11 enz. Dan alleen, wanneer het geloof aanwezig is, zijn
zij middelen in Gods hand, om de onzichtbare goederen der genade te
beteekenen en te verzegelen, Hd. 2:38, 22:16, Ef. 5:26. Voorts maakt de
Schrift volstrekt geen onderscheid tusschen de gratia sanctificans,
welke in het sacrament wordt geschonken, en eene daarvan verschillende,
speciale gratia sacramentalis; want de genade, die in het sacrament
verzegeld wordt, is geen mindere maar ook geen andere, dan die door
het woord in het geloof wordt geschonken en die allereerst in de
vergevende, daarna ook in de heiligende genade bestaat. En eindelijk is
er in de Schrift met geen woord van een character indelebilis sprake,
dat door doop, confirmatie en ordening ingedrukt wordt; de teksten,
2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 4:30, waarop Bellarminus, t. a. p. c. 22 zich
beroept, handelen wel van eene verzegeling der geloovigen door den H.
Geest tot de toekomstige zaligheid, maar gewagen van geen sacrament,
waaraan die verzegeling gebonden is, noch van een afzonderlijke habitus
of virtus, waarin die verzegeling zou bestaan. Al is het dan ook waar,
dat God een iegelijk houdt aan en oordeelt naar de mate der genade,
die hem geschonken is, toch is daarmede geen juridische aanhoorigheid
aan de kerk van Rome of eenige andere kerk ingedrukt, Calvijn, Antid.
7, 9. De Lutherschen zijn later van hun oorspronkelijk standpunt wel in
zoover afgeweken, als zij de wedergeboorte bij kinderen lieten bewerken
door den doop en ongeloovigen in het avondmaal het vleesch en bloed
corporeel lieten nuttigen. Maar toch handhaafden zij daarbij ten allen
tijde, dat in volwassenen het geloof tot een heilzame ontvangst van
het sacrament beslist van noode was. Daarmede kwamen de Protestanten
voor de taak te staan, om, in weerwil dat de werking der sacramenten
van het geloof afhing, hun objectief, reëel karakter te handhaven.
Bij de Roomschen en ook bij de Lutherschen schijnt dit karakter beter
bewaard, omdat de genadewerking in woord en sacrament geincorporeerd
is. Daarentegen verkeeren de Gereformeerden schijnbaar in eene dubbele
moeilijkheid. Ten eerste toch leeren zij, dat de genade door God wordt
uitgedeeld niet per verbum et sacramentum maar alleen cum verbo et
sacramento. En ten tweede houden zij staande, dat eene vocatio externa
tot zaligheid onvoldoende is, dat bij de roeping door het woord eene
roeping door den H. Geest bijkomen moet, en dat dus per consequentiam
het sacrament zonder meer, zonder bijzondere werking des H. Geestes
in het hart der geloovigen, aan zijn doel niet beantwoordt. Toch is
hiermede de realiteit en objectiviteit van het sacrament in het minst
niet te niet gedaan. Want 1º de band tusschen teeken en beteekende
zaak in het sacrament is geen andere maar ook geen mindere dan die,
welke tusschen het woord des evangelies en den persoon van Christus
bestaat. Wie het woord geloovig aanneemt, krijgt waarlijk naar Gods
belofte Christus tot zijn deel; en evenzoo, wie het sacrament geloovig
ontvangt, ontvangt op diezelfde wijze en naar diezelfde belofte Gods den
ganschen Christus met al zijne weldaden en goederen. Wie daarentegen
het woord door ongeloof verwerpt, verwerpt daarmede Christus zelven,
al is het dat hij het woord gehoord en zelfs historisch aangenomen
heeft; en op dezelfde wijze, wie het sacrament versmaadt, versmaadt
daarmede Christus zelven; al ontvangt hij het teeken, hij wordt niet
deelachtig de beteekende zaak. Eén regel geldt voor beide; objectief
blijft de band voor woord en sacrament met Christus bestaan; want die
band is door God zelven gelegd. Hij heeft gezegd: indien iemand mijn
woord en mijn sacrament geloovig ontvangt, hij zal niet verloren gaan
in der eeuwigheid. 2º Roomschen en Lutherschen verzekeren aan het
sacrament geen andere, betere realiteit, dan die er ook naar Geref.
belijdenis aan toekomt. Immers is er tot zaligheid niet anders maar
ook niet minder en meer noodig dan de gansche Christus, die in woord
en sacrament aangeboden en door het geloof aangenomen wordt; en men
kan niets schrikkelijkers doen, dan dienzelfden Christus in en met
het woord en sacrament verwerpen. Of ongeloovigen dan corporeel en
locaal in de teekenen van brood en wijn het eigen vleesch en bloed van
Christus eten, doet aan de objectiviteit van het sacrament niets af,
is geheel onnut, en strekt ook niet tot verzwaring van het oordeel,
want de zedelijke verwerping, d. i. het ongeloof is de groote zonde.
De genade Gods in Christus is van geestelijke natuur en kan daarom
alleen geestelijk aangenomen worden. 3º Ook de Lutherschen durven bij
volwassenen den eisch des geloofs voor de ontvangst van het sacrament
niet laten varen. Bij kinderen laten zij evenals de Roomschen de
wedergeboorte door den doop tot stand komen, maar kinderen vormen eene
eigene categorie, die volgens Geref. belijdenis in geen enkel opzicht
in ongunstiger conditie verkeert dan volgens Luthersche en Roomsche
confessie. Bij volwassenen echter is het geloof vereischte. En zelfs
de Roomschen eischen in dat geval, dat de ontvanger van het sacrament
geen hindernis in den weg leggen zal. Volgens beiden werkt dus het
sacrament niet absoluut ex opere operato. Er zijn gevallen, waarin het
sacrament niet werkt, d. i. geen genade schenkt, en toch zijn objectief
karakter behoudt. De scholastiek leerde nog eenparig, dat qui sine
fide vel ficte accedunt, sacramentum, non rem, suscipiunt, Lombardus,
Sent. IV dist. 4. En de Roomsche theologie handelt nog altijd over de
vraag, of het sacrament, dat eerst door een obex verworpen werd, ook
later zijne werking nog kan doen, Schwane D. G. IV 371. Jansen, Prael.
Theol. III 330. De genadewerking gaat volgens geen enkele belijdenis
altijd tegelijk met het sacrament gepaard. En toch wordt desniettemin de
objectiviteit, en de band van teeken en beteekende zaak gehandhaafd.
4º Roomschen en Lutherschen staan ten slotte voor dezelfde moeilijkheid
als de Gereformeerden, dat is, voor de vraag, wanneer en in welk geval
de sacramenten den ontvangers tot heil verstrekken en genade hun
meedeelen. De vraag is dezelfde, als die vroeger bij de roeping door het
evangelie zich voordeed. Daar werd zij beantwoord in dezen zin, dat bij
de vocatio externa eene vocatio interna bijkomen moest. En niet anders
is het bij het sacrament. De door Roomschen en Lutherschen geleerde unio
sacramentalis, hoe innig ook, is toch niet, zonder meer, in staat, om
de genade mede te deelen, want dan zou zij haar altijd en overal en in
alle gevallen moeten mededeelen. Er moet bij de volwassenen van den kant
van het subject iets bijkomen; de obex moet weggenomen en het geloof
moet er voor in de plaats gesteld worden. Objectief is het sacrament
wel voldoende; in het sacrament wordt even reëel als in het woord de
gansche Christus geschonken. Maar in het subject is noodig, dat zijn
verstand verlicht, zijn wil gebogen wordt, om het sacrament waarlijk te
verstaan en aan te nemen. Zegt men, dat het ongeloof de schuld is van
het subject, dan spreekt men de waarheid, maar noemt men de laatste en
diepste oorzaak van het onderscheid niet, hetwelk bij het gebruiken van
het sacrament, evenals bij het hooren van het woord, waar te nemen valt.
En daarom zeiden de Gereformeerden, dat al wordt Christus wel ter dege
objectief, waarlijk en ernstig aan alle gebruikers van het sacrament
aangeboden gelijk in het woord aan allen die het hooren, er toch
subjectief eene werking des H. Geestes noodig was, om de ware kracht
van het sacrament te genieten. Non omnibus promiscue, sed electis
Dei tantum, ad quos interior et efficax Spiritus operatio pervenit,
prosunt signa, Cons. Tigur. bij Niemeyer 209. 5º Voor de geloovigen,
voor hen, die de sacramenten in het geloof ontvangen en genieten,
zijn zij teekenen en zegelen van het verbond der genade. Met het oog
op de velen, die het sacrament ontvangen en toch niet gelooven, werd
reeds door Gomarus, disp. de sacr. § 31. Essenius, Comp. Theol. dogm.
XI 6. Kantt. op 1 Cor. 7:14, tusschen een in- en uitwendig verbond
onderscheid gemaakt. En toen de staat der kerk hoe langer hoe meer een
scheiding en tegenstelling tusschen beide aanwees, gaf deze distinctie
tot telkens herhaalden twist aanleiding. Aan de eene zijde werd beweerd,
dat er in het O. T. een uitwendig verbond had bestaan maar dat er nu
alleen een inwendig verbond was (C. Vitringa, Labadie enz.); aan de
andere zijde zeiden velen, dat er ook thans nog een uitwendig verbond
bestond, waarin allen, die belijdenis deden, deelgenooten waren en op de
sacramenten recht en aanspraak hadden (Swarte, van Eerde, Janssonius).
En tusschen beiden stonden zij in, die uit- en inwendig verbond op min
of meer gelukkige wijze trachtten te vereenigen (Koelman, Appelius,
Bachiene, Kessler), cf. Vitringa VI 361-398. Inderdaad weten de oudere
theologen en belijdenisschriften van zulk eene scheiding niets af.
