Over de Middelen der Genade.
§ 50. HET WOORD.
1. Alle heil en zaligheid vloeit den gevallen mensch toe uit de genade
als deugd Gods. Objectief is die genade met al hare weldaden verschenen
in Christus, die ze in den weg des verbonds verwierf en uitdeelt. De
gemeenschap dergenen, die Christus met al zijne weldaden deelachtig
zijn, draagt den naam van kerk of gemeente. Thans komt de vraag aan
de orde, of Christus bij de mededeeling van deze zijne weldaden al dan
niet van middelen zich bedient. De mystici zijn allen geneigd, om deze
vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. Geheel in overeenstemming
met hun dualistisch uitgangspunt, kunnen zij de genade niet denken als
afhankelijk van of gebonden aan uitwendige teekenen en handelingen; God
zelf alleen, of de Christus in ons, de Geest of het inwendig woord
of licht werkt in den mensch de genade, en woord en sacrament kunnen
niet anders doen dan die inwendige genade aanduiden en afbeelden; het
geschreven woord drukt uit wat in het hart van elk geloovige geschreven
staat, en de sacramenten stellen uiterlijk voor oogen, wat Christus
inwendig door zijn Geest geschonken heeft, cf. Moor I 359 sq. Het
mysticisme kwam ten slotte op hetzelfde neer als het rationalisme, dat
door Socinianisme, Fock II 559 f. en Remonstrantisme, Conf. en Apol.
Conf. c. 23. Limborch, Theol. V c. 66 vertolkt, in de sacramenten
slechts praecepta ceremonialia, herinneringsteekenen en belijdenisacten
zag. Vlak daartegenover staat het Romanisme, dat de genade absoluut aan
middelen gebonden denkt. Volgens Rome toch is de kerk, de zichtbare,
door den onzichtbaren Geest gedragen kerk het eigenlijke, waarachtige,
volkomene middel der genade, het sacrament bij uitnemendheid. In haar
toch zet Christus zijn Godmenschelijk leven op aarde voort, vervult Hij
zijn profetisch, koninklijk en vooral zijn priesterlijk ambt, deelt Hij de
volheid zijner genade en waarheid mede; de kerk is Christus op aarde,
Christus, gelijk Hij na zijn volbracht verlossingswerk in de aan ruimte
en tijd gebonden ontwikkeling van het menschelijk geslacht ingegaan is,
Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche I² 8. En die
genade, welke Christus verdiend en aan zijne kerk medegedeeld heeft,
dient bovenal, om den mensch van de natuurlijke tot de bovennatuurlijke
orde op te heffen; zij is eene gratia elevans, eene bovennatuurlijke,
physische kracht, welke den natuurlijken mensch door den priester in
het sacrament ex opere operato ingestort wordt, deel III 444. Gelijk
in Christus de Goddelijke en de menschelijke natuur, in de kerk de
onzichtbare Geest en het zichtbaar instituut, zoo zijn in het sacrament
de geestelijke genade en het zichtbaar teeken onlosmakelijk aan elkander
verbonden; buiten Christus, buiten de kerk, buiten den priester, buiten
het sacrament is er daarom geen zaligheid. Het is zoo, Christus zet
in de kerk niet alleen zijn priesterlijk, maar ook zijn profetisch en
koninklijk ambt voort. Maar de in de kerk verkondigde leer van Christus
dient alleen, om geloof, d. i. toestemming te wekken, en de in de kerk
gehandhaafde tucht dient alleen, om gehoorzaamheid aan de zedewet te
kweeken; geloof en gehoorzaamheid zijn echter geen van beide de genade
zelve, doch haar voorbereiding en haar vrucht, Oswald t. a. p. 10. Het
woord Gods, dat bovendien bij Rome in Schrift en traditie vervat is en
als eene wet wordt opgevat, heeft daarom alleen eene praeparatoire,
paedagogische beteekenis, en het geloof is slechts eene der zeven
praeparationes ad gratiam, deel III 442. Het door den priester
uitgereikte sacrament, is het eigenlijke genademiddel, waardoor vera
justitia vel incipit, vel coepta augetur, vel amissa reparatur, Trid.
sess. 7 prooem. Tusschen deze mystische geringschatting en magische
overschatting van de genademiddelen nam de Reformatie positie en bracht
in plaats en karakter van kerk, ambt en genademiddelen eene groote
verandering aan. Immers is volgens de Hervorming Christus de volkomene
Zaligmaker, de eenige Middelaar Gods en der menschen, en de kerk is
in de eerste plaats communio sanctorum, niet middelares der zaligheid,
maar vergadering der geloovigen, die in gemeenschap met Christus leven.
Wel heeft Christus in die gemeente ambten ingesteld, maar al die ambten
zijn geen sacerdotium doch een ministerium, aan Christus’ woord absoluut
gebonden en geen andere macht hebbende dan de macht van dat woord.
De verhouding van Schrift en kerk is dus in het Protestantisme eene
gansch andere dan in het Romanisme, deel I 367. Bij Rome gaat de kerk
aan de Schrift vooraf, is de kerk niet op de Schrift gebouwd maar de
Schrift uit de kerk voortgekomen, heeft de Schrift wel de kerk maar de
kerk niet de Schrift van noode. Maar de Reformatie plaatste de kerk
weer op den bodem der Schrift, en de Schrift weer hoog boven de kerk.
Niet de kerk, maar de Schrift, het woord Gods werd het genademiddel bij
uitnemendheid; zelfs het sacrament werd aan het woord ondergeschikt
en had zonder het woord hoegenaamd geen beteekenis en kracht. En nu
werd dat woord wel naar de instelling van Christus in het midden der
gemeente door den leeraar bediend; maar dat nam toch niet weg, dat
dat woord in aller hand werd gegeven, dat het duidelijk was voor een
iegelijk, die het heilbegeerig onderzocht, dat het zijne werking deed,
niet alleen als het in het openbaar verkondigd, maar ook, wanneer
het in huis onderzocht en gelezen werd. Zoo werd de Christenmensch,
die dat woord aannam niet slechts met een historisch geloof maar met
vertrouwen des harten, bevrijd van de priesterheerschappij; er stond
tusschen hem en Christus niemand of niets in; door het geloof had
hij de gansche zaligheid; en in het sacrament ontving hij daarvan het
teeken en zegel. Zoo wijzigde de Reformatie de Roomsche leer van de
genademiddelen. Maar aan den anderen kant dreigde het gevaar van het
mysticisme, dat de middelen der genade geheel verwierp en daarvoor
allerlei gronden aanvoeren kon. Immers mocht Gods almacht niet door
zulke uitwendige middelen gebonden worden; Hij was souverein en vrij
en kon, maar behoefde zich toch niet van zulke middelen te bedienen
tot uitdeeling van de schatten der genade. Die genade was ook geen
materielles Etwas, geen physische kracht, geen donum superadditum, geen
elevatio naturae humanae, maar zij bestond voornamelijk in het herstel
in de gunste Gods, in de vergeving der zonden, in de vernieuwing naar
zijn beeld. Daarom kon zij ook niet in een zinlijk teeken als in een vat
opgesloten noch ook door den bedienaar worden uitgedeeld. Christus was
en bleef de eenige, die ze, nadat Hij ze verworven had, ook uitdeelen
kon. Hij benoemde geen plaatsvervanger op aarde en stelde geen priester
aan, maar Hij bleef zelf van uit den hemel zijn profetisch, priesterlijk
en koninklijk ambt uitoefenen; het teeken mocht Hij toevertrouwen aan
zijn dienaar, maar Hij zelf bleef toch de eenige uitdeeler van de
beteekende zaak. En bleek dat ook niet in de werkelijkheid? Duizenden
ontvingen iederen dag het teeken van woord en sacrament, zonder de
genade deelachtig te zijn; en omgekeerd stierven er dagelijks duizenden
kinderkens des verbonds, die nooit een middel der genade ontvingen en
aan wier zaligheid toch de geloovigen op grond van Gods woord niet
twijfelen mochten. Door deze bedenkingen verschrikt, zijn de Lutherschen
op hunne schreden ten deele teruggekeerd, en hebben de genade weer
volstrekt aan de middelen gebonden, den nooddoop ingevoerd, den doop
als afwassching der zonden zelven beschouwd, aan de kinderkens het
geloof ontzegd. En ook in de Gereformeerde kerken, bepaaldelijk in de
Anglikaansche, is ditzelfde romaniseerend streven telkens boven en tot
heerschappij gekomen. Maar oorspronkelijk nam de Reformatie een ander
standpunt in. Men kon de almacht en de vrijheid Gods niet beperken; Hij
kon ook zonder uitwendige middelen zijne genade in het hart van zondaren
verheerlijken; als Hij van menschen en teekenen zich daarbij bediende, was
dat alleen aan zijn welbehagen, aan zijne groote liefde en genade toe
te schrijven. Daarom leerde Zwingli, dat God zelfs Heidenen, die nooit
van het evangelie hadden gehoord, uitverkoren, wedergeboren en tot
de hemelsche zaligheid had geleid. En al gingen de andere Hervormers
zoo ver niet, zij moesten toch, vooral in het geval van vroegstervende
kinderen des verbonds, toegeven, dat God ook zonder woord of sacrament
alleen door den H. Geest wederbaren en zaligen kon, Calvijn, Inst. IV
16, 17. 18. Toch stelden zij deze gevallen als uitzonderingen voor
en hielden als regel vast, dat woord en sacrament voor degenen, die
opwiesen, de gewone middelen waren, waardoor God zijnen Geest gaf en
zijne genade meedeelde. De werking van wedergeboorte en geloof door de
prediking des Woords is de ordinaria Domini oeconomia et dispensatio,
quam tenere in vocandis suis solet, Calvijn, IV 1, 5. 16, 19, cf. Conf.
Belg. 24. Cat. Heid. 64. Conf. Helv. II 18. Conf. Westm. c. 10. 14.
Form. Conc. Sol. Decl. 11, 27: Dominus non _solet_ homines immediate
vocare, Gerhard, Loc. XX 121, cf. boven bl. 17. Bevredigen doet dit
antwoord niet, wijl het aantal kinderen, dat zonder genademiddelen zalig
wordt, veel grooter is dan in het algemeen wordt vermoed, en niet als
uitzondering op den regel kan worden geboekt; en ook, omdat in degenen,
die opwassen, de wedergeboorte door den H. Geest aan den doop, aan het
gehoor van het woord Gods en aan het geloof, zoo niet altijd voorafgaat,
dan toch zeker voorafgaan kan. Vandaar, dat bij de Lutherschen
hoe langer hoe meer de genade aan de middelen, en bepaaldelijk de
wedergeboorte aan den doop verbonden werd, en dat bij de Gereformeerden,
die de sacramenten als teekenen en zegelen van geschonken genade
opvatten, de wedergeboorte als aan den doop voorafgaande werd gedacht,
zoodat de middelen der genade niet dienden om te wederbaren, maar om
de wedergeborenen tot geloof en bekeering te brengen. Toch was ook
deze latere ontwikkeling van eenzijdigheid niet vrij te pleiten. Die bij
de Lutherschen leidde tot Rome terug, en die bij de Gereformeerden liep
gevaar, om woord, sacrament, kerk en ambt, ja zelfs den persoon en
het werk van Christus voor de verwerving en toepassing der zaligheid
overbodig en alleen voor de openbaring van leven en waarheid naar
buiten in de wereld nog noodig te achten. Maar zoo wordt de beteekenis
der genademiddelen verzwakt en hun begrip al te zeer begrensd. Immers
de genademiddelen van woord en sacrament staan niet los op zichzelf
maar houden nauw verband met kerk en ambt, met Christus’ persoon
en werk. Men kan wel vragen, of God niet wederbaren en zaligen kon
zonder Christus en de zonden vergeven zonder voldoening. Maar zulke
vragen leiden tot niets; wij hebben te rusten in het welbehagen Gods,
dat de zaligheid niet anders uitdeelt dan in en door Christus. Hij is
de Middelaar Gods en der menschen, de eenige naam, onder den hemel
den menschen ter zaliging gegeven. Maar voorts is het evenzoo Gods
welbehagen geweest, om de zaligheid niet anders uit te deelen dan door
en in de gemeente van Christus. Of God, gelijk Zwingli leerde, zijne
verkiezende genade ook onder de Heidenen werken deed, kan hier, wijl
dit toch in elk geval, naar de belijdenis aller christelijke kerken,
eene uitzondering geldt, onbesproken blijven. Regel is, dat God de
uitdeeling zijner genade vrijwillig aan de gemeente van Christus bindt.
De kerk is de gemeenschap en daardoor ook de moeder der geloovigen.
God richt zijn verbond met de ouders en in hen met hunne kinderen op.
Hij deelt zijne weldaden uit in den weg des verbonds. In dien zin is het
juist, dat de kerk als gemeenschap der heiligen het groote genademiddel
is, waarvan Christus zich naar zijn welbehagen bedient, om zijne
uitverkorenen te vergaderen van het begin tot het einde der wereld.
