Na al hetgeen vroeger van de leer der Schrift en de oudste kerkelijke

getuigenissen gezegd werd, behoeft het geen betoog meer, dat heel dit

papale stelsel op een onschriftuurlijken grondslag rust. De consensus

patrum, n.l. na Irenaeus, de leer en practijk van pausen en conciliën,

de overeenstemming der latere theologen, gelijk ze in de Roomsche

dogmatiek breeder uiteengezet worden, bijv. bij Heinrich, Dogm. II 323

f. kunnen dit gebrek niet vergoeden. Hoezeer dit pauselijk gebouw door

zijne strenge eenheid dikwerf ook vele Protestanten bekoort, toch is

het in diezelfde mate religieus en ethisch zwak, als het politiek en

juridisch imponeert. Immers 1º aard en karakter der onfeilbaarheid

zijn onvoldoende bepaald. Rome is zoover niet durven gaan, dat zij aan

den paus dezelfde onfeilbaarheid als aan de apostelen toeschreef. Dit

lag en ligt wel op de lijn. Men zou verwachten, dat de apostelen aan

de episcopi, die zij aanstelden, en Petrus bepaald aan den bisschop

te Rome de apostolische volmacht hadden meegedeeld. Maar dit is niet

zoo. De paus is onfeilbaar doch niet door inspiratie, maar door

assistentie des H. Geestes, door eene bijzondere zorge Gods, waardoor

de kerk voor dwaling behoed en bij de waarheid bewaard wordt. En zijne

onfeilbaarheid bestaat niet daarin, dat hij nieuwe openbaringen ontvangt

en eene nieuwe leer kan voordragen, maar zij bestaat alleen hierin,

dat hij de door de apostelen overgeleverde openbaring getrouw bewaren

en uitleggen kan. En ook is zij niet in dien zin te verstaan, dat de

door den paus ex cathedra gesproken woorden in letterlijken zin Gods

Woord zijn, maar alleen, dat zij dit zakelijk bevatten, Heinrich, Dogm.

II 220-245. Jansen, Prael. theol. I 616. 2º Ofschoon de onfeilbaarheid

eene bijzondere gave is, is zij toch aan den paus niet altijd eigen, en

niet in zijn persoon, noch ook als schrijver, als redenaar, als rechter,

als wetgever, als bestuurder noch ook als wereldlijk vorst, bisschop

van Rome, metropoliet van de kerkelijke provincie van Rome of als

patriarch van het Westen doch alleen als paus, als hoofd der gansche

kerk. Er heerscht hierover echter geen eenstemmigheid. Vooral met het

oog op het geval van paus Honorius gaven vroegere theologen en zelfs

Innocentius III, bij Schwane D. G. III 535, toe, dat de paus privatim

in ketterij kon vervallen, en dan jure divino ex ipso facto als paus

afgezet was (Paludanus, Turrecremata, Alphonsus de Castro, Sylvester

e. a.) of door een rechterlijk vonnis van een concilie kon afgezet

worden (Cajetanus, Canus e. a.) Dit had echter zijne bedenkelijke zijde

en bracht de onbeperkte souvereiniteit en onschendbaarheid van den

paus in gevaar. Daarom konden anderen, zooals Pighius, Bellarminus,

Suarez e. a. zich beter vinden in de probabele en vrome meening, dat de

goddelijke voorzienigheid den paus ook persoonlijk voor ketterij bewaren

zal, Heinrich, Dogm, II 257. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 450. 3º

Het Vaticanum zegt met eene misschien het eerst door Melchior Canus,

bij Schwane D. G. IV 302, gebezigde uitdrukking, dat de paus onfeilbaar

is, wanneer hij ex cathedra spreekt. Dit schijnt een grens te trekken,

maar is practisch een zeer onbruikbare maatstaf. Want het systeem

eischt, dat niemand uitmaken kan, of een paus ex cathedra gesproken

heeft, dan alleen de paus zelf. En zoo heeft een paus het altijd in

zijne hand, om eigen uitspraken of die van andere pausen te verwerpen,

door te zeggen, dat zij niet, of ook om ze bindend te verklaren,

door te zeggen, dat zij wel ex cathedra gesproken zijn. En zelfs kan

hij later zeggen, dat hij of een voorganger, meenende ex cathedra

gesproken te hebben, het toch feitelijk niet gedaan heeft. 4º Het

onfeilbare leerambt is een onderdeel van de plena et suprema potestas

jurisdictionis in universam ecclesiam. Wel verklaart het Vaticanum,

sess. IV c. 3, niet uitdrukkelijk, dat de paus bij het uitoefenen van

deze gansche macht ten allen tijde onfeilbaar is. Maar het zegt toch,

dat ten haren aanzien cujuscumque ritus et dignitatis pastores atque

fideles, tam seorsim singuli quam simul omnes, officio hierarchicae

subordinationis veraeque obedientiae obstringuntur, non solum in

rebus, quae ad fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam

et regimen ecclesiae pertinent. Of de paus in dit alles dus feilbaar

of onfeilbaar zij, allen hebben zonder onderscheid, zender eenig

recht van critiek, (neque cuiquam de ejus licere judicare judicio)

onvoorwaardelijk aan den paus te gehoorzamen, en dat bij niet minder

dan hunner zielen zaligheid. 5º De onfeilbaarheid wordt in het Conc.

Vatic. sess. IV c. 4 wel uitdrukkelijk alleen aan den paus toegekend,

als hij ex cathedra spreekt en als herder en leeraar aller Christenen

doctrinam de fide vel moribus ab universa ecclesia tenendam definit.

Maar er is hier volstrekt niet uit af te leiden, dat hij het anders

niet is. Hoe zou anders in c. 3 ook bij zaken van tucht, regeering,

rechtspraak, absolute en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan den paus

kunnen geeischt zijn? Maar hoe dit zij, in zaken van geloof en zeden is

de paus zeker onfeilbaar. En wat hiertoe behoort, werken de Roomsche

theologen nader uit. Onfeilbaar is de paus, als hij handelt over de

waarheden der openbaring in de Schrift, over de waarheden der traditie,

over de waarheden der goddelijke instellingen, sacramenten, kerk,

kerkelijke inrichting en regeering, over de waarheden der natuurlijke

openbaring. Maar ook hiermede is de grens zijner onfeilbaarheid nog

lang niet bereikt. Om in dit alles onfeilbaar te zijn, moet hij het

ook zijn, zeggen de theologen, in het oordeelen over de bronnen der

geloofswaarheden en in de uitlegging daarvan, dat is in de vaststelling

van het gezag der Schrift, der traditie, der conciliën, der pausen,

der patres, der theologen; in het gebruik maken en aanwenden van

natuurlijke waarheden, voorstellingen, begrippen en uitdrukkingen;

in het beoordeelen en verwerpen van dwalingen en ketterijen, in het

constateeren zelfs van de facta dogmatica; in het verbod van boeken,

in zaken van discipline, in de approbatie van orden, in de canonisatie

van heiligen enz. Geloof en zeden omvatten schier alles, en al wat de

paus daarover zegt, is onfeilbaar. De term ex cathedra trekt feitelijk

hoegenaamd geen grens. Want deze uitdrukking geeft toch niet te kennen,

dat alleen die uitspraken onfeilbaar zijn, waarbij het ex cathedra

letterlijk vermeld wordt, want dan waren alle vroegere pauselijke

bepalingen daarvan uitgesloten. Ze duidt dus alleen iets zakelijks aan.

Maar wie maakt dan uit, of de paus ex cathedra spreekt? Practisch en

door het volk zal zijne uitspraak altijd als onfeilbaar worden opgevat,

al was het alleen uit vrees, dat men eventueel eens eene onfeilbare

uitspraak verwerpen zou. En theoretisch kan alleen de paus onfeilbaar

zeggen, wanneer hij ex cathedra, onfeilbaar spreekt, Heinrich, Dogm. II

554-654. Bovendien, waarom is de paus onfeilbaar? Omdat hij het zelf

verklaart? Maar dat is een circulus vitiosus. Omdat het concilie het

verklaart? Maar het concilie is feilbaar, ook in deze verklaring. Waar

is dus voor den Roomschen Christen de zoo hooggeroemde zekerheid? 6º

Het Vaticanum heeft het resultaat opgemaakt van een lang historisch

proces. In den eersten christelijken tijd waren alle apostelen, alle

gemeenten en ook alle episcopi elkander gelijk in rang; hoogstens

was er een primatus homoris maar in geenerlei opzicht een primatus

jurisdictionis. Maar allengs wist de kerk en de bisschop te Rome alle

andere kerken en bisschoppen aan zich te onderwerpen. Toch bleef de

zelfstandigheid der laatsten binnen eigen kring nog lang tot op zekere

hoogte bewaard. Tegen het einde der 13e eeuw komt de controvers op over

de verhouding van de bisschoppelijke en de pauselijke macht, Schwane D.

G. III 549. Sommigen trachten dan nog de zelfstandigheid der eerste in

dien zin te handhaven, dat de bisschop, schoon ondergeschikt aan den

paus, toch de hem binnen zijn kring toekomende macht van God, ex jure

divino, ontvangen heeft en door den paus slechts als drager dier macht

aangewezen wordt; zoo Henricus van Gent, Alphonsus de Castro, bisschop

van Brugge † 1558, Vitoria, 1480-1544, vader der neoscholastiek aan

de hoogeschool te Salamanca, Petrus Guerrero, bisschop van Granada

en vele andere Spaansche en Fransche bisschoppen op het concilie te

Trente, die in den 7{en} canon der 23e zitting de woorden wilden

opgenomen hebben: episcopos _jure divino institutos_ presbyteris esse

superiores, Schwane, D. G. IV 292 f. Er ontstonden op het concilie

over deze quaestie de heftigste debatten, die heel den winter van het

jaar 1562 en tot over het midden van het volgende jaar voortduurden.

Den 15{en} Juli 1563 werd in can. 6-8 de bisschoppelijke macht wel

nader omschreven, maar de vraag, of zij ex jure divino dan wel ex jure

ecclesiastico was, werd met opzet onbeslist gelaten. Er stond dan ook

aan de andere zijde eene sterke partij, met Lainez, den Jezuitengeneraal

aan het hoofd, die beweerde, dat de bisschop de potestas ordinis wel

onmiddellijk van God ontving, maar de potestas jurisdictionis alleen

verkreeg door vrije overdracht van de zijde van den paus; deze laatste

was dus in zooverre de jure ecclesiastico, en kon door den paus naar

welgevallen beperkt, gewijzigd of ontnomen worden, want de paus had zijne

volle macht over de gansche kerk alleen en onmiddellijk van God. Dit

gevoelen won na Trente door den invloed der Jezuiten hoe langer hoe

meer veld, het behaalde over het Gallikanisme de zegepraal en werd op

het Vaticaansch concilie tot een dogma verheven. Wel wordt er in sess.

IV c. 3 gezegd, dat de macht van den paus volstrekt geen inbreuk maakt

op de ordinaria ac immediata potestas jurisdictionis der bisschoppen

maar deze veeleer bevestigt, versterkt en handhaaft; doch de paus

heeft de volle, gansche wetgevende, regeerende en rechtsprekende macht

over heel de kerk, hij kan zonder iemands tusschenkomst of bemiddeling

vrijelijk verkeeren (communicare) met al de herders en kudden der gansche

kerk, en allen zijn zonder onderscheid en onvoorwaardelijk aan hem

onderworpen. Bisschoppen, conciliën, heel de kerk, alle geloovigen zijn

feilbaar uit zichzelven en alleen onfeilbaar met en door hem. De paus

is de wortel, de vastheid, het fundament van de eenheid, autoriteit en

onfeilbaarheid van bisschoppen, conciliën, kerkvaders, theologen, van

alle geloovigen en van heel de kerk. Hij alleen ontvangt alle macht en

gezag en onfeilbaarheid rechtstreeks van God. Eene enkele uitdrukking

herinnert nog aan de oude, katholieke opvatting; zoo bijv. als in het

Conc. Vatic. IV c. 4 gezegd wordt, dat de paus ea infallibilitate

pollere, qua divinus Redemptor ecclesiam suam in definienda doctrina

de fide vel moribus instructam voluit, maar onmiddellijk wordt daaruit

juist afgeleid, dat de definitiones van den paus ex sese en niet ex

consensu ecclesiae onfeilbaar zijn. 7º Nog verder gaat deze macht van

den paus. Ofschoon de pausen tot de 8e eeuw toe onderdanen van het

Romeinsche keizerrijk waren en hun geestelijk ambt hoegenaamd niet het

bezit van wereldlijke macht insloot, toch is al spoedig in de Roomsche

kerk de gedachte opgekomen, dat de paus, om op geestelijk gebied

onafhankelijk te kunnen zijn, ook in het wereldlijke souverein moest

wezen. En na de opheffing van den kerkelijken staat in 1870 is deze

gedachte nog meer op den voorgrond getreden en met sterker nadruk

uitgesproken. Pius IX en Leo XIII hebben niet nagelaten, telkens

te verklaren, dat de paus als universeel bisschop niet onderdaan

van een bijzonder vorst kan zijn noch eene bepaalde nationaliteit kan

dragen, Jansen, Prael. theol. I 657, Hase, Prot. Polem. 254; en hunne

uitspraken binden de Roomsche geloovigen. Al is de idee van een

kerkelijken, van een priesterstaat, geheel uit den tijd; al doet de

existentie van zulk een staat aan de eenheid van Italie tekort; al kan

de paus niet kerkelijk opperhoofd en wereldlijk souverein tegelijk zijn,

zonder dat kerk of staat of beiden daarbij schade lijden; al heeft de

geestelijke macht de politieke souvereiniteit volstrekt niet noodig;

al heeft de paus eeuwenlang geen politiek gebied gehad en al heeft hij

na den overigens op zichzelf onrechtmatigen roof van den kerkelijken

staat in 1870 aan invloed niet verloren, evenmin als de duitsche

bisschoppen, sedert zij opgehouden hebben rijksvorsten te zijn; al is de

onafhankelijkheid van den paus tegenover den koning van Italie door

de garantie van 13 Mei 1871 en door de macht der Roomsche vorsten en

volken meer dan voldoende gewaarborgd; dit alles doet er weinig toe,

Rome laat den eisch niet varen, dat de paus weer worde wereldlijk vorst.

Dit is echter nog maar een gering deel van den ganschen eisch. Met

beroep op Mt. 28:18 en Luk. 22:38 en in navolging van Bonifacius VIII

in de bul Unam Sanctam zijn vele Roomschen nog veel verder gegaan en

hebben gezegd, dat de paus de eigenlijke souverein van heel de wereld is

en de wereldlijke macht naar zijn welgevallen overdraagt aan vorsten en

koningen als zijne ministri en vicarii. Dit was velen echter al te kras.