In- en uitwendig verbond zijn evenmin twee verbonden, als onzichtbare
en zichtbare kerk twee kerken zijn. En de sacramenten kunnen daarom
niet alleen zijn teekenen en zegelen van een uitwendig verbond, waarop
ook „onergerlijke onbegenadigden” recht zouden hebben. Zij zijn geen
bevestiging alleen van de sententie des evangelies, dat, wie gelooft,
zalig wordt, maar zij zijn voor de geloovigen zegelen van het gansche
genadeverbond, van al zijne beloften, van den ganschen Christus en al
zijne weldaden. Zij verzekeren daarom niet maar eene algemeene waarheid,
doch zij zijn zegelen aan de belofte: Ik ben uw God en uws zaads God;
zij stellen ons voor, zoowel hetgene God ons te verstaan geeft door
zijn woord als hetgene Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast
makende de zaligheid, die Hij ons mededeelt, Ned. Gel. 33; zij geven ons
ze beter te verstaan en verzegelen ons, dat God ons van wege het eenige
slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden
en het eeuwige leven uit genade schenkt, Cat. Heid. 66v. Daarmede is
niet ontkend, dat zij, die het sacrament zonder geloof ontvangen, niet
eenige tijdelijke vrucht daarvan zouden genieten, want God is rijk in
barmhartigheid en schenkt zelfs vele weldaden aan hen, die zijn woord en
sacrament in ongeloof verwerpen, cf. deel III 491v. Maar de volle, ware
vrucht der sacramenten is, evenals die van het woord, alleen voor de
geloovigen. Zij worden er door verzekerd van hunne zaligheid.
Uit dit alles volgt de waarde der sacramenten. Noodzakelijk zijn zij niet
op zichzelf, want God behoefde ze niet in te stellen; en zijn verbond
en genade, zijn woord en belofte zijn, als die van een waarachtig God,
vast genoeg, dan dat zij de bevestiging der sacramenten van noode zouden
hebben, Calvijn, Inst. IV 14, 3. 6. Noodzakelijk zijn zij ook niet in
absoluten zin ter zaligheid, want de Schrift bindt de zaligheid alleen
aan het geloof, Joh. 3:16, Mk 16:16, en Roomschen en Lutherschen,
ofschoon schijnbaar de volstrekte noodzakelijkheid leerende en daarom
den nooddoop verdedigende, houden dit in de practijk niet vol en
zeggen bijv. met Augustinus, dat in het geval van den moordenaar aan
het kruis de bloeddoop den waterdoop vervangt. Niet privatio maar
contemptus sacramenti maakt schuldig voor God. Maar desniettemin hebben
dé sacramenten groote waarde. Omdat wij geen geesten maar zinnelijke,
aardsche schepselen zijn, die het geestelijke niet anders dan onder
zinnelijke vormen kunnen verstaan, heeft God de sacramenten ingesteld,
opdat wij door het zien van die teekenen een beter inzicht zouden
verkrijgen in zijne weldaden, een krachtiger bevestiging zouden ontvangen
van zijne beloften en alzoo in ons geloof zouden gesteund en versterkt
worden. De sacramenten werken het geloof niet, maar zij versterken
het, gelijk de trouwring de liefde. Zij storten geen physische genade
in, maar schenken den ganschen Christus, dien de geloovigen reeds
bezitten door het woord, doch zij schenken hun dienzelfden Christus op
eene andere wijze en langs een anderen weg en versterken het geloof. En
voorts vernieuwen zij der geloovigen verbond met God, sterken hen in
de gemeenschap van Christus, sluiten hen onderling te nauwer aaneen,
zonderen hen af van de wereld, en betuigen aan engelen en menschen, dat
zij het volk Gods, de gemeente van Christus, de communio sanctorum zijn,
M. Vitringa VI 422. 437.
7. Het getal der sacramenten wordt zeer verschillend bepaald,
alnaarmate het begrip sacrament enger of ruimer genomen wordt. Als
met Augustinus gezegd wordt: omne signum sacrum est sacramentum, wordt
het getal zeer uitgebreid. En ook als met Calvijn onder sacramenten al
die teekenen worden verstaan, welke God ooit aan menschen gaf, om hen
te vergewissen van de waarheid zijner beloften, geeft de H. Schrift ons
eene gansche reeks van sacramenten, Inst. IV 14, 18. De Gereformeerden
telden er dan ook vele op, vooral toen later de leer der verbonden
uitgewerkt werd en ieder verbond en elke verbondsbedeeling het noodig
getal sacramenten hebben moest. Zoo telde men soms in het werkverbond
vóór den val, ofschoon er toen toch eigenlijk van geen middelen der
_genade_ sprake kon zijn, den sabbat en het paradijs, den boom der kennis
en den boom des levens als sacramenten op. En in de Oudtestamentische
bedeeling van het genadeverbond werden niet alleen besnijdenis en
pascha, maar dikwerf ook de uitdrijving uit het paradijs, het maken van
rokken, de offerande van Abel, de boog van Noach, de doorgang door
de Roode Zee, het manna, het water uit de rots, de koperen slang,
Aarons staf, Gideons vlies, Hiskia’s zonnewijzer enz. als sacramenten
beschouwd, Polanus, Synt. Theol. VI 50-54. Witsius. Oec. foed. I 6. IV
7. 10. Moor V 258-267. Aan de N. Test. sacramenten toegekomen, vatte
men echter het begrip terstond in enger zin op en beperkte hun getal
tot twee, al is het, dat Calvijn de handoplegging, Inst. IV 14, 20 en
Luther en Melanchton de absolutie, Symb. B. ed. Müller 173. 202 soms
nog een sacrament noemden. Rome echter breidde het getal sacramenten
tot zeven uit en voerde daarnaast nog een groot getal van zoogenaamde
sacramentalia in. Het onderscheid tusschen beide bestaat daarin, dat
de sacramenten door God, de sacramentaliën door de kerk zijn ingesteld;
gene werken door de van God hun verleende kracht, deze door de voorbede
en zegening der kerk; de eerste bewerken onmiddellijk des menschen
innerlijke heiliging, de laatsten dragen daartoe slechts bij door het
verleenen van ondergeschikte genaden en het bewaren voor tijdelijke
onheilen; de sacramenten zijn noodzakelijk krachtens Gods gebod, de
sacramentaliën zijn door de kerk als nuttig en heilzaam aanbevolen. Tot
de sacramentaliën behooren voorwerpen als kerken, altaren, priesterlijke
kleederen, kelken, klokken, water, olie, zout, brood, wijn, palmen
enz., die door de kerk gewijd en voor het godsdienstig gebruik worden
afgezonderd, en voorts de handelingen van bezweren en zegenen, welke
de kerk aanwendt, om zaken en personen aan den boosaardigen invloed
des duivels te onttrekken en op het heilig erf der kerk over te
brengen. Voor Rome toch is de schepping van veel lagere orde dan de
herschepping; de schepping is natuur, de herschepping is genade, d. w.
z. elevatio naturae; de wereld draagt een profaan karakter en staat
bovendien onder invloed van Satan; al wat daarom uit de wereld in den
dienst der kerk overgaat, moet aan de macht van den duivel onttrokken
en tot den dienst van God gewijd en gezegend worden. Terwijl alzoo de
sacramentaliën de groote omheining vormen, die de kerk scheiden van
de wereld, zijn de sacramenten de middelen, waardoor God de leden der
kerk inwendig heiligt, de bovennatuurlijke genade meedeelt en zijne
natuur deelachtig maakt. Zij zijn de middelen tot verlossing en opheffing
van de gansche zichtbare schepping, welke in de vier elementen, die
zij gebruiken, n.l. water, olie, brood en wijn, gerepresenteerd wordt,
en zijn zeven in getal, omdat zij, het getal der Godheid met het getal
der wereld verbindend, door de bovennatuurlijke genade de gansche
schepping heiligen en tot den dienst Gods wijden. De doop, door Christus
ingesteld, Mt. 28:19, neemt niet alleen alle schuld en straf der zonde
weg, maar bevrijdt ook van de smet der zonde, plant het beginsel der
genade en heiligheid, de kiem des nieuwen levens door de wedergeboorte
in de ziel in, en maakt alzoo den mensch tot een levend lid van
Christus’ mystieke lichaam en neemt hem op in de gemeenschap met den
drieëenigen God. Gelijk Adam door het donum superadditum in eene hoogere
wereld, in het rijk der genade, intrad, zoo wordt de gedoopte in den
stand der bovennatuurlijke heiligheid verheven. Maar evenals Adam de
geschonken genade door zijn vrijen wil te bewaren had, zoo moet ook de
Christen door zijn vrijen wil de doopsgenade zich toeeigenen. Om hem
daartoe kracht te schenken, dient het tweede sacrament, de confirmatie
of het vormsel. De Roomschen kunnen niet bewijzen, dat Christus dit
sacrament ingesteld en aan de apostelen bevolen heeft, maar zij moeten
dit toch gelooven omdat de kerk het zegt, en beroepen zich daarom op
Hd. 8:15, 19:6, Hebr. 6:2, waar alleen sprake is van buitengewone
gaven des H. Geestes, die door de apostelen met handoplegging werden
medegedeeld, gelijk uit Hd. 8:18, 10:44, 45 cf. 1 Cor. 14:1, 15, 37
duidelijk blijkt. Behalve in handoplegging bestaat het vormsel voorts in
zalving en in het uitspreken van eene formule door den bisschop, welke
aan de H. Schrift geheel onbekend en eerst langzamerhand in de kerk
ingevoerd is. Volgens Rome verleent dit sacrament nu aan de gedoopte
kinderen, als zij tot het gebruik hunner rede gekomen zijn, de kracht des
H. Geestes, om het in den doop ontvangen leven der genade te bewaren en
het geloof standvastig met woord en daad te belijden. Deze kracht des
nieuwen levens wordt gevoed en versterkt door het derde sacrament, dat
des altaars of der eucharistie genoemd, waarin Christus zelf met zijne
Goddelijke en menschelijke natuur tegenwoordig is, zich op onbloedige
wijze voor de zonden opoffert en zijn waarachtig lichaam en bloed aan de
communicanten tot voeding hunner ziel te genieten geeft. Omdat echter
het leven der genade bij ’s menschen zwakheid door allerlei zonde schade
kan lijden en verloren kan gaan, heeft Christus een vierde sacrament,
dat der boete, ingesteld, ten einde zijne heiligmakende genade te
herstellen of te vernieuwen. Voor de instelling door Christus beroept
Rome zich op de macht, welke Christus aan zijne apostelen verleend heeft
om zonden te vergeven, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:22, 23. Nu staat deze
lastgeving van Christus wel vast, maar met geen woord wordt gezegd, dat
zij het karakter draagt van een sacrament; een teeken ontbreekt eraan
en Rome weet niet anders te zeggen dan dat het berouw, de belijdenis
en de genegenheid om te voldoen het teeken in dit sacrament der boete
zijn. Het sacrament der boete is dan ook bij Rome een rechtbank geworden,
waarin de priester de in de biecht beleden zonden, naar den maatstaf
der libri poenitentiales beoordeelt en, ofschoon van de schuld en de
eeuwige straf vrijsprekend, toch met allerlei tijdelijke straffen op aarde
of in het vagevuur boeten doet, die echter dan weer door aflaten kunnen
worden kwijtgescholden. Het sacrament van het heilig oliesel dient niet
tot genezing van den kranke, gelijk de aangevoerde bewijsplaats Jak.