De kerk in dezen zin bedoelt wel ter dege de salus electorum; dat is
niet haar eenige reden van bestaan; zij dient ook tot volmaking der
heiligen, tot opbouw van het lichaam van Christus, tot prediking van
het evangelie aan alle creaturen, tot verheerlijking Gods. Maar zij is er
dan toch ook, om hier op aarde dien heiligen kring te vormen, binnen
welken Christus al zijne weldaden, ook die der wedergeboorte, meedeelt.
Opdat zij daartoe in staat zou zijn, deelde Hij zijn Geest haar mede,
stortte Hij allerlei gaven in haar uit, stelde Hij de ambten bij haar
in, betrouwde Hij de bediening van woord en sacrament haar toe. En ook
dit zijn altemaal middelen, welke Christus bezigt, om de Hem gegevenen
van den Vader toe te brengen en tot de hemelsche zaligheid te leiden.
Ja, heel de leiding van het leven met zijne wisselingen van voor- en
tegenspoed is in de hand des H. Geestes menigmaal een middel, om de
uitverkorenen tot Christus of nauwer met Hem in gemeenschap te brengen.
Zelfs kan het begrip van genademiddel nog ruimer worden opgevat,
zoodat het ook insluit, wat onzerzijds noodig is, om de weldaden des
verbonds voor het eerst en bij den voortduur te genieten, zooals geloof,
bekeering, strijd tegen de zonde, gebed, cf. Calvijn, Inst. IV. Helv. II
art. 16. Westm. 14, 1. Schleiermacher, Chr. Gl. § 127. Nu verdient het
wel geen aanbeveling, om dit alles onder de media gratiae op te nemen.
Want Christus is niet middel maar middelaar, verwerver en toepasser
der zaligheid. De kerk is geen genademiddel naast woord en sacrament,
want al de macht, die haar toebetrouwd is, bestaat in niets anders dan
in de bediening van beide; kerk en ambt geven geen genade op zichzelf
maar alleen door woord en sacrament. En geloof, bekeering, gebed zijn
veeleer vruchten dan middelen der genade, zij zijn geen objectieve
instellingen maar subjectieve voorwaarden om de overige weldaden des
verbonds te bezitten en te genieten. In strikten zin zijn alleen
woord en sacrament als genademiddelen te beschouwen, d. w. z. als
uitwendige, zinnelijke handelingen en teekenen, welke Christus aan zijne
kerk geschonken en waaraan Hij de mededeeling zijner genade verbonden
heeft. Maar toch mogen deze geen oogenblik losgemaakt worden van den
persoon en het werk van Christus, noch ook van de kerk als organisme
en als instituut. Christus brengt de zijnen op velerlei wijze toe, en
Hij kan dit doen, wijl Hij alleen, gelijk de verwerver, zoo de uitdeeler
der genade is en blijft. Hij doet het daarom zonder of door het woord
en sacrament; maar Hij doet het toch altijd door de inwendige roeping
van dien Geest, dien Hij aan de gemeente schonk; in de gemeenschap dier
kerk, welke Hij opdroeg het evangelie te prediken aan alle creaturen; in
den weg van dat verbond, dat het evangelie tot inhoud en het sacrament
tot teeken en zegel ontving. Cf. art. Gnadenmittel in Herzog¹. Lange,
Dogm. § 109. Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. 1 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 548.
Harless und Harnack, Die kirchl.-relig. Bedeutung der reinen Lehre v.
d. Gnadenmitteln 1869. Rohnert, Die Lehre v. d. Gnadenmitteln, Leipzig
1886. Lipsius, Dogm. § 783 f. Frank, Chr. Wahrheit II 298 f. Oosterzee,
Chr. Dogm. § 135.
2. Het eerste en voornaamste middel der genade is het woord Gods.
Lutherschen en Gereformeerden stemmen hierin met elkander overeen.
Toch brengen de laatsten het woord Gods niet onder de media gratiae
ter sprake, wijl zij gewoonlijk daarover in de dogmatiek reeds vroeger
hebben gehandeld in een afzonderlijk hoofdstuk, Calvijn, Inst. II 7-9.
Musculus, Loci Comm. § 11. 20. Junius, Theses Theol. § 23. 24. Synopsis
pur. theol. disp. 18. 22, of ook over de wet bij het werk-, en over het
evangelie bij het genadeverbond, Marck, Med. Theol. c. 11. 17. Deze
eigenaardige methode van behandeling geeft geen recht tot de bewering,
dat de Gereformeerden het woord Gods niet als middel der genade hebben
erkend, want telkens spreken zij het tegendeel uit, cf. bijv. Conf. Belg.
24. Cat. Heid. qu. 65. Maar wel mag eruit afgeleid, dat het woord Gods
voor de Gereformeerden nog eene veel rijkere beteekenis had dan dat
het alleen in den engeren zin van het woord als genademiddel dienst
deed. Het woord Gods is mede daarin van het sacrament onderscheiden,
dat dit laatste alleen dienst doet tot versterking van het geloof en
dus alleen een plaats heeft in het midden der gemeente. Maar het woord
Gods, beide als wet en als evangelie, is openbaring van den wil Gods,
is de promulgatie van werk- en genadeverbond, gaat alle menschen en
schepselen aan, en heeft eene universeele beteekenis. Het sacrament
kan alleen bediend worden door den wettig geroepen dienaar in de
vergadering der geloovigen, maar het woord Gods heeft ook daarbuiten
nog een bestaan en plaats en oefent ook dan zijne menigvuldige werking
uit. Als middel der genade in eigenlijken zin naast het sacrament
komt het woord Gods alleen ter sprake, voorzoover het openlijk door
den leeraar gepredikt wordt; op het in Gods naam en krachtens zijne
zending _gepredikte_ woord valt dan al de nadruk. Maar in den regel
zijn de menschen reeds lang in het gezin, op de school, door toespraak
of lectuur met dat woord in aanraking gekomen, voordat zij het openlijk
in de gemeente hoorden verkondigen. De openbare bediening des woords
omvat dus lang niet al de kracht, die van het woord uitgaat; zij dient
ook wel, om het geloof, bij wie het nog ontberen, te werken, maar toch
veelmeer om het bij de geloovigen in hunne vergadering te versterken.
In eene christelijke maatschappij komt het woord Gods tot den mensch op
allerlei manieren, in allerlei vormen, van allerlei kanten, en het
komt tot hem van zijne prilste jeugd af aan. Ja, God brengt dat woord
in de inwendige roeping dikwerf, reeds voordat het bewustzijn ontwaakt
is, tot de harten der kinderen, om hen te wederbaren en te heiligen,
evenals Hij in iederen mensch van zijn eerste bestaan af het werk der
wet in zijn hart schrijft en het semen religionis in hem inplant. Daarom
is hier tusschen woord Gods en Schrift wel te onderscheiden. Niet in
dien zin, alsof het woord Gods slechts in de Schrift te vinden en niet
de Schrift zelve ware; maar in dezen anderen zin, dat het woord Gods
lang niet altijd en zelfs niet in de meeste gevallen als Schrift, in
den vorm der Schrift tot ons komt, maar dat het, uit de Schrift in
het bewustzijn der gemeente opgenomen, van daaruit weer in den vorm
van vermaning en toespraak, opvoeding en onderwijs, boek en geschrift,
tractaat en vertoog tot de verschillendste menschen uitgaat en zijne
werking doet. En altijd staat God achter dat woord; Hij is het, die het
in die onderscheidene vormen tot de menschen doet uitgaan en ze alzoo
roept tot bekeering en leven. In de Schrift is dan ook de uitdrukking
woord Gods nooit met de Schrift identisch, al mag de Schrift door ons
zonder twijfel Gods woord worden genoemd. Eene enkele plaats moge zich
laten aanwijzen, waar de uitdrukking woord Gods op een gedeelte der H.
Schrift, bijv. op de geschreven wet wordt toegepast. Maar overigens
is woord Gods in de Schrift nooit hetzelfde als de Schrift, wat ook
daarom reeds onmogelijk is, wijl de Schrift toen nog niet compleet was.
De uitdrukking woord Gods heeft in de Schrift velerlei beteekenissen
en kan aanduiden de kracht Gods, waardoor Hij de wereld schept en
onderhoudt, of zijne openbaring aan de profeten, of den inhoud der
openbaring of het evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd,
cf. deel I 338. Maar altijd is het een woord _Gods_, d. i. nooit een
klank alleen maar een kracht, geen loutere bekendmaking maar tevens
een volbrenging van zijn wil, Jes. 55:11. Door het woord schept en
onderhoudt God de wereld, Gen. 1:3, Ps. 33:6, 148:5, Jes. 48:13, Rom.
4:17, 2 Cor. 4:6, Hebr. 1:3, 11:3, stilt Jezus de zee, Mk. 4:39,
geneest de kranken, Mt. 8:16, werpt de duivelen uit, 9:6, wekt de
dooden op, Luk. 7:14, 8:54, Joh. 5:25, 28, 11:43 enz. Door het woord
werkt Hij ook op zedelijk en geestelijk gebied.
3. Het woord, dat God bezigt om op zedelijk en geestelijk gebied zijn
wil bekend te maken en te volbrengen, is in wet en evangelie te
onderscheiden. Als Jezus op aarde verschijnt, om de komst van het in het
O. T. beloofde koninkrijk aan te kondigen, Mk. 1:15, om aan tollenaren
en zondaren, aan armen en gevangenen het evangelie der vergeving en der
zaligheid te brengen, Mt. 5:1v, 11:5, 28-30, Luk. 4:18, 19, 19:10 enz.,
komt Hij vanzelf in strijd met de farizeesche, nomistische opvatting
der religie, die er in zijn tijd heerschte. Toch al verwerpt Hij de
menschelijke inzettingen der ouden, Mt. 5:21v., 15:9 en al heeft Hij eene
andere opvatting van doodslag, Mt. 5:16, overspel, 5:27, eed, 5:33,
vasten, 6:16, echtscheiding, Mt. 19:9, sabbat, Mk. 2:27; Hij handhaaft
de gansche wet, ook in haar ceremonieele bestanddeelen, Mt. 5:23, 24,
17:24-27, 23:2, 3, 23, Mk. 1:44, 11:16; Hij verklaart haar in haar
geestelijken zin, Mt. 5-7, legt op haar ethischen inhoud den nadruk,
beschouwt de liefde tot God en den naaste als haar hoofdsom, Mt. 7:12,
9:13, 12:7, Mk. 7:15, 12:28-34 en verlangt een andere, overvloediger
gerechtigheid dan die der Farizeën, Mt. 5:20. Zelf heeft Hij, ofschoon
meer dan de tempel, Mt. 12:6, zich dan ook onder de wet gesteld, Mt.
3:15 en is gekomen, om de wet en de profeten te vervullen, 5:17. En
daarom weet Hij, dat, al dringt Hij nooit op afschaffing der wet aan,
zijne jongeren innerlijk vrij zijn van de wet, Mt. 17:26, dat zijne gemeente
niet op de wet maar op de belijdenis van zijne Messianiteit gegrond is,
Mt. 16:18, dat in zijn bloed een nieuw verbond wordt gesticht, Mt.
26:28, dat in één woord de nieuwe wijn ook nieuwe lederzakken eischt,
Mt. 9:17, en de dagen van tempel en volk en wet zijn geteld, Mk. 13:2.
Jezus wil geen revolutionaire omverwerping van de wettische bedeeling
des O. Verbonds, maar eene hervorming en vernieuwing, welke uit hare
volkomene vervulling vanzelf geboren wordt, cf. deel III 217. En zoo
is het ook feitelijk toegegaan. De gemeente te Jeruzalem hield zich in
den eersten tijd nog aan tempel en wet, Hd. 2:46, 3:1, 10:14, 21:20,
22:12. Maar eene nieuwe opvatting bereidde zich voor. Met de bekeering
der Heidenen kwam de vraag aan de orde naar de beteekenis der Mozaische
wet. En Paulus was de eerste, die ten volle begreep, dat in den dood
van Christus het handschrift der wet was uitgewischt, Col. 2:14. Paulus
verstaat onder νομος, tenzij eene nadere bepaling anders aanwijst,
bijv. Rom. 3:27, Gal. 6:2, altijd de Mozaische wet, de gansche thora,
inbegrepen ook de ceremonieele geboden, Rom. 9:4, Gal. 2:12, 4:10,
5:3, Phil. 3:5, 6. En hij beschouwt die wet niet, gelijk de brief aan de
Hebreën, als onvolkomene, voorbereidende, Oudtestamentische bedeeling
van het genadeverbond, die verdwijnt, als de hoogepriester en borg van
het betere verbond gekomen is, maar als openbaring van Gods wil, als
religieus-ethische eisch en vordering, als door God gewilde regeling
van de verhouding tusschen Hem en den mensch. En van deze wet, zoo
opgevat, leert Paulus nu, dat ze wel heilig en goed is, en door God
geschonken, Rom. 2:18, 7:22, 25, 9:4, 2 Cor. 3:3, 7, maar in plaats
van, zooals de Farizeën beweerden, gerechtigheid te kunnen schenken, is
ze krachteloos door het vleesch, Rom. 8:3, prikkelt de begeerte, 7:7,
8, vermeerdert de overtreding, 5:20, Gal. 3:19, bewerkt toorn, vloek en
dood, Rom. 4:15, 2 Cor. 3:6, Gal. 3:10 en is slechts voor een tijd, om
paedagogische redenen, tusschen beide ingekomen, Rom. 5:20, Gal. 3:19,
24, 4:2, 3. Daarom heeft dan nu ook die wet in Christus, het zaad der
belofte, haar einde bereikt, Rom. 10:4; de geloovige is vrij van de wet,
Gal. 4:26v., 5:1, wijl Hij door Christus van den vloek der wet verlost,
Gal. 3:13, 4:5, en den Geest van het kindschap, den Geest der vrijheid
deelachtig is, Rom. 8:15, 2 Cor. 3:16, 17, Gal. 5:18. Deze vrijheid des
geloofs heft echter de wet niet op maar bevestigt haar, Rom. 3:31,
wijl haar recht juist in degenen, die wandelen naar den Geest, vervuld
wordt, 8:4. Die Geest toch vernieuwt de geloovigen, zoodat zij een lust
hebben in Gods wet naar den inwendigen mensch en onderzoeken wat Gods
heilige wil is, Rom. 7:22, 12:2, Ef. 5:10, Phil. 1:10, terwijl zij door
allerlei drangredenen, de groote barmhartigheid Gods, het voorbeeld van
Christus, den duren prijs, waarvoor zij gekocht zijn, de gemeenschap des
H. Geestes enz. tot het doen van Gods wil worden aangespoord. Cf. over
de wet in het N. T. Weiss, Bibl. Theol. Holtzmann Neut. Theol. I 130 f.