Zij bestreden de meening, dat de paus souverein is over het ongeloovig

deel der wereld, want Christus vertrouwde aan Petrus alleen de zorg

over de schapen toe, en die buiten zijn, oordeelt God; ook was de paus

niet wereldlijk vorst over de christelijke volken, want nergens werd

zulk eene politieke macht aan den paus opgedragen, en Christus gaf aan

Petrus alleen de sleutels van het hemelrijk; de paus heeft zelfs geen

temporalis jurisdictio noch wereldlijke macht directe of jure divino,

want Christus is een geestelijk koning en heeft een geestelijk rijk. Maar

al verwierpen dezen alzoo de directe wereldlijke macht, zij bleven toch

spreken van eene potestas indirecta en kenden aan den paus niet bloot

eene potestas directiva in wereldlijke zaken toe, doch ook in het belang

van het rijk Gods eene summa potestas disponendi de rebus temporalibus

omnium Christianorum; want het weiden der schapen eischt ook macht over

de wolven. De wereldlijke macht is immers aan de kerk onderworpen gelijk

het lichaam aan den geest; ongeloovige vorsten, die hun onderdanen

tot ketterij verleiden, mogen weerstaan en afgezet worden; christelijke

vorsten zijn als zoodanig aan Christus onderworpen, moeten het geloof

bevorderen en de kerk beschermen; gelijk ook vele koningen in de

dagen des O. Test. en in de geschiedenis der kerk gehandeld hebben,

Bellarminus, de Rom. Pontif. lib. V. Maar ook bij deze theorie der

potestas indirecta behoudt de paus het recht, om in het belang van het

koninkrijk Gods van alle vorsten onbepaalde gehoorzaamheid te eischen,

ingeval van ongehoorzaamheid hen af te zetten en de onderdanen van hun

eed van gehoorzaamheid te ontslaan, niet-roomsche volken en landen aan

roomsche vorsten toe te wijzen, politieke wetten en rechten krachteloos

te verklaren enz. Ook al geven vele Roomschen er tegenwoordig den schijn

aan, alsof al deze rechten den pausen alleen tijdelijk en toevallig in

de Middeleeuwen toekwamen, de Syllabus van 1864 verklaart in n. 23

uitdrukkelijk, dat de pausen en conciliën nooit de grenzen hunner macht

overschreden noch rechten der vorsten zich aangematigd noch ooit bij

beslissing in zaken van geloof en zeden gedwaald hebben. De uitoefening

der rechten moge door de omstandigheden geschorst zijn, er is geen

twijfel aan, dat de rechten zelve onvervreemdbaar zijn. Rome verandert

niet. Cf. Fr. v. Schulte, Die Macht der römischen Päpste über Fürsten,

Länder, Völker und Individuen 3{te} Aufl. Giessen 1896. 8º Uit dit

alles blijkt de allesbeheerschende plaats, welke de paus in het leven

van den Roomschen Christen inneemt. De Roomsche kerk is eene monarchie,

een rijk, een staat met een geestelijk vorst aan het hoofd. Van de dagen

van Augustinus af wordt de kerk bij voorkeur als een staat en een rijk

voorgesteld, waarin alle dogmata als wetten en rechten gelden, die de

menschen binden bij de zaligheid hunner ziel. Bonifacius VIII zeide

daarom van den paus, dat hij jura omnia in scrinio pectoris sui censetur

habere, bij Schulte t. a. p. 66. De regeering in dezen staat is absoluut

monarchaal; na het concilie van 1870 is zij zelfs niet meer, gelijk men

vroeger zeide, door de aristocratie der bisschoppen getemperd; want

de bisschoppen zijn feilbaar, en ontleenen aan hem hunne macht; ja,

volgens de uitdrukkelijke bepaling van het Vaticanum kan de paus met

alle herders en kudden onmiddellijk verkeeren en dus, met algeheelen

voorbijgang van den bisschop, direct iederen priester, iederen kapelaan

aanstellen of ontslaan, elk proces beslissen, elken leek onmiddellijk

kastijden enz., de bisschoppen zijn van de souvereiniteit in eigen kring

principieel ten eenenmale beroofd. Ook is deze monarchale regeering

van den paus in beginsel niet meer constitutioneel, want Schrift

en traditie zijn aan zijne onfeilbare uitlegging onderworpen; la

tradizione son io, zeide daarom Pius IX tot den kardinaal Guidi, bij

Schulte t. a. p. 80; de paus bepaalt, indien noodig, wat leer van

Schrift en traditie is. Door zijne onfeilbaarheid is de paus in de

Roomsche kerk de eenige, absolute souverein, bron van alle kerkelijke

en zelfs direct of indirect van alle wereldlijke macht. Daarom heet

hij sedert de 9e eeuw in onderscheiding van alle andere bisschoppen

Papa, Schwane D. G. I 543, niet maar opvolger en plaatsvervanger van

Petrus doch vicarius Christi, vicarius Dei, Schwane III 536. 538, pater

spiritualis omnium patrum, imo omnium fidelium, hierarcha praecipuus,

sponsus unicus, caput indivisum, pontifex summus, fons et origo, regula

cunctorum principatuum ecclesiasticorum, Bonav. Brevil. VI 12. De

paus is de kerk, is het Christendom, is het Godsrijk zelf. Le pape et

l’église, c’est tout un, zeide Fr. de Sales. Ubi papa, ibi ecclesia.

Het primaat van den paus is summa rei christianae, Bellarminus, de

Rom. Pontif. in de voorrede. Zonder paus geen kerk, geen Christendom,

Veuillot bij Hase, Prot. Polemik⁵ 187. Onderwerping aan den paus is

voor alle menschen noodzakelijk ter zaligheid, (Bonifacius VIII). De

paus is middelaar der zaligheid, de weg, de waarheid en het leven. Er

ontbreekt nog maar aan, dat hij aangebeden wordt, maar ook dat is eene

quaestie van tijd, Harnack D. G. III 652. Inderdaad, Scheeben-Atzberger,

Dogm. IV 1 S. 427 zegt het terecht, indien het primaat van den paus

niet Gods werk is, dan is het eene blasphemische und diabolische

Usurpation. Cf. Luther, von dem Papstthum zu Rom. 1520, cf. Köstlin,

Luthers Theol. I 317. Art. Smalc. 4 en Tract. de potestate et primatu

papae, bij Müller, Symb. B. 306. 328. Calvijn, Inst. IV c. 4-11. Amesius,

Bellarminus enervatus, I lib. 3. Chamier, Panstr. Cath. II lib. 2.

Voetius, Pol. Eccl. III 775 sq. Id. Disp. II 684-882. Id. Desperata

Causa Papatus, Amst. 1635. Heidegger, Corp. Theol. Loc. 72, 2.

Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 16-20. Id. de necessaria secessione

nostra ab eccl. rom. vooral disp. 5: de tyrannide romana. Moor, Comm.

VI 195 sq. J. von Döllinger, Das Papstthum. Neubearbeitung von Janus,

Der Papst und das Concil, von J. Friedrich, München Beck 1894. Langen,

Das Vatik. Dogma von dem Universalepisc. u. der Unfehlb. des Papstes,

3 Theile, Bonn 1871-73. Dr. W. Joos, Die Bulle Unam Sanctam und das

Vatik. Autoritätsprinzip, 2e Aufl. Schaffh. 1897. Bungener, Pape et

concile au 19e siècle, Paris 1870. Gladstone, Rome and the newest

fashion in religion 1875. Hase, Handbuch der Prot. Polemik⁵, Leipzig

1891. Tschackert, Evang. Polemik gegen die röm. Kirche, Gotha 1885.

D. Snijder, Rome’s voornaamste leerstellingen en bedoelingen voor den

protestant toegelicht. Gor. 1890. Het dogma van de onfeilbaarheid van

den paus enz., uit het Duitsch door D. Snijder, Rott. 1899.

5. Tegen deze ontaarding der kerkelijke macht kwam de Reformatie in

verzet. Zij beleed weer, dat de kerk eene communio sanctorum was, en

dat zij van Christus eene macht had ontvangen, welke van die in den

staat wezenlijk onderscheiden was. Christi Reich is nicht ein leiblich

oder weltlich, irdisch Regiment, wie andere Herren und Könige auf

Erden regieren, sondern ein geistlich, himmlisch Regiment, das da

gehet nicht über zeitlich Gut, noch was dies Leben betrifft, sondern

über Herzen und Gewissen, wie man vor Gott leben soll, seine Gnade

erlangen, Luther bij Sohm, Kirchenrecht 464, 488, cf. verder Köstlin,

Luthers Theol. II 486 f. 553 f. Evenzoo maakte Calvijn tusschen kerk

en staat onderscheid als tusschen ziel en lichaam, het toekomstige en

het tegenwoordige leven en schreef aan de kerk eigen ambten, macht en

jurisdictie toe, Inst. IV 1-11. 20, cf. Lobstein, Die Ethik Calvins

1877 S. 115 f. De macht der kerk bestond daarom niet in eenig corpus

juris canonici, dat door Luther te Wittenberg den 10e December 1520 in

het openbaar verbrand werd, maar enkel en alleen in de bediening van

Gods woord. Wijl Christus het eenige hoofd der kerk is, kan en mag in de

kerk alleen het woord Gods heerschen, niet door dwang maar alleen door

liefde en vrije gehoorzaamheid, Luther bij Sohm, Kirchenrecht 464. 468;

de bediening van woord en sacrament is de eenige vorm van kerkregiment,

het inbegrip van alle kerkelijke macht, de gansche sleutelmacht, welke

dan echter ook volgens de Lutherschen wettige roeping, gehoorzaamheid

aan de opzieners, beoordeeling van leer en leven, oefening van tucht,

uitsluiting der goddeloozen uit de gemeente enz. insloot, Conf. en

Apol. Aug. art. 14. 20. 28 Smalc. art. de potestate et primatu papae.

Sohm heeft dit onderscheid in de macht, welke door Rome en door

Luther aan de kerk toegekend wordt, helder in het licht gesteld. Wel

is waar gaat hij te ver, als hij, in de meening, dat alle recht dwang,

menschelijke heerschappij en aardsche macht is, alle kerkrecht met het

wezen der kerk in strijd acht, cf. Rutgers, Het kerkrecht, inzoover het

de kerk met het recht in verband brengt, Amst. 1894. Maar toch toont hij

duidelijk aan, dat het groote verschil over de macht der kerk tusschen

Rome en het Protestantisme samenhangt met de politieke, juridische of

de geestelijke, ethische opvatting van het Christendom. En hij erkent

zelf menigmaal, dat de gemeente van Christus, ofschoon eene gemeenschap

van heiligen, toch orde eischt, reeds in den eersten tijd zekere orde

bezat, 51 f., en ook volgens Luther en de Lutherschen zonder ambt,

wettige roeping, zielzorg, tucht, ban, regeering niet kan bestaan,

471. 476. 486. 494. 519 f. Alle macht in de kerk is rechtstreeks of

zijdelings bediening des woords; alle regeling, die zij maakt, is daaraan

ondergeschikt en dienstbaar. Zoo verstonden het ook de Gereformeerden;

alle macht in de kerk berust oorspronkelijk bij Christus, die door God is

gezalfd tot koning over Sion, en draagt daarom een geestelijk karakter,

want zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Voor zoover Christus bij

de uitoefening dier macht zich van organen bedient, zijn deze niet

zelfstandig, onafhankelijk, souverein, maar aan Hem, d. i. aan zijn

woord gebonden. Alle ambt in de gemeente van Christus is een διακονια,

ministerium, zonder wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht in

zichzelf, maar alleen kunnende bedienen, wat in het woord van Christus

vervat en opgesloten ligt. Feitelijk is er dus in de kerk geen andere

macht dan de sleutelmacht, de bediening van woord en sacrament, die

dan echter gewoonlijk wederom onderscheiden werd in potestas doctrinae,

potestas disciplinae en potestas ordinis of regiminis, Calvijn, Inst. IV

c. 8-12. Martyr, Loci Comm. 405 sq. Polanus, Synt. Theol. VII 10 sq.

Junius, theses theol. 46. Turretinus, Theol. El. XVIII 29 sq. enz.

Al was er zoo in de grondgedachten eenstemmigheid, toch kwam er bij

de uitwerking en toepassing tusschen Lutherschen en Gereformeerden

spoedig een belangrijk verschil voor den dag. Ten eerste nam Luther uit

de Roomsche kerk de ambtelijke bediening van het woord aan den enkele

over en was alzoo op handhaving der biecht gesteld. Ofschoon hij de

prediking van het evangelie opvatte als vergeving der zonden, also

dass ein christlicher Prediger nimmer das Maul aufthun kann, er muss

eine Absolution sprechen, Sohm t. a. p. 488, toch was hem dit niet

genoeg; de absolutie moest ook door den pastor individueel in de wel

niet noodzakelijke maar toch hoogst nuttige biecht worden toegepast,

Köstlin, Luthers Theol. II 528. Caspari, art. Beichte in Herzog³. Conf.

Aug. 11. 25 en Apol. Conf. Catech. minor I 5. Appendix I ad Catech.

maj. Art. Smalc. III 8. Gerhard, Loc. XV 97-117. Quenstedt, Theol.

III 584. 598. Harnack, Prakt. Theol. II 463 f. en daar aangeh. litt.

Gandert, Zur Revision des Beichtwesens in der ev. Kirche, Wittenberg

1898. Maar deze private biecht stuitte op onoverkomelijke moeilijkheden,

op het onvoldoend getal herders, op het biechtgeld, op de onzekere

beteekenis der absolutie enz., en kwam allengs in onbruik. Hoewel

nu de Gereformeerden het elkander belijden van de misdaden nuttig

vonden, lieten zij de ambtelijke bediening van het woord en dus ook de

verkondiging van de vergeving der zonden, d. i. de absolutie alleen

plaats hebben in de openbare vergadering der geloovigen, hielden van

de biecht als kerkelijke instelling alleen de geregelde of somtijds bij

de voorbereiding tot het avondmaal gebruikelijke belijdenis van zonden

over, en vervingen overigens de private biecht door het persoonlijk

huisbezoek, Zwingli bij Zeller, Das theol. System Zwingli’s 153.

Calvijn, Inst. III 4. IV 1, 22. Martyr, L. C. 274. Amesius, Bellarminus

enervatus III 481. Rivetus, Op. III 316. M. Vitringa III 127 sq.

Biesterveld, Het Huisbezoek, Kampen 1900. Ten tweede had de tucht in

de Luthersche kerk een ander verloop dan in de Gereformeerde. Luther

zelf wenschte wel terdege toepassing van tucht in de gemeente van

Christus; ofschoon hij den Roomschen ban verwierp en alle burgerlijke

straf uit de kerkelijke tucht verwijderde, toch was zulk eene gemeente

zijn ideaal, die na herhaalde vermaning het booze uit baar midden

wegdeed, Köstlin, Luthers Theol. II 530 f. 560 f. Herzog² 8, 14. 13,

588. Th. Harnack, Prakt. Theol. II 497 f. Dieckhoff, Luthers Lehre

v. d. kirchl. Gewalt, Berlin 1865, de Luthersche belijdenisschriften

bij Müller, S. 64. 152. 165. 288. 323. 340. 342. Maar het ontbreken

van het presbyterambt en de uitoefening van de kerkelijke tucht alleen

door den pastor leidde tot zulke misbruiken, dat zij weldra geheel

teniet ging en voorzoover zij bleef, aan de gemengde consistoriën werd

overgelaten. Practisch gaf dit hetzelfde resultaat, als de leer van

Zwingli, Erastus, de Remonstranten, de Rationalisten en vele nieuwere

theologen, volgens welke de gemeente hare macht tot tuchtoefening,

sedert de overheid christelijk is geworden, aan deze heeft afgestaan.

Daarentegen was voor Calvijn de kerkelijke tucht eene levensquaestie;

voor het recht der kerk, om het booze uit haar midden weg te doen,

streed hij in Genève twintig jaren lang; hij verwierf het eerst in het

jaar 1555, Choisy, La théocratie à Genève 166. Tucht mocht niet de ziel

der kerk zijn, zij was er toch de zenuw van. En deze beschouwing van de

plichtmatigheid, noodzakelijkheid en nuttigheid der kerkelijke tucht werd

het eigendom der Gereformeerden, en onderscheidde hen van Roomschen

en Lutherschen aan de eene zijde, maar anderzijds ook van Anabaptisten

en Mennonieten, die door hun tegenstelling van natuur en genade den

ban soms overdreven streng toepasten en er zijn geestelijk karakter aan

ontnamen. Cf. Calvijn, Inst. IV 12. Martyr, L. C. 411. Zanchius, Op. IV

736. Junius, Theses Theol. 47. Bucanus, Instit. theol. 581. Mastricht,

Theol. VII 6. Synopsis pur. theol. 48. Turretinus, Theol. El. XVIII

qu. 32. Maresius, Syst. Theol. XVI 79-87. Voetius, Pol. Eccl. IV 841

sq. Conf. Gall. 27. Belg. 29. Cat. Heid. 83-85. Helv. II 18 enz. Ten

derde werd de verhouding van het Christendom tot het natuurlijke leven

door Luther anders dan door Calvijn bepaald. Alle Hervormers gingen

daarin saam, dat zij het natuurlijke leven bevrijdden van den druk en

de macht der kerk, die bij Rome met het Christendom samenvalt, als

een supranatureel toevoegsel aan de natuur toekomt doch daaronder

overigens aan dat natuurlijke leven eene groote speelruimte gunt. Het

Protestantisme stelde daartegenover de belijdenis, dat de gansche

wereld, ofschoon liggende in het booze, toch in zichzelve heilig en

goed is, een werk van God, den Almachtige, den Schepper van hemel en

aarde; het wisselde de quantitatieve tegenstelling van natuurlijk en

bovennatuurlijk voor de qualitatieve, ethische tegenstelling van zonde

en genade in. Maar daarbij was er toch tusschen de Hervormers een groot

verschil. Zwingli kwam het Middeleeuwsch dualisme van vleesch en

geest, van humana en divina justitia nimmer geheel te boven. Luther

beperkte het werk van Christus dikwerf zoo tot het religieus-ethische

terrein, dat het natuurlijke los daarnaast kwam te staan; het evangelie

veranderde alleen het uitwendige, het gemoed, het hart, maar werkte

niet vernieuwend en hervormend op heel het natuurlijke leven in.