4:14 zou doen verwachten, maar tot voorbereiding van den stervende
voor den dood; de zalving met heilige olijfolie duidt de zalving des H.
Geestes, de mededeeling der genade aan, die de ziel van hare gebreken
bevrijdt en tot den laatsten strijd de noodige kracht verleent. Bij
deze vijf sacramenten komen dan nog het sacrament der ordening, dat
den priester door eene ambtelijke gave des H. Geestes van den leek
onderscheidt en hem de macht schenkt, om in de mis brood en wijn in het
lichaam en bloed van Christus te veranderen en den berouwhebbenden
zondaar in Christus’ naam de zonden te vergeven; en het sacrament des
huwelijks, dat den echtelijken staat naar het woord van Ef. 5:25 tot
een afbeeldsel van de vereeniging tusschen Christus en zijne gemeente
maakt, daartoe de gehuwden niet alleen door natuurlijke banden maar door
bovennatuurlijke genade aan elkander verbindt en hun de kracht schenkt,
om in wederzijdsche liefde te volharden tot den dood en hunne kinderen
in de vreeze Gods op te voeden. Cf. Lombardus, Sent. IV Thomas, S.
Theol. III qu. 65 sq. Trid. Sess. 7. 13. 14. 21-24. Catech. Rom. pars
II. Bellarminus, Controv. Tom. III enz.
Van Protestantsche zijde is dit zevental sacramenten soms bovenmate
verheerlijkt, bijv. door Leibniz, Syst. der Theol. Mainz 1825 S. 195
f. Goethe, Aus meinem Leben II 179. Vilmar, Dogm. II 227. Bilderdijk,
Opstellen I 61. Brieven IV 68. 174 V 42 enz. Zelfs kwam er telkens hier
en daar een streven op, om het aantal sacramenten en ceremoniën uit
te breiden en de Protestantsche kerken met den symbolischen ritus van
Rome te verrijken. Toch bestaat er geen reden, om op begrip en getal
van Rome’s sacramenten jaloersch te zijn. Bij alle waardeering van het
schoone, dat er zich in uitspreekt, is toch voor den Protestantschen
Christen dit reeds van te voren beslissend, dat voor de vijf door Rome
aan doop en avondmaal toegevoegde sacramenten het Schriftuurlijk bewijs
ontbreekt. Soms wordt dit van Roomsche zijde openhartig erkend. Zoo
zegt bijv. Deharbe, Verklaring der Kath. Geloofs- en Zedeleer IV 174
van het vormsel, dat wij nergens lezen, dat Christus dit sacrament
ingesteld of aan zijne discipelen verordend heeft het toe te dienen.
En dit geldt in dezelfde mate van biecht en laatste oliesel, van
huwelijk en priesterwijding. Maar afgedacht hiervan, wat bereikt Rome
met al deze sacramenten? Het schijnt, dat de schat en de uitdeeling
der genade bij Rome buitengewoon rijk is, maar feitelijk is deze zoo
arm, dat telkens slechts een klein gedeelte der zonden en straffen
vergeven wordt en vergeven kan worden en dat er telkens een nieuw
sacrament van noode is, om genade mede te deelen en van straffen te
ontslaan. Ja, al heeft men doop en avondmaal, boete en laatste oliesel
genoten, dan blijft toch nog na dit leven een boetedoening in het
vagevuur noodig. Zonden en straffen worden door Rome zoo eindeloos
verdeeld en gesplitst, dat alle sacramenten saam met de aflaten erbij
daarvan nog niet volkomen bevrijden kunnen. Hier staat wel tegenover
dat de heiligen het zoover kunnen brengen, dat zij zelfs over verdienen
en den thesaurus meritorum vermeerderen. Maar dat is uitzondering;
het is slechts mogelijk voor heiligen, die behalve de praecepta de
consilia volbrengen en een uitsluitend religieus leven leiden, en
verschaft hunzelven geen zekerheid of troost. De gewone Roomsche
Christen, die te midden der wereld leeft, verkeert in nog grootere
mate in onzekerheid; hij blijft tot zelfs na zijn dood toe tegenover God
staan als tegenover een Rechter, aan wien hij te voldoen en dien hij
nog door allerlei boetedoeningen te verzoenen heeft. Zijn genadestaat
is nooit zeker en vast; altijd verkeert hij in vreeze of hij er zich
wel in bevindt en niet het volgend oogenblik eruit vallen zal. En
deze onzekerheid wordt in het minst niet daardoor weggenomen, dat de
sacramenten werken ex opere operato. Want ofschoon doop, confirmatie
en ordening een character indelebilis schenken, de heiligende genade,
die de sacramenten mededeelen, is toch altijd weer verliesbaar;
hare ontvangst is bij boete, communie, laatste oliesel, huwelijk van
berouwvolle stemming afhankelijk; en ook, waar zij geschonken wordt,
bevrijdt zij niet van alle straf; satisfactio operis blijft er altijd
nog noodig, tot na dit leven in het vagevuur toe. En wat soort van
genade is het, welke de Roomsche Christen in het sacrament ontvangt?
Geen genade der vergeving en der aanneming tot kinderen, maar eene
genade, die als een donum superadditum aan de natuur toegevoegd wordt,
die nooit één wordt met den mensch, en hem daarom òf het klooster
binnendrijft òf in de wereld een dualistisch leven doet leiden.
Daartegenover heeft de Protestantsche Christen aan het woord en aan
de twee door Christus ingestelde sacramenten genoeg. Hij heeft daarin,
indien hij ze in het geloof aanneemt, den ganschen Christus, den vollen
schat zijner verdiensten, de volkomene gerechtigheid en heiligheid, de
onverbrekelijke gemeenschap met God. Van alle schuld is hij bevrijd, van
alle straf ontheven. In den doop is hij daarvan verzekerd en in het
avondmaal wordt hij voortdurend in dat geloof versterkt en bevestigd.
Zoo heeft hij geen aparte genade in confirmatie, boete en laatste
oliesel meer van noode, want door woord, doop en avondmaal ontvangt
hij alle genade, welke hij in leven en sterven, voor tijd en eeuwigheid
behoeft. Zijn eenige troost is, dat hij het eigendom van Christus is;
in dien troost leeft, in dien troost sterft hij. Christus heeft alles
voor hem volbracht; van hem wordt geen boete of straf geeischt, noch in
dit noch in het toekomende leven. En al deze genade, die de Christen
ontvangt, staat zoo weinig boven de natuur of tegen haar over, dat zij
veeleer al het natuurlijke vernieuwt en heiligt. Als hij huwt, heeft hij
daarom geen nieuwe, sacramenteele genade van noode, want het huwelijk
is krachtens zijn oorsprong heilig, en behoeft dus niet boven zijne
instelling verheven maar moet slechts in zijne natuurlijke ordening
hersteld en vernieuwd worden. Of als hij een opzienersambt begeert,
wordt hij niet door een sacramenteele genade in een bijzonderen stand
ingelijfd maar van Gods wege tot een dienst in zijne kerk geroepen
en daartoe door dezelfde genade van Christus bekwaamd. In doop en
avondmaal bezit de Protestantsche Christen oneindig meer dan de
Roomsche in zijne zeven sacramenten; want niet het aantal sacramenten
beslist maar de instelling van Christus en de volheid van genade, welke
Hij erin meedeelt. Cf. over de Roomsche sacramenten: Calvijn, Inst. IV
19. Chamier, Panstr. cath. Loc. IV lib. 4. Synopsis pur. theol. disp.
47. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 31. Moor V 330 sq. Gerhard, Loc. XIX
60 sq. Hase, Prot. Polemik⁵ 414 f. Tschackert, Evang. Polemik 67 f. enz.
§ 52. DE DOOP.
1. De doop in het N. Test. werd in de dagen des O. Verbonds voorbereid
door de besnijdenis, die door God uitdrukkelijk aan Abraham werd
voorgeschreven, Gen. 17:1Ov. Volgens Herodotus II 36. 104 kwam de
besnijding ook bij de Egyptenaren, Pheniciërs en Syriërs voor. De
Gereformeerden, bijv. Witsius, Aegypt. III 6, 11. 12, Marck, Med.
Theol. 29, 8, trachtten dit getuigenis wel te weerleggen of ook
aan te toonen, dat deze volken haar van Israel hadden overgenomen.
Maar dit gevoelen is onhoudbaar. Bij de Egyptenaren was zij reeds in
overoude tijden, althans voor de priesters, in gebruik. En nieuwere
ethnologische onderzoekingen hebben boven allen twijfel in het licht
gesteld, dat de besnijdenis eene plechtigheid is, die bij tal van volken
in Azië, Amerika, Afrika en zelfs Australië voorkomt, Delitzsch op
Gen. 17. Art. Beschneidung in Herzog³. Glassberg, Die Beschneidung in
ihrer geschichtl. ethnogr. relig. u. medic. Bedeutung, Berlin Boas
1896. Evenals God bij de instelling van tempel en priesterschap, van
offer en altaar, van wetten en ordeningen onder Israel bij bestaande
gebruiken onder andere volken zich aansluit, zoo doet Hij ook bij de
besnijdenis. Hij neemt ze als het ware over, maar geeft er eene andere,
eene sacramenteele beteekenis aan. Want onder de volken kwam wel de
lichamelijke besnijdenis voor, maar zij droeg daar geenzins het karakter
van een sacrament. Ook werd ze daar dikwerf, gelijk bij de Egyptenaren,
alleen aan enkele personen, en gewoonlijk niet in de eerste levensdagen
maar op lateren leeftijd, voltrokken. Als God echter bij Abraham de
besnijdenis instelt, dan beveelt Hij, dat al wat mannelijk is besneden
zal worden, zoowel de dienstknecht als de zoon des huizes; dat die
besnijdenis plaats hebben moet ten achtsten dage; en dat zij dient als
teeken des verbonds, zoodat wie haar niet ontvangt, een verbondbreker
is en uit het midden van zijn volk moet worden uitgeroeid. Al moge de
besnijdenis dus ook een sanitaire maatregel zijn, zij vindt daarin toch
onder Israel haar doel niet; hier strekt zij tot teeken en bevestiging
van het verbond der genade, welks ééne, groote, allesomvattende
belofte is: Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad, Gen. 17:7.