II 22 f. L. Jacob, Jesu Stellung zum mos. Gesetz, Gött. 1893. Grafe,
Die Paulin. Lehre v. Gesetz², Leipzig Mohr 1893. Zehnpfund, Das Gesetz
in den paulin. Briefen, Neue Kirchl. Zeits. 1897 S. 384-419. Art. νομος
bij Cremer enz.
4. Deze antithese tusschen wet en evangelie werd in de christelijke kerk
aan de eene zijde, door het antinomisme in zijne verschillende vormen van
Gnosticisme, Manicheisme, Paulicianisme, Anabaptisme, Hattemisme enz.,
nog verscherpt en tot een onverzoenlijken strijd gemaakt. Heel het O. T.
was van een lageren God afkomstig, van een toornenden, jaloerschen,
wrekenden God, en was nu door de gansch andere openbaring van den God
der liefde, van den Vader van Christus vervangen. Aan de andere zijde
werd de antithese tusschen wet en evangelie door het nomisme in zijne
verschillende vormen van Pelagianisme, Semi-pelagianisme, Romanisme,
Socinianisme, Rationalisme enz., verzwakt en uitgewischt. Wet en
evangelie werden reeds door de kerkvaders en later door scholastieke en
Roomsche theologen vereenzelvigd met Oud en Nieuw Testament en dan niet
antithetisch tegenover elkaar gesteld maar als een lagere en hoogere
openbaring van Gods wil beschouwd. Wet en evangelie verschillen niet
daarin, dat de eerste alleen eischt en het tweede alleen belooft,
want beide bevatten geboden, bedreigingen en beloften; mysteria,
promissiones, praecepta; res credendae, sperandae en faciendae; niet
alleen Mozes, ook Christus was legislator. Maar in dit alles gaat het
evangelie des N. T., de lex nova, de wet des O. T., de lex vetus, zeer
verre te boven; de mysteriën (triniteit, vleeschwording, voldoening
enz.) zijn in het N. T. veel duidelijker geopenbaard, de beloften
zijn veel rijker van inhoud en omvatten vooral geestelijke en eeuwige
goederen, de wetten zijn veel heerlijker en lichter, wijl ceremonieele en
burgerlijke wetten afgeschaft en door enkele ceremoniën vervangen zijn.
Voorts is de wet door Mozes gegeven, de genade en waarheid is door
Jezus Christus geworden. De wet was tijdelijk en voor één volk bestemd;
het evangelie is eeuwig en moet tot alle volken gebracht. De wet was
onvolmaakt, een schaduw en voorbeeld, het evangelie is volmaakt en het
lichaam der goederen zelve. De wet kweekte vrees en dienstbaarheid,
het evangelie wekt liefde en vrijheid. De wet kon niet rechtvaardigen
in vollen zin, zij gaf geen rijkdom van genade, zij schonk geen eeuwige
zaligheid, maar het evangelie schenkt in het sacrament de kracht der
genade, die in staat stelt om Gods geboden te volbrengen en het eeuwige
leven te verwerven. In één woord, de wet is het onvolkomen evangelie,
het evangelie de volkomene wet; het evangelie zat in de wet in als
arbor in semine, als granum in spica, cf. deel III 197 en voorts
Suicerus s. v. νομος en εὐαγγελιον. Augustinus, de civ. VIII 11. In ev.
Joh. tract. 30. de spir. et litt. 19. 20. Lombardus, Sent. III dist.
25. 40. Thomas, S. Theol. III qu. 106-108. Conc. Trid. VI can. 19-21.
Bellarminus, de Justif. IV c. 2 sq. enz. In zoover nu de Oud- en de
Nieuwtestamentische bedeeling van het genadeverbond naar haar in het
oog springenden vorm op voorgang van de H. Schrift met den naam van
wet en evangelie kan worden aangeduid, is de onderscheiding, door Rome
tusschen beide gemaakt, wel niet in alle deelen maar toch in hoofdzaak
goed te keuren. Doch Rome vereenzelvigde Oud en Nieuw Verbond met wet
en evangelie geheel en al, miskende het evangelie in het Oude en de wet
in het N. Test., vatte de gansche leer, door Christus en de apostelen
verkondigd, als evangelie op, nam daarin niet alleen beloften, maar ook
wetten en bedreigingen op, en maakte het evangelie dus tot eene tweede
wet. De Paulinische antithese van wet en evangelie werd uitgewischt.
Want al is het, dat Paulus onder de wet de gansche O. T. bedeeling
verstaat, hij beschouwt haar dan juist in haar _wettischen_ vorm en
stelt ze zoo lijnrecht tegen het evangelie over. En ook als hij dat doet,
erkent hij, dat de wettische bedeeling de belofte, die reeds aan Abraham
was geschied, geenszins heeft teniet gedaan, Gal. 3:17, 21, dat ook
in de dagen des O. V. het evangelie verkondigd is, Gal. 3:8, dat ook
toen de gerechtigheid verkregen is uit en door het geloof, Rom. 4:11,
12, 11:32, Gal. 3:6, 7. Van de wet als wet, afgedacht van de belofte,
aan welke zij in het O. T. dienstbaar gemaakt was, beweert Paulus,
dat zij niet rechtvaardigen kan, dat zij de zonde vermeerdert, dat zij
eene bediening der verdoemenis is en juist daardoor de vervulling der
belofte voorbereidt en eene andere gerechtigheid, n.l. de gerechtigheid
Gods in Christus door het geloof noodzakelijk maakt. En deze antithese
van wet en evangelie werd door de Hervorming weer ingezien. Wel komen
er uitspraken bij kerkvaders voor, die ook van een beter inzicht
getuigen, cf. citaten bij Suicerus, t. a. p., in Bibliotheca studii
theol. ex plerisque Doctorum prisci seculi monumentis collecta, apud
Is. Crispinum 1565 p. 195-216. Gerhard, Loc. XIV 16. Maar het komt tot
geen helderheid, omdat zij de onderscheiding tusschen wet en evangelie
altijd weer verwarren met die tusschen Oud en Nieuw Verbond. Doch de
Hervormers, eenerzijds de eenheid van het genadeverbond in zijne beide
bedeelingen tegen de Wederdoopers vasthoudende, hebben anderzijds het
scherpe contrast van wet en evangelie in het oog gevat en daardoor het
eigenaardig karakter van de christelijke religie als religie der genade
weer hersteld. Want al is het, dat wet en evangelie in ruimer zin
voor de oude en nieuwe bedeeling van het genadeverbond kunnen worden
gebezigd, in hun eigenlijke beteekenis duiden zij toch twee openbaringen
van Gods wil aan, die wezenlijk van elkander verschillen. Ook de wet is
Gods wil, Rom. 2:18, 20, heilig en wijs en goed, geestelijk, Rom. 7:12,
14, 12:10, het leven gevend aan wie haar onderhoudt, Rom. 2:13, 3:12;
maar zij is door de zonde krachteloos geworden, rechtvaardigt niet maar
prikkelt de begeerte, vermeerdert de zonde, werkt toorn, doodt en
vervloekt en verdoemt, Rom. 3:20, 4:15, 5:20, 7:5, 8, 9, 13, 2 Cor.
3:6v., Gal. 3:10, 13, 19. En daartegenover staat het evangelie van
Christus, het εὐαγγελιον, dat niets minder bevat dan de vervulling
der Oudtest. ἐπαγγελια, Mk. 1:15, Hd. 13:32, Ef. 3:6, dat van Gods
wege tot ons komt, Rom. 1:1, 2, 2 Cor. 11: 7, Christus tot inhoud
heeft, Rom. 1:3, Ef. 3:6 en niets anders brengt dan genade, Hd. 20:24,
verzoening, 2 Cor. 5:18, vergeving, Rom. 4:3-8, gerechtigheid, Rom.
3:21, 22, vrede, Ef. 6:15, vrijheid, Gal. 5:13, leven, Rom. 1:17,
Phil. 2:16 enz. Als eisch en gave, als bevel en belofte, als zonde
en genade, als krankheid en genezing, als dood en leven staan wet en
evangelie hier tegenover elkander. Ofschoon zij daarin overeenkomen,
dat zij beiden God tot auteur hebben, beide van eene zelfde volkomene
gerechtigheid spreken, beide zich richten tot den mensch om hem te
brengen tot het eeuwige leven, zoo verschillen zij toch daarin, dat
de wet uit Gods heiligheid, het evangelie uit Gods genade voortkomt;
dat de wet van nature, het evangelie alleen door bijzondere openbaring
bekend is; dat de wet volkomene gerechtigheid eischt en het evangelie
haar schenkt; dat de wet door de werken heen tot het eeuwig leven
leidt en het evangelie de werken doet voortkomen uit het in het geloof
geschonkene eeuwige leven; dat de wet thans den mensch verdoemt en
het evangelie hem vrijspreekt; dat de wet zich richt tot alle menschen
en het evangelie alleen tot degenen, die eronder leven enz. Naar
aanleiding van dit onderscheid, kwam er zelfs verschil over, of de
prediking van geloof en bekeering, die toch een voorwaarde en eisch
scheen, wel tot het evangelie behoorde en niet veeleer met Flacius,
Gerhard, Quenstedt, Voetius, Witsius, Coccejus, Moor e. a. tot de wet
moest worden gerekend. En inderdaad in den striksten zin zijn er in
het evangelie geen eischen en voorwaarden, maar alleen beloften en
gaven; geloof en bekeering zijn evengoed als rechtvaardigmaking enz.
weldaden des genadeverbonds. Maar zoo komt het evangelie, concreet,
nooit voor; het is in de practijk altijd met de wet verbonden en is
dan ook door heel de Schrift heen altijd met de wet saamgeweven. Het
evangelie onderstelt altijd de wet, en heeft haar ook bij de bediening
noodig. Het wordt immers gebracht tot redelijke en zedelijke menschen,
die voor zichzelven Gode verantwoordelijk zijn en daarom tot geloof en
bekeering moeten geroepen worden. De eischende, roepende vorm, waarin
het evangelie optreedt, is aan de wet ontleend; elk mensch is niet
eerst door het evangelie maar is van nature door de wet verplicht,
God op zijn woord te gelooven en dus ook het evangelie, waarin Hij tot
den mensch spreekt, aan te nemen. Daarom legt het evangelie van stonde
aan beslag op alle menschen, bindt het in hunne conscientie, want die
God, die in het evangelie spreekt is geen andere dan die zich in zijne
wet aan hen heeft bekend gemaakt. Geloof en bekeering worden daarom van
den mensch in naam van Gods wet, krachtens de relatie, waarin de mensch
als redelijk schepsel tot God staat, geeischt; en die eisch richt zich
niet alleen tot uitverkorenen en wedergeborenen, maar tot alle menschen
zonder onderscheid. Maar zij zijn zelve toch inhoud van het evangelie,
geen werkingen of vruchten der wet. Want de wet eischt wel geloof aan
God in het algemeen, maar niet dat speciale geloof, dat op Christus
zich richt, en de wet kan wel μεταμελεια, poenitentia werken maar geen
μετανοια, resipiscentia, die veeleer vrucht is van het geloof. En
juist wijl geloof en bekeering, schoon de mensch er van nature door de
wet toe verplicht is, inhoud van het evangelie zijn, kan er sprake zijn
van een wet, van een gebod, van een gehoorzaamheid des geloofs, Rom.
1:5, 3:27, 1 Joh. 3:23. van een ongehoorzaam zijn aan en een geoordeeld
worden naar het evangelie, Rom. 2:16, 10:16 enz. Wet en evangelie, in
concreto beschouwd, verschillen niet zoozeer daarin, dat de wet altijd
in bevelenden en het evangelie in belovenden vorm optreedt, want ook
de wet heeft beloften, en het evangelie vermaningen en verplichtingen.