Vandaar de minachting, waarmede Luther dikwerf sprak over de rede, de

philosophie, de juristerij; vandaar het harde oordeel, dat de Formula

Concordiae velde over den natuurlijken mensch als lapis, truncus aut

limus; vandaar de Luthersche onderscheiding en scheiding tusschen het

zinnelijke en het geestelijke als duo hemisphaeria, quorum unum inferius,

alterum superius, cf. mijne rede over de Kathol. van Christ. en Kerk

1888 bl. 28v., en over de Algemeene Genade 1894 bl. 24v. Daaruit is ook

te verklaren, dat de Luthersche kerk, mits zij maar de zuivere bediening

had van woord en sacrament, voor alle andere door Christus der kerk

geschonken macht vrij onverschillig was. Zij wist wel beter en beleed,

dat de kerk haar eigen opzieners en diakenen, haar eigen regeering en

tucht hebben moest. Maar in de practijk stond zij dat alles terstond en

schier zonder strijd aan de overheid af. Desnoods kon zij eene monarchale

(pauselijke) en episcopale regeering toegeven, vele ceremoniën als

adiaphora erkennen, de tucht aan de consistoriën overlaten en heel

de uitwendige regeering der kerk aan de overheid toevertrouwen. De

kerk hield voor zich alleen het predikambt, de bediening van woord en

sacrament, maar werd overigens een lands- en een staatskerk, waarin

de overheid als plaatsvervanger van het Roomsche episcopaat, of als

praecipuum membrum ecclesiae of als gevolmachtigde der kerk zoo goed

als alles te zeggen had, cf. boven bl. 108. Köstlin, Luthers Theol.

II 555 f. Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 223 f. 230 f.

Sohm, Kirchenrecht 542 f. en voorts Melanchton, Loci Comm. de magistr.

civil. Gerhard, Loc. XXIV. Quenstedt, Theol. IV 420-450. Hollaz, Ex.

1352-1366. Baier, Comp. 639-649. Buddeus, Inst. Theol. 1267-1286.

Zakelijk stemde dit weder geheel overeen met de macht, welke Zwingli,

Erastus, de Remonstranten enz. aan de overheid in betrekking tot de

kerk toekenden. Maar de Gereformeerden stelden zich hier principieel

tegenover. Gelijk God de overheid in den staat tot souverein had

aangesteld, zoo zalfde Hij Christus tot Koning zijner kerk. Beide, staat

en kerk, waren dus in oorsprong, natuur, regeering, wezenlijk van

elkander onderscheiden; de macht der kerk aan de overheid opdragen

was eene aanranding van het koningschap van Christus. Maar deze

onderscheiding werd toch door de Gereformeerden nooit als scheiding

bedoeld. Integendeel, gelijk de kerk haar geestelijke goederen uitdeelt

tot heil van heel het natuurlijke leven in huisgezin en maatschappij, in

kunst en wetenschap, zoo heeft ook de overheid in een christelijk land

de dure roeping, om de ware kerk te beschermen, in hare uitbreiding en

voortplanting te steunen, alle afgoderij en valschen godsdienst te weren

en uit te roeien en het rijk van den antichrist te gronde te werpen.

Zij konden niet anders leeren, omdat zij geloofden, dat de overheid

door God zelven om der zonde wil, ter harer beteugeling, ingesteld

was; dat zij als zoodanig aan Gods wet en woord gebonden was; dat niet

alleen de tweede maar ook de eerste tafel der wet op haar terrein en

op hare wijze gehandhaafd moest worden; dat de H. Schrift een boek

was niet uitsluitend met religieus-ethischen inhoud, geldende alleen

voor de kerk, maar een woord Gods, uitgaande tot alle menschen en

licht verspreidend over alle schepsel en leven; dat de overheid onder

het O. Test. met zulk eene taak speciaal door God was belast; dat de

christelijke waarheid universeel was en katholiek, duidelijk en klaar, en

dus ook voor de overheid kenbaar. Cf. De Geref. belijdenisschriften bij

Niemeyer 9. 32. 54. 55. 82. 98. 114. 122. 326. 355. 387. 534. 610. 765.

810. Calvijn, Inst. IV 20; over ketterstraf, Op. ed. Amst. VIII 510-567,

cf. Choisy, La théocratie à Genève au temps de Calvin, 1898. Bloesch,

Gesch. d. Schweiz.-ref. Kirchen, Bern 1899 I 227 s. Beza, de haereticis

a civili magistratu puniendis, Tract. Theol. I 85-169. Zanchius, Op.

IV 580-587. Martyr, L. C. 473. Bullinger, Huisboek II 7. Junius, Op.

I 544. Bogerman, in de diss. van der Tuuk 1868 bl. 32v. Trigland,

Antapol. c. 29. Kerckel. Gesch. passim, vooral bl. 440v. Rhetorford,

Examen Arminianismi c. 19. Revius, in de diss. van Posthumus Meyjes,

1895 bl. 151-171. Voetius, Pol. Eccl. I 124 sq. en passim. Disp. sel.

II 692-809. III 206. Synopsis pur. theol. 50. Mastricht, Theol. VII 7,

14. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 34. Moor VI 470-518. Vitringa IX

1. 700 sq.

Maar het leven bleek sterker dan de leer; het absolute standpunt

werd langzamerhand verzwakt. Reeds in de 16e eeuw eischten sommige

Wederdoopers en Socinianen, dat de overheid van alle inmenging in

zaken van religie en bepaaldelijk van ketterstraf zich onthouden zou.

De Gereformeerde leer stuitte dan ook op vele practische bezwaren. In

theorie toch waren staat en kerk wel onderscheiden, maar feitelijk was

de staat dikwerf onderworpen aan de uitspraken der kerk, en gebonden

aan hare belijdenis. Krachtens de nauwe vereeniging met de kerk en de

verplichting, die zij op zich genomen had, kwam de overheid tot daden

van geweld en dwang, van welke zij zelve meestal een afkeer had, die

haar een kwaden naam gaven bij vele edelgezinden, den schijn op haar

laadden van Roomsche tirannie en met den Protestantschen eisch van

gewetens- en godsdienstvrijheid in strijd waren. Zoolang in een land

ééne confessie alle burgers of althans de groote meerderheid verbond,

was de vereeniging van kerk en staat nog te handhaven; maar toen

langzamerhand de Roomsche kerk herleefde en in het Protestantisme

velerlei kerken en belijdenissen opkwamen, aan wie men het christelijk

karakter niet ontzeggen kon, toen werd het zelfs voor den strengste

onmogelijk, om het confessioneel karakter van den staat en den eisch der

ketterstraf te handhaven. In Engeland kwam dit in de 17e eeuw het eerst

duidelijk aan het licht. Niet alleen Roomschen en Episcopalen streden

daar met elkander om den voorrang, maar straks traden na elkander de

Presbyterianen, Independenten, Kwakers, Levellers en Deisten op. Zoo

schreed men, door de feiten geleid, allengs van het confessioneel tot

het algemeen christelijk en vandaar tot het deistisch karakter van

den staat voort, en werd tolerantie en moderatie het modewoord der

achttiende eeuw. Roger Williams, de „aartsindividualist” was de eerste,

die in de 17e eeuw den eisch van scheiding in kerk en staat uitsprak en

volstrekte godsdienstvrijheid verlangde voor ieder, ook voor ketters en

Joden, en deze beginselen in zijne kolonie te Rhode-Island in toepassing

bracht. Aan christelijke en aan revolutionaire zijde vond deze theorie

hoe langer hoe meer instemming. Sommige staten in Amerika pasten haar

sedert 1776 toe, de Fransche Omwenteling dreef ze in vele landen door.

Desniettemin bestaat zij nergens zuiver en consequent, en deinst ieder

in de practijk voor hare gevolgen terug.

6. Dat Christus aan zijne kerk op aarde zekere macht heeft toegekend,

is haast voor geen twijfel vatbaar. In het algemeen reeds is het

eene onloochenbare waarheid, dat niets zonder orde en regel kan

bestaan, dat wezen zonder vorm ondenkbaar is, dat eene eigenlijke ὑλη

overal en op elk gebied niets dan eene wijsgeerige abstractie is.

Een huisgezin kan niet bestaan zonder hoofd, een volk niet zonder

overheid, eene vereeniging niet zonder bestuur, een leger niet zonder

generaal enz.; anarchie is onmogelijk. Te zeggen, dat Christus eene

kerk heeft gesticht, zonder eenige organisatie, regeering of macht,

is eene bewering, die uit mystiek-philosophische beginselen opkomt

maar noch met de leer der Schrift, noch met de werkelijkheid van het

leven rekening houdt. De vraag, die verdeelt, is dan ook eigenlijk

niet deze, of de kerk van Christus, om te bestaan, eene zekere

macht en regeering behoeft, want dat stemmen allen toe, hetzij zij de

gemeente deze regeering zichzelf laten geven of haar aan de overheid

opdragen. Maar het verschil loopt hierover, of Christus zelf in zijn

woord, natuurlijk niet in allerlei bijzonderheden maar in beginselen en

hoofdzaken, aan zijne kerk eene macht en regeering heeft toegekend, die

daarom ook uitmaakt en uitmaken mag een artikel van ons geloof en een

stuk onzer belijdenis, Ned. Gel. art. 30-32. Doch ook dit verschil wordt

door de H. Schrift zoo sterk en duidelijk mogelijk beslist. Christus

heeft wel gezegd, dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is, maar Hij

is niet in dien zin een geestelijk koning, dat Hij om het uitwendige

en aardsche zich volstrekt niet bekommert. Integendeel, Hij heeft de

volle menschelijke natuur aangenomen en is in de wereld gekomen, niet

om haar te veroordeelen, maar te behouden; Hij heeft zijn koninkrijk

in die wereld geplant en gezorgd, dat het daarin bestaan en als een

zuurdeesem op alle terreinen des levens vernieuwend inwerken kan. Zijn

werk was, om allerwege de werken des duivels te verbreken, en het

recht en de eere Gods tot erkenning te brengen; zoover als de zonde

alles heeft verwoest en bedorven, strekt intensief zijne verzoenende en

verlossende werkzaamheid zich uit. Daarom brengt Hij maar niet sommige

menschen individueel door zijn Geest tot het geloof, opdat zij voorts

vrij zich vereenigen en met de ontvangene gaven des Geestes elkander

dienen zouden. Maar Hij sticht eene gemeente, eene kerk, en richt

deze van stonden aan zoo in, dat zij bestaan, zich voortplanten en

uitbreiden, en haar taak op aarde volbrengen kan. Ter verduidelijking

mag en moet tusschen het wezen en de regeering der kerk onderscheid

worden gemaakt. Maar dit onderscheid mag nooit zoo worden verstaan,

alsof de geloovigen oorspronkelijk van alle regeering en macht verstoken

zouden zijn geweest. Integendeel, de vorige paragraaf heeft in het licht

gesteld, dat de kerk van het eerste oogenblik van haar bestaan na den

val af eene zekere organisatie heeft gehad, eerst in de patriarchale

gezinnen, daarna in het volk Israels, en sedert Christus’ komst op

aarde in de verschillende buitengewone en gewone ambten, die Hij in

zijne gemeente ingesteld heeft, Mk. 3:14, Luk. 10:1, Hd. 20:28, 1

Cor. 12:28, Ef. 4:11. Elk ambt sluit echter een macht, een recht,

eene bevoegdheid in. Wel is waar zijn er vele gaven in de gemeente,

die door den H. Geest geschonken, als διακονιαι van Christus en als

ἐνεργηματα Gods des Vaders zich openbaren en der gemeente onderling

tot stichting dienen, 1 Cor. 12:4v. Maar niettemin verbond Christus

aan de ambten, die Hij in zijne gemeente instelde, eene speciale macht,

ἐξουσια, bestaande in het prediken van het evangelie, Mt. 10:7, Mk.

3:14, 16:15, Luk. 9:2, enz., in het bedienen der sacramenten, Mt.

28:19, Mk. 16:15, Luk. 22:19, 1 Cor. 11:24-26, in het doen van allerlei

wonderen, Mt. 10:1, 8, Mk. 3:15, 16:18, Luk. 9:1, 10:9, 19 enz., in

het houden of vergeven der zonden, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:23, in

het weiden der kudde, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, in het oefenen van

tucht, Mt. 18:17, 1 Cor. 5:4, in het dienen der tafelen, Hd. 6:2, in

het recht om te leven van het evangelie, Mt. 10:10, 9:4v., 2 Thess.

3:9, 1 Tim. 5:18. Deze omschrijving, welke de Schrift van de macht

der kerk geeft, wijst niet alleen haar ontwijfelbaar bestaan, maar ook

hare volkomene onafhankelijkheid en eigensoortigheid tegenover alle

andere macht ter wereld aan. Er is velerlei macht en gezag op aarde,

in huisgezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. Maar de

kerkelijke macht is van deze alle in wezen onderscheiden en tegenover

haar volkomen zelfstandig. Want al die andere macht is afkomstig van

God als Schepper van hemel en aarde, Rom. 13:1, maar deze kerkelijke

macht heeft haar oorsprong rechtstreeks in God als den Vader van

onzen Heere Jezus Christus, 1 Cor. 12:28, Ef. 4:11, Hd. 20:28, en is

daarom ten opzichte van alle andere aardsche macht volkomen vrij en

onafhankelijk. Wie met het Cesareopapisme of het Erastianisme deze

macht der kerk inkrimpt, beperkt en aan de overheid opdraagt, komt de

eere van Christus te na en doet aan de der kerk geschonken rechten en

vrijheden tekort. Onafhankelijk moet deze macht der kerk tegenover alle

andere aardsche macht blijven, omdat zij gansch eigensoortig is, door

geen andere macht kan overgenomen of uitgeoefend worden, en dus bij

zulk eene overdracht van haar natuur beroofd en vernietigd wordt. Al

de macht toch, die Christus aan zijne kerk heeft geschonken, bediening

van woord en sacrament, oefening van tucht, dienst der tafelen enz.

heeft behalve een eigen oorsprong, ook een eigen orgaan, een eigen

natuur, een eigen doel. Zij is gebonden aan ambten, die Christus alleen

in zijne gemeente ingesteld heeft, waartoe Hij alleen de gaven verleent

en verleenen kan, die Hij alleen roept en zendt; niemand neemt zich

deze eere aan, dan die van God geroepen wordt, Rom. 10:15, Hebr.

5:4. Voorts is deze macht geestelijk. Dat wil niet zeggen, dat zij

onzichtbaar en gansch inwendig is, want Christus is wel een geestelijk

koning doch regeert over ziel en lichaam beide, zijn woord en sacrament

richten zich tot den ganschen mensch, de dienst der barmhartigheid

heeft zelfs voornamelijk de lichamelijke nooden te lenigen. Maar als de

macht der kerk geestelijk heet, dan wordt daarmede te kennen gegeven,

dat zij door den H. Geest van God wordt geschonken, Hd. 20:28, alleen

in den naam van Christus en de kracht des H. Geestes kan uitgeoefend

worden, Joh. 20:22, 23, 1 Cor. 5:4, uitsluitend over menschen als

geloovigen gaat, 1 Cor. 5:12, en alleen op geestelijke, zedelijke wijze,

niet met dwang en straf in geld, goed of leven, maar door overtuiging,

geloof, goedwilligheid, vrijheid, liefde en dus alleen met geestelijke

wapenen, 2 Cor. 10:4, werkt en werken kan, Mk. 16:16, Joh. 8:32, 2

Cor. 3:17, Ef. 6:7 enz. Eindelijk heeft deze macht ook een eigen doel;

zij strekt, al brengt zij voor de ongeloovigen ook verzwaring van het

oordeel mede, tot behoudenis, tot stichting en niet tot nederwerping,

tot volmaking der heiligen en opbouwing des lichaams van Christus,

Mt. 10:13, Mk. 16:16, Luk. 2:34, 2 Cor. 2:16, 10:4, 8, 13:10, Ef.

4:12, 6:11-18 enz. Voetius, Pol. Eccl. IV 783. Door dit alles is de

kerkelijke macht soortelijk onderscheiden van alle staatkundige macht.

Reeds onder het O. Test. waren staat en kerk, schoon nauw verbonden,

toch niet een en hetzelfde. Veel duidelijker echter heeft Christus het

onderscheid uitgesproken tusschen zijn rijk en de rijken der wereld,

Mt. 22:21, Joh. 18:36; zelf weigerde Hij alle aardsche macht, Luk.