Bepaaldelijk is zij een zegel van twee weldaden van dat verbond, van de
gerechtigheid des geloofs, Rom. 4:11, en van de besnijdenis des harten,
Deut. 10:16, 30:6, Jer. 4:4, Rom. 2:28, 29, Col. 2:11, dat is, van de
rechtvaardigmaking of vergeving der zonden en van de wedergeboorte of
heiligmaking. Niet dat zij deze weldaden werktuigelijk schenkt, want
uitwendige besnijdenis zonder die des harten is zonder waarde, Hd.
7:51, Rom. 2:28, 29; 3:21, 30, 1 Cor. 7:19, zij is een zegel van de
gerechtigheid des geloofs en onderstelt dus het geloof. Toen de Joden
hoe langer hoe meer hunne eigene gerechtigheid uit de wet zochten
op te richten, werden zij evengoed als de Heidenen en in weerwil van
hunne uitwendige besnijdenis verdoemelijk voor God, Rom. 3:21. Daarom
stelde God reeds vóór het openbaar optreden van Jezus door Johannes
den waterdoop in. Ook deze doop was niet iets nieuws, evenmin als
oudtijds de besnijdenis. Heel de oudheid schreef in den godsdienst aan
het water eene symbolische beteekenis toe. Het water van Eufraat,
Indus, Ganges had eene verzoenende, heiligende kracht. Bij Grieken
en Romeinen waren bij allerlei gelegenheden, bijv. bij inwijding in de
mysteriën, wasschingen voorgeschreven, Pfanner, Syst. Theol. gent. 346.
Ook onder Israel waren reeds langen tijd vóór de Goddelijke instelling
van den doop allerlei wasschingen in gebruik, Schürer, Gesch. des jüd.
Volkes³ II 481, en voor de proselyten was behalve besnijdenis en offer
ook een doop noodig, om in de gemeente te worden opgenomen, ib. III
129. Maar sacrament, teeken en zegel van genade, wordt deze doop toch
eerst door de instelling Gods. Het N. Test. leert dan ook uitdrukkelijk,
dat er een ρημα θεου tot Johannes uitging om te doopen, Luk. 3:2, 3,
dat God hem daartoe zond, Joh. 1:33, dat zijn doop niet ἐξ ἀνθρωπων
maar ἐς οὐρανου was, Mt. 21:25, en dat de tollenaren, die zich lieten
doopen, God rechtvaardigden, terwijl de farizeën en wetgeleerden, den
doop van Johannes weigerende, den raad Gods verwierpen, Luk. 7:29,
30. Met dien doop predikte Johannes aan de Joden van zijn tijd, dat zij,
schoon besneden en de proselyten doopende, zelven schuldig en onrein
waren en den doop van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk
der hemelen. De doop van Johannes was dus eene aanklacht tegen, eene
veroordeeling van de Joden, eene prediking van hunne verdoemelijkheid,
maar --men vergete het niet-- hij was ook nog iets meer. Hij was het
onomstootelijk bewijs, dat God zijn verbond gedacht en zijne belofte
vervulde. Niettegenstaande de Joden schuldig en onrein waren, er was
toch vergeving bij God; en deze zou nu nog rijker zich gaan openbaren
dan in de dagen des O. T. Johannes de Dooper is daarom ook niet te
beschouwen als de laatste der O. T. profeten, want al de profeten
en de wet hebben tot Johannes toe, ἑως Ιωαννου, geprofeteerd, Mt.
11:13, maar als de aankondiger van het komende Godsrijk, Mt. 3:2, als
de prediker van het naderend evangelie, Luk. 3:18, als de wegbereider
van Christus, Mk. 1:2, als de getuige van het opgaande licht, Joh.
1:7, 29, 34, 36 cf. Mt. 3:11, Mk. 1:7, Luk. 3:16, Hd. 19:4, die straks
voor den meerdere plaats maakt en zijne jongeren naar dezen henenleidt,
Joh. 1:35v., 3:27v. Met dezen inhoud van zijne prediking komt zijn
doop overeen. Het was een βαπτισμα μετανοιας εἰς ἀφεοιν ἁμαρτιων, Mk.
1:4, hetgeen niet beteekent, dat Johannes’ doop slechts tot de later
door Christus te ontvangen vergeving voorbereidde (Meyer), maar zeer
bepaald, dat hij in den weg van bekeering de vergeving schonk. Immers
het heet op dezelfde wijze in Hd. 2:38 van den christelijken doop, dat
hij geschiedde εἰς ἀφεσιν ἁμαρτιων, omdat men door den doop als teeken
en zegel de vergeving verkrijgt. Voorts is Jezus zelf met den doop van
Johannes gedoopt, maakt tusschen den doop, door zijne jongeren bediend,
en dien van Johannes hoegenaamd geen onderscheid, Joh. 3:22, 23, 4:1,
neemt de door Johannes gedoopte jongeren eenvoudig over, zonder hen te
herdoopen, Joh. 1:37, Hd. 18:25, en stelt in Mt. 28:19 geen anderen of
nieuwen doop in, maar breidt hem alleen tot alle volken uit. Op deze
gronden werd door Gereformeerden, Calvijn, Inst. IV 15, 7. 8. Mastricht,
Theol. VII 4, 17. Turretinus, Theol. El. XIX 16, M. Vitringa VII 52 en
Lutherschen, Gerhard, Loc. XX 15 sq. 43 sq. bij gradueel verschil toch
de wezenlijke identiteit van den Johanneischen en den christelijken doop
vastgehouden. Maar deze werd bestreden door de Roomschen, Thomas, S.
Theol. III qu. 66 art. 4. Trid. sess. VII can. 1. Bellarminus, de bapt.
I 5, door de Anabaptisten, Socinianen, Arminianen en door vele nieuwere
theologen, Schleiermacher, Chr. Gl. § 136, 1. Steitz in Herzog¹ 15,
468. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 26 f. van Oosterzee, Dogm. § 87, 2
enz. Er zijn ook inderdaad tegen de identiteit gewichtige bezwaren in te
brengen. Ten eerste wordt aan Mt. 3:11, Mk. 1:8, Luk. 3:16 de bedenking
ontleend, dat de doop van Johannes en de christelijke doop tegenover
elkander staan als water- en als Geestes- en vuurdoop. Maar Hd. 1:5
leert duidelijk, dat Johannes hier niet zijn doop tegen den christelijken
doop, maar tegen den overdrachtelijk zoo genoemden doop des H. Geestes
op den pinksterdag overstelt. De eigenlijke christelijke doop is immers
ook een doop met water, beteekenend de afwassching der zonden, en de
doop van Johannes was eveneens een doop met water, maar die tevens
verzegelde de bekeering en vergeving. Beide doopen komen dus in teeken
en beteekende zaak geheel overeen. Anders zou er ook het ongerijmde uit
volgen, dat niet alleen de doop van Johannes, maar ook de doop, dien
Jezus zelf vóór den pinksterdag door zijne discipelen bedienen liet,
niets dan een doop met water ware geweest. En dat durven zelfs de
bestrijders van de identiteit van den doop van Johannes en van Christus
niet aan. Zij zeggen gewoonlijk, dat de christelijke doop òf reeds bij
Jezus’ doop door Johannes òf bij het doopen van Jezus zelf door zijne
discipelen ingesteld is. Maar beide doopen, zoowel die van Jezus als
die van Johannes, waren onderscheiden van dien Geestesdoop, die op den
pinksterdag plaats hebben zou, al beteekenden en verzegelden zij beide
ook dezelfde weldaden van bekeering en vergeving der zonden. Maar nu
wordt toch weer --en dat is het tweede bezwaar tegen de bovenbedoelde
identiteit-- de Geestesdoop van den pinksterdag met den christelijken
waterdoop in verband gebracht. Volgens Hd. 19:1-7 toch trof Paulus te
Efeze eenige discipelen aan, die gedoopt waren εἰς το Ιωαννου βαπτισμα,
die μαθηται en πιστευσαντες heetten en toch den H. Geest niet ontvangen
hadden en zelfs niet wisten, εἰ πνευμα ἁγιον ἐστιν. Door Paulus beter
aangaande de prediking van Johannes onderricht, lieten zij zich doopen
εἰς το ὀνομα του κυριου Ιησον, en de handen opleggen en ontvingen
alzoo den H. Geest en begonnen te spreken in tongen en te profeteeren.
Uit dit laatste blijkt, dat bij πνευμα ἁγιον hier, evenals 8:15, 10:44,
11:15, 15:8 aan de Geestesgave der glossolalie en profetie moet worden
gedacht; deze hadden de discipelen in Efeze niet ontvangen en zij hadden
er zelfs niet van gehoord. De doop gaf niet altijd die gave, niet alleen
die van Johannes niet maar ook niet die van Jezus. Want in Hd. 8:15
lezen wij, dat de geloovigen in Samaria wel gedoopt waren εἰς το ὀυομα
του κυριου Ιησου, maar nog geen van allen den H. Geest ontvangen hadden
en dien eerst verkregen door handoplegging der apostelen. En evenzoo
laat Hd. 19:6 deze gave niet een gevolg zijn van den doop maar van de
handoplegging. Doch het vreemde in Hd. 19 is, dat de discipelen in
Efeze vóór deze handoplegging in den naam van den Heere Jezus gedoopt
werden. Paulus moet dus den doop, dien zij ontvangen hadden, niet als
een waren, echten doop hebben erkend. Zij waren gedoopt εἰς το Ιωαννου
βαπτισμα. De doop van Johannes was wel goed, want hij doopte den doop
der bekeering tot geloof in Christus. Maar onder de discipelen van
Johannes, die bij hem gebleven en niet tot Jezus waren overgegaan, was
er allerlei dwaling binnengeslopen, ook aangaande den doop; en zoo
moesten de discipelen in Efeze niet op nieuw maar voor de eerste maal
in Jezus’ naam gedoopt worden, want hun doop tot den naam van Johannes
was geen ware doop, niet de echte christelijke en ook niet de echte,
oorspronkelijke Johanneische doop. Cf. Baldensperger, Der Prolog des
vierten Evang. Freiburg Mohr 1898, die meent, dat heel de proloog van
Joh. 1 tegen deze Baptisten of volgelingen van Johannes den Dooper
geschreven is.