Maar zij verschillen vooral in inhoud: de wet eischt, dat de mensch zijne
eigene gerechtigheid uitwerke en het evangelie noodigt hem, om van
alle eigengerechtigheid af te zien en die van Christus aan te nemen en
schenkt daartoe zelfs de gave des geloofs. En in die verhouding staan
wet en evangelie niet alleen vóór en bij den aanvang der bekeering;
maar in die verhouding blijven zij staan heel het christelijk leven door,
tot aan den dood toe. De Lutherschen hebben bijna alleen oog voor de
beschuldigende, veroordeelende werking der wet en kennen daarom geen
hooger zaligheid dan bevrijding van de wet. De wet is alleen noodig
om der zonde wil. In den volmaakten toestand is er geen wet. God is
vrij van de wet; Christus was volstrekt niet voor zichzelf der wet
onderworpen; de geloovige staat niet meer onder de wet. De Lutherschen
spreken wel is waar van een drieërlei usus der wet, niet alleen van
een usus politicus (civilis), om de zonde te beteugelen, en een usus
paedagogicus, om kennis der zonde te wekken, maar ook van een usus
didacticus, om den geloovigen tot regel des levens te zijn. Maar deze
laatste usus is toch enkel en alleen daarom noodig, wijl en in zoover de
geloovigen nog zondaren blijven en door de wet in toom gehouden en tot
voortdurende kennis der zonde geleid moeten worden. Op zichzelf houdt
met het geloof en de genade de wet op en verliest al haar beteekenis.
Maar de Gereformeerden dachten er gansch anders over. De usus politicus
en de usus paedagogicus der wet zijn maar toevallig noodig geworden
door de zonde; ook als deze wegvallen, blijft de voornaamste usus,
de usus didacticus, normativus over. De wet is toch uitdrukking van
Gods wezen; Christus was als mensch vanzelf voor zichzelf der wet
onderworpen; Adam had vóór den val de wet in zijn hart geschreven; bij
den geloovige wordt zij weer op de tafelen zijns harten gegrift door den
H. Geest; en in den hemel zullen allen wandelen naar des Heeren wet.
Het evangelie is tijdelijk maar de wet is eeuwig en wordt juist door het
evangelie hersteld. De vrijheid van de wet bestaat dan ook niet daarin,
dat de Christen met die wet niet meer te maken heeft, maar zij is hierin
gelegen, dat de wet van den Christen niets meer als voorwaarde der
zaligheid eischen, hem niet meer veroordeelen en verdoemen kan. Maar
overigens heeft hij een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen
mensch en bepeinst ze dag en nacht. En daarom moet die wet altijd in het
midden der gemeente, in verband met het evangelie, verkondigd worden.
Wet en evangelie, het gansche woord, de volle raad Gods is inhoud van
de prediking. Veel breeder plaats dan in de leer der ellende neemt de
wet bij de Gereformeerden in de leer der dankbaarheid in. Cf. Luther bij
Köstlin I 157 f. II 237 f. 496 f. Melanchton, Loci Comm. de evangelio.
Symb. Bücher, ed. Müller S. 87. 181. 533. 633. Gerhard, Loc. XII-XIV.
Quenstedt, Theol. IV 1-72. Hollaz, Ex. 996-1043. Schmid, Dogm. d. ev.
luth. K. § 52. Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 225-262. Schneckenburger,
Vergl. Darst. I 127 f. Frank, Dogm. Studien 1892 S. 104-135. Zwingli,
in mijne Ethiek van Zwingli 47v. 76v. Calvijn, Inst. II 7-9. Zanchius,
Op. VIII 509. Junius, Theses Theol. 23. 24. Ursinus, Explic. Cat. qu.
19. 92. Synopsis pur. theol. disp. 18 en 22. Voetius, Disp. IV 17. V
283. Witsius, Oec. foed. III 1. Misc. Sacr. II 840-848. Coccejus, de
foedere IV 72. VI 179. Moor III 377 sq. Vitringa VI 252-292 enz.
5. Behalve over de verhouding van wet en evangelie, bestaat er in de
christelijke theologie ook nog een belangrijk verschil over de kracht,
de efficacia, van het woord Gods en dus over de verhouding van woord
en Geest. Ook hier staan als uitersten ter linker- en ter rechterzijde
het nomisme en het antinomisme. Het nomisme, dat van het judaisme door
het pelagianisme heen tot in het nieuwere rationalisme doorloopt,
heeft aan eene uitwendige roeping, aan eene verstandelijke, zedelijke
of aesthetische werking van het woord genoeg en acht eene bijzondere,
bovennatuurlijke kracht des H. Geestes daarbij overbodig, cf. deel III
434v. 451v. Ook Rome toont duidelijk aan deze richting verwant te zijn,
inzoover het de gratia praeveniens verzwakt, aan het geloof slechts de
voorbereidende beteekenis van een historische toestemming toeschrijft,
meer en meer den kant van het Molinisme en Congruisme opgaat, en
de eigenlijke, bovennatuurlijke genade en de inwoning des H. Geestes
eerst laat meedeelen door het sacrament, cf. deel III 439-444. Het
tegenovergestelde uiterste wordt ingenomen door het antinomisme, dat
eerst tegen de wet en het Oude Testament maar dan weldra tegen alle
uitwendig woord en tegen alle objectieve, historische bemiddeling des
heils zich verzet en alles verwacht van de werking des H. Geestes,
van den Christus in ons, van het inwendige woord en het inwendige
licht. In het Anabaptisme van Schwencfeld, Franck, Denck e. a. sprak
deze richting zich op dit punt het duidelijkst uit. Uit- en inwendig
woord staan tot elkaar als lichaam en ziel, dood en leven, aarde en
hemel, vleesch en geest, schaal en kern, schuim en zilver, beeld en
waarheid, scheede en zwaard, lantaarn en licht, kribbe en Christus,
natuur en God, schepsel en Schepper. Kennis van het woord geeft daarom
op zichzelve niets en laat ons koud en dood. Om het te verstaan, is
vooraf reeds het inwendig woord van noode. Gelijk woorden alleen ons
leeren kunnen, wanneer wij de zaken kennen, zoo leert de Schrift ons dan
alleen iets, als Christus reeds inwendig in ons harte woont. Het woord
is maar een teeken, een schaduw, beeld, symbool en spreekt slechts
uit, wijst slechts aan, herinnert slechts wat inwendig in ons hart is
geschreven. Het inwendig woord gaat dus vooraf aan, staat hooger dan
de Schrift, die maar een papieren woord en bovendien ook duister en vol
tegenstrijdigheden is. En dat inwendig woord is niets anders dan God
of Christus of de H. Geest zelf, die één is in alle menschen, en de
gansche volle waarheid is. Om God te vinden en de waarheid te kennen,
hebben wij dus niet buiten ons zelven te gaan, naar de Schrift of den
historischen Christus; maar indalende in ons zelven, ons terugtrekkende
van de wereld, verstand en wil doodende en lijdelijk wachtende op de
inwendige, onmiddellijke openbaring vinden wij God, leven wij in zijne
gemeenschap en zijn wij in zijne aanschouwing zalig. Cf. boven bl. 193 en
voorts nog Cloppenburg, Op. II 200. Hoornbeek, Summa Controv. lib. V.
Episcopius, Op. I 527. Quenstedt, Theol. I 169. Maronier, Het inwendig
woord, Amst. 1890. A. Hegler, Geist und Wort bei Seb. Franck, Freiburg
1892. Feitelijk was dit Anabaptisme eene herleving van de pantheistische
mystiek, die in het eindige een eeuwig wisselenden verschijningsvorm
van het oneindige ziet en daarom gemeenschap met God zoekt in de
diepte van het gevoel, waar God en mensch één zijn. Tegenover deze
beide richtingen van nomisme en antinomisme hielden de Hervormers
gemeenschappelijk staande, dat het woord alleen ongenoegzaam is om te
brengen tot geloof en bekeering, dat de H. Geest wel kan werken maar
gemeenlijk toch niet werkt zonder het woord, en dat daarom woord en
Geest in de toepassing van het heil van Christus aan den mensch met
elkander gepaard gaan. Tusschen Lutherschen en Gereformeerden was
hierover eerst geen verschil. Ook de eerstgenoemden leerden, dat de H.
Geest, schoon werkende door woord en sacramenten als zijne instrumenten,
toch alleen door eene bijzondere kracht het geloof werkt en werken kan,
en dat Hij dat doet ubi et quando visum est, Symb. B. ed. Müller S.
39. 455. 456. 471. 524. 601. 712. 720. cf. Luther bij Köstlin II 494.
Otto, Geist u. Wort nach Luther, Gött. 1898. Melanchton, Ex. ordin.
C. R. 23, 15, 18, 37. Loci, ib. 21, 761, 765, en anderen, Flacius,
Chemniz, Hunnius, Hutter, Gerhard bij J, Müller, Das Verhältniss zw. der
Wirksamkeit des H. Geistes u. d. Gnadenmittel des göttl. Wortes, Dogm.
Abh. 1870 S. 155 f. Maar toch was er van huis uit al eenig onderscheid.
Terwijl de Gereformeerden het gewoonlijk zoo voorstellen, dat de H.
Geest zich paart met het woord, cum verbo, drukken de Lutherschen zich
liefst zoo uit en leggen er steeds sterker den nadruk op, dat de H.
Geest werkt door het woord als zijn instrument, per verbum. En terwijl
de Gereformeerden altijd onderscheid maakten tusschen de gewone en
buitengewone wijze, waarop God de genade werkte in het hart, lieten de
Lutheranen, uit vrees voor de Anabaptisten, de buitengewone wijze hoe
langer hoe meer weg en zeiden, Deum nemini spiritum vel gratiam suam
largiri nisi per verbum et cum verbo externo et praecedente, Smalc.
III 8, of zooals Luther telkens zeide: Deus interna non dat nisi per
externa. En toen nu in 1621 de Danziger predikant Hermann Rathmann †
1628 een geschrift uitgaf, waarin hij leerde, dat het woord alleen geen
kracht had om den mensch te bekeeren, tenzij de H. Geest met zijne genade
erbij kwam, Herzog² 12, 506, toen verhieven zich bijna alle Luthersche
theologen tegen hem en ontwikkelden als de echte Luthersche leer, dat
het woord Gods de kracht des H. Geestes tot bekeering in zich bezit,
dat die kracht door Goddelijke beschikking erin gelegd is en er zoo
onafscheidelijk mede verbonden is, dat zij in het woord ook zelfs nog
inzit ante et extra omnem usum legitimum, evenals de hand des menschen,
ook al werkt zij niet, toch altijd de vis operandi behoudt, Quenstedt,
Theol. I 169. Hollaz, Ex. 992. Buddeus, Inst. theol. 110. Schmid, Dogm.
d. ev. luth. K. § 51. Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. 29 f.
Nu is inderdaad het woord, dat van Gods mond uitgaat, altijd eene
kracht, die datgene volbrengt, waartoe God het zendt. Dat is het op
natuurlijk gebied in schepping en onderhouding, dat is het ook op
zedelijk en geestelijk terrein bij het werk der herschepping. En dit geldt
zelfs niet alleen van het evangelie maar ook van de wet. Paulus zegt
wel van de Oudtest. wettische bedeeling, dat το γραμμα ἀποκτεννει, 2
Cor. 3:6, maar daardoor drukt hij juist zoo sterk mogelijk uit, dat zij
geen doode letter is; veeleer is zij zoo machtig, dat zij zonde, toorn,
vloek en dood werkt; ὁ νομος ὀργην κατεργαζεται, Rom. 4:15, is δυναμις
της ἁμαρτιας, 1 Cor. 15:56, διακονια της κατακρισεως, του θανατου, 2
Cor. 3:7, 9. En daartegenover staat nu het evangelie als eene δυναμις
θεο εἰς σωτηριαν, Rom. 1:16, 1 Cor. 1:18, 2:4, 5, 15:2, Ef. 1:13;
het is, wijl geen menschen- maar Gods woord, Hd. 4:29, 1 Thess. 2:13,
levend en blijvend, 1 Petr. 1:25, levend en krachtig, Hebr. 4:12, geest
en leven, Joh. 6:63, een licht, dat schijnt in een duistere plaats,
2 Petr. 1:19, een zaad, dat in de harten gestrooid wordt, Mt. 13:3,
opwast en vermenigvuldigd wordt, Hd. 12:24, van groote waarde is, ook
al zijn degenen, die het planten en natmaken, niets, 1 Cor. 3:7, een
scherp tweesnijdend zwaard, dat doordringt in ’t binnenste wezen van
den mensch en al zijne gedachten en overleggingen oordeelt, Hebr. 4:12.
En daarom is het niet ledig en ijdel, maar het werkt, ἐνεργειται, in
degenen die gelooven, 1 Thess. 2:13; en de werken, die het tot stand
brengt, zijn wedergeboorte, 1 Cor. 4:15, Joh. 1:18, 1 Petr. 1:23,
geloof, Rom. 10:17, verlichting, 2 Cor. 4:4-6, Ef. 3:9, 5:14, 1 Tim.