12:13, 14, Joh. 6:15, en verbood aan zijne jongeren al wat zweemde

naar wereldlijke heerschappij, Mt. 20:25, 26, 1 Petr. 5:3. Tusschen

kerk en staat en beider macht is er dan ook allerlei verschil; in

oorsprong niet alleen, gelijk boven reeds opgemerkt werd, maar verder

ook in organen, want de ambten in de gemeente van Christus zijn alle

διαχονιαι, maar de politieke overheid is souverein, en heeft, schoon

dienaresse Gods, toch recht en macht, om wetten uit te vaardigen en

daaraan onderwerping te eischen; in aard en natuur, want de macht

der kerk is geestelijk, maar de macht der politieke overheid is

natuurlijk, aardsch, wereldlijk, strekt zich uit over alle onderdanen,

zonder andere qualiteit dan dat zij onderdanen zijn, en regelt alleen

hunne aardsche belangen; in doel, want de kerkelijke macht strekt tot

opbouwing van het lichaam van Christus, maar de politieke macht heeft

hare bestemming in dit leven en streeft naar het bonum naturale et

commune; in middelen, want de kerk heeft geen andere dan geestelijke

wapenen, maar de overheid draagt het zwaard, heeft het recht over

leven en dood en mag gehoorzaamheid eischen met dwang en geweld. Zoo

ongeoorloofd het daarom aan de eene zijde is, om de kerkelijke macht aan

de overheid op te dragen, zoo zondig is het ook aan de andere zijde,

om de kerkelijke macht in eene politieke te veranderen. Romanisme en

Anabaptisme maken zich daar beide aan schuldig, omdat beide uitgaan van

de tegenstelling van natuur en genade. Alleen maakt het Anabaptisme

die tegenstelling absoluut en vernietigt daardoor de natuur; Rome vat

ze relatief op en onderdrukt de natuur. In de Middeleeuwen, toen de

Roomsche kerk de alleenheerschappij bezat, kwam dit streven duidelijker

voor den dag; maar principieel is zij niet veranderd, en nog altijd wordt

zij gedreven door dezelfde zucht, om de geestelijken zooveel mogelijk

van de politieke onderhoorigheid vrij te maken, om allerlei burgerlijke

zaken binnen haar kring te trekken en aan haar oordeel te onderwerpen;

om door uitwendigen glans en praal te schitteren, bezit van kapitalen

en vaste goederen uit te breiden, politieken invloed aan de hoven uit

te oefenen; om op grond van Mt. 28:18 en naar de theorie der twee

zwaarden voor den paus zoo niet de directe dan toch de indirecte

macht over heel de wereld te eischen enz., cf. Voetius, Pol. Eccl.

I 115. Niet alleen echter is de Roomsche kerk er steeds op uit, om

alle aardsche, politieke macht aan zich dienstbaar te maken; erger

is nog, dat zij de kerkelijke macht zelve van haar geestelijk karakter

berooft en in eene politieke heerschappij verandert. Ten eerste wordt

dit hierin openbaar, dat de Roomsche kerk zichzelve, d. i. aan den

paus de hoogste wetgevende macht toeschrijft. Vroeger was deze macht

nog beperkt door Schrift en traditie, door bisschoppen en concilies;

de regeering was eene door aristocratie getemperde monarchie. Maar

sedert de afkondiging van het infallibiliteitsdogma is deze verhouding

omgekeerd. De paus is in formeelen zin absoluut monarch. Krachtens de

beweerde assistentie des H. Geestes bepaalt hij onfeilbaar, wat geloofd

en gedaan moet worden. Een hooger beroep is er niet; wat hij bindt of

ontbindt, is gebonden of ontbonden in den hemel; wat hij zegt, heeft

evenveel gezag, alsof het door Christus zelf gesproken ware. De dogmata

en wetten, die hij afkondigt, binden het geweten, en verplichten tot

geloof en gehoorzaamheid op verbeurte van de eeuwige zaligheid. Van de

overheid is er beroep op God, maar de souvereiniteit van den paus is

de allerhoogste, God zelf spreekt door zijn mond. Ten tweede kent de

Roomsche kerk zichzelve, d. i. aan den paus, de hoogste rechtsprekende

macht toe. De kerkelijke macht is tweeërlei, potestas ordinis en

potestas jurisdictionis; de potestas docendi, ook al wordt ze

afzonderlijk genoemd, behoort eigenlijk tot de potestas jurisdictionis.

Daarin ligt opgesloten, dat de bediening van woord en sacrament bij Rome

geen verkondiging van het evangelie, maar een rechtshandel en eene

uitspraak is. Alle gedoopten behooren niet in zedelijken, geestelijken

zin maar _rechtens_, in juridischen zin, met een onveranderlijk en

onverliesbaar recht aan den paus toe; zij zijn zijne schapen, die hij

desnoods met geweld in de schaapskooi terug mag brengen, al kan hij het

misschien ook niet door de omstandigheden van tijd. Nach dem Rechte

der katholischen Kirche gehören eigentlich alle Getauften zur Kirche,

also auch zur Parochie, aber in Ermangelung von Zwangsmitteln fehlt

gegenüber Andersgläubigen die Durchführbarkeit dieses Anspruchs,

Vering, Lehrb. des kath. orient, u. prot. Kirchenrechts³ 603. En al de

Roomsche kerkleden komen onder de prediking en tot het sacrament der

boete, om hun oordeel te hooren. De biechtstoel is een rechtbank, de

priester een rechter; na de beschuldigingen gehoord te hebben, die de

biechteling tegen zichzelf inbrengt, spreekt hij het vonnis uit; hij

bindt en ontbindt, niet deprecatief en conditioneel, maar krachtens

den ambtsgeest, die in hem woont, peremptoir en absoluut; zooals hij

oordeelt, oordeelt God in den hemel. Ten derde maakt Rome, d. i.

de paus aanspraak op de hoogste uitvoerende en dwingende macht. De

onderscheiding van kerkelijke en burgerlijke straf heeft voor Rome geen

waarde. Als de kerk het nuttig oordeelt en er toe in staat is, past

zij evengoed de laatste als de eerste toe. Het is zoo, de doodstraf

voltrok zij niet, want ecclesia non sitit sanguinem. Maar overigens

liet zij geen middel onbeproefd, om ongehoorzame kinderen te dwingen

tot onderwerping. En Rome was vindingrijk. Geldstraf, boete, kerker,

inquisitie, pijnbank, sluipmoord, ban, interdict, ontslag der onderdanen

van gehoorzaamheid aan den vorst enz. hebben altemaal dienst gedaan.

Dat was en is in beginsel nog de opvatting van de kerkelijke macht bij

Rome.

De Hervormers hebben daartegenover de potestas ecclesiastica weer

in den zin der Schrift als eene geestelijke macht opgevat. Zoo kwam

vanzelf de potestas docendi, de bediening van woord en sacrament op den

voorgrond te staan. De Lutherschen lieten zelfs, althans in de practijk,

heel de kerkelijke macht daarin opgaan; zij hadden alleen pastores,

geen presbyters en diakenen. Maar de Gereformeerden herstelden ook

deze ambten en namen daarom naast de potestas docendi nog de potestas

jurisdictionis op. Het woord jurisdictio vond echter, hoewel Calvijn,

Inst. IV 11 het overnam, geen algemeene goedkeuring. Coccejus op 1 Cor.

5 verwierp het; Maresius, Syst. Theol. 15, 75 f. 16, 70 a zeide, dat

er, zuiver en juist gesproken, geen jurisdictio in de kerk was en dat

het woord op kerkelijk gebied slechts analogice mocht opgevat worden;

allen erkenden, dat de jurisdictio in de kerk van gansch anderen

aard was dan in den staat en een geestelijk karakter droeg, Voetius,

Pol. IV 798, en velen meden het woord en spraken liever van potestas

gubernans, ordinans, disciplinaris enz. Voorts onderscheidden sommigen

tweeërlei, maar anderen drieërlei macht. De macht der kerk ging n.l.

in de bediening van woord en sacrament en in de oefening van tucht

niet op; zij had ook het recht en de bevoegdheid, om in het belang van

de orde wetten te maken en maatregelen te nemen van allerlei aard.

Zoo kwam naast en dikwerf tusschen de potestas docendi (doctrinae,

scientiae, dogmatica, ordinis) en de potestas disciplinae (critica,

jurisdictionis, correptionis) nog de potestas directionis (regiminis,

ordinis, diatactica, legislativa,) te staan, Calvijn, Inst. IV 8, 1.

Bucanus, Inst. 519. Maresius, Syst. Theol. 16, 70. Voetius, Pol. Eccl.

I 118. Vitringa IX 1 p. 457. Opmerkelijk is, dat bij deze macht der kerk

nooit het diakonaat ter sprake werd gebracht. Toch heeft Christus

ook daarin eene macht aan zijne kerk geschonken, die van de grootste

beteekenis is. Drieërlei macht is er daarom, in verband met de ambten

van pastor, presbyter en diaken en verder in verband met het drievoudig

ambt van Christus, het profetisch, koninklijk en priesterlijk ambt, in

zijne kerk te onderscheiden: de potestas docendi, de potestas gubernans

(waarvan de potestas disciplinae een onderdeel is), en de potestas

misericordiae.

7. De potestas docendi heeft haar oorsprong en grond in het profetisch

ambt, waartoe Christus gezalfd is en dat Hij zelf nog altijd uitoefent

door zijn Woord en Geest. Hij heeft het niet overgedragen aan eenig

mensch, en geen paus of bisschop, geen herder of leeraar tot zijn

zaakwaarnemer en plaatsvervanger aangesteld; maar Hij is nog altijd

onze hoogste profeet, die van uit den hemel door Woord en Geest zijne

gemeente leert. Toch bedient Hij zich daarbij in den regel van menschen

als zijne organen, niet alleen van de ambtsdragers in enger zin maar

van alle geloovigen en van een iegelijk hunner naar de genade, die hem

is gegeven. De gemeente zelve is profetesse, en alle Christenen zijn

der zalving van Christus deelachtig en geroepen tot belijdenis van des

Heeren naam. Het ambt onderdrukt de gaven niet maar leidt ze alleen.

Er zijn vele charismata, die tot de potestas docendi der kerk behooren,

wijsheid, kennis, profetie enz. 1 Cor. 12:8v. Christus onderwijst en

leert door den vader in het gezin, door den onderwijzer op de school,

door den presbyter bij het huisbezoek, door al de geloovigen in hun

onderling verkeer en in hun omgang met anderen. Maar Hij doet het

inzonderheid op eene onderscheidene wijze, ambtelijk, met uitdrukkelijk

verleenden last en volmacht, in de openbare samenkomsten van het volk

Gods, door den dienaar des Woords. Onder de potestas docendi is nu

voornamelijk deze ambtelijke bediening des Woords te verstaan. Naar twee

zijden moet deze dienst in zijne zelfstandigheid gehandhaafd worden.

Vooreerst naar de zijde van de Roomsche kerk, die het woord aan het

sacrament, den homileet aan den liturg, de prediking aan den cultus,

de potestas docendi aan de potestas jurisdictionis ondergeschikt

maakt. Naar de Schrift toch gaat het woord voorop, en het sacrament

komt daaraan als aanhangsel en zegel toe; er is geen sacrament zonder

woord, wel een woord zonder sacrament. Het sacrament volgt het woord;

wie het woord bedient, moet daarom nog niet altijd, 1 Cor. 1:14-17, maar

kan en mag toch het sacrament bedienen, en is ook dan een bedienaar

des woords, van het zichtbare woord, dat aan het hoorbare toegevoegd

is. Ten tweede is deze ambtelijke bediening des woords zelfstandig

tegenover alle onderwijzing des woords, die door de geloovigen onder

elkander of naar buiten geschiedt, en zelfs wezenlijk onderscheiden

van de toepassing, welke de presbyter van het woord heeft te maken

bij het bezoek van de leden der gemeente. Zeker kan en mag ook de

ambtelijke bediening des woords in de samenkomsten der gemeente als een

weiden der kudde worden opgevat. De Schrift gaat daarin ons voor. De

Heere is de herder van zijn volk, Ps. 23:1, 80:2, Jes. 40:11, 49:10,

Jer. 31:10, Ezech. 34:15; Christus heet de herder der kudde, Ezech.

34:23, Joh. 10:11, 14, Hebr. 13:20, 1 Petr. 2:25, 5:4, Op. 7:17. En

onder Hem als den ἀρχιποιμην, 1 Petr. 5:4, dragen ook zijne dienaren

den naam van herders, ποιμενες, pastores, Jes. 44:28, Jer. 2:8, 3:15,

23:1v., Ezech. 34:2v. enz., Joh. 10:2, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, 1

Cor. 9:7, Ef. 4:11, 1 Petr. 5:2, cf. het Form. der Ger. kerken voor de

bevestiging van dienaren des woords. Maar sedert de beide werkzaamheden

van weiden en leeren, van regeeren en arbeiden in het woord en de

leer gescheiden werden en ieder een eigen orgaan verkregen, Ef. 4:11,

1 Tim. 5:17, is de naam van leeraar de karakteristieke titel van den

dienaar des woords geworden. Door zijne voorbereiding en opleiding,

door zijn algeheele toewijding aan den arbeid in het woord, door de

macht om van het evangelie te leven, door zijne ambtelijke bediening

van woord en sacrament in de vergadering der geloovigen is hij van den

opziener, den regeerouderling onderscheiden, die speciaal met het

ποιμαινειν is belast, Hd. 20:28, 1 Petr. 5:2. Toch mag dit leeren niet

in intellectualistischen zin worden verstaan; veeleer is het met het

bovengenoemde Formulier alzoo te duiden, dat de dienaren des Heeren

woord grondig en oprechtelijk aan hun volk zullen voordragen en het

toeeigenen, zoo in het gemeen als in het bijzonder, tot nuttigheid der

toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen,

naar eens iegelijks behoefte, verkondigende de bekeering tot God en de

verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus en wederleggende

met de H. Schrift alle dwalingen en ketterijen, die tegen deze zuivere

leer strijden. Nader ligt er in deze potestas docendi opgesloten het

recht en de plicht der kerk, om 1º te zorgen voor de opleiding van

hare aanstaande dienaren of op die opleiding nauwkeurig toe te zien,

hare dienaren te roepen, te onderzoeken, te zenden, te bevestigen, te

onderhouden, door hun dienst het woord Gods te doen prediken beide aan

geloovigen en ongeloovigen, en alzoo de kerke Gods te bevestigen, uit

te breiden en voort te planten onder het menschelijk geslacht; 2º om het

woord Gods door middel van het ambt te bedienen in verschillenden vorm

naar elks behoefte, bepaaldelijk in den vorm van melk aan de jeugdige,

en in dien van vaste spijze aan de volwassen leden der gemeente, maar

voorts altijd zoo, dat de volle raad Gods, de gansche rijkdom van zijn

woord ontvouwd en overeenkomstig de behoeften van elk volk en land, van

elke eeuw en tijd, van iedere gemeente en van alle geloovigen in het

bijzonder ontwikkeld en toegepast wordt, Jes. 3:10, 11, 2 Cor. 5:20,

1 Tim. 4:13, 2 Tim. 2:15, 4:2; 3º om het woord Gods te bewaren, te

vertalen, uit te leggen naar den regel des geloofs, te verdedigen tegen

alle bestrijding der leugen, 1 Tim. 1:3, 4, 2 Tim. 1:13, Tit. 1:9-11,

13, 14 en alzoo de gemeente op te bouwen op het fundament van apostelen

en profeten, Ef. 2:20 en haar te doen zijn een στυλος και ἑδραιωμα της

ἀληθειας, 1 Tim. 3:15, d. i. een zuil en grondslag, die de waarheid

draagt, ze uitstalt voor ieders oog en aan allen kenbaar maakt.

Rechtstreeks vloeit hieruit de bevoegdheid der kerken voort, om de

waarheid, die zij gelooft, te belijden en als belijdenis in haar midden

te handhaven. Van den kant der Remonstranten in de praefatie voor hun

Confessie en Apologie, der Baptisten, Congregationalisten, Kwakers,

cf. Schaff, Creeds I 834. 852. 864. en van vele anderen is daartegen

ingebracht, dat het opstellen van bindende confessies in strijd is met

de algenoegzaamheid der Schrift, de christelijke vrijheid vernietigt,

eene ondragelijke tirannie invoert, verder onderzoek en voortgaande

ontwikkeling afsnijdt. De Schrift legt echter aan de kerken duidelijk

den plicht op, om een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn en

haar voor alle menschen te belijden, om zulken, die van de leer der

waarheid afwijken, te mijden en het woord Gods tegenover alle bestrijders

te handhaven. De kerk is bijna van het begin, d. i. van den aanvang der

tweede eeuw af eene belijdeniskerk geweest, die haar eenheid had in den

allen gemeenschappelijken regel des geloofs, d. i. in de doopsbelijdenis,

in het oorspronkelijke, later eenigszins uitgebreide, apostolisch

symbool, en voorts telkens in den loop der eeuwen door ketterij en

laster tot breedere ontwikkeling der waarheid genoopt werd, cf. Zahn,

Glaubensregel und Taufbekenntniss in der alten Kirche, in zijne Skizzen

aus dem Leben der alten Kirche 1898 S. 238-270. Id. Das apost. Symbolum

1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894. Kunze, Glaubensregel, H.