2. De Goddelijke instelling van den doop valt dus reeds bij Johannes,
maar Jezus heeft hem, na hem zelf ondergaan te hebben, overgenomen,
door zijne jongeren laten bedienen, Joh. 3:22, 4:1, en in Mt. 28:19
voor alle geloovigen uit alle volken verplichtend gesteld. De laatste
plaats wordt door velen als onecht beschouwd, wijl in den apostolischen
tijd de doop nog plaats had in den naam van Jezus en de trinitarische
formule eerst van later dagteekening is; en zelfs zijn er, die beweren,
dat Jezus den doop heel niet voor zijne gemeente ingesteld heeft.
Daartegen bestaan echter allerlei bezwaren. Het is wel niet voor
ontkenning vatbaar, dat Jezus zelf den doop van Johannes zich heeft
laten toedienen en dezen daarmede erkend heeft; Hij leidt hem, waar hij
er uitdrukkelijk over spreekt, uit een bevel Gods af, Mt. 21:25. Ook is
er geen grond om te ontkennen, dat Jezus den doop heeft overgenomen
en hem, zoo niet zelf, dan toch door zijne jongeren heeft bediend,
Joh. 3:22, 26, 4:1, 2, want Jezus trad met dezelfde prediking op als
Johannes, n.l. van de nabijheid van het koninkrijk der hemelen en stelde
voor den ingang daarvan dezelfde eischen, n.l. geloof en bekeering,
Mk. 1:15; het lag dus voor de hand, dat Hij evenals Johannes den doop
der bekeering toedienen liet aan een ieder, die tot den engeren
kring van zijne discipelen wilde behooren. In Joh. 3:5 is wel niet
van den doop sprake, deel III 501, maar de plaats bewijst toch, dat
de Geestesmeedeeling in de gemeente beschouwd werd als hebbende haar
symbool in het water. Naarmate de tegenstelling van het Joodsche volk
met Hem en zijne jongeren grooter werd, werd een acte van afzondering
eenerzijds en van opname in de gemeente van Jezus anderzijds te meer
noodzakelijk. De doop als inlijving in de christelijke gemeente moet
ook wel door Jezus zelf gewild en bedoeld zijn, wijl anders niet te
verklaren zou zijn, dat hij terstond, zonder eenigen strijd, in alle
christelijke gemeenten, zoowel in die uit de Joden als uit de Heidenen,
is ingevoerd en toegepast, Hd. 2:38, 41, 8:12, 13, 16, 38, 9:18 enz.
Rom. 6:3-5, 1 Cor. 1:13-17, Gal. 3:27, Ef. 5:26 enz. In 1 Cor. 1:17
zegt Paulus wel, dat Christus hem niet gezonden heeft, om te doopen,
maar om het evangelie te verkondigen. Doch dit bewijst hoegenaamd niet,
dat Paulus den doop gering schat of onnoodig acht; Rom. 6 en andere
plaatsen leeren dit wel anders. Jezus zelf heeft echter ook den doop
niet bediend maar liet hem bedienen. En zoo ook hield Paulus zich
voornamelijk met de prediking van het evangelie bezig en liet het doopen
en andere werkzaamheden bij de stichting en den opbouw der gemeenten aan
zijne medearbeiders over.
Nu heet de doop wel in den eersten tijd een doop ἐν τῳ ὀνοματι of εἰς
το ὀνομα Ιησου, Rom. 6:3, 1 Cor. 1:13, Gal. 3:27, Hd. 2:38, 8:16,
10:48, 19:5, maar daarmede is volstrekt niet gezegd, dat de doop met
die bepaalde formule bediend werd. Immers zegt Paulus in 1 Cor. 10:2,
dat de Israelieten εἰς τον Μωυσην, in 1 Cor. 1:13, dat de geloovigen te
Corinthe niet εἰς το ὀνομα Παυλου, in 1 Cor. 12:13, dat zij εἰς ἑν σωμα
gedoopt werden, en in Hd. 19:3 zeiden de discipelen te Efeze, dat zij
εἰς το Ιωαννου βαπτισμα waren gedoopt; in alwelke gevallen niemand aan
eene formule denkt, die bij den doop werd uitgesproken. De uitdrukking:
in den naam van Jezus, is niet als formule bedoeld, maar is omschrijving
van het karakter van den christelijken doop, Zahn, Einl. in das N. T.
II 309. De Israelieten lieten zich, uitgaande uit Egypte, in de wolk
en in de zee doopen εἰς τον Μωυσην, in betrekking tot Mozes, zoodat
zij hem erkenden als hun redder en verlosser, op hem hun vertrouwen
stelden en zich door hem lieten leiden. De discipelen te Efeze waren
gedoopt εἰς το Ιωαννου βαπτισμα en hadden zich daardoor bij Johannes
aangesloten. En zoo ook is en heet de christelijke doop een doop in of
tot den naam van Jezus, omdat hij de geloovigen in zijne gemeenschap
stelt en alleen op Hem al hun vertrouwen richt. Ditzelfde is nu ook
bedoeld, als Jezus Mt. 28:19 zegt, dat zijne discipelen gedoopt moeten
worden εἰς το ὀνομα του πατρος και του υἱου και του ἁγιου πνευματος.
Hij schrijft hier niet aan de apostelen voor, wat zij bij de bediening
des doops _zeggen_, maar wat zij _doen_ moeten; de christelijke doop
is en moet zijn eene inlijving in de gemeenschap met dien God, die zich
als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard. De naam duidt God in zijne
openbaring aan, en de hoogste openbaring Gods bestaat daarin, dat Hij
zich kennen doet en noemen laat als Vader, Zoon en Geest, deel II 63v.
Het gedoopt worden in dien naam geeft dus niet maar te kennen, dat men
op last of bevel Gods of tot belijdenis van zijn naam gedoopt wordt;
immers kan de uitdrukking: in den naam, met den persoon zelf worden
afgewisseld, gelijk Paulus ook spreekt van gedoopt worden εἰς Χριστον,
Rom. 6:3, Gal. 3:27. Maar het geeft te kennen, dat de doopeling in
betrekking tot en in gemeenschap met dien God gesteld wordt, die zich
als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard, en nu op grond daarvan ook
verplicht wordt, om dien naam te belijden en te verheerlijken. Cf. Julius
Böhmer, Das biblische „im Namen”. Eine sprachwiss. Untersuchung über
das hebr. בְּשֵׁם und seine griech. Aequivalente, Giessen Ricker 1898.
Ofschoon Jezus echter na zijne opstanding den doop als eene inlijving in
de gemeenschap met Vader, Zoon en Geest omschreven had, lag het voor de
hand, dat hij in den eersten tijd meest met den persoon van Christus in
verband werd gebracht. Het kwam bij de intrede in de gemeente allereerst
aan op bekeering en op geloof in Christus, om in dien weg vergeving
van zonden te erlangen, en daarvan was de doop het teeken en bewijs.
Daarom heet de doop in de Hand. nog even als bij Johannes een βαπτισμα
μετανοιας εἰς ἀφεσιν ἁμαρτιων, Hd. 2:38, 22:16. Maar er kwam in den
eersten tijd nog iets anders bij. Johannes en ook Jezus zelf hadden
dezen doop der bekeering gesteld tegenover den Geestesdoop, die op den
pinksterdag plaats hebben zou. Deze Geestesdoop was volstrekt niet
aan den waterdoop, den doop der bekeering tot vergeving der zonden,
gebonden, want in Hd. 2:33 ontvangen alle discipelen dien Geest zonder
doop; in Hd. 9:17, 10:44 worden de gaven des Geestes aan Paulus,
Cornelius e. a. reeds geschonken vóór den doop, cf. 11:15-17; in Hd.
8:1, 9:17, 19:6 wordt glossolalie en profetie niet door den doop maar
door de handoplegging verleend. Maar toch was voor degenen, die buiten
stonden, de doop der bekeering de gewone weg, waarlangs zij ook de
gaven des Geestes konden ontvangen, Hd. 2:38, 19:5, 6. Deze verbinding
was echter tijdelijk; glossolalie en profetie waren niet de eigenlijke
weldaden van den doop; de christelijke doop bleef wezenlijk een doop
der bekeering en des geloofs in Christus tot vergeving der zonden. Zoo
wordt hij ook overal in het N. T. verstaan en beschreven. Petrus zegt
1 Petr. 3:21, dat, gelijk Noach en de zijnen door het water, dat de ark
droeg, behouden zijn van den dood, zoo de geloovigen van het verderf
gered zijn door den doop; maar die doop moet dan worden opgevat, niet
als σαρκος ἀποθεσις ρυπου, niet gelijk hij uitwendig ons afleggen doet
de onreinheid des vleesches, maar als συνειδησεως ἀγαθης ἐπερωτημα εἰς
θεον, δι’ ἀναστασεως Ιησου Χριστου, d. i. waarschijnlijk, de bede tot
God om een goed, van schuld bevrijd, geweten, hetgeen de doop alleen
is en wezen kan door de opstanding van Jezus Christus als bewijs van
onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25. Dezelfde opvatting keert in den
brief aan de Hebr. terug; deze rekent wel de διδαχη βαπτισμων, d. i.
niet de leer van den christelijken doop maar van de wasschingen in het
algemeen, waarvan een rechte beschouwing voor Joodsche Christenen
dringend noodig was, cf. 9:10, tot de grondbeginselen van het
Christendom, maar onderscheidt in den christelijken doop twee elementen:
de wassching des lichaams met rein water en de reiniging des harten
van een kwaad, beschuldigend, geweten, 10:22, 23. Van eene andere zijde
wordt de doop door Paulus beschouwd; hij brengt hem niet zoozeer met de
rechtvaardigmaking als wel met de heiligmaking in verband. Als indalen
in en opkomen uit het water is de doop een afbeelding en onderpand
van het treden in gemeenschap met Christus, met zijn dood en met zijne
opstanding, Rom. 6:3-6, Col. 2:12. Zoovelen dan in Christus, in zijne
gemeenschap, gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan, Christus
zich toegeeigend, zoodat zij nu in Christus zijn, Hem toebehooren, Gal.