1:20, onderwijzing, verbetering, vertroosting enz., 1 Cor. 14:3, 2 Tim.
3:15. Zelfs in degenen, die verloren gaan, oefent het evangelie zijne
werking uit; het is hun tot een val, tot een ergernis en dwaasheid,
tot een steen, waaraan zij zich stooten, tot een reuke des doods ten
doode, Luk. 2:34, Rom. 9:32, 1 Cor. 2:23, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8.
Tegenover het spiritualisme is deze macht van het woord Gods en
bepaaldelijk van het evangelie met de Lutherschen in hare volle, rijke
beteekenis te handhaven. De tegenstelling van het in- en uitwendige,
van het geestelijke en het stoffelijke, van eeuwigheid en tijd, van
wezen en vorm enz. is uit eene valsche philosophie afkomstig en met
de Schrift in strijd. God is de Schepper van den hemel maar ook van
de aarde, van de ziel en van het lichaam beide, van geest en stof te
zamen. En daarom is ook het woord geen ijdele klank, geen ledig teeken,
geen koud symbool; maar alle woord, ook van den mensch, is eene macht,
grooter en duurzamer dan de macht van het zwaard; er zit gedachte,
geest, ziel, leven in. Indien dit geldt van het woord in het algemeen,
hoeveel te meer van het woord, dat van Gods mond uitgaat en door Hem
gesproken wordt? Dat is een woord, dat schept en onderhoudt, oordeelt
en doodt, herschept en vernieuwt, altijd zijn werking doet en nooit ledig
wederkeert. Bij een menschenwoord maakt het een groot verschil, of het
geschreven of gedrukt is, gelezen of gehoord wordt; en bij het gesproken
woord is wederom de vorm en voordracht van de grootste beteekenis.
Ook hangt de macht van het menschelijk woord af van de mate, waarin
iemand zijn hart, zijn ziel erin neergelegd heeft, van den afstand, die
tusschen den persoon en zijn woord bestaat. Maar bij God is dat anders.
Het is altijd zijn woord; Hij is er altijd bij tegenwoordig; Hij draagt het
steeds door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht; Hij is het
altijd zelf, die in wat vorm en door wat middelen dan ook, het tot de
menschen brengt en er hen door roept. Daarom, al is het woord Gods, dat
vrij door de dienaren verkondigd of ook in vermaning, toespraak, boek of
geschrift tot de menschen gebracht wordt, wel uit de H. Schrift genomen
maar niet met die Schrift identisch, toch is het een woord Gods, dat
van Gods wege tot den mensch komt, door den H. Geest gesproken wordt
en daarom ook altijd zijne werking doet. Het woord Gods is nooit los
van God, van Christus, van den H. Geest; het heeft geen bestand in
zichzelf; het is niet deistisch van zijn schepper en auteur te scheiden.
Gelijk de Schrift niet eenmaal door den H. Geest geinspireerd is maar
voortdurend door dien Geest gedragen, bewaard, krachtig gemaakt wordt,
zoo is het ook met het woord Gods, dat, uit de Schrift genomen, op
eene of andere wijze aan menschen gepredikt wordt. Jezus sprak door den
Geest, Joh. 6:63; de apostelen, die dien Geest ontvingen, Mt. 10:20,
Luk. 12:12, 21:15, Joh. 14:26, 15:26, verkondigden het evangelie niet
alleen in woorden maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Thess. 1:5,
6, in betooning van Geest en kracht, 1 Cor. 2:4, en hanteerden het als
het zwaard des Geestes, Ef. 6:17. In zooverre hebben de Lutherschen ook
volkomen gelijk; het woord Gods is altijd en overal eene kracht Gods,
een zwaard des Geestes; semper huic verbo adest praesens Spiritus
Sanctus. Maar desniettemin leeren Schrift en ervaring, dat dat woord
Gods niet altijd dezelfde werking doet; efficax is het in zekeren zin
altijd, het is nooit krachteloos; indien het niet opheft, slaat het
neer; indien het niet tot een opstanding is, dan tot een val; indien
niet tot eene reuke des levens, dan tot eene reuke des doods. De
vraag rijst dus, wanneer het woord Gods in dien zin efficax is, dat
het tot geloof en bekeering leidt. De Lutherschen sluiten nu, om den
mensch onontschuldigbaar te stellen, deze Goddelijke, bovennatuurlijke
efficacia op in het woord, maar vorderen daarmede niets en moeten, om
de verschillende uitkomst van het woord bij den mensch te verklaren, tot
den vrijen wil de toevlucht nemen. Maar de Gereformeerden rekenden met
het feit van die dubbele uitkomst, beschouwden de efficacia niet als
eene onpersoonlijke, magische kracht, die in het woord was gelegd, maar
dachten dat woord altijd in verband met zijn auteur, met den Christus,
die het bedient door den H. Geest. En die H. Geest is geen onbewuste
kracht maar een persoon, die altijd bij het woord is, het altijd draagt en
werkzaam doet zijn maar niet altijd werkzaam doet zijn op dezelfde wijze.
Hij bezigt naar het onnaspeurlijk welbehagen Gods dat woord tot bekeering
maar ook tot verharding, tot een opstanding maar ook tot een val. Hij
werkt altijd door het woord, maar niet altijd op dezelfde wijze. En als
Hij er zoo door werken wil, dat het tot geloof en bekeering leidt, dan
behoeft Hij objectief aan het woord niets toe te voegen. Dat woord is
goed en wijs en heilig, een woord Gods, een woord van Christus, en de H.
Geest neemt alles uit Christus. Maar opdat het zaad des woords goede
vruchten drage, moet het in een weltoebereide aarde vallen. Ook de
akker moet voor de ontvangst van het zaad worden gereed gemaakt. Deze
subjectieve werkzaamheid des H. Geestes moet dus bij het objectieve
woord bij komen. Zij kan uit den aard der zaak niet in het woord
opgesloten en besloten zijn, zij is eene andere, eene bijkomende, eene
subjectieve werkzaamheid, niet eene werkzaamheid per verbum maar cum
verbo, een openen van het hart, Hd. 16:14, een inwendige openbaring,
Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, een trekken tot Christus, Joh. 6:44, een
verlichting des verstands, Ef. 1:18, Col. 1:9-11, een werken van het
willen en het werken, Phil. 2:13 enz., cf. deel III 498. Daarmede wordt
de Geest niet van het woord losgemaakt of gescheiden, ook zelfs dan
niet, wanneer Hij, gelijk bij kinderkens, de wedergeboorte werkt zonder
eenig middel der genade. Want de Geest, die wederbaart, is niet de
Geest van God in het algemeen, maar de Geest van Christus, de Heilige
Geest, de Geest, dien Christus verworven heeft, door wien Christus
regeert, die alles alleen uit Christus neemt en die door Christus in
de gemeente uitgestort is en dus de Geest der gemeente is. Daargelaten
of de H. Geest, soms ook in Heidenen werkt en werken kan, wat in elk
geval exceptioneel is, in den regel werkt Hij de wedergeboorte alleen
in zulken, die leven onder de bediening des verbonds. Ook kinderkens,
die door Hem worden wedergeboren, zijn kinderen des verbonds, van dat
verbond, hetwelk het woord Gods tot inhoud heeft en het sacrament
tot teeken en zegel ontving. De H. Geest volgt Christus dus in zijnen
gang door de historie; Hij bindt zich aan het woord van Christus en
werkt alleen in den naam en naar het bevel van Christus. Individueel
en subjectief, wanneer bijv. een kind losgedacht wordt van heel zijne
omgeving, van de kerk, waarin het geboren wordt, moge het den schijn
hebben, alsof de Geest werkte zonder het woord; objectief en zakelijk
werkt de H. Geest slechts daar, waar het verbond der genade met de
bediening van woord en sacrament zich uitgebreid heeft. En daarom
wordt de wedergeboorte bij kinderkens, wanneer zij opwassen, altijd
daaraan gekend en in hare echtheid bewezen, dat zij in de daden van
geloof en bekeering overgaat en dan zich aansluit bij het woord Gods,
dat objectief in de H. Schrift voor ons ligt. De H. Geest, die in
de wedergeboorte niets anders toepast dan het woord, de kracht, de
verdienste van Christus, leidt vanzelf ook het bewuste leven naar dat
woord heen, dat Hij uit Christus nam en door profeten en apostelen
beschrijven deed, cf. deel III 484. 504. 525 en voorts Conf. Belg. 24.
Heid. Cat. qu. 65. 67. Helv. II 18. Can. Dordr. III 6. V 7. 14. Calvijn,
passim, bv. Inst. III 2, 33. IV 14, 11. adv. Libert. c. 9. Turretinus,
Theol. El. XV, 4, 23 sq. Hodge, Syst. Theol. III 466-485. Bartlett,
The letter and the spirit, Bampton Lectures 1888. Müller, Dogm.
Abhandl. 127-277. Dorner, Chr. Gl. II 799. Frank, Chr. Wahrheit II 243.
§ 51. DE SACRAMENTEN.
1. Bij het woord komt als tweede genademiddel het sacrament. De H.
Schrift kent dezen naam niet en heeft ook geen leer over de sacramenten
in het algemeen. Zij spreekt wel van besnijdenis en pascha, van doop en
avondmaal, maar vat deze instellingen niet onder één begrip saam. Zoo
geschiedde ook nog niet in de eerste christelijke gemeenten. Ofschoon
wij Hd. 2:42 lezen, dat de gemeente te Jeruzalem volhardde in de leer
der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods en in de
gebeden, en uit Hd. 6:4 kunnen opmaken, dat er eene bediening des
woords was, weten wij toch van de inrichting der gemeentevergadering
te Jeruzalem weinig af. Iets meer is uit 1 Cor. 11:1-14:40 ons bekend
van de godsdienstoefeningen der geloovigen uit de Heidenen. Nadat de
geloovigen op grond van persoonlijke belijdenis door den doop op den
naam van Christus in de gemeente, εἰς ἑν σωμα, opgenomen waren, Rom.
6:3-5, 1 Cor. 12:13, Gal. 3:27, kwamen zij geregeld op den dag des
Heeren saam, Hd. 20:7, 1 Cor. 16:2, Op. 1:10. Waarschijnlijk hielden zij
op dien dag twee vergaderingen, eene tot den dienst des woords, waarbij
de toegang ook voor niet-leden vrijstond, 1 Cor. 14:23, een gedeelte
uit de O. T. Schrift en later ook uit de apostolische geschriften
werd voorgelezen, ieder lid der gemeente vrij het woord kon nemen,
1 Cor. 14:26, en gebeden en gezongen werd, Hd. 2:42, Rom. 12:12, 1
Cor. 14:14, 15, 26; en eene andere tot viering van het avondmaal,
εἰς το φαγειν, 1 Cor. 11:33, waaraan alleen de geloovigen mochten
deelnemen, 10:16v., 11:20v., waarin eerst gebeden en gedankt werd,
dan een gemeenschappelijke maaltijd (ἀγαπη) Jud. 12, 2 Petr. 2:13
gehouden werd van de door de geloovigen saamgebrachte gaven, daarna
wederom gebeden en gedankt (εὐχαριστια) en het avondmaal gevierd
werd. Wel meenen Jülicher, Spitta, Haupt, Hoffmann, Drews e. a., dat
in den apostolischen tijd het avondmaal niet van den gewonen maaltijd
onderscheiden was, maar dat heel de ἀγαπη een εὐχαριστια, een δειπνον
κυριακον was, maar dit gevoelen wordt door Harnack, Zahn, Grafe e. a.
terecht verworpen; Jezus stelde het avondmaal na den gewonen maaltijd
in, Mt. 26:26, 1 Cor. 11:25, en Paulus onderscheidt beide in 1 Cor.
11:20, 21 en stelt voor, om ze geheel te scheiden, doordat de gewone
maaltijd te voren in huis gehouden worde, 1 Cor. 11:22, Weiszäcker, Das
apost. Zeitalter² S. 566 f. Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I 96
f. 130 f. Zahn art. Agapen en Drews art. Eucharistie in Herzog³. W.
