5. Ofschoon deze hierarchische kerkregeering in haar oorsprong veel

ouder is, dan vroegere Protestanten geneigd waren te erkennen en

zelfs tot den aanvang der tweede eeuw teruggaat; ofschoon zij door

den logischen gang harer ontwikkeling en door het imposante van

hare verschijning nooit nalaat, indruk te maken; zij is desniettemin

in beginsel en wezen met de regeering, welke Christus aan zijne kerk

heeft geschonken, in lijnrechten strijd. _Ten eerste_ toch wordt de

onderscheiding van clerus en leeken, die aan deze hierarchie ten

grondslag ligt, in het N. T. nergens geleerd en door de inrichting der

kerk der eerste eeuw ten stelligste weersproken. Rome beroept zich

wel, behalve op de convenientia, op het O. T. priesterschap, op de

ambten, welke Christus in zijne kerk ingesteld heeft, en op de macht,

welke Hij daaraan toebetrouwd heeft. Maar dit bewijst niet hetgeen

bewezen moet worden. De Schrift maakt zeer zeker onderscheid tusschen

herders en kudde, bouwers en tempel, planters en akkerwerk, leeraars en

discipelen, voorgangers en volgelingen enz.; indien met de namen clerus

en leeken geen andere dan deze onderscheiding bedoeld werd, zouden zij

zonder schade gebruikt kunnen worden. Maar het gebruik heeft er een

gansch anderen zin aan gehecht. Clerus is in de Roomsche kerk de naam

geworden van eene bijzondere klasse van kerkelijke personen, die door

tonsuur en wijding van alle anderen afgezonderd zijn, een eigen stand

van „geestelijken” vormen, in gansch bijzonderen zin het eigendom Gods

zijn, met eene volstrekte souvereine macht over het volk zijn toegerust