Schrift und Taufbekenntniss, Leipzig 1899. Een kerk kan ook in eene

wereld vol leugen en bedrog niet zonder een regel des geloofs bestaan,

wordt, gelijk de historie vooral in deze eeuw leert, zonder eene vaste

belijdenis aan allerlei dwaling en verwarring ten prooi en onderworpen

aan de tirannie van bovendrijvende richtingen en meeningen. Met zulk

eene belijdenis doet de kerk ook niet aan de volmaaktheid der H. Schrift

te kort, maar spreekt zij niet anders uit, dan wat in die Schrift is

vervat; de belijdenis staat niet naast, veel minder boven, maar diep

onder de H. Schrift; deze is alleen αὐτοπιστος, onvoorwaardelijk tot

geloof en gehoorzaamheid bindend, onveranderlijk, maar de confessie

is en blijft altijd examinabel en revisibel aan de Schrift, zij is geen

norma normans, maar hoogstens norma normata, geen norma veritatis,

maar norma doctrinae in aliqua ecclesia receptae, ondergeschikt,

feilbaar, menschenwerk, onvolkomene uitdrukking van wat de kerk uit

de Schrift als Goddelijke waarheid in haar bewustzijn opgenomen heeft

en thans op gezag van Gods woord tegenover alle dwaling en leugen

belijdt. Ook dwingt de kerk met deze belijdenis niemand noch bindt zij

het onderzoek, want zij laat een ieder vrij, om anders te belijden en de

waarheid Gods in anderen zin op te vatten; zij luistert opmerkzaam naar

de bedenkingen, die eventueel tegen haar belijdenis op grond van Gods

woord worden ingebracht en onderzoekt die naar eisch van hare belijdenis

zelve; alleen weigert zij en moet zij weigeren, zich tot een debating

society of philosophisch genootschap te verlagen, waarin heden voor

waarheid geldt wat gisteren leugen was, want zij is niet aan eene bare

der zee, maar aan een rots gelijk, pilaar en vastigheid der waarheid.

Cf. deel I 25 en voorts nog (Dunlop) A collection of confessions of

faiths, cathechisms, directories, books of discipline etc. of publick

authority in the church of Scotland, I Edinb. 1719 preface p.

V-CXLIV.

8. Christus is niet alleen profeet, Hij is ook koning, die nog

voortdurend van uit den hemel persoonlijk zijne gemeente regeert. Maar

Hij bedient zich daarbij toch van menschen en gaf dus in zoover aan zijne

gemeente een potestas gubernationis. In ruimer zin is daaronder al de

leiding en zorg te verstaan, welke de geloovigen saam ten opzichte van

elkander uitoefenen. In de gemeente geldt het woord van Ezau niet:

ben ik mijns broeders hoeder? Allen zijn elkanders leden, lijden en

verblijden zich met elkaar, hebben de bekwaamheid en de roeping, om ook

onderling elkander te leeren, te vermanen, te vertroosten, te stichten,

Rom. 15:14, Col. 3:16, 1 Thess. 5:11. Er zijn gaven der leiding, der

regeering, die Christus door den H. Geest aan de gemeente uitdeelt en

die Hij door de ambten niet te niet doet maar in ’t goede spoor houdt,

Rom. 12:8, 1 Cor. 12:28. En onder die gaven staat de liefde bovenaan,

die den een den ander in waardeering en hoogachting doet voorgaan, Rom.

12:10, Phil. 2:3, 1 Petr. 5:5. Maar toch heeft Christus als koning

zijner kerk in het presbyteraat ook een bepaald ambt ingesteld, waardoor

Hij zijne gemeente regeert. Dit regeeren draagt echter een geestelijk

karakter, wijl Christus koning is in het rijk der genade, en wordt in

de Schrift een ποιμαινειν genoemd, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, 1 Petr.

5:2; al wat denken doet aan aardsche macht en politieke heerschappij

is ervan uitgesloten, 2 Cor. 1:24, 1 Petr. 5:2, 3. In ruimeren zin

omvat dit ποιμαινειν ook het werk van den leeraar, maar er is toch een

groot onderscheid tusschen de openbare verkondiging en de persoonlijke,

individueele toepassing des woords, tusschen het hoeden der kudde in

het algemeen en het verzorgen van elk der schapen in het bijzonder. De

geloovigen zijn wel geroepen, om allen op elkander acht te nemen tot

opscherping der liefde en der goede werken, Hebr. 10:24, maar opdat

geen enkel schaap der kudde onverzorgd blijve, heeft Christus toch aan

een bepaald ambt het weiden der schapen opgedragen. Dat Hij hiermede

in eene wezenlijke behoefte zijner gemeente heeft voorzien, blijkt

daaruit, dat, toen het presbyteraat allengs verdween, in de biecht

een menschelijk surrogaat voor dezen ambtelijken dienst is ingesteld.

Ongetwijfeld bevat daarom de biecht iets goeds, Jak. 5:16, Calvijn, Inst.

III 1, 13, maar zij kan niet opwegen tegen den goed geregelden dienst

van het presbyteraat. Immers voert zij een ongeoorloofden gewetensdwang

in, maakt de geloovigen van de absolutie van den priester afhankelijk,

legt in de belijdenis van alle speciale, bepaaldelijk van de doodzonden,

een onmogelijk na te komen plicht op, maakt genade en zaligheid

ieder oogenblik onzeker en onvast, dwingt tot eene casuistische en

quantitatieve behandeling van zonde en straf, en geeft aanleiding tot

allerlei onzedelijke praktijken. De Schrift spreekt dan ook nergens van

zulk een gedwongen biecht. Maar wat zij in voorbeeld en voorschrift ons

zegt, is dit, dat Nathan tot David en Elia tot Achab en Jesaja tot

Hiskia gaat, om hen persoonlijk over hunne zonden te onderhouden; dat

Christus het land doorgaat predikende en zegenende, dat Hij al zijne

schapen bij name kent en er geen verloren laat gaan, Joh. 10:3, 28, dat

Hij aan Petrus en aan al de apostelen niet alleen het weiden der kudde

maar ook het weiden der schapen opdraagt, Joh. 21:15-17, dat Hij aan

zijne discipelen beveelt, om in steden, vlekken en huizen het evangelie

te prediken, Mt. 10:11, 12, dat Paulus de broeders in iedere stad

bezoekt, Hd. 15:36, de gemeenten versterkt, Hd. 15:41 in het openbaar

en bij de huizen, δημοσιᾳ και κατ’ οἰκους, de bekeering tot God en het

geloof in Christus predikt, Hd. 20:20, 21, cf. Calvijn, Inst. IV 1,

22. Trouwens ligt de behoefte aan zulk eene voortdurende geestelijke

verzorging in den toestand der kerk van Christus in deze bedeeling

vanzelf opgesloten. Ook al is de gemeente eens geplant, zij is niet

terstond volmaakt; integendeel heeft zij strijd van binnen en buiten,

staat ten prooi aan allerlei aanvallen van zonde en leugen, en loopt zij

ieder oogenblik gevaar, om af te dwalen ter rechter of ter linker zijde.

De gemeente is een akker, die voortdurend gewied, een boom, die op zijn

tijd gesnoeid, een kudde, die altijd door geleid en geweid, een huis,

waaraan steeds gebouwd, een bruid, die toebereid moet worden om als

eene reine maagd aan haren man te worden voorgesteld. Er zijn kranken,

stervenden, beproefden, bedroefden, bestredenen, aangevochtenen,

twijfelenden, gevallenen, gevangenen enz., die leering en onderwijzing,

vermaning en vertroosting van noode hebben. En afgedacht zelfs hiervan,

de gemeente behoort op te wassen in de kennis en genade van den Heere

Jezus Christus; de kinderen moeten jongelingen, de jongelingen mannen,

de mannen vaders worden in Christus, en hebben daartoe leiding en

verzorging van noode. Ook de leeraars zijn zwakke en zondige menschen en

behooren onder opzicht te staan; indien de raad van ouderlingen en de

vergadering van genabuurde kerken dit niet doet, wordt de gemeente een

speelbal van den pastor of anders een superintendentuur of episcopaat

noodzakelijk. In één woord, de leeraars zaaien het woord, de ouderlingen

zoeken de vrucht. Cf. voorts over het presbyteraat: Calvijn, Inst. IV

1, 22. 12, 2. Martyr, Loci p. 392b. Zanchius, Op. IV 730. Bullinger,

Huysboeck, Dec. 5 serm. 3. Junius, Op. I 1563. Bucanus, Inst. theol.

493. Mastricht, Theol. VII 2, 22. Voetius, Pol. Eccl. III 436-479. VI

92-109. M. Vitringa IX 229. Renesse, Van het regeerouderlingschap 1659.

Koelman, Ambt en pligt der ouderlingen 1765. Nieuwe werken van Th.

Harnack, Prakt. Theol. II 291-350. Id. in Zöcklers Handb. der theol.

Wiss. III 503-537. Achelis, Prakt. Theol. II 177-323. H. A. Koestlin,

Die Lehre von der Seelsorge, Berlin 1895. Kuyper, Enc. III 524.

Biesterveld, Het huisbezoek, Kampen 1900 enz.

9. Tot de werkzaamheid der opzieners behoort in het bijzonder ook de

kerkelijke tucht, potestas disciplinae. Het Hebr. heeft voor tucht

het woord מוּסָר, dat eigenlijk adstrictio, constrictio beteekent en

in het grieksch door νουθετημα, διδασκαλια, νομος, σοφια vertaald en

in het N. T. vooral door het woord παιδεια weergegeven wordt. Beide

woorden geven evenals het holl. woord tucht, van tien, trekken, in het

algemeen te kennen, dat iets dat jong, teer, klein, zwak is met zorg

opgekweekt wordt. Wijl echter in het algemeen en vooral bij menschen

deze opkweeking altijd tegelijk abnormale ontwikkeling tegen moet gaan,

krijgt het woord tucht de bijbeteekenis van terechtwijzing, kastijding,

tuchtiging. Bijna nooit duiden de woorden alleen onderwijs, onderricht

aan, cf. echter Hd. 7:22, 22:3, maar altijd zulk eene opvoeding en

onderwijs, welke terechtwijzend en kastijdend optreden. Zoo voedt God

zijne kinderen op, Hebr. 12:5-11, en Christus zijne gemeente, Op.

3:19, door middel van de Schrift, die nuttig is προς διδασκαλιαν,

προς ἐλεγμον, προς ἐπανορθωσιν, προς παιδειαν την ἐν δικαιοσυνῃ, 2

Tim. 3:16. En zulk een tucht heeft Christus ook in zijne gemeente

ingesteld. In het O. T. bestond er nog geen eigenlijke kerkelijke tucht,

al werd Adam ook gebannen uit het paradijs en al werden in Israel

onbesnedenen, melaatschen en onreinen uit het heiligdom geweerd, Lev.

5v., Ezech. 44:9, want voor onopzettelijke zonden bestond er altijd

verzoening, op zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing, en de

cherem was tegelijk eene burgerlijke straf. Eerst toen Israel eene

gemeente werd, kwam de uitsluitend kerkelijke straf op, de afzondering

uit de gemeente der geloovigen, Ezr. 10:8, en deze ban wordt nog door

de Joden in sommige gevallen toegepast, Gunning, De Chasidim bl. 55.

Misschien in aansluiting aan deze synagogale tucht, heeft Christus de

tucht in zijne gemeente verordend. In Mt. 16:19 geeft Hij de sleutelen

van het hemelrijk aan Petrus, in Mt. 18:18 aan de gemeente, in Joh.

20:23 aan de apostelen, zoodat zij de macht hebben om op grond van de

belijdenis van Christus en onder de voorlichting des Geestes te binden

en te ontbinden, iemand de zonden te houden of te vergeven. Alleen

omdat Christus deze macht aan zijne gemeente geeft, is deze tot het

oefenen van tucht bevoegd. In Mt. 18:15-17 wijst Hij dan aan, hoe deze

tucht geoefend moet worden. God wil niet, dat een der kleinen, die

in Jezus gelooven, verloren ga. Mt. 18:1-14. Als dus iemand door zijn

broeder beleedigd of onrechtvaardig behandeld is, dan moet hij eerst

door persoonlijke bestraffing, dan door bestraffing onder twee of

drie getuigen, en daarna door bestraffing vanwege heel de gemeente

beproeven hem te winnen; en eerst, als dat alles niet baat, dan mag hij,

de beleedigde (σοι, vs. 17, in sing.) hem beschouwen als een heiden

en tollenaar, dan heeft hij alles aan hem beproefd, en is hij vrij van

zijn bloed. Zulk een oordeel heeft dan kracht in den hemel. Dit is de

gewone weg, waarlangs de tucht in de gemeente naar Jezus’ bevel loopen

moet. Maar daarvan is wel te onderscheiden de tucht, die God zelf, die

Christus, en die ook de apostelen soms oefenen in zijn naam en kracht.

God kan zonden in de gemeente, bijv. het onwaardig gebruik van het

avondmaal bezoeken met krankheid en dood, 1 Cor. 11:30. Ananias en

Saffira vielen om hun liegen tegen den Geest Gods dood voor Petrus’

voeten neer, Hd. 5. Paulus strafte Elymas, Hd. 13:11 met blindheid. In

1 Cor. 5 beveelt Paulus aan de gemeente, om, terwijl zij met zijn geest,

die reeds over den bloedschender in haar midden het oordeel heeft

uitgesproken, vs. 3, saamvergaderd en alzoo verbonden is met de macht

van den Heere Jezus Christus, in Christus’ naam den zoodanige aan den

Satan over te geven, opdat hij door dezen in zijn lichaam geslagen en

alzoo toch weder naar den geest in den dag van Christus behouden worde.

Paulus berispt daarbij de Corinthiërs vs. 2, dat zij hem al niet eerder

uit hun midden hadden weggedaan en onderstelt dus, dat zij daartoe het

recht en de verplichting hadden. En juist wijl zij dat niet gedaan, maar

den zondaar gedragen en alzoo aan zijne zonde deel gekregen hadden,

daarom acht hij thans een radicalen maatregel noodig. Hij zelf heeft als

apostel reeds voor zichzelf het oordeel geveld, en eischt nu, dat de

gemeente, in volle vergadering, terstond, zonder verder vermaan, naar

de thans door den apostel haar verleende volmacht, ja naar de macht van

Christus zelven, in zijn naam den booze oordeele; en niet maar eenvoudig

buiten de gemeente plaatse, gelijk in vs. 2 van haar verlangd werd,

doch bepaaldelijk ter lichamelijke bestrijding aan den Satan overgeve.

Er is hier dus sprake, niet van gewone excommunicatie, zooals bijv. in

Mt. 18:17, maar van eene bijzondere, apostolische machtsdaad. Dit blijkt

ook uit 1 Tim. 1:20, 2 Tim. 2:17, waar Paulus als apostel, geheel

alleen, zonder de gemeente, op dezelfde wijze Hymeneus en Alexander

aan den Satan overgeeft, opdat zij getuchtigd zouden worden niet meer

te lasteren. Er is daarom groot verschil tusschen deze buitengewone

straffen en de gewone tuchtoefening, die aan de gemeente is opgedragen.

Van deze laatste handelde Paulus in 1 Cor. 5:2 en nog nader in vs.