Schmidt, Dogm. II 466. Maar in de tweede eeuw kwam hier allengs groote
verandering in. De viering van het avondmaal werd, om welke redenen
dan ook, cf. Drews in Herzog³ 5, 562, van de agapae losgemaakt, en
de beide vergaderingen, die tot den dienst des woords en die tot het
avondmaal, werden vereenigd. Voortaan had de viering van het avondmaal
in de gewone godsdienstoefening na de bediening des woords plaats; de
godsdienstoefening werd in twee gedeelten onderscheiden, bij het eerste,
de bediening des woords, mochten ook Heidenen of althans catechumenen
en poenitenten tegenwoordig zijn, maar het tweede, de viering van
het avondmaal, stond alleen voor de gedoopten open, en kreeg door
de bijvoeging van doopsbelijdenis, doopsbediening, oratio dominica en
allerlei ritueele en symbolische handelingen hoe langer hoe meer een
mysterieus karakter. Het wijd verbreide grieksche mysteriewezen kreeg
invloed op den christelijken godsdienst. In het N. T. is μυστηριον de
naam voor woorden en daden Gods, die vroeger verborgen waren maar
die nu openbaar zijn geworden, deel I § 30. Maar dit woord kreeg in
de christelijke kerk spoedig eene gansch andere beteekenis en werd de
aanduiding van al wat in den christelijken godsdienst geheimzinnig
en onbegrijpelijk was. In het latijn werd dit woord door sacramenten
overgezet, dat de beteekenis had van eed, vooral door den soldaat aan
het vaandel af te leggen, of van eene geldsom, die bij een proces in
een locus sacer moest neergelegd worden en bij verlies van het proces
aan de goden verviel, maar dat nu de gedachte van eene geheimzinnige,
heilige handeling of zaak in zich opnam. In dezen zin kon al wat met
God en zijne openbaring in eenig verband stond, een sacrament worden
genoemd, de openbaring zelve en haar inhoud, de leer, de triniteit,
de vleeschwording enz., voorts allerlei teekenen, zooals het teeken
van het kruis, het zout, dat aan de catechumenen gegeven werd,
eindelijk alle heilige handelingen, priesterwijding, huwelijk, exorcisme,
sabbatsviering, besnijdenis en alle ceremoniën; cf. behalve de werken,
deel I 530v. genoemd, Moeller-v. Schubert I 332 f. en daar aangehaalde
litteratuur. Herzog² art. Sakrament. Ziegert, Ueber die Ansätze zu
einer Mysterienlehre, Stud. u. Kr. 1894. Al treden nu onder deze met
den naam van sacrament aangeduide heilige handelingen doop en avondmaal
nog altijd duidelijk op den voorgrond, toch was de vaagheid van den
naam oorzaak, dat het getal der sacramenten langen tijd onbepaald
bleef. Ook Augustinus bezigt het begrip nog in ruimeren zin en gaat
bij zijne definitie van die beteekenis uit. Eerst Pseudodionysius in
de 6e eeuw telde in zijne eccl. hier. IV 2 sq. zes sacramenten: doop,
confirmatie, eucharistie, priesterwijding, monnikwijding en gebruiken bij
de begrafenis. Maar de scholastiek sloot zich in de bepaling van het
begrip sacrament bij Augustinus aan en rekende er verschillende heilige
zaken en handelingen onder. Hugo van St. Victor, de Sacr. I 9, 7 noemt
niet minder dan 30 sacramenten en verdeelt ze in drie klassen: zulke,
die tot de zaligheid noodig zijn (doop, confirmatie, eucharistie enz.),
zulke, die eene hoogere genade mededeelen (gebruik van wijwater enz.)
en zulke, die dienen tot voorbereiding voor de overige sacramenten
(wijding van heilige gereedschappen enz.). Abaelard telt er vijf:
doop, confirmatie, eucharistie, laatste oliesel en huwelijk, terwijl
Robert Pullus er ook vijf noemt, maar de beide laatste door biecht en
priesterwijding vervangt. Bernard geeft geen getal op maar noemt op
verschillende plaatsen doop, voetwassching, confirmatie, eucharistie,
biecht, laatste oliesel, priesterwijding, investituur, huwelijk met den
naam van sacramenten. Eerst Lombardus, Sent. IV dist. 2 heeft het
bekende zevental, maar ook na hem spreken theologen en synoden (bijv.
het lateraanconcilie van 1179) nog van sacramenten in ruimen zin. En
dit duurt, totdat de sententiae van Lombardus algemeen handboek voor
de studie der theologie werden en het concilie te Florence 1439 het
zevental vaststelde, cf. Schwane, D. G. III 584 f. Harnack, D. G. III
463. Met deze beperking van het getal ging de bepaling van het begrip
hand aan hand. Bij de kerkvaders werden vele heilige handelingen, vooral
doop en avondmaal, wel hoog verheven, en van eene bovennatuurlijke
kracht en genade voorzien gedacht. Maar eene leer der sacramenten
ontbreekt; de verhouding van het zinnelijk en geestelijk element wordt
niet duidelijk bepaald, en de wijze van werking niet helder omschreven.
Augustinus onderscheidt in de sacramenten twee bestanddeelen: dicuntur
sacramenta, quia in eis aliud videtur, aliud intellegitur. Quod
videtur, speciem habet spiritalem, Serm. 272. detrahe verbum et quid
est aqua nisi aqua? accedit verbum ad elementum et fit sacramentum, in
Ev. Joh. 80, 3. Soms legt hij zoozeer den nadruk op het woord en voor
de werking van het sacrament op het geloof van den ontvanger, dat het
teeken slechts een beeld wordt van de beteekende zaak. Maar aan de
andere zijde gaf hij zulk een ruime definitie van het begrip sacrament,
dat er allerlei kerkelijke handelingen onder vallen konden, en bond hij
tegen de Donatisten de sacramenten zoo aan de kerk, dat zij door de
ketters wel konden meegenomen worden maar toch alleen binnen de kerk de
genade konden meedeelen, Hahn, Die Lehre v. d. Sakr. Breslau 1864 S. 11
f. Harnack, D. G. III 141.
De eigenlijke leer der sacramenten is een product der middeleeuwsche
scholastiek; zij eerst stelde een nauwkeurig en dikwerf splinterig
onderzoek in omtrent het begrip, de instelling, den bedienaar, de
noodzakelijkheid, de doelmatigheid, het getal, de bestanddeelen, de
verhouding van het sacramentum en de res sacramenti, het onderscheid
tusschen de sacramenten in het paradijs, het oude en het nieuwe
testament, het onderling verschil der zeven sacramenten, de physische
of moreele werking, de onderscheidene genade, die zij mededeelen,
de vereischten voor de uitdeeling en de ontvangst der sacramenten,
Hugo Vict., de sacramentis. Lombardus, Sent. IV 1. 2. en comm. van
Thomas, Bonaventura, Duns Scotus. Thomas, S. Theol. III qu. 60-65.
Bonaventura, Brevil. VI 1-5. Schwane, D. G. III 579-605. Harnack, D.
G. III 466 f. Resultaat van deze scholastieke ontwikkeling was, dat
ten deele reeds op vroegere conciliën maar vooral te Trente over de
leer der sacramenten in het algemeen het volgende vastgesteld werd:
1º alle sacramenten des N. Verbonds zijn door Christus ingesteld en
zijn zeven in getal: doop, confirmatie, eucharistie, boete, laatste
oliesel, priesterwijding en huwelijk. 2º Deze zijn alle ware en eigenlijke
sacramenten, van die des O. Verbonds wezenlijk onderscheiden, maar
toch onderling in waarde verschillend. 3º Zij zijn, ofschoon niet alle
voor ieder mensch, tot zaligheid noodzakelijk, zoodat zonder hen of
althans zonder verlangen ernaar, door ’t geloof alleen, de genade der
rechtvaardigmaking niet te verkrijgen is. 4º Zij beteekenen niet alleen
de genade, maar bevatten haar ook en deelen haar ex opere operato mede.
5º Van de zijde des bedienaars wordt voor de waarachtigheid van het
sacrament minstens vereischt, dat hij de intentie hebbe om te doen, wat
de kerk doet, maar is het overigens onverschillig, of hij in doodzonde
verkeert. 6º Wettige uitdeelers der sacramenten zijn alleen de geordende
priesters, maar confirmatie en priesterwijding geschieden alleen door
den bisschop, en de doop mag in geval van nood ook door leeken bediend.
7º Van de zijde des ontvangers is alleen noodig, dat hij de intentie
hebbe om te ontvangen wat de kerk geeft en aan de genade geen hindernis
in den weg legge. 8º Ieder sacrament verleent eene bijzondere genade,
en doop, confirmatie en ordening verleenen een character indelebilis.
Cf. Conc. Trid. VII de sacr. Cat. Rom. II cap. 1. Bellarminus,
Controv. III de sacramentis in genere in 2 boeken. Theol. Wirceb. ed.
3 IX 1-151. Perrone, Prael. theol. ed. Lov. V 301-391. Simar, Dogm.³
659-693. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath. Kirche² I
20-132. Möhler, Symbolik § 28. Jansen, Prael. III 281-367 enz. Over
de sacramentsleer in de Grieksche kerk verg. Kattenbusch, Vergl.
Confessionskunde I 393 f.
2. De ontwikkeling dezer sacramentsleer toont, dat zij zich hoe langer
hoe verder van de Schrift had verwijderd. Vooral in drieërlei opzicht
is dit het geval. Ten eerste wordt de genade, welke het sacrament
mededeelt, door Rome alleen opgevat als eene gratia sanctificans,
d. i. als eene kracht, die in den mensch wordt ingestort, hem tot
de bovennatuurlijke orde verheft en der Goddelijke natuur deelachtig
maakt. De genade is van de schuld en vergeving der zonden schier
geheel losgemaakt en in eene aan den mensch van buitenaf toekomende,
bovennatuurlijke gave veranderd. Ten tweede is de band van het
sacrament aan het woord door Rome zoo goed als geheel verbroken; het
woord heeft wel eenige beteekenis, maar slechts eene voorloopige en
praeparatoire; het geloof, dat door het woord gewerkt wordt, is niets
dan een historisch geloof, dat ter zaligheid onvoldoende is en door
de liefde, d. i. door de gratia infusa moet aangevuld worden. En deze
gratia wordt alleen meegedeeld door het sacrament, dat daarom eene
eigene, zelfstandige plaats inneemt naast het woord en het in waarde
verre overtreft. Ten derde is het geloof volstrekt geen vereischte
meer in den ontvanger van het sacrament; de genade ligt als gratia
sanctificans, als iets materieels, in het sacrament besloten, wordt
erdoor medegedeeld ex opere operato, en onderstelt dus hoogstens,
dat de ontvanger geen onoverkomelijke hindernis in den weg legge. Het
sacrament werkt dus physisch en magisch, krachtens eene macht, door
God aan den priester geschonken, als een instrument in zijne hand. Op
alle drie punten heeft de Hervorming de Roomsche sacramentsleer naar de
Schrift herzien en gewijzigd; Zwingli, Luther, Calvijn waren hierbij met
elkander eenstemmig en spraken het gemeenschappelijk uit, dat de genade,
die in het sacrament werd meegedeeld, in de eerste plaats de vergevende
genade was en niet op de lagere, van het donum superadditum verstoken
natuur maar op de zonde betrekking had; dat het sacrament een teeken
en zegel was, aan het woord gehecht, geen enkele genade meedeelde, die
niet door het woord geschonken werd en dus zonder het woord hoegenaamd
geen waarde had; en dat niet het sacrament zelf maar toch wel zijne
werking en vrucht afhing van het geloof en in den ontvanger dus altijd
het zaligmakend geloof onderstelde. Maar overigens openbaarde zich
in de sacramentsleer tusschen de Hervormers al spoedig belangrijk
verschil. De sacramenten werden tusschen Roomschen, Lutheranen,
Zwinglianen, Gereformeerden, Anabaptisten enz. het middelpunt van den
strijd. Zij werden het schibboleth van elk dogmatisch systeem; daarin
belichaamden zich practisch en concreet de beginselen, van welke men
in kerk en theologie, in leer en leven uitging; de verhouding van God
en wereld, schepping en herschepping, Goddelijke en menschelijke natuur
van Christus, zonde en genade, geest en stof kwam in het sacrament
tot hare practische toepassing; alle strijd bewoog zich om de unio
sacramentalis, de vereeniging van teeken en beteekende zaak, het
verband van sacramentum en res sacramenti. Luther legde eerst, in 1518
en 1519, al den nadruk op het geloof, dat alleen het sacrament werken
doet en zoo de gemeenschap aan Christus en zijne weldaden ons deelachtig
maakt; dan, van 1520 tot 1524, brengt hij het sacrament vooral in
verband met het woord, waarvan het een teeken en zegel is; en eindelijk,
na 1524, kwam hij er, uit vrees voor de Wederdoopers, meer en meer
toe, om de sacramenten onontbeerlijk te achten, hun objectief karakter
op grond van de instelling van Christus te handhaven, en het verband
tusschen teeken en beteekende zaak temporeel, corporeel en locaal op te
vatten, zoodat naar de latere Luthersche voorstelling de res coelestis
_in_, _met_ en _onder_ het element verborgen is, gelijk de kracht des
H. Geestes ingegaan is in het woord, en de genade door de sacramenten
werkt als door hare instrumenta, media, adminicula, vehicula, organa,
Luther bij Köstlin II 503 f. Heppe, Dogm. d. d. Prot. III 39 f. Symb.
Bücher ed. Müller S. 39. 41. 202. 264. 321 enz. Gerhard, Loc. XVIII.
Quenstedt, IV 73-88. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 53. Daartegenover
leerde Zwingli, dat de sacramenten, wijl zij alleen bediend worden
aan zulken, die het geloof en door dat geloof Christus en al zijne
weldaden deelachtig zijn, in de eerste plaats teekenen en bewijzen des
geloofs, belijdenisacten zijn, en dan in de tweede plaats ook middelen
tot versterking des geloofs, wijl zij ons herinneren de weldaden, waarop
ons geloof betrekking heeft, ons geloof steeds meer van onszelven af
op Gods genade in Christus richten en daardoor dat geloof oefenen en
sterken, Zwingli, Fidei ratio bij Niemeyer, Conf. Ref. 24-26. Expos.
chr. fidei, ib. 50-53, en voorts Zeller, Das theol. System Zw. 111 f.