3:27-29, in nieuwigheid des levens wandelen, Rom. 6:4, 6v., Ef. 5:26,
Gode leven, Rom. 6:11, 13, ja het leven van Christus zelven in zich
dragen, Gal. 2:20. En even als zij door den doop in gemeenschap met
Christus getreden zijn, zoo ook met zijne gemeente, die zijn lichaam is;
zij zijn allen door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, 1 Cor. 12:13,
Rom. 12:5. De waterdoop is bij Paulus tegelijk Geestesdoop, maar niet een
doop met de geestelijke gaven der glossolalie en profetie, doch met den
Geest als beginsel des nieuwen levens. Gedoopte menschen zijn nieuwe,
geestelijke menschen, πνευματικοι. Maar deze vernieuwing des menschen
door den H. Geest in den doop staat niet los naast en komt niet
toevallig bij de rechtvaardigmaking uit het geloof. Zij vallen samen;
de Corinthiërs zijn op hetzelfde oogenblik afgewasschen, geheiligd en
gerechtvaardigd in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes
Gods, 1 Cor. 6:11, cf. deel III 531. In den doop zijn al deze weldaden
saamgevoegd en aan de geloovigen geschonken, hetgeen echter niet
wegneemt, dat de Corinthiërs, trots hun doop, door Paulus nog σαρκικοι,
νηπιοι ἐν Χριστῳ genoemd en voor mogelijken afval ernstig worden
gewaarschuwd, 1 Cor. 3:1, 3, 10:1-12. Cf. Bossert, Die Bedeutung der
Taufe im N. T., Zeits. f. k. Wiss. u. k. Leben 1888 S. 339 f. Ehlers,
Das N. T. und die Taufe 1890. Holtzmann, Neut. Theol. I 378 II 178.
3. Eene vaststaande leer over en een algemeen geldende ritus bij den
doop wordt in de oude christelijke kerk nog niet aangetroffen. Maar
toch kent Didache 7, 1 reeds de trinitarische formule, terwijl Hermas,
Vis. III 7 nog spreekt van een doop in den naam des Heeren, of hem,
Sim. IX 16, een zegel noemt van den Zone Gods, dat het leven geeft. De
werkingen van den doop zijn vooral vergeving van de verledene zonden en
een nieuw, bovennatuurlijk, eeuwig leven door den H. Geest, Justinus,
Apol. I 61. Tertullianus, de baptismo 4. 5. Cypr. de grat. 3. 4.
Greg. Naz. Or. 40, 3 sq. Hoewel duidelijk gezegd wordt, dat het water
in den doop zijne natuur behoudt, wordt de verbinding van teeken en
beteekende zaak mystisch opgevat; εἰ τις ἐστιν ἐν τῳ ὑδατι χαρις, οὐκ
ἐκ της φυσεως ἐστι του ἱδατος, ἀλλ’ ἐκ της του πνευματος παρουσιας,
Basil. de spir. sancto c. 15. Λι’ ἐκεινου του ἱδατος ἡ θεια χαρις την
αἰωνιον δωρειται ζωην, Theodoretus, qu. 26 in Gen., bij Suicerus s. v.
βαπτισμα, cf. Tert. de bapt. 4. De doop wordt daarom ook met allerlei
aan de mysteriën ontleende namen aangeduid, φωτισμος, μυστηριον
τελετη, τελειωσις, μυησις, μυσταγωγια, en wordt beschouwd als ὀχημα
προς οὐρανον, ὀχημα προς θεον, κλεις οὐρανων βασιλειας, Schwane, D. G.
II 735. Hatch, Griech. u. Christ. 219. Suicerus s. v. En toen sedert
de tweede eeuw de godsdienstoefening uiteenviel in een openbaar en
bijzonder deel, nam de bediening van doop en avondmaal hoe langer hoe
meer een mysterieus, alleen voor de ingewijden verstaanbaar karakter
aan. Door het catechumenaat voorafgegaan, werd de doop zelf met
allerlei symbolische handelingen omringd, zooals de presentatie van den
doopeling door peetouders, het afleggen van belijdenis, het blazen op
het aangezicht en de teekening met het kruis, het leggen van gewijd zout
in den mond van den doopeling, het exorcisme, de driemaal herhaalde
indompeling of besprenging, de zalving met het chrisma, het geven
van een nieuwen naam, de omhanging met een wit kleed, de overreiking
van eene brandende kaars, de opname in de gemeente, de broederkus,
en soms daarna terstond de viering van het avondmaal, Suicerus s. v.
Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I² 339, cf. Catech. Rom. II 2 qu.
45 sq. Bellarminus, de bapt. c. 24-27. Terwijl dus in den apostolischen
tijd de doop terstond op de bekeering volgde en op de eenvoudigste
wijze bediend werd, Hd. 2:38, 41, 8:12, 36, 10:47 enz., werd hij van de
tweede eeuw af in een altijd meer zich uitbreidend ritueel gehuld en
in een magisch en mystisch genademiddel veranderd. Zelfs Augustinus
bevorderde de ontwikkeling van de leer des doops in dezen geest, al is
het ook, dat hij bij volwassenen voor eene heilzame werking van den doop
voorafgaand geloof en bekeering vereischte. Want ten eerste zegt hij,
dat de doop de vergeving der zonden en de wedergeboorte slechts geeft
binnen de kerk; het sacrament is een sacrament van Christus en door Hem
aan zijne kerk gegeven; ketters en scheurmakers kunnen het wel medenemen
buiten de kerk, maar dan is het een gestolen en wederrechtelijk bezeten
goed en oefent daarom geen heilzame werking uit, maar strekt ad
perniciem, de unit. eccl. 68 de bapt. 3, 13. 5, 7 sq. Ten tweede schijnt
hij bij kinderen eene heilzame werking van den doop ex opere operato te
leeren; ongedoopt stervende kinderen gaan verloren, de anima I 9. III
12. de pecc. mer. I 20. de nat. et gr. 8., maar bij hen, die gedoopt
worden, vervangt de doop zelf of de voorbede der kerk of het geloof
der ouders het geloof, dat zij zelven nog niet oefenen kunnen, de pecc.
mer. I 19. 34 sq. En ten derde schrijft Augustinus aan den doop in
elk geval de werking van een character indelebilis toe, waardoor de
gedoopten rechtens Christus en zijne kerk toebehooren en desnoods met
dwang onder hare hoede mogen worden teruggebracht, de bapt. V 21 VI
1. c. epist. Parmen. II 16, cf. Dorner, Augustinus 248 f. Schwane, D.
G. II 744 f. Harnack, D. G. III 143 f. De scholastiek bleef eerst nog
wel bij Augustinus staan en erkende, dat de doop bij volwassenen het
geloof onderstelde en ook niet volstrekt ter zaligheid noodzakelijk
was. Maar zij bewoog zich toch hoe langer hoe meer in deze richting,
dat zij het sacrament ex opere operato liet werken, en de subjectieve
vereischten steeds meer aan beteekenis verliezen deed, Lombardus,
Sent. IV dist. 3-6, Thomas, S. Theol. III qu. 66-71. Bonaventura,
Brevil. VI 7. Schwane, D. G. III 605-622. Harnack, D. G. III 478 f.
Zoo werd de leer des doops bij Rome voorbereid, die in het kort hierop
neerkomt: de doop is het eerste sacrament, de deur tot het geestelijk
leven, de ingang tot de kerk; hij geeft de eerste bovennatuurlijke
genade, die door de andere sacramenten ondersteld en vermeerderd wordt
en is daarom ter zaligheid volstrekt noodzakelijk, behalve in enkele
gevallen, waarin hij door een baptismus sanguinis of flaminis (voti)
vervangen kan worden. Hij moet daarom ook zoo spoedig mogelijk en in
geval van nood door leeken of niet-christenen bediend worden. Door
dien doop toch worden meegedeeld: 1º het character indelebilis, dat
iemand onder de jurisdictie der kerk brengt, 2º de vergiffenis van alle
zonden, zoo erf-, als dadelijke zonden, die vóór den doop zijn bedreven
en kwijtschelding van alle eeuwige en ook van alle tijdelijke straffen,
voorzoover zij opera satisfactionis, maar niet, voorzoover zij natuurlijke
straffen der zonden zijn, 3º de geestelijke vernieuwing en heiliging
van den mensch, door de instorting der heiligmakende genade en de
bovennatuurlijke deugden van geloof, hoop en liefde, zoodat de smet der
erfzonde ganschelijk wordt te niet gedaan en slechts de van nature aan
den mensch als physisch wezen eigene concupiscentia overblijft, die
echter zelve geen zonde is doch wel aanleiding tot zondigen worden
kan. 4º De inlijving in de gemeenschap der heiligen en in de zichtbare
kerk der geloovigen. Deze werkingen oefent de doop daardoor uit, dat
onder het uitspreken der bekende formule het woord Gods of de kracht
des H. Geestes zich op geheimvolle wijze met het water verbindt en dit
tot een aqua viva et efficax, tot een uterus maternus van den nieuwen
mensch maakt. Feitelijk worden dan ook door het sacrament des doops
wedergeboren niet alleen alle kinderen, maar ook alle volwassenen, die
aan de zeven praeparationes hebben voldaan en geen obex in den weg
stellen. Cf. Conc. Flor. bij Denzinger n. 591. Trid. VI 4. VII de bapt.
XIV de poenit. 2, Cat. Rom. II 2. Bellarminus, de sacr. bapt. c. 1-27.
Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. I² 141 f. enz., en voor de leer
der Grieksche kerk, Damasc., de fide orthod. IV 14. Conf. orth. qu.
102. 103. Conf. Dosith. decr. 16. Kattenbusch, Vergl. Conf. I 400 f.