9-13. Daar zegt hij n.l., dat hij in een vroegeren brief, die dus aan

dezen „eersten” brief is voorafgegaan, hen vermaand heeft, om zich

niet te vermengen, d. i. geen omgang te hebben met hoereerders. Maar

de Corinthiërs hadden dat verkeerd opgevat en daaruit afgeleid, dat zij

hoegenaamd geen verkeer, ook niet in het burgerlijke, mochten hebben

met hoereerders, geldzuchtigen, roovers, afgodendienaars buiten de

gemeente. Maar dat was de bedoeling van den apostel niet; dat ware een

onmogelijke eisch geweest, daarmede gelijk staande, dat zij uit de wereld

moesten gaan. Alleen had hij verlangd, dat zij geen omgang zouden hebben

met een hoereerder enz., indien zoo iemand een broeder genoemd werd

en lid der gemeente was. Ja, in dat geval wenscht hij, dat zij met zulk

een gevallen broeder ook geen maaltijd zullen houden, niet bij hem gaan

eten noch hem te eten vragen, niet vriendschappelijk en broederlijk met

hem zullen verkeeren, maar dat zij, terwijl zij hen, die buiten zijn, aan

Gods oordeel overlaten, zulk een booze, die in hun kring verkeert,

uit hun midden zullen verwijderen, cf. 2 Cor. 2:5-10. Evenzoo spreekt

Paulus elders van het recht en den plicht der gemeente, om acht te

geven op en af te wijken, ἐκκλινειν, van hen, die tweedracht en ergernis

aanrichten, Rom. 16:17; om in Jezus’ naam zich te onttrekken, af te

scheiden, στελλεσθαι ἀπο, van iederen broeder, die ongeregeld wandelt,

2 Thess. 3:6, 14; om na eerste en tweede, d. i. na herhaalde vermaning

zich te onttrekken aan, niet in te laten met (παραιτεισθαι, zich door

beden van iets of iemand afmaken, loslaten, ontslaan) een ketterschen

mensch, die (als lid der gemeente, of ook misschien van buiten af) in

de gemeente de eenheid des geloofs verbreekt, Tit. 3:10. Hetzelfde zegt

Johannes; als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, dan moogt gij

hem niet ontvangen in uw huis als een broeder, niet vriendschappelijk

en broederlijk met hem omgaan, en hem niet als een broeder begroeten en

verwelkomen. 2 Joh. 10. En eindelijk wordt in Op. 2:2 de gemeente van

Efeze geprezen, omdat zij de boozen niet verdraagt; in Op. 2:14, 20,

24 die van Pergamus en Thyatire berispt, wijl zij kettersche leeringen

en heidensche gruwelen dulden. Cf. Meyer, Die Lehre des N. T. von der

Kirchenzucht, Zeits. f. kirchl. Wiss. u. kirchl. Leben 1881.

Deze leer der H. Schrift is het zuiverst in de tuchtoefening der

Gereformeerde kerken toegepast. Volgens haar toch zijn 1º geen

onpersoonlijke dingen, geschriften, gebouwen, landen, maar altijd

personen het object; en geen menschen in het algemeen, want die buiten

zijn, oordeelt God, 1 Cor. 5:10, geen gestorvenen, geen klasse of groep

van menschen, maar altijd bepaalde, individueele personen, die of alleen

door doop, of ook door belijdenis leden der gemeente zijn. 2º Oorzaak

der tucht zijn niet allerlei zwakheden die in geloovigen vallen, ook

niet zulke schrikkelijke zonden, welke de christelijke overheid straft,

hoewel de kerk dan volgt en haar tucht niet overbodig is, Calv.

Inst. IV 11, 3. Bucanus 539, maar zulke zonden, die in het midden der

gemeente ergernis wekken en door de overheid niet of zeer zacht worden

gestraft, Mastricht, Theol. VII 6, 8. 3º Bij deze zonden, op welke de

kerkelijke tucht van toepassing is, moet tusschen verborgene en openbare

zonden onderscheiden worden. De eerste worden behandeld naar den

regel van Mt. 18, en krijgen eerst het karakter van openbare zonden,

als particuliere vermaningen niet baten en dus de gansche gemeente,

of hare vertegenwoordiging in den kerkeraad erin gemoeid wordt. 4º Bij

deze door hardnekkigheid openbaar geworden en bij de van huis uit door

haar karakter (bijv. moord, overspel) openbare zonden is de procedure

aldus: zoodra de overtreder oprechte boetvaardigheid toont, houdt alle

kerkelijke tucht in engeren zin op. Het avondmaal mag dan nog onthouden

worden, opdat de ergernis uit de gemeente worde weggenomen en de

oprechtheid der schuldbelijdenis aan het licht trede; maar van tucht

is geen sprake meer. Wie zijn zonde belijdt, vindt bij God en dus ook bij

zijne gemeente barmhartigheid. De tucht, die tot afsnijding leidt, vangt

altijd eerst aan na gebleken onboetvaardigheid en hardnekkigheid. Opdat

de gemeente hiervan ten volle overtuigd zij en niet lichtvaardig tot

het wegdoen van den booze uit haar midden overga, begint de kerkeraad

met vermaningen. Als de overtreder zich hiertegen verhardt, volgt

eerst met onthouding van het avondmaal de bekendmaking van de zonde

zonder den naam van den zondaar in het midden der gemeente; daarna de

bekendmaking van de zonde met den naam van den zondaar, doch niet dan

na een welgegrond advies van de classis; vervolgens de bekendmaking

dat hij, indien hij blijft volharden, zal afgesneden worden; en eindelijk

de afsnijding zelve met het formulier van den ban. De tijd, die tusschen

al deze vermaningen en tuchtmaatregelen verloopen moet, is niet vast

te stellen, wijl hij met den aard van de zonde, het gedrag van den

overtreder, de ergernis in en buiten de gemeente in verband staat.

5º De straffen, die de kerk hierbij toepast, zijn zuiver geestelijk. Zij

bestaan niet en mogen niet bestaan in geldboete, lichamelijke kastijding,

brandmerk, pijniging, gevangenis, eerloosheid, verbanning, doodstraf

enz., gelijk Rome beweert, noch ook in ontbinding van familie-,

burgerlijke, staatkundige betrekkingen, gelijk de Anabaptisten leerden;

evenmin in uitsluiting uit de openbare godsdienstoefeningen, gelijk

de christelijke kerk in den eersten tijd dit toepaste. Want de wapenen

der gemeente zijn niet vleeschelijk maar geestelijk en daarom krachtig

voor God, 2 Cor. 10:4. Maar de tucht der gemeente is eene ernstige

beproeving, of iemand, die zich misdroeg en tegen alle vermaning

zich verhardt, nog als een broeder kan en mag beschouwd worden. De

excommunicatie is daarom ten slotte niets anders maar ook niets

minder dan een opzeggen van den broederlijken omgang en de broederlijke

gemeenschap; een zich onttrekken der gemeente; een eindelijk, met smart

loslaten van dengene, die zich als een broeder voordeed maar geen

broeder bleek te zijn. Zij is geen overgave aan den Satan, wat in het

N. T. alleen als eene apostolische daad voorkomt, geen verdoemenis

of vervloeking, geen ἀναθεμα, dat in het N. Test. nooit, ook niet in

Rom. 9:3, van de kerkelijke tucht gebezigd wordt, cf. Cremer s. v.,

maar alleen en toch ook niet minder dan eene plechtige verklaring der

gemeente in Jezus’ naam, dat de zondaar openbaar is geworden als niet

zijnde een oprecht broeder in Christus, en dus een hem stellen buiten de

gemeente en hare gemeenschap, opdat God alleen over hem oordeele. 6º

De excommunicatie is een uiterste remedie, opdat de verwijderde uit den

broederlijken omgang tot inkeer kome. Zelfs de apostolische overgave aan

den Satan had nog deze beteekenis, 1 Cor. 5:5, 1 Tim. 1:20. Al mag de

gemeente den uitgeworpene ook als een heiden en tollenaar beschouwen,

omdat zij alle moeite aan hem, zonder vrucht, heeft ten koste gelegd;

al moest zij hem uitwerpen, om zelve geen gemeenschap aan zijne zonden

te hebben, 1 Cor. 5:6, 7, 11:30; toch blijft de hope bestaan, dat hij

nog een broeder zij, die door vermaning van zijne dwaling zal terecht

gebracht worden, 2 Thess. 3:14. 7º Daarom blijft wederopneming in de

gemeente altijd weer mogelijk, Mt. 16:18, 18:18, Joh. 20:23, 2 Cor.

2:5-10; maar daarbij is dan voorafgaande openbare belijdenis noodig, die

in alle andere gevallen slechts met alle voorzichtigheid en naar het

oordeel van den ganschen kerkeraad geeischt mag worden. Cf. Calvijn,

Inst. IV 12. Ursinus, Explic. Cat. qu. 83-85. Zanchius, Op. IV 736.

Polanus, Syst. Theol. p. 544. Martyr, Loci 411. Junius, Theses Theol.

47. Bucanus, Instit. theol. 531. Heidegger II p. 600. Synopsis pur.

theol. disp. 48. Voetius, Pol. IV 770-982. Mastricht, Theol. VII c.

6. Moor VI 400-422. M. Vitringa IX 1 p. 498-573 enz. Uit den nieuweren

tijd: Scheele, Die Kirchenzucht 1852. Fabri, Kirchenzucht im Sinne und

Geiste des Evang. 1854. Art. Bann, Kirchenzucht, Schlüsselgewalt,

Gerichtsbarkeit in Herzog. Müller, Dogm. Abh. 496 f. Vilmar, Von der

christl. Kirchenzucht 1872. Id. Kirchenzucht u. Lehrzucht 1877.

10. In de derde plaats is Christus ook priester en oefent dit ambt nog

altijd van uit den hemel in zijne gemeente door voorbede en zegening

uit. Gelijk Hij als profeet de zijnen leert en als koning hen regeert,

zoo bewijst Hij hun als priester den rijkdom zijner barmhartigheid.

Toen Hij op aarde was, omging Hij de steden en vlekken, niet alleen

leerende in de synagogen en predikende het evangelie des koninkrijks,

maar ook genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk, Mt.

9:35. En dit was geen bijkomstige en toevallige werkzaamheid maar een

hoofdbestanddeel van het werk, dat de Vader Hem opgedragen had om

te doen, Mt. 8:17, Joh. 5:36, 9:3, 4 enz. De volheid van zijn macht

en de rijkdom zijner barmhartigheid werd erin openbaar; de werken van

zonde en Satan werden er door verbroken; de gevolgen der zonde in de

physische wereld werden er aanvankelijk door weggenomen; zij liepen

uit en ontvingen hun zegel en voleinding in de opstanding, die de

overwinning van den dood en het beginsel der vernieuwing aller dingen

was. Als Hij dan ook zijne discipelen uitzendt, geeft Hij hun niet

alleen den last, om het evangelie te prediken, maar even stellig en

nadrukkelijk, om de onreine geesten uit te werpen en om alle ziekte

en alle kwale te genezen, Mt. 10:1, 8, Mk. 3:15, Luk. 9:1, 2, 10:9,

17. De discipelen volbrachten dien last, niet alleen tijdens Jezus’

verblijf op aarde maar ook na zijne hemelvaart, Hd. 5:16, 8:7 enz. Zelfs

werden er naar Jezus’ eigen belofte, Mk. 16:17, 18 in den eersten

tijd aan de geloovigen vele buitengewone gaven van gezondmaking en

werkingen van krachten geschonken, Hd. 2:44, 45, 4:35, Rom. 12:7,

8, 1 Cor. 12:28. Gelijk het echter ging met de gaven der leer en de

gaven der regeering, zoo ging het ook met die der barmhartigheid. De

buitengewone toestand der kerk werd allengs normaal. En al werden de

gaven niet onderdrukt of vernietigd, zij werden toch langzamerhand meer

en meer verbonden met het ambt. De leer werd aan den didaskalos, de

regeering aan den presbyter en evenzoo de dienst der barmhartigheid

aan den diaken opgedragen, Hand. 6. En de gaven zelve schoon gaven des

H. Geestes blijvende, kregen een meer eenvoudig en gewoon karakter.

Rome beweert wel, dat de wonderkracht bij haar voortduurt, deel I

270, maar schooner dan die wonderen, waarop zij zich beroemt, zijn de

werken der barmhartigheid, die van haar geloof en liefde een krachtig

getuigenis afleggen. Want toen het diakonaat in de christelijke kerk

langzamerhand geheel van karakter veranderde, heeft de schat van liefde

en barmhartigheid, dien Christus in zijne gemeente uitstort, in private

weldadigheid zich rijk geopenbaard. Al laat de regeling van den dienst

der barmhartigheid in Rome veel te wenschen over, toch neemt zij in

werken der liefde onder de christelijke kerken de eerste plaats in.

Want wel heeft de Gereformeerde kerk het ambt van diaken hersteld,

maar zij heeft zijn plaats en dienst niet behoorlijk geregeld en zijne

werkzaamheid niet tot ontwikkeling gebracht. Deze ontwikkeling, waartoe

de nood der tijden tegenwoordig dringt, kan in hoofdzaak niet anders

dan in deze richting geschieden: 1º dat het ambt van diaken meer dan

tot dusver geëerd worde als een zelfstandig orgaan van de priesterlijke

barmhartigheid van Christus, 2º dat de liefde en de barmhartigheid als

de christelijke deugden bij uitnemendheid worden erkend en beoefend,

3º dat aan diakenen opgedragen wordt, om alle leden der gemeente,

inzonderheid de vermogende, in den naam van Christus te bewegen tot

barmhartigheid, en voor de zonde der gierigheid, die een wortel is van

alle kwaad, te waarschuwen en te behoeden, 4º dat het diakonaat de

private weldadigheid niet doode, maar opwekke, regele en leide, 5º dat

de dragers van dit ambt, zoo noodig, in groote gemeenten zich bedienen

van de hulp van diakonessen, op dezelfde wijze als de beide andere

ambten gebruik maken van catechiseermeesters en ziekentroosters, 6º dat

zij hunne gaven uitdeelen, in Christus’ naam, als van de tafelen des

Heeren genomen, waarop zij door de gemeente neergelegd en aan Christus

zelven geschonken zijn, Mt. 25:40, 7º dat zij hunne hulp uitstrekken tot

alle armen, kranken, vreemdelingen, gevangenen, idioten, krankzinnigen,

weduwen, weezen, in één woord tot alle ellendigen en nooddruftigen,

die er zijn in het midden der gemeente, en hen in hun lijden tegemoet

komen met woord en met daad, 8º dat de dienst der barmhartigheid

veel breeder plaats verkrijge op de agenda van alle kerkelijke

vergaderingen dan tot dusver het geval is, 9º dat de diakenen met

leeraren en ouderlingen tot de meerdere vergaderingen der kerken worden

afgevaardigd en in alle zaken, rakende den dienst der barmhartigheid,

keurstem verkrijgen, 10º dat op deze vergaderingen de dienst der

barmhartigheid naar algemeene beginselen geregeld worde, behoudens

het verschil van gemeentelijke toestanden; voor generale behoeften

gemeenschappelijk worde ter hand genomen, en van de plaatselijke gemeente

tot ondersteuning van andere kerken, en voorts ook tot hulpbetoon aan

arme, verdrukte geloofsgenooten in den vreemde worde uitgebreid, en 11º

dat deze diakonale arbeid in zijne zelfstandigheid gehandhaafd blijve en

niet onderga in of vermengd worde met het werk der inneren Mission, of

ook met de staatsarmenzorg, die een geheel ander karakter dragen. Cf.

Calvijn, Inst. IV 3, 9. Musculus, Loci Comm. 425. Bullinger, Huysboeck

V 3. Zanchius, Op. IV 765. Junius, Op. I 1566. Bucanus, Inst. 494.

Voetius, III 496-513. M. Vitringa IX 272-296. G. Uhlhorn, Die christl.

Liebesthätigkeit, Stuttgart 1882-’90. Bonwetsch, das Amt der Diakonie

in der alten Kirche, 1890. Seesemann, Das Amt der Diakonissen in der

alten Kirche, 1891. Schäfer, Diakonik in Zöcklers Handb. der theol.

Wiss. III 538-572. Achelis, Prakt. Theol. II 324-451. Wurster, Die

Lehre v. d. inneren Mission, Berlin 1895. Kuyper, Enc. III 535-545.

11. Deze macht, door Christus aan zijne gemeente geschonken, komt in

de plaatselijke kerk saam in den kerkeraad. Elke plaatselijke kerk is

volgens het N. Test. zelfstandig, eene ecclesia completa, en draagt

daarom evengoed als de kerk in haar geheel den naam van tempel

Gods, 1 Cor. 3:16, 17, 2 Cor. 6:16, bruid, 2 Cor. 11:2, of lichaam

van Christus, 1 Cor. 12:27. De geloovigen staan niet op zichzelf

maar vormen eene eenheid, en zoo ook blijven de ambtsdragers in eene

plaatselijke kerk niet los naast elkander staan maar sluiten zich

tot een raad der kerk aaneen. Sporen daarvan zijn er reeds in het N.

Test. In Jeruzalem kwamen de geloovigen, nadat zij door den doop der

gemeente waren ingelijfd, van tijd tot tijd saam, volhardende in de leer

der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods, in de

gebeden, Hd. 1:14, 2:41v., 5:12 enz.; en stonden zij onder leiding

van het college der apostelen, die spoedig daarin door de presbyters

werden bijgestaan, Hd. 6:2, 15:2, 6, 22. Allerlei omstandigheden, de

gaven des H. Geestes, inzonderheid die van didaskalie, profetie en

glossolalie, de samenkomsten der geloovigen, de bediening van woord

en sacrament, de inzameling der collecten, de verzorging der armen

enz., maakten leiding en regeling en daarbij ook raad en overleg

vanzelf noodzakelijk. Eerst voorzagen de apostelen zooveel mogelijk

in al die behoeften, namen maatregelen en maakten bepalingen, Hd.