Nu vat ook Calvijn de sacramenten wel op als belijdenisacten, als mutua
nostra erga Deum pietatis testificatio. Maar dat zijn zij bij hem toch
eerst in de tweede plaats; allereerst zijn de sacramenten divinae in
nos gratiae testimonia externo signo confirmata, teekenen en zegelen
van de beloften Gods in zijn woord, spiegels, waarin wij den rijkdom
zijner genade aanschouwen. Het onzichtbaar element, de materia en
substantia van het sacrament, is dus het woord, de belofte, het verbond
der genade, de persoon van Christus met al zijne weldaden. Maar het
zichtbaar element houdt deze geestelijke goederen niet in zich besloten,
het schenkt ze ons niet propria, intrinseca virtute, God staat zijn
werk niet aan de teekenen in het sacrament af, Hij en Hij alleen is de
bezitter en blijft ook de eenige uitdeeler van genade. De teekenen
doen alleen instrumenteelen, ministerieelen dienst; God bedient er
zich van, om zijne genade mee te deelen. Maar Hij deelt deze genade
alleen mede aan wie gelooven en versterkt en voedt dan hun geloof;
ongeloovigen ontvangen alleen het teeken zonder de beteekende zaak. Hoe
nu God van de sacramenten zich bedient ter uitdeeling zijner genade,
wordt bij Calvijn en ook bij de latere Gereformeerden niet duidelijk. Er
blijft daarom voor allerlei vragen plaats; is de genade altijd met het
teeken verbonden, zoodat het sacrament objectief steeds hetzelfde
blijft? of verbindt God de genade met het teeken alleen, wanneer het
sacrament door geloovigen ontvangen wordt? of biedt God de genade
met het teeken ook aan de ongeloovige gebruikers aan, zoodat het hun
schuld is, als zij alleen het teeken aannemen en ontvangen? waarin is de
sacramenteele genade onderscheiden van die, welke de geloovigen reeds
vroeger ontvingen, en waarin verschilt zij van de subjectieve werking
des H. Geestes, die het oog der geloovigen voor het sacrament opent
en hun hart ervoor ontsluit? gaat de uitdeeling der genade gepaard
met de bediening of de ontvangst van het teeken? heeft zij daarmede
tegelijkertijd plaats of kan zij ook vroeger of later geschieden en de
vrucht van het sacrament dus vóór en onder en na de ontvangst worden
genoten? cf. Calvijn, Inst. IV 14. Catech. Genev. 5. Cons. Tigur.
Usteri, Stud. u. Krit. 1884 S. 417-455. Conf. Gall. 34. 37. Belg. 33.
Cat. Heid. qu. 66. 67 enz. a Lasco, Op. ed. Kuyper I 115-232. 511-514.
Bullinger, Huysboek V 6. Sohnius, Op. I 55. Beza, Tract. Theol. I 206.
Junius, Theses Theol. 49. 50. Zanchius, Op. VIII 511. Polanus, Synt.
Theol. VI 49-51. Synopsis pur. theol. 43. Turretinus, Theol. El. XIX
qu. 1-10. Moor V 218-267. Vitringa VI 308 enz.
Buiten de Luthersche en de Gereformeerde kerken, die in navolging van
Luther en Calvijn het objectief karakter der sacramenten handhaafden,
vond de leer van Zwingli hoe langer hoe meer ingang. De Wederdoopers
namen voetwassching, doop en avondmaal nog wel als sacramenten aan,
maar zagen er toch alleen teekenen en symbolen, geen zegelen in; de
sacramenten stellen wel zichtbaar de weldaden voor oogen, die de
geloovigen van God hebben ontvangen, maar zij doen dat als belijdenissen
van ons geloof en deelen geen genade mede, Cloppenburg, Op. II 238. De
Socinianen keurden evenals Zwingli den naam sacrament af, beschouwden
het avondmaal als een gedachtenismaaltijd en een verklaring van wat
wij in Christus hebben, en ontkenden, dat de doop op een bevel van
Christus berustte en eene blijvende instelling was, Fock, Der Socin.
559 f. De Remonstranten beleden in hunne confessie c. 23 nog wel, dat
God in de sacramenten zijne weldaden vertoont en certo modo exhibet
atque obsignat, maar hunne Apologie deed zien, dat zij daaronder geen
bezegeling van Gods belofte en geen meedeeling zijner genade verstonden;
de sacramenten zijn teekenen van het verbond tusschen God en menschen,
waarbij dezen zich verplichten tot een heilig leven en God zijne
genade hun zichtbaar voor oogen stelt, cf. Limborch, Theol. Christ.
V 66. Bij de Rationalisten werden de sacramenten tot herinnerings-
en belijdenisteekenen, wier doel was bevordering der deugd, en die
daarom licht met andere plechtige ceremoniën konden vermeerderd
worden, Wegscheider § 165. De Kwakers verwierpen de sacramenten als
joodsch ceremonieel, vatten den doop als Geestesdoop ons, die ons van
onze zonden reinigt, en het avondmaal als afbeelding van de voeding
onzer ziel door Christus, Barclay, Verantwoording 1757 bl. 325. Dit
ontbindend proces werd inzoover door Schleiermacher gestuit, als hij
eene poging waagde, om het objectief karakter der sacramenten te
handhaven en al de verschillende opvattingen in eene hoogere eenheid te
verbinden. Hij omschreef ze daartoe als fortgesetzte Wirkungen Christi,
in Handlungen der Kirche eingehüllt und mit ihnen auf das Innigste
verbunden, durch welche er seine hohepriesterliche Tätigkeit auf die
Einzelnen ausübt und die Lebensgemeinschaft zwischen ihm und uns, um
derentwillen Gott allein die Einzelnen in Christo sieht, erhält und
fortpflanzt, Chr. Gl. § 143. Maar deze poging tot verzoening slaagde
niet. De Wirkungen Christi, in Handlungen der Kirche eingehüllt,
lieten onbeslist, wat in de sacramenten het eerste en voornaamste
was. Zoo ging de theologie weldra weer in verschillende richtingen
uiteen. Sommigen bleven het bemiddelend standpunt innemen, Nitzsch,
Chr. Lehre § 191. Kaftan, Dogm. 595. Oosterzee, Dogm. II 815; anderen
reproduceerden het gevoelen van Zwingli, Lipsius, Dogm. § 807 f.
840 f. Schweizer, Chr. Gl. II 400 f. Biedermann, Chr. Dogm. II 632.
Ritschl, Unterricht in der christl. Rel. § 83. Scholten, L. H. K.
II 310, of keerden tot het confessioneele standpunt van de Luth. of
Geref. kerken terug, Philippi, Kirchl. Gl. V 2. Hodge, Syst. Theol.
III 485. En eindelijk werd door de Neolutheranen in Duitschland en door
de Zwinglianen en de Puseyisten in Engeland eene leer der sacramenten
voorgedragen, die veelzins aan Rome herinnerde, de genade door het
sacrament heen liet inwerken niet alleen op de ziel, maar ook op de
geistleibliche natuur en op het lichaam van den mensch, en het getal
der sacramenten dikwerf uitbreidde, Höfling, Das Sakr. der Taufe, Erl.
1859 I 18-20. Hofmann, Schriftbeweis II 2 S. 167 f. Thomasius, Christi
Person u. Werk II³ 355 f. Delitzsch, Bibl. Psych.² 340. 350. 354.
Martensen, Dogm. § 247-258. Vilmar, Dogm. II 226 f. Paget, Sacraments
in Gore’s Lux mundi 1892 p. 296-317.
3. De Schrift kent het woord sacrament niet en bevat ook in het
afgetrokkene geen leer over de sacramenten. Wel spreekt zij van
verschillende kerkelijke handelingen in O. en N. Test. maar zij vat die
niet onder een gemeenschappelijk begrip samen. En ook in de christelijke
kerk is niet het begrip maar de zaak het eerste; onderscheidene
leerstellingen en gebruiken der kerk werden allengs met den naam
van sacrament aangeduid. Daarom is het te begrijpen, dat zeer velen
tegen dezen naam bezwaar hadden en hem liefst door dien van teekenen,
zegelen, geheimteekens, mysteriën, Geheimnisse wilden vervangen. Niet
alleen Carlstadt, Zwingli, Socinus, Schleiermacher, Doedes enz. keurden
het woord af; maar ook Luther zeide in zijn praeludium de captivitate
Babylonica, dat de Schrift het woord niet kende in die beteekenis,
welke het had in de theologie; Calvijn, Inst. IV 14, 13 merkte op,
dat de kerkvaders in het latijnsche woord een nieuwen zin hadden
gelegd; Melanchton verving in de eerste uitgave zijner Loci het woord
sacramenta door signa, en ook Musculus, Hottinger, Burman, Coccejus
e. a. gaven aan de Schriftuurlijke namen van teekenen en zegelen de
voorkeur. Dit bezwaar tegen den naam wordt nog daardoor versterkt, dat
de grieksche beteekenis van het woord μυστηριον, in het latijn door
sacramentum vertaald, op de opvatting van de met dien naam aangeduide
kerkelijke plechtigheid invloed heeft geoefend. Toch is om dit alles
het woord niet verwerpelijk. Want de theologie bedient zich van vele
woorden, welke in de Schrift niet voorkomen en welke binnen haar kring
eene technische beteekenis hebben verkregen. Indien zij zich daarvan
onthouden moest, zou zij allen wetenschappelijken arbeid moeten staken
en zou alle prediking en uitlegging van Gods woord, ja zelfs alle
vertaling der H. Schrift ongeoorloofd zijn. Om die reden is het ook
niet af te keuren, om de behandeling van de leer der sacramenten aan
die van doop en avondmaal te laten voorafgaan. Want wel is er in de
Schrift geen afzonderlijke leer over de sacramenten te vinden en moet
deze veeleer opgebouwd worden uit hetgeen de Schrift over de bijzondere
instellingen van besnijdenis, pascha, doop en avondmaal leert; maar een
voorafgaand hoofdstuk over de sacramenten in het algemeen stelt ons
juist in staat, om hetgeen die bijzondere instellingen in de Schrift
gemeen hebben saam te vatten en deze juiste, Schriftuurlijke opvatting
te stellen tegenover de onzuivere leer, die over de sacramenten
allengs in de christelijke kerk is binnengedrongen. In de definitie
der sacramenten sloten daarom de Gereformeerden zich zoo nauw mogelijk
bij de Schrift aan. De scholastiek disputeerde erover, of er van de
sacramenten wel eene definitie te geven was, wijl zij, als saamgesteld
uit res en verba, geen ens reale, geen unum per se waren, cf.
Bellarminus, de sacr. in genere I 10. Toch leidde men uit Augustinus,
die meermalen in de sacramenten een zichtbaar en een onzichtbaar
bestanddeel onderscheidde, de definitie af, dat zij waren sacrum signum
of signum rei sacrae, Thomas, S. Theol. III qu. 60 art. 1. 2. Hugo
Vict. de sacr. I 9, of ook invisibilis gratiae visibilis forma,
Lombardus, Sent. IV 1. Hoewel niet onjuist, is deze bepaling toch te
ruim. Latere Roomsche theologen namen daarom gewoonlijk de bepaling van
den Catech. Rom. II 1, 6, 2, over en omschreven de sacramenten als
signa quaedam sensibus subjecta, quae ex Dei institutione sanctitatis
et justitiae tum significandae tum efficiendae vim habent. Hoewel
deze definitie goed kan verstaan worden, heeft zij toch in de Roomsche
theologie een zin verkregen, die met de H. Schrift in strijd is en haar
daarom voor de Reformatie onbruikbaar maakt. Immers vat de Roomsche
theologie het sacrament op als een res sacra, abdita atque occulta en
legt daarin den zin, niet van het Bijbelsch, maar van het grieksche
μυστηριον. En voorts legt zij er al den nadruk op, dat de sacramenten
de genade in zich bevatten, dat zij deze ex opere operato meedeelen, en
dat deze genade vooral bestaat in de gratia sanctificans. De Schrift
spreekt echter van den regenboog en de besnijdenis als אוֹת הַבְּרִית,
Gen. 9:12, 13, 17, 17:11, cf. Ex. 12:13, Hd. 7:8 en noemt de laatste
een σημειον περιτομης, een σφραγις της δικαιοσυνης της πιστεως, Rom.
4:11; en zij brengt evenzoo doop en avondmaal ten nauwste met het
verbond der genade, met den middelaar en de weldaden van dat verbond en
bepaaldelijk met de vergeving der zonden in verband, Mk. 1:4, 14:22-24
enz. Dienovereenkomstig omschreef de Geref. theologie de sacramenten
als heilige zichtbare teekenen en zegelen, van God ingesteld, waardoor
Hij de beloften en weldaden van het genadeverbond aan de geloovigen
te beter te verstaan geeft en verzekert, en dezen hunnerzijds voor
God, engelen en menschen hun geloof en liefde belijden en bevestigen.