4. De strijd, die door de Reformatie tegen de sacramentsleer van Rome
werd aangebonden, concentreerde zich niet om den doop maar om het
avondmaal. De Duitsche Hervormers waren zelfs van meening, dat de
doop in het pausdom vrij wel ongeschonden was bewaard en namen hem
daarom met geringe wijziging over. Vele ceremoniën, die langzamerhand
aan den doop waren toegevoegd, bleven ook bij de Lutherschen in
gebruik, zooals naamgeving, kruisteeken, excorcisme, peterschap,
handoplegging, witte kleeding, zegening enz. Voorts leerde Luther in
zijne beide Catechismi en in de Smalc. artikelen, dat het woord der
instelling het water van den doop maakte tot een divina, coelestis,
sancta et salutifera aqua; wel verwierp hij het gevoelen van Thomas en
de Dominicanen, die het woord der instelling miskenden en God eene
virtus spiritualis aan het water lieten mededeelen; maar hij nam toch
eene objectieve, reëele vereeniging van het woord en het water aan;
de doop is verbum Dei cum mersione in aquam, aqua divino mandato
comprehensa et verbo Dei obsignata; het water in den doop is, gelijk
Luther het elders in zijn Sermon von der Taufe uitdrukte, durch die
göttliche Majestät ganz durchgöttet, gelijk het ijzer door het vuur
verhit wordt. Latere dogmatici werkten dit uit en leerden, dat door
het woord der instelling de materia coelestis, d. i. tota trinitas of
sanguis Christi of Spiritus sanctus zich met de materia terrestris,
d. i. het water zoo verbond, dat God in, cum en per aquam baptismi,
non seorsim et actione peculiari sed conjunctim cum aqua baptismi
et per eam, una atque indivisa actione de wedergeboorte werkte. En
eindelijk liet Luther in den eersten tijd de heilzame werking van den
doop wel altijd afhangen van het geloof, waarmede de weldaden van den
doop werden aangenomen, maar later legde hij hoe langer hoe meer op
het objectief karakter van den doop nadruk, en zeide niet meer, dat
de kinderen geloovigen zijn of kunnen zijn, doch liet den kinderdoop
alleen rusten op Gods bevel. De Lutherschen leerden daarom later, dat
de heilzame werking van den doop bij volwassenen wel van het geloof,
althans van eene passiva capacitas afhangt en dus, indien het geloof
aanwezig is, in obsignatio en confirmatio bestaat; maar bij kinderen
werkt de doop de wedergeboorte, is hij medium ordinarium regenerationis
et mundationis a peccatis, echter toch altijd zoo, dat wel de schuld
en macht maar niet de geheele smet der zonde wordt weggenomen; de
radix aut fomes peccati blijft. Cf. Symb. B. ed. Müller 30. 40. 163.
320. 361. 384. 485. 768. 780. Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 507
f., en Harnack, D. G. III 748. Melanchton, Loc. de baptismo. Gerhard,
Loc. XX. Quenstedt, Theol. IV 106-176. Hollaz, Ex. theol. 1077-1103.
Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 54. De Gereformeerden echter verwierpen
niet alleen de meeste ceremoniën, die allengs met den doop verbonden
waren en keerden tot den eenvoud der H. Schrift terug. Maar zij gingen
ook uit van de gedachte en trachtten deze vast te houden, dat de doop
voor de geloovigen was ingesteld en dus het geloof niet werkte maar
versterkte. Daardoor kwamen zij bij den kinderdoop voor eene dubbele
moeilijkheid te staan. Ten eerste moesten zij, voornamelijk tegenover de
Anabaptisten maar dan voorts ook tegenover Roomschen en Lutherschen
aantoonen, dat de kinderen der geloovigen ook reeds vóór den doop als
geloovigen te beschouwen waren en als zoodanig behoorden gedoopt te
wezen. En ten andere waren zij verplicht een antwoord te geven op de
vraag, waarin bij de kinderen de genadewerking des doops bestond, daar
zij, als nog niet tot hun verstand gekomen zijnde en dus nog niet de
fides actualis bezittende, ook moeilijk in dit geloof konden versterkt
en bevestigd worden. Aan de laatste vraag werd echter gewoonlijk weinig
aandacht gewijd; men bepaalde er zich in het algemeen toe, om te zeggen,
dat de doop voor de ouders een bewijs was, dat hun zaad in het verbond
Gods was opgenomen, voor de kinderen later bij hun opwassen tot een
rijken troost en zegen was, en ook reeds in hun onbewusten staat hun
een recht gaf op de goederen van het genadeverbond, Witsius, Misc.
Sacra II 648-667. De eerste vraag werd echter van den aanvang af zeer
verschillend beantwoord. Voor het recht van den kinderdoop beriep men
zich eenparig op de H. Schrift, bepaaldelijk op hare leer aangaande het
genadeverbond. Naar den regel van dat verbond moesten de kinderen en
ook de volwassenen beoordeeld worden; geloof en bekeering geven geen
recht op den doop, maar alleen het verbond. De kinderen, uit geloovige
ouders geboren, waren geen heidensche kinderen, lagen niet onder den
toorn Gods, verkeerden niet onder de macht van Satan, zoodat er eerst
een exorcisme bij hen moest plaats hebben. Maar zij waren vóór den doop
reeds kinderen des verbonds; de doop was daarom ook niet absoluut tot
zaligheid noodig, en aan nooddoop bestond er geen behoefte. Zoodra
men echter nadacht over wat dit begrepen zijn van de kinderen in het
genadeverbond inhield, ging men uiteen. Er waren er, die de eenheid
van verkiezing en verbond zoo lang en zoo nauw mogelijk wenschten vast
te houden; zij beweerden daarom, dat alle kinderen, uit geloovige
ouders geboren, naar het oordeel der liefde voor wedergeboren gehouden
moesten worden, totdat zij in leer of leven duidelijk het tegendeel
openbaarden, of dat althans de uitverkoren kinderkens in den regel
reeds vóór den doop of zelfs reeds vóór de geboorte door Gods Geest
waren wedergeboren, a Lasco, Ursinus, Acronius, Voetius, Witsius e.
a. Maar anderen, lettend op de bezwaren der practijk, die zoo dikwerf
leert, dat gedoopte kinderen opgroeien, zonder eenig teeken van
geestelijk leven te toonen, durfden van deze wedergeboorte vóór den doop
geen regel maken. Zij erkenden wel allen zonder uitzondering, dat Gods
genade niet aan de middelen gebonden is en ook in het hart van jonge
kinderen de wedergeboorte kan werken, maar zij lieten in het midden,
of die wedergeboorte bij de uitverkoren kinderkens vóór of onder of
ook, soms zelfs vele jaren, na den doop plaats heeft, Calvijn, Beza,
Zanchius, Bucanus, Walaeus, Amesius, Heidegger, Turretinus e. a. Deze
voorstelling kreeg de overhand, toen de kerk door verwaarloozing der
tucht tot verval kwam. Verkiezing en kerk, in- en uitwendige zijde
des verbonds, vroeger zooveel mogelijk verbonden maar sedert Gomarus
hoe langer hoe meer onderscheiden, vielen steeds verder uit elkaar;
in de ecclesia vormde zich eene ecclesiola. De doop werd daarom
allengs geheel van de wedergeboorte losgemaakt, en, wijl men hem toch
voor de kinderen wilde handhaven, opgevat en gerechtvaardigd als een
sacrament der kerk en onderpand van het zaad der geloovigen in het
algemeen, of als eene bevestiging van de objectieve, conditioneele
belofte des evangelies, of als bewijs van gemeenschap aan het uitwendig
genadeverbond, of als waarborg van eene verliesbare, met de zaligheid
niet onverbrekelijk verbondene, en later door persoonlijk geloof te
bevestigen wedergeboorte, of als een opvoedingsmiddel, dat de
gedoopten op later leeftijd tot oprechte bekeering aanspoort. Cf.
Voetius, Disp. II 408 sq. Witsius, Misc. Sacra II 611-618. G. Kramer,
Het verband van doop en wedergeboorte, Breukelen 1897. De strijd
ontbrandde daarbij telkens weer op het punt van het doopsformulier.
Sommigen verstonden de uitdrukking: in Christus geheiligd zijn, van de
inwendige vernieuwing door den H. Geest en hadden daarom bezwaar, om
deze vraag van het doopsformulier voor te leggen aan ouders, die hun
kind nog wel ten doop presenteerden maar overigens om God noch zijn
gebod zich bekommerden; onder pietistischen invloed hechtten zij aan
de uitwendige doopshandeling hoe langer hoe minder waarde, drongen
op persoonlijke bekeering aan en trokken zich in den engen kring der
gezelschappen terug, Lodenstein, Gentman, Koelman, Brakonier, van de
Putt, Kelderman, Vos e. a. bij Proost, Jod. van Lodenstein 1880 bl.
160. 229. Ypey en Dermout, Gesch. der N. H. Kerk III 261-263. Ypey,
Gesch. der Chr. Kerk in de achttiende Eeuw VI 164. M. Vitringa VII 108.
115 sq. Moor V 489. Anderen verstonden de uitdrukking in objectieven,
verbondmatigen zin, zagen in den doop niets meer dan een teeken van het
uitwendig verbond, waarop een historisch geloof en een onergerlijk leven
voldoende recht gaven, Ostervald, Comp. Theol. II 6, 4, 4. Vernet,
Christ. Onderw. 300. en vooral Janssonius en van Eerde tegen Appelius,
cf. M. Vitringa VI 426 sq. 498 sq. VII 125 sq.
Zoo werd in de Gereformeerde kerken zelve de doop schier geheel van
zijne waarde beroofd en feitelijk die doopsleer ingevoerd, welke in de
eeuw der Hervorming reeds door Socinianen en Anabaptisten en later
door Remonstranten en Rationalisten gehuldigd werd. Dezen komen toch
bij alle onderling verschil daarin overeen, dat de doop niet als zegel
der genade van Gods zijde maar in de eerste plaats als belijdenisacte
van ’s menschen zijde waarde heeft. De doop werkt niets en geeft niets,
maar is alleen een symbool van den overgang uit het Joden- en Heidendom
tot het Christendom, een teeken van geloof en bekeering, een belofte
van gehoorzaamheid en daarom òf in het geheel niet door Christus
als een blijvend sacrament ingesteld òf in elk geval voor kinderen
hoogstens geoorloofd en nuttig, doch niet noodzakelijk en geboden; de
Kwakers gingen zelfs zoo ver, dat zij den waterdoop geheel verwierpen
en alleen den doop des Geestes erkenden, en de Rationalisten streden
erover, of de doop, die toch niet meer dan een plechtig zinnebeeld
was, niet beter kon worden afgeschaft, cf. M. Vitringa VII 297-415.