15:28v., 1 Cor. 11:4-6, 34, 14:27v., 16:1, 1 Tim. 3 enz. Want alles

moest in de gemeente van Christus betamelijk en met orde, in vrede en

tot stichting geschieden, 1 Cor. 14:26, 33, 40. Maar toen het ambt van

ouderlingen was ingesteld, werden dezen met de leiding en regeering der

gemeente belast; en dezen vormden onderling al spoedig een college,

πρεσβυτηριον, 1 Tim. 4:14. Onder de leiding van zulk een college

genoot de gemeente echter in de eerste tijden eene groote mate van

zelfstandigheid, zij werd bij gewichtige zaken geregeld geraadpleegd.

In Hd. 1 komen de discipelen saam tot het kiezen van een apostel; in

Hd. 6 kiest de gemeente de diakenen; in Hd. 15 woont zij de vergadering

van apostelen en ouderlingen bij; in 1 Cor. 5 oefent zij de tucht uit.

De eerste synoden waren samenkomsten der plaatselijke kerk. Maar ook de

plaatselijke kerken alle te zamen vormen eene eenheid. Zij dragen ook

alle saam den enkelvoudigen naam van ἐκκλησια; zij staan allen onder de

apostelen, wien de leiding en regeering der gansche kerk is opgedragen;

zij zijn met elkander één in Christus, één dus in leer, in geloof, in

doop, in liefde, zij groeten elkander, Rom. 16:16, 1 Cor. 16:20, 2 Cor.

13:12, dienen elkander met gaven der liefde, Rom. 15:26, 1 Cor. 16:1,

2 Cor. 8:1, 4, 9:1, Gal. 2:10, en laten elkander de brieven lezen,

die zij ontvangen van de apostelen, Col. 4:16. Het lag dus in den aard

der zaak, dat deze gemeenten, die geestelijk één waren, eventueel met

elkander zouden beraadslagen over zaken van algemeen belang. Het eerste

voorbeeld komt daarvan voor in Hd. 15, naar aanleiding van de vraag,

of de Heidenen zalig konden worden zonder besnijdenis. De gemeente van

Antiochië zond Paulus en Barnabas en eenige anderen naar Jeruzalem, om

over dit belangrijk vraagstuk met de apostelen en ouderlingen aldaar van

gedachten te wisselen en tot eenstemmigheid te komen. De apostelen en

ouderlingen hielden daarom met deze afgevaardigden van Antiochië eene

vergadering, 15:6, die misschien ook door de gemeente bijgewoond werd,

15:12, 22 (in vers 25 moet echter και οἱ vóór ἀδελφοι waarschijnlijk

wegvallen). Na veel ζητησις, onderzoek, redetwist, werd niet maar een

advies gegeven, doch in den H. Geest eene beslissing genomen, die de

broederen in Antiochië, Syrië en Cilicië bond, per brief hun meegedeeld

en door Judas en Silas nog mondeling, in eene vergadering der gemeente,

toegelicht werd, Hd. 15:22-31. Al deze vergaderingen, waarvan het N. T.

bericht, waren vergaderingen der plaatselijke gemeente, slechts in Hd.

15 door afgevaardigden van elders bijgewoond. Deze gewoonte werd later,

ook reeds in de tweede eeuw nagevolgd. Bij gewichtige aangelegenheden,

zooals benoeming en afzetting van een bisschop, excommunicatie,

absolutie van doodzonden enz., gaf niet alleen het presbyterium zijn

leiding maar ook de gemeente hare toestemming. Cyprianus zegt nog,

dat hij van het begin van zijn episcopaat af niets deed zonder den raad

van zijn presbyterium en de toestemming der gemeente, Ep. 14, 4. Op de

synoden der tweede en derde eeuw zijn daarom niet alleen bisschoppen

maar ook presbyters, diakenen en gewone gemeenteleden tegenwoordig.

Zelfs het concilie van Nicea werd, behalve door bisschoppen, ook door

presbyters, diakenen en leden bijgewoond, die aan de debatten deelnamen.

En de afgevaardigden, die op gemeentevergaderingen uit naburige

gemeenten werden uitgenoodigd, waren in den eersten tijd volstrekt

niet alleen bisschoppen maar ook wel presbyters, diakenen of andere

leden der gemeente. Maar de ontwikkeling der hierarchische idee bracht

mede, dat de toestemming der gemeente steeds minder gevraagd werd,

dat presbyters en diakenen van de gemeente werden losgemaakt en in

raadgevers en helpers van den bisschop veranderd, en dat de synoden

langzamerhand alleen door bisschoppen gehouden werden. Voorts waren

in de tweede en derde eeuw alle gemeentevergaderingen, bijgewoond

door afgevaardigden van naburige gemeenten, gelijk in rang; er was

nog geen hierarchie van kerkelijke vergaderingen, er waren nog geen

provinciale, metropolitane, oecumenische conciliën; alle vergaderingen

der kerken hadden plaats in den naam van Christus, maakten besluiten

in den H. Geest, en golden voor de gansche Christenheid (concilium

universale, catholicum). Maar ook daarin kwam verandering. Reeds in

de derde eeuw zijn er hier en daar bepaald provinciale synoden, d. i.

vergaderingen van bisschoppen in eene bepaalde provincie gehouden. In

de vierde eeuw kwamen er, tengevolge van de groote twisten, die de kerk

verdeelde, synoden van bisschoppen uit verschillende provinciën bij.

En het concilie van Nicea, ofschoon volstrekt geen vertegenwoordiging

van de gansche Christenheid, wijl het maar door enkele bisschoppen uit

het Westen werd bijgewoond, was toch door den keizer van alle kanten

saamgeroepen. Zoo kwam er allengs eene rangordening van provinciale,

nationale, patriarchale, oecumenische conciliën, Sohm, Kirchenrecht

247-344. Maar het karakteristieke kenmerk van een oecumenisch

concilie is moeilijk aan te wijzen. Het kan niet daarin liggen, dat

het door den paus is saamgeroepen, want van de vierde tot de tiende

eeuw werd het geconvoceerd door den keizer; noch ook in de algemeene

geldigheid en de groote beteekenis zijner besluiten, want dikwijls zijn

de canones van oecumenische conciliën verworpen en die van provinciale

synoden aangenomen; noch ook daarin, dat een oecumenisch concilie de

gansche Christenheid vertegenwoordigt, want dit is lang niet altijd

met de dusgenaamde conciliën het geval geweest. Tegen het einde der

Middeleeuwen is wel de theorie opgekomen, dat een concilie dan alleen

oecumenisch en onfeilbaar was, wanneer het bestond uit afgevaardigden

van alle kerken. Maar deze theorie was van revolutionairen oorsprong,

leidde in de practijk tot allerlei moeilijkheden en werd door Rome ook

nooit geaccepteerd. Voor Rome is een concilie alleen oecumenisch,

wanneer zijne besluiten door den paus zijn goedgekeurd en daardoor

een onfeilbaar, de gansche Christenheid bindend karakter verkrijgen,

Bellarminus, de conciliis et ecclesia lib. I II. Heinrich, Dogm. II 476

f. Scheeben, Dogm. I 230 f. Vering, Kirchenrecht 613 f. enz.

In de Protestantsche kerken is het synodale kerkregiment het eerst

op Franschen bodem tot ontwikkeling gekomen. In de Luthersche kerk

kwamen wel synoden voort, maar deze bestonden alleen in samenkomsten

van pastores. Zwingli stelde in 1528 te Zurich synoden in, die door

den raad werden saamgeroepen, uit de predikanten van stad en land

en enkele leden van den raad bestonden en vooral klachten tegen

leer en leven van de predikanten moesten overwegen, Mörikofer, Ulr.

Zwingli, Leipzig 1869 II 118 f. Calvijn bepaalde evenzoo in de

Ordonnances ecclesiastiques, dat de predikanten alle drie maanden

moesten samenkomen, om op elkanders leer en leven toe te zien en

voerde bovendien 1546 een jaarlijksche visitatie in, Kampschulte, Joh.

Calvin I 408. Franz Lambert ontwierp 1526 voor Hessen een kerkenorde,

waarin zoowel gemeentevergaderingen als synoden, bestaande uit de

predikanten en door de gemeenten benoemde afgevaardigden, waren

opgenomen, maar deze kerkenorde trad niet in werking, Lechler, Gesch.

d. Presb. n. Syn. Verf. 14 f. Eene synodale kerkregeering kwam er

eerst in Frankrijk, waar de kerken zich sterk uitbreidden en door

behoefte aan eenheid den 26{en} Mei 1559 voor het eerst in synode

te Parijs samenkwamen en zich in eene gemeenschappelijke belijdenis en

kerkenorde vereenigden, Lechler ib. 69. Opmerkelijk is daarbij, dat

de generale synode het eerst is ontstaan, dat deze de provinciale

synoden invoerde en dat later, in 1572, tusschen deze en de kerkeraden

nog de classis ingeschoven werd, ib. 81, cf. evenzoo in Schotland

97. Zulk een synodale kerkregeering werd dan later ook in andere

Geref. kerken ingevoerd, in Polen, Boheme, Hongarije, Duitschland,

Nederland, Schotland, Engeland, Amerika enz. Maar er kwam spoedig van

twee kanten oppositie tegen. De Remonstranten, zich aansluitende bij

Zwingli en Erastus, kenden de kerkelijke macht aan de overheid toe en

leidden daaruit af, dat synoden wel geoorloofd maar niet geboden en

voor het zijn of welzijn der kerk niet noodig waren, en dat, wanneer zij

gehouden werden, het recht tot samenroeping, tot afvaardiging, tot

het vaststellen der agenda, tot presideering aan de overheid toekwam,

Uitenbogaert, Tractaat van ’t ampt ende auctoriteit enz. 1610 bl. 107v.

cf. Limborch, Theol. Chr. VII 19. En de Independenten gingen onder

invloed der anabaptistische dwaling nog verder, hielden elke groep van

geloovigen voor independent, en verwierpen alle bindend classicaal of

synodaal verband, Robinson bij Kist en Roijaards, Ned. Arch. voor Kerk.

Gesch. VIII 1848 bl. 371v. Neal, Historie der rechtz. Puriteinen II 1

bl. 96. De gronden, die tegen de synodale kerkregeering kunnen worden

ingebracht, zijn ook inderdaad niet van gewicht ontbloot. Immers zijn de

plaatselijke kerken in het N. T. alle volkomen zelfstandig ten opzichte

van elkander; van een wettelijk, bindend classicaal of synodaal verband

is er met geen woord sprake. Zoodanig verband schijnt ook met de

zelfstandigheid der plaatselijke kerken geheel in strijd te zijn, omdat

het vergaderingen invoert, die boven de plaatselijke kerken staan en

met gezag tegenover deze optreden, en alzoo in de kerk van Christus

wederom eene ongeoorloofde hierarchie en tirannie invoert. En daarbij

komt dan nog, dat de geschiedenis der synoden van hare nuttigheid niet

altijd een gunstig getuigenis aflegt, en ze dikwerf doet voorkomen

als oorzaak van allerlei twist en verdeeldheid, zoodat Gregorius

Naz. reeds zeggen kon, μηδεμιας συνοδου τελος εἰδον χρηστον; en het

spreekwoord niet ten onrechte luidt: omne concilium parit bellum. Maar

daartegenover stellen toch andere overwegingen de noodzakelijkheid en

nuttigheid der synoden duidelijk in het licht. 1º In het N. T. is er

nog geen classicaal of synodaal verband der kerken, maar er was daar

ook toen nog geen behoefte aan, wijl de apostelen zelven leefden, de

gemeenten met raad bijstonden en ze ook door evangelisten als hunne

plaatsvervangers verzorgden. 2º De gemeenten waren ook toen reeds

op allerlei wijze door geestelijke banden aan elkander verbonden, en

kregen het recht, niet alleen om zelve te vergaderen, maar ook om naar

andere gemeenten afgevaardigden te zenden en daar beslissing in zekere

geschillen te vragen; Hd. 1, 6, 15, 21 toonen, dat synoden in gansch

algemeenen zin zijn juris divini permissivi. 3º Synoden zijn niet beslist

ad esse ecclesiae noodzakelijk en zijn ook niet bepaald door Gods Woord

bevolen, maar zij zijn geoorloofd en ad bene esse ecclesiae noodzakelijk.

4º De noodzakelijkheid ligt daarin, dat de eenheid van leer, tucht en

cultus, waartoe de gemeente geroepen is; de orde, vrede en liefde, die

zij te bewaren heeft; en de gemeenschappelijke belangen, die haar zijn

opgedragen (zooals opleiding, roeping, zending van dienaren; missie

onder de Heidenen; ondersteuning van hulpbehoevende kerken enz.)

niet anders dan door middel van synoden tot hun recht kunnen komen.

5º Synoden zijn geen voetstuk voor maar eene ondermijning van alle

hierarchie; zij handhaven de zelfstandigheid der plaatselijke kerken en

bewaren haar voor verwarring, verdeeldheid, hierarchie van den pastor,

overheersching van enkele leden; zij bevestigen de vrijheid der enkele

leden, door hun een steun te geven in het verband met andere kerken

en beroep op meerdere vergaderingen toe te staan. 6º Ook zijn zij geen

oorzaak van verdeeldheid en twist, maar een middel, om geschillen,

die er in de kerk hier op aarde altijd weer over leer, tucht, dienst

oprijzen, op eene vreedzame wijze, door nauwkeurig onderzoek en ampele

bespreking tot beslissing te brengen. 7º Opdat zij aan haar doel

beantwoorden, behooren synoden altijd vergaderingen van kerken te

zijn, wier leden (pastores, presbyters, diakenen of gewone leden)

afgevaardigden van kerken zijn en aan lastbrieven van kerken gebonden,

die door de kerken zelve en niet door overheid, paus enz. saamgeroepen

en door kerkelijke daartoe gekozen personen geleid worden, en die vrij

en zelfstandig, zonder inmenging der overheid, over kerkelijke zaken

oordeelen en besluiten. 8º De kerkelijke vergaderingen (plaatselijke,

classicale, provinciale, generale, oecum.) zijn niet wezenlijk van

elkander verschillend. De eene vergadering is niet per se hooger,

gewichtiger, minder aan dwaling blootgesteld of meer van de leiding des

H. Geestes verzekerd dan de andere. Want elke kerk en elke groep van

kerken is zelfstandig tegenover de andere; en alle zijn zij in dezelfde

mate gebonden aan het Woord en de belofte des Geestes deelachtig. In

de kerkelijke vergaderingen komen geen volksvertegenwoordigers maar

kerkelijke ambtsdragers saam, die van Christus’ wege tot regeering zijner

kerk geroepen zijn. Zij zijn dus onderscheiden, niet door andersoortige

of hoogere maar alleen door meerdere macht, die er samengebracht wordt

en over wijder gebied zich uitstrekt. 9º Het gezag van alle kerkelijke

vergaderingen is geen ander dan van de kerken zelve; het is onderworpen

aan het Woord van Christus. Christus is de eenige, die in de kerken

en in hare verschillende vergaderingen gezag heeft; zijn Woord alleen

beslist; wat den H. Geest in en door de leden goeddunkt, dat alleen is

bondig in de kerk van Christus. Maar ook deze hare naar Gods Woord en

in den H. Geest genomen besluiten kan de kerk niet anders handhaven

dan door zedelijke middelen. Zij heeft geen heerschende, dwingende maar

alleen eene dienende macht. Cf. Calvijn, Inst. IV c. 9. Polanus, Synt.

541. Bullinger, Van de Conciliën, Dordr. 1611. Martyr, Loci Comm. 407.

Junius, Op. II 1029. Theses Salmur. III 505. Amyraut, Du gouvernement

de l’Eglise contre ceux qui veulent abolir l’usage et l’autorité des

synodes, Saumur 1653. Heidegger, Corp. Theol. II 613. Turretinus,

Theol. El. XVIII qu. 33. Synopsis pur. theol. disp. 49. Voetius, Pol.

Eccl. IV 114-272. Redevoering van C. Vitringa over de Synoden enz.,

uit het latijn door S. H. van Idsinga, Harl. 1741. Moor VI 439-461. M.