Hierbij verdient het de aandacht, ten eerste, dat God als de insteller
van de sacramenten wordt genoemd. In het algemeen is er hierover in
de christelijke kerken geen verschil. Alle belijden, dat God alleen de
auteur, de insteller, de causa efficiens van de sacramenten kan zijn.
Hij toch alleen is de bezitter en uitdeeler van alle genade; Hij alleen
kan bepalen, aan welke middelen Hij zich bij de uitdeeling zijner genade
binden wil. Voorts heeft ook Christus als middelaar het recht, om
sacramenten in te stellen, want Hij is als middelaar de verwerver van
alle genade Gods. Hominum non est instituere et formare Dei cultum, sed
traditum a Deo recipere et custodire, Helv. II 19. Maar Rome verkeert
hierbij in eene eigenaardige moeilijkheid. Wijl door Christus geen andere
sacramenten waren ingesteld dan die van doop en avondmaal, moest van de
andere sacramenten worden beweerd, dat zij òf geen sacramenten waren òf
dat ook de apostelen het recht hadden, tot instelling van sacramenten.
Vóór het concilie van Trente beweerden velen, Lombardus, Sent. IV dist.
3, Hugo Vict., de sacr. II 15, 2, Halesius, Bonaventura e. a., dat de
sacramenten, bijv. confirmatie, biecht, niet onmiddellijk door Christus,
maar door de apostelen waren ingesteld, Schwane, D. G. III 597. Doch
het concilie te Trente sess. 7 can. 1 bepaalde uitdrukkelijk, dat
alle zeven sacramenten door Jezus Christus onzen Heere zelven, (niet
middellijk want dat erkenden allen; dan ware geen conciliebesluit noodig
geweest, maar onmiddellijk, Bellarm. de sacr. I c. 23) waren ingesteld
en legden daarmede aan de theologie eene onuitvoerbare verplichting op.
Toch had het concilie in zoover gelijk, als het erkent, dat het recht
tot instelling van sacramenten zelfs niet door God op schepselen kan
worden overgedragen. Menschen kunnen de instelling van een sacrament
bekend maken, Ex. 12:1, Mk. 1:4, 11:30, 1 Cor. 11:23, kunnen het teeken
ervan uitreiken, kunnen de genade Gods aankondigen, maar zij kunnen
deze genade uit den aard der zaak niet realiter schenken. De genade
toch is geen stoffelijk goed, maar zij is de gunst, de gemeenschap Gods,
van Hem onafscheidelijk en daarom door geen schepsel, door geen mensch
of engel mede te deelen. Daarom is God in Christus door den H. Geest
de eenige insteller maar ook de eenige uitdeeler van het sacrament.
Alleen dat sacrament is het ware, dat door God zelf bediend wordt.
Het is Christus zelf, die in zijne kerk doopt en avondmaal houdt. Hij
heeft zijn ambt niet overgedragen en geen plaatsvervanger op aarde
aangesteld, Hij regeert zelf en gelijk Hij alleen als profeet het woord
bedient, zoo is Hij ook de eenige bedienaar van het sacrament, al
is het, dat Hij ook daarbij menschen als zijne instrumenten gebruikt,
Helv. II 19. Synopsis pur. theol. 43, 8. Turretinus, Th. El. XIX 1,
14. Amyraldus, Theses Salm. III 10. Vitringa VI 338. Ten tweede, in
de Geref. definitie van de sacramenten is ook opmerkelijk, dat ze als
teekenen omschreven worden. Ofschoon enkele Gereformeerden ze ook wel,
hetzij doorgaans, hetzij bij afwisseling, tot de ceremoniae, ritus of
actiones rekenden, Bullinger, Huisboek, V 6. Trelcatius Jr. Loci Comm.
p. 141, Junius, Theses Theol. 50, 6 enz., toch herleidden verreweg de
meesten ze tot het soortbegrip van signa, sigilla, imagines, symbola,
typi, antitypi, cf. Moor V 231. Vitringa VI 341. Zij weken hierin, ten
deele ook van de Roomschen maar vooral van de Lutherschen af, die op
de omschrijving door actiones bijzonder gesteld waren en daarin een
belangrijk geschilpunt met de Gereformeerden zagen, Gerhard, Loc. XVIII
22 sq. Dit is van Luthersche zijde daarom bevreemdend, wijl zij bij het
woord leeren, dat de kracht des H. Geestes erin besloten ligt, ook
vóór en buiten het gebruik. De analogie zou eischen, dat niet op de
handeling maar op het teeken in het sacrament de nadruk viel. Toch is
dit niet het geval. De Lutherschen zien in het sacrament allereerst
eene handeling, bestaande in mededeeling van de genade in, met en
onder het teeken. De Gereformeerden ontkenden nu volstrekt niet, dat
er in het sacrament eene handeling was. Maar dit was eene verborgene,
onzichtbare handeling van Christus, die inwendig in de harten door den
H. Geest de genade schenkt. Daarentegen ligt bij het sacrament niet
de hoofdzaak in de handeling van den dienaar, alsof die van zooveel
gewicht ware en zelfs eene con- of transsubstantiatie tot stand bracht,
maar in het teeken-zijn van het sacrament; het beeldt af en verzekert
de handeling van Christus, ja de handeling van den bedienaar van het
sacrament, ofschoon eene actio, is zelve eene actio significativa. En
de Schrift noemt daarom de sacramenten met den naam van teekenen en
zegelen en verplicht ook Roomschen en Lutherschen om deze benaming goed
te keuren, Bucanus, Instit. theol. 559. Maresius, Syst. Theol. XVIII 8.
Mastricht, Theol. VII 3, 14. Turretinus, Theol. El. XIX 3, 9. Vitringa
VI 341. Ten derde is de Geref. definitie van de sacramenten nog daarin
eigenaardig, dat zij de daad Gods en de belijdenis der geloovigen,
die daarin op te merken valt, met elkander vereenigt. Calvijn, Inst.
IV 14, 1 heeft op die wijze Luther en Zwingli met elkander verzoend.
Met Luther was hij eenstemmig, dat de daad Gods in het sacrament de
eerste en voornaamste plaats innam; maar met Zwingli oordeelde hij,
dat de geloovigen in het sacrament ook voor God, engelen en menschen
belijdenis deden van hun geloof en hun liefde. In het sacrament komt
God eerst tot de geloovigen, om hun zijne weldaden te beteekenen en te
verzegelen; Hij verzekert hun met zichtbare onderpanden, dat Hij hun God
is en huns zaads God; hij hecht zegels aan _Zijn_ woord, om _hun_ geloof
aan dat woord te versterken, Gen. 9:11-15. 17:11, Ex. 12:13, Mk. 1:4,
16:16, Luk. 22:19, Rom. 4:11 enz. Maar andererzijds zijn de sacramenten
ook acten van belijdenis; de geloovigen belijden daarin hun bekeering,
hun geloof, hunne gehoorzaamheid, hun gemeenschap met Christus en
met elkander; terwijl God hun verzekert, dat Hij hun God is, betuigen
zij plechtig, dat zij zijne kinderen zijn; elk sacramentsgebruik is een
verbondsvernieuwing, een gelofte van trouw, een eed, die tot den dienst
van Christus verplicht, Mk. 1:5, 16:16, Hd. 2:41, 8:37, Rom. 6:3v., 1
Cor. 10:16v., cf. Ned. Gel. 36. Form. v. doop en avondmaal. Vitringa VI
423 sq. Heppe, Dogm. d. ref. K. 441.
4. In den naam van teeken en zegel ligt opgesloten, dat het sacrament
uit twee deelen bestaat, die als verbum en elementum, res sacramenti en
sacramentum (in enger zin), signatum en signum, res coelestis en res
terrestris, materia interna en externa onderscheiden worden. Teeken
en zegel toch wijzen beide heen naar iets anders, waarvan zij teeken en
zegel zijn. Teekenen zijn er vele en velerlei; er zijn, zooals Augustinus,
de doctr. christ. II 1 reeds opmerkte, natuurlijke en positieve,
aangenomene, ingestelde teekenen. Tot de eerste behooren bijv. de rook,
die aan het vuur, de dageraad, die aan de zon, de voetstap, die aan
den wandelaar, de geur, die aan de bloem, de lach, die aan de vreugde,
de traan, die aan de smart doet denken. Positieve teekenen zijn zulke,
die door afspraak, overeenkomst, gewoonte of gebruik vastgesteld en in
enger of ruimer kring aangenomen en erkend zijn; tot deze soort behooren
alle letterteekens, parolen, vaandels, insignes enz. Al deze teekens
zijn als gewone weder van de buitengewone onderscheiden, onder welke
de wonderen de voornaamste plaats innemen; in de Schrift worden deze
dikwerf met den naam σημεια aangeduid, omdat zij een bewijs en teeken zijn
van Gods tegenwoordigheid, van zijne genade of macht, van zijne waarheid
of gerechtigheid. Ook worden teekenen nog tot verschillende groepen
gebracht, naarmate zij, gelijk de gedenkteekenen, aan iets verledens,
Jos. 4:6, of, gelijk de voorspellende teekenen, aan iets toekomstigs,
Gen. 4:15, of ook, gelijk vele andere teekens, aan iets tegenwoordigs
en blijvends, Deut. 6:8, doen denken. Sacramenten nu behooren tot de
ingestelde, buitengewone teekenen, die door God, niet naar willekeur,
maar naar eene door Hem gepraeformeerde analogie, uit de zienlijke
dingen genomen en tot aanduiding en verduidelijking van onzienlijke en
eeuwige goederen gebezigd worden. Behalve teekens zijn de sacramenten
ook zegels, dienende tot bevestiging en versterking. Zegels zijn toch
van teekens daarin onderscheiden, dat zij de onzichtbare zaak niet
maar in onze gedachte terugroepen, doch ze ook voor ons bewustzijn
waarmerken en bekrachtigen. Wijl er zooveel bedrog en valschheid is in
de wereld, worden er allerlei middelen aangewend, om het ware van het
valsche, het echte van het onechte te onderscheiden. Zoo dient een
handelsmerk, om de echtheid van het fabricaat, een ijk, om de zuiverheid
van maten en gewichten, een munt, om de juiste waarde van het geld,
en een zegel, om de onvervalschtheid van geschriften te waarmerken en
te waarborgen. Van zegel is er ook menigmaal in de Schrift sprake,
wanneer iets als echt gewaarmerkt en voor vervalsching bewaard moet
worden. Brieven van vorsten, 1 Kon. 21:8, Neh. 9:38, Esth. 3:12, of
van andere personen, Jer. 32:10, en voorts wetten, Jes. 8:16, boeken,
Dan. 12:4, Op. 22:10. Daniels leeuwenkuil, Dan. 6:18, het graf van
Jezus, Mt. 27:66 enz. worden verzegeld en alzoo voor schennis behoed.
Ook God heeft een zegel, Op. 7:2; Hij verzegelt de sterren, als Hij ze
verbergt en met wolken bedekt, Job 9:7; Hij verzegelt het boek des
oordeels, zoodat niemand, dan alleen het Lam, het openen en lezen kan,
Op. 5:1; Hij verzegelt den afgrond, waarin Satan gesloten is, opdat
deze niet meer verleide, Op. 20:3; Hij verzegelt zijne dienstknechten
in de laatste verdrukking, opdat zij niet beschadigd worden, Op. 7:3,
9:4; Hij verzegelt alle geloovigen met den H. Geest, opdat zij als
erfgenamen voor de toekomstige zaligheid bewaard worden, 2 Cor. 1:22,
Ef. 1:13, 4:30; Hij verzegelt den Christus door allerlei teekenen als
den gever van de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, Joh. 6:27;
Hij geeft Paulus in den zegen op zijn arbeid een zegel, een bevestiging
van zijn apostelschap, 1 Cor. 9:2; Hij drukt zijn zegel op het gebouw
der gemeente tot een onderpand, dat zij zijn eigendom is, 2 Tim. 2:19.
Altijd zijn zegelen dus middelen, om de echtheid van personen en zaken
te waarborgen of ook om ze voor schending te bewaren. Zoo ontving nu
ook Abraham in het teeken der besnijdenis een zegel, dat is, eene
bevestiging, bekrachtiging, onderpand van de gerechtigheid, die hij had
door het geloof, Rom. 4:11. Sacramenten zijn daarom, behalve teekens,
ook zegels, door God aan zijn woord gehecht, om het, natuurlijk niet in
zichzelf want dan is het als woord Gods vast genoeg, maar voor ons
bewustzijn in geloofwaardigheid, in betrouwbaarheid te doen winnen.
Teeken en zegel zijn in de sacramenten echter de zichtbare elementen
van water, brood en wijn niet alleen, maar beteekenende en verzegelende
kracht hebben ook de verschillende ceremonieele handelingen, die er
mede gepaard gaan. De besprenging of onderdompeling bij den doop, de
zegening, breking, uitdeeling en aanneming des broods in het avondmaal
zijn geen willekeurige en onverschillige gewoonten, maar zij maken
mede de bestanddeelen uit van de sacramenten, geven ons de beloften
en weldaden des verbonds te beter te verstaan en vormen saam met de
elementen de sacramenten tot teekenen en zegelen van de onzichtbare
goederen des heils, Vitringa VI 352.