Strauss, Dogm. II 549-558. Wegscheider, Instit § 171. 172. Kant,
Religion ed. Rosenkranz 233. Het moderne Protestantisme staat nog op
dit standpunt en maakt den doop facultatief, Scholten, Initia 247,
Ehlers, Das N. T. und die Taufe, Giessen 1890; en bij vele anderen werkt
de geringschatting van het sacrament daarin na, dat het zwaartepunt
uit den doop in de later volgende, steeds plechtiger ingerichte
aanneming en bevestiging van leden verlegd wordt. Maar daartegenover
werd in deze eeuw van verschillende zijden weer eene poging beproefd,
om het objectief karakter van den doop te handhaven. Schleiermacher
zag in den doop wel allereerst eene handeling der kerk, waardoor zij
den geloovige in hare gemeenschap opneemt, maar dan vervolgens daarin
tegelijk eene opneming in de levensgemeenschap met Christus, Chr. Gl. §
136-138, cf. Schweizer, Chr. Gl. § 171. Lipsius, Dogm. § 846. Anderen
plaatsten weder de genadedaad Gods in het sacrament op den voorgrond
en leerden, dat de doop geen wedergeboorte onderstelt maar toch de
kracht der wedergeboorte of deze zelve verleent, een aanknooping is
van den liefdeband van Christus’ zijde en den grondslag legt voor
alle latere, echter dan slechts in den weg des geloofs te verkrijgene
weldaden, Philippi, Kirchl. Gl. V 2, 83 f. Kahnis, Luth. Dogm. II 333.
Dorner, Chr. Gl. II 832. Frank, Chr. Wahrheit II 266 f. Althaus, Die
Heilsbedeutung der Taufe im N. T. Gütersloh 1898. H. Cremer, Wesen und
Wirkung der Taufgnade, ib. 1899. W. Schmidt, Dogm. II 461. Oosterzee,
Dogm. § 138 9v. Vele Lutheranen keerden zelfs tot de oude leer terug,
dat de H. Geest in en door het water des doops de wedergeboorte werkt
en lieten deze niet alleen in eene geestelijke vernieuwing maar ook in
de inplanting van eene hemelsche lichaamlijkheid bestaan, Vilmar, Dogm.
II 233. Martensen, Dogm. 398 f. Höfling, Das Sakrament der Taufe I 17
f. Thomasius, Christi Person u. Werk II 297 f. In Engeland trad het
Tractarianisme op met de leer van een baptismal regeneration, daarin
bestaande, dat de kinderen door den doop zoo werden vernieuwd, dat zij
later zelfstandig de genade door het geloof konden aannemen, Newman,
Lectures on Justification 1838, Waterland, Works, Oxford 1843 IV
425-458 cf. Hodge, Syst. Theol. III 591-604 en Cunningham, Historical
Theol. II 133-142. Ryle, Knots untied, 11{th} ed. London Hunt 1886 p.
105-196. Hier te lande trachtte Dr. Kuyper het objectief karakter van
den doop te handhaven, door er eene bijzondere genade aan toe te kennen.
Deze bestaat niet in de wedergeboorte, welke bij den doop ondersteld
wordt en dus niet meer behoeft geschonken te worden, maar in eene
bijzondere, anders niet te verkrijgen weldaad, n.l. in de inlijving in het
lichaam van Christus, of liever in de inplanting in ons geloof van de
hebbelijkheid of den drang, om niet op onszelf te staan, maar om ons één
te voelen met heel het lichaam van Christus, Heraut 646v.
5. De meeste kerken kennen tegenwoordig den doop bijna niet anders dan
als kinderdoop. Behalve op het gebied der zending en in de baptistische
genootschappen komt de doop van volwassenen niet anders dan als
uitzondering voor. Toch is in de Schrift het omgekeerde het geval;
van den kinderdoop spreekt zij nergens met zoovele woorden, altijd
gaat zij van den bejaardendoop uit; en ook de christelijke confessies
en theologen zijn haar daarin altijd in zooverre gevolgd, als zij van
den doop van volwassenen hun uitgangspunt namen en daarna eerst tot
den kinderdoop overgingen. Deze doop werd nu op Gods bevel door
Johannes en daarna door Jezus ingesteld, omdat de gansche wereld voor
God verdoemelijk was. Dat gold niet alleen van de Heidenen, maar ook
van de Joden, die immers hunne eigene gerechtigheid zochten op te
richten uit de werken der wet en daarom niet kwamen tot de wet der
rechtvaardigheid, Rom. 9:31. Reeds de profeten verkondigden toch, dat
God, die getrouw is en zijns verbonds gedenkt, in de toekomst aan Israel
bekeering en leven, een nieuw hart en een nieuwen geest zou geven, alle
zonden hun vergeven, zijn Geest op hen uitstorten, rein water op hen
sprengen en van alle onreinigheden hen reinigen zou, Hos. 6:2, Joel
2:28, 29, Mich. 7:18-20, Jes. 1:16, 40v., Jer 31:31-34, 33:8, Ezech.
11:17-20, 36:25-28, 37:1-14, 39:29, Zach. 13:1 enz. Wedergeboorte,
bekeering, geloof was noodig, zoo voor Israel als de Heidenen, om in
te gaan in het koninkrijk der hemelen en aan zijne goederen deel te
krijgen. Johannes en Jezus traden met die prediking op, en wie haar
aannamen, werden gedoopt. Aan den doop ging dus de aanbieding en de
aanneming van het woord des evangelies vooraf. De Schrift laat er
niet den minsten twijfel over bestaan, dat de doop uitsluitend voor
geloovigen ingesteld is. Er worden geen andere personen gedoopt, dan
die belijdenis doen van hunne zonden en bewijs geven van bekeering en
geloof, Mt. 3:2, 6, Hd. 2:37, 38, 8:12, 37, 18:8; de doop heet daarom
een doop der bekeering, opdat men in dien weg de vergeving der zonden
erlange, Mk. 1:4, Hd. 13:24; in Mt. 28:19 duiden de beide participia
βαπτιζοντες en διδασκοντες wel den weg aan, waarin het μαθητευειν
παντα τα ἐθνη volbracht moet worden, maar het doopen in den naam des
Vaders, des Zoons en des H. Geestes onderstelt juist de voorafgaande
prediking van en het geloof in dien naam, gelijk dit Mk. 16:15, 16 ook
duidelijk uitgesproken wordt en in Joh. 4:1 het discipelen maken aan het
doopen voorafgaat; het zijn kinderen Gods door het geloof in Christus
Jezus, die door den doop Christus hebben aangedaan, Gal. 3:26, 27.
Zoolang er van den doop der volwassenen sprake is, bestaat er hierover
tusschen de christelijke kerken geen verschil; geen enkele kerk doopt
een volwassene zonder voorafgaand onderricht in de waarheid, zonder te
voren afgelegde belijdenis des geloofs. Zelfs Rome erkent, dat in den
volwassene de zeven praeparationes aan den doop moeten voorafgaan, en
maakt niet de objectieve geldigheid maar toch de subjectieve werking
van eene intentio virtualis als conditio sine qua non in den ontvanger
afhankelijk, Trid. VI c. 5. 7. Catech. Rom. II 2 qu. 30. 44. Maar
Rome heeft hoe langer hoe meer deze subjectieve voorwaarden in den
ontvanger verzwakt, en het zwaartepunt uit het woord en het geloof
in het sacrament verlegd; dit sacrament toch werkt ex opere operato,
zonder in den ontvanger iets anders te eischen dan een negatief obicem
non ponere; evenals de zonden, worden de weldaden der genade door
Rome eindeloos gesplitst, in stukjes en beetjes hier en hiernamaals
uitgedeeld; het is altijd hetzelfde denkbeeld van hierarchie, dat
hier in de leer der genade, evenals overal elders, zijn invloed
gevoelen doet. Daarom leert Rome dan ook, dat prediking en geloof
slechts praeparatoire beteekenis hebben; de eigenlijke, heiligmakende,
bovennatuurlijke genade wordt alleen medegedeeld door het sacrament van
den doop, dat daarom, behalve in enkele gevallen, waarin het door den
baptismus sanguinis of flaminis vervangen wordt, voor alle menschen,
volwassenen en kinderen, ter zaligheid volstrekt noodzakelijk is. De
Reformatie heeft daartegenover dit Schriftuurlijk beginsel gesteld, dat
het sacrament geen enkele weldaad meedeelt of meedeelen kan, welke
de geloovige niet reeds bezit door zijn vertrouwen op het woord Gods.
Het geloof alleen, afgedacht van alle sacrament, stelt in het bezit
en genot van alle weldaden des heils. Indien nu de doop dit geloof
onderstelt, blijft er geen enkele weldaad meer over, die door den doop
nog aan den geloovige zou kunnen medegedeeld worden. De doop kan niet
anders dan de weldaden, die door het geloof ontvangen zijn, beteekenen
en verzegelen en daardoor het geloof versterken, Ned. Gel. art. 33.
34. Heid. Cat. qu. 69. Ook de Lutherschen stemmen dit toe voor den
doop der volwassenen, die vooraf wedergeboren zijn en belijdenis deden
van hun geloof; evenals het geloof en de gave des H. Geestes door de
prediking des woords in de wedergeborenen vermeerderd wordt, ita quoqae
idem fit per baptismum, quin et baptismus donum regenerationis in illis
efficaciter obsignat, Gerhard, Loc. XX 123. Quenstedt IV 145. Schmid,
Dogm. d. ev. luth. K. 400. 407. Er is hier een Protestantsch beginsel
mede gemoeid; wie aan den doop eene mededeeling van genade toeschrijft,
welke door het woord en het geloof niet verkregen kan worden, zet voor
de Roomsche sacramentsleer de deur open.