Vitringa IX 1 p. 574-653. Ch. Hodge, Discussions on Church polity,

New-York 1878 p. 364-456. Karl Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857

S. 254-275. Stahl, Die Kirchenverfassung u. s. w. 332 f.

12. Zoo staat de kerk met een eigen oorsprong, wezen, werkzaamheid en

doel in het midden der wereld. Zij is in elk opzicht van die wereld

onderscheiden, maar staat er toch nooit gescheiden naast. Wel hebben

verschillende richtingen in de Christenheid kerk en wereld in eene

volstrekte, ethische tegenstelling tegenover elkander geplaatst, en

schepping en herschepping met zonde en genade vereenzelvigd. Maar

deze richtingen, hoe machtig zij nu en dan ook geweest zijn, hebben

toch nooit de geschiedenis van het Christendom beheerscht, en konden

altijd slechts naast de kerken een sectarisch leven leiden. Afgezien

van deze richtingen, zijn er maar twee wijzen, waarop principieel de

verhouding van kerk en wereld bepaald kan worden, de Roomsche en de

Protestantsche, de supranatureele en de ethische. Rome beschouwt

het natuurlijke niet als zondig gelijk het Anabaptisme en komt niet

tot mijding en scheiding, maar leert wel, dat het natuurlijke van

lager orde is, licht oorzaak van zonde wordt en daarom den teugel

van het bovennatuurlijke behoeft. Gelijk het beeld Gods als een donum

supernaturale aan den natuurlijken mensch werd toegevoegd, zoo komt

van boven mechanisch de genade aan de natuur, de kerk aan de wereld,

de hoogere aan de lagere moraal toe; wie naar het ideaal van Rome wil

leven, moet asceet worden, het natuurlijke onderdrukken en zich geheel

aan de religie wijden; wie dat niet kan, krijgt voor het natuurlijke de

noodige speelruimte, en vindt in het bovennatuurlijke de grens, die deze

bepaalt. Gansch anders was de verhouding, welke het Protestantisme

aannam tusschen kerk en wereld. Het verving de quantitatieve,

supranaturalistische tegenstelling door de ethische. Het natuurlijke

was niet van lager orde maar was in zijn soort even goed en rein als

het bovennatuurlijke, want het was geschapen door dienzelfden God,

die in de herschepping zich openbaarde als Vader van den Heere Jezus

Christus. Alleen was het door de zonde bedorven en moest daarom door

de genade van Christus verzoend en vernieuwd worden. De genade dient

dus hier niet, om het natuurlijke te mijden, te onderdrukken, te dooden,

maar juist om het van zijne zondige bedorvenheid te bevrijden, en weer

echt natuurlijk te doen zijn. Het is waar, dat Luther bij de toepassing

dezer beginselen halverwege is blijven staan, het natuurlijke ongemoeid

heeft gelaten en het Christendom al te zeer tot het ethisch-religieuse

terrein beperkt heeft. Maar Calvijn, de man van de daad, die na Luther

kwam en daarom aan Luther zich spiegelen kon, zette het werk der

reformatie voort en trachtte heel het leven door het Christendom

te hervormen. Mijding is het woord der Anabaptisten; ascese dat der

Roomschen; vernieuwing en heiliging dat van den Protestantschen,

bepaaldelijk van den Gereformeerden Christen. Deze laatste beschouwing

is zonder twijfel de rijkste en schoonste. Immers is er maar één God in

schepping en herschepping beide. De God der schepping, van het Oude

Testament, is geen lagere God dan die van de herschepping, dan de Vader

van Christus, dan de God des N. Verbonds. Christus, de middelaar des

N. Verbonds, is ook degene, door wien God alle dingen geschapen heeft.

En de H. Geest, die auteur is van wedergeboorte en heiligmaking, is

dezelfde, die in den beginne zweefde over de wateren en de hemelen

heeft versierd. Schepping en herschepping kunnen dus niet als lager

en hooger tegenover elkander staan. Zij zijn beide goed en rein, beide

heerlijke werken van den éénen en drieëenigen God. Voorts heeft de

zonde, die in de wereld is ingekomen, wel alles, niet alleen het

geestelijke, het ethisch-religieuse leven maar ook al het natuurlijke,

het lichaam, het huisgezin, de maatschappij, de gansche wereld bedorven.

Maar zij is toch geen substantie, geen materia, doch forma, en dus niet

met het geschapene identisch, maar in en aan het geschapene wonend

en daarvan altijd door de genade Gods los te maken en te verwijderen.

Substantieel en materieel is de schepping na den val dezelfde als

vóór dien tijd; zij blijft een werk Gods, en als zoodanig te eeren en te

prijzen. Tot herwinning van die gevallen wereld brengt God nu wel de

krachten der genade in die schepping in. Maar ook die genade is geen

substantie of materia, opgesloten in woord of sacrament en uitgedeeld

door den priester, maar zij is eene vernieuwende, herscheppende kracht.

Zij is niet per se bovennatuurlijk, maar zij draagt dat karakter alleen

vanwege de zonde, en draagt het dus in zekeren zin toevallig en

tijdelijk, om de schepping te herstellen. Deze genade wordt in tweeërlei

vorm uitgedeeld, als algemeene genade ter beteugeling, als bijzondere

genade ter vernieuwing. Beide hebben haar eenheid in Christus, die

koning in het regnum potentiae en gratiae is; beide zijn tegen de

zonde gericht; beide brengen en houden schepping en herschepping in

verband met elkander. Ook de wereld is na den val niet aan zichzelve

overgelaten, en niet van alle genade ontbloot, maar zij wordt door

de algemeene genade gedragen en gespaard, geleid en bewaard voor de

bijzondere genade in Christus. Scheiding en onderdrukking is daarom

ongeoorloofd en onmogelijk. Mensen en Christen zijn geen twee wezens. De

schepping wordt in de herschepping opgenomen en hersteld. De mensch,

die wedergeboren is, is substantieel geen andere dan die hij was vóór

de wedergeboorte. In de kerk ingelijfd, blijft hij toch in de wereld,

en heeft zich alleen te bewaren van den booze. Gelijk Christus, de

zone Gods, uit Maria de volle menschelijke natuur heeft aangenomen

en daarmede niets menschelijks en niets natuurlijks zich vreemd heeft

geacht, zoo is de Christen niet anders dan de herboren, vernieuwde

en daarom de waarachtige mensch. Dezelfde menschen, die Christenen

zijn, zijn en blijven in dezelfde roeping, waarmede zij geroepen zijn;

zij blijven leden des gezins, burgers der maatschappij, onderdanen der

overheid, beoefenaars der wetenschap en kunst, mannen of vrouwen,

ouders of kinderen, heeren of knechten enz. De verhouding, die

tusschen kerk en wereld bestaan moet, is daarom in de eerste plaats

van organischen, zedelijken, geestelijken aard. Christus is profeet,

priester, koning ook nu nog, en Hij werkt door zijn Woord en Geest op

heel de wereld in. Door Hem gaat er van ieder, die in Hem gelooft,

een vernieuwende, heiligende invloed uit in gezin, maatschappij,

staat, beroep, bedrijf, kunst, wetenschap enz. Het geestelijk leven is

bestemd, om het natuurlijk en zedelijk leven in volle diepte en omvang

weer aan de wet Gods te doen beantwoorden. Langs dezen organischen weg

worden Christelijke waarheid en Christelijk leven ingedragen in alle

kringen van het natuurlijke leven, zoodat huisgezin en familieleven

in eere hersteld, de vrouw weer als de gelijke van den man beschouwd,

wetenschap en kunst gekerstend, het peil van het zedelijk leven

verhoogd, maatschappij en staat hervormd, wetten en instellingen, zeden

en gewoonten christelijk gestempeld worden. Maar er is nog eene andere

regeling van de verhouding van kerk en wereld, die veel moeilijker

is en waarover het grootste verschil van gevoelen bestaat. Christus

regeert zijne kerk n.l. ook door ambten en instellingen; en de vraag is,

of de verhouding van de kerk tot de verschillende terreinen van het

natuurlijke leven ook ambtelijk en institutair te regelen zij. Papalisme

en Cesareopapisme staan hier tegenover elkaar. Het Cesareopapisme

regelt de verhouding zoo, dat de kerk aan den christelijken staat

onderworpen is en naar zijne wetten zich heeft te gedragen. Er ligt

hier eenige waarheid in; de verhouding der kerk tot den staat is een

gansch andere, sedert deze christelijk is geworden. Voordat de overheid

christelijk was, vielen bijv. veel meer zonden onder de christelijke

tucht dan na dien tijd. Het bijwonen van heidensche feesten, afgoderij,

aanbidding van den keizer, sabbatsschennis, eedbreuk, Godslastering,

huwelijken in verboden graad, gruwelijke zonden van hoererij, overspel

enz., werden wel door de kerk maar niet door den staat als zonden

erkend en gestraft. Sedert de overheid gekerstend is, is er in de

zedelijke beschouwing en beoordeeling veel grooter overeenstemming

gekomen. In menig geval kan de kerk dus wachten op de behandeling van

ergerlijke overtredingen door de justitie en heeft geen eigen rechtbank

noodig. Maar toch wordt daaruit te veel afgeleid, wanneer alle macht

aan de kerk ontnomen en aan de christelijke overheid opgedragen wordt.

Want wezenlijk is de macht der kerk dezelfde gebleven, al is hare

uitoefening ook belangrijk gewijzigd. Immers is de bediening van woord

en sacrament het onvervreemdbaar recht der kerk; voorts blijven er

altijd vele zonden, zooals sabbatsschennis, hoererij, dronkenschap,

vloeken enz., die door de overheid in het geheel niet of slechts,

wanneer zij zeer openbaar en ergerlijk zijn, matig worden gestraft; en

eindelijk heeft de kerk ook bij die zondaars, welke de overheid straft,

een eigen taak, want de overheid is met de straf tevreden, maar de

kerk zoekt te overtuigen, tot bekeering te brengen en te behouden,

Calvijn, Inst. IV 11, 4. Aan de andere zijde staat het papale stelsel,

dat wel in zoover lof verdient, als het de zelfstandigheid en vrijheid

der kerk handhaaft, maar overigens, indien niet de gansche wereld,

dan toch heel de gedoopte christenheid in al haar levenskringen en

verhoudingen, rechterlijk en wettelijk aan den paus onderwerpen wil;

gezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. moeten kerkelijk zijn,

want kerkelijk is met christelijk, roomsch, pauselijk identisch. Deze

aanspraak van Rome is niet zedelijk en geestelijk bedoeld, zoodat ieder,

die zich niet aan den paus onderwerpt, voor God schuldig staat; maar

zij draagt bepaald dit karakter, dat elk, die gehoorzaamheid weigert

aan den paus, ook rechtens en wettelijk voor dezen vicarius Christi

schuldig staat, door hem, indien hij het nuttig oordeelt en er de

macht toe heeft, gestraft kan worden en niet alleen met geestelijke en

zedelijke middelen maar ook met lichamelijke en burgerlijke straffen tot

gehoorzaamheid gedwongen kan worden. Van deze pauselijke tirannie, heeft

de geloofsmoed en de geesteskracht van Luther en Calvijn ons bevrijd.

Hun machtige hervormingsdaad bestond daarin, dat zij het Christendom

in zijne religeus-ethische beteekenis, als religie der genade, hebben

hersteld en het natuurlijke, niet van dit Christendom, maar van de

jurisdictie der Roomsche kerk hebben bevrijd. Daaruit volgde vanzelf,

dat het verband tusschen kerk en wereld, behalve op de bovengenoemde

organische wijze, slechts contractueel kon worden gelegd. Het is waar,

dat Calvijn met hand en tand vasthield, dat de overheid aan Gods woord

onderworpen was, de beide tafelen der wet te handhaven, en naar de

kerk als uitlegster van Gods woord te luisteren en verschillende

zonden, waarover de kerk tucht oefende, ook burgerlijk te straffen had.

Hij trok de grenslijn tusschen kerk en staat wel duidelijk en scherp

maar hij trok ze anders dan wij; het gebied, waarop beiden wat te

zeggen hadden was veel grooter dan het thans door ons wordt bepaald;

de overheid als christelijke had ook op haar terrein en in hare mate

voor de eere Gods, voor den bloei zijner kerk, voor de uitbreiding van

zijn rijk te waken. Maar desniettemin, de verhouding tusschen kerk en

staat was contractueel en vrij. De kerk kon niet anders dan het woord

Gods prediken, in zijn naam van zijne geboden getuigen; maar als de

overheid of wie dan ook weigerde te luisteren, dan had de kerk, dan

had Calvijn zelf, dan had ieder Christen geen macht en ook geen recht

meer tot dwang. Dan bleef er niets over dan resistentia negativa,

lijdelijk verzet, Calvijn, Inst. IV 20, 29, cf. voor anderen Moor VI

513. Ook zulk een verzet was eene daad, want gelijk Doumergue, Calvin

le fondateur des libertés modernes, Montauban 1898 p. 14 zoo schoon

zegt, c’est la soumission, mais du corps et non de l’âme. Humilié

devant le Dieu, qui le châtie, le calviniste reste le juge inexorable

du despote qui l’oppresse. Il y a des soumissions plus mortelles à

la tyrannie que des révoltes! Maar alle recht tot dwang en straf was

toch aan de kerk tegenover de overheid en tegenover ieder mensch

ontnomen en het Christendom in zijn zuiver geestelijke macht hersteld

en geëerd. De overheid bleef, gelijk ieder mensch, voor haar ongeloof,

voor hare verwerping van Gods woord, voor hare overtreding van zijne

geboden, voor de vervolging en onderdrukking van zijne kerk alleen aan

God verantwoordelijk. Indien echter de overheid vrij en zelfstandig van

de christelijke, van de gereformeerde religie --gelijk trouwens als haar

plicht en roeping steeds gepredikt werd-- professie deed, dan vloeide

daaruit voort, dat zij in hare qualiteit en op haar gebied deze religie

had te bevorderen en ketterij en afgoderij had te weren en uit te roeien.

De fout was daarbij niet hierin gelegen, dat aan de christelijke overheid

de bevordering van Gods eer en dienst werd opgedragen, maar dat de

grenzen van staat en kerk verkeerd getrokken en ongeloof, ketterij enz.

als staatsmisdaad werden beschouwd. In de eeuw der Hervorming kon

dit wel niet anders. Maar sedert de taak der overheid beperkt is, de

volken vrij en mondig zijn geworden, de kerken hoe langer hoe meer zich

splitsen en verdeelen, en allerlei richtingen in denken en leven zijn

opgetreden, wordt het onderscheid tusschen misdaad en zonde helderder

ingezien en alle dwang als juist in strijd met de christelijke belijdenis

door steeds meerderen erkend. Bij de regeling der verhouding tusschen

kerk en staat is daarom het volgende vast te houden: 1º dat de kerk,

al is door hare pluriformiteit haar getuigenis verzwakt, niet van den

eisch kan aflaten, dat alle schepselen, kunst, wetenschap, huisgezin,

maatschappij, staat enz. zich onderwerpen aan des Heeren woord; 2º dat

deze eisch alleen eene prediking, een zedelijk getuigenis is en nooit

direct of indirect door dwang of straf mag aangedrongen worden; 3º dat

eene christelijke, gereformeerde overheid de roeping heeft, om Gods eer

te bevorderen, zijn kerk te beschermen en het rijk van den antichrist

te gronde te werpen; 4º dat zij dit echter nooit kan of mag doen dan

met middelen, die met den aard van het evangelie van Christus in

overeenstemming zijn, en alleen op dat terrein, dat haar ter bewaking

toebetrouwd is; 5º dat zij, zelve voor hare houding ten opzichte van

Gods woord aan Hem rekenschap verschuldigd, niet ingrijpen mag in

de rechten van den enkelen mensch noch ook in die van huisgezin,

maatschappij, kunst, wetenschap en dus niet verantwoordelijk is voor

hetgeen binnen deze terreinen tegen Gods woord en wet geschiedt; 6º

dat zij de grenzen tusschen zonde en misdaad te trekken heeft naar

den eisch van het evangelie en overeenkomstig de leiding van Gods

voorzienigheid in de geschiedenis der volken; welke grenzen echter

niet saamvallen met die tusschen de eerste en de tweede tafel der wet,

want vele zonden tegen de tweede tafel vallen buiten het toezicht en

de straf der overheid, en vele andere tegen de eerste tafel (eedbreuk,

sabbatschennis) zijn ook voor de christelijke overheid strafwaardig;

7º dat vaste grenzen door niemand in het afgetrokkene kunnen worden

aangegeven, wijl zij wisselen met volk en met eeuw en alleen door het

getuigenis der volksconscientie eenigermate in hunne richting kunnen

worden bepaald.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 9 / 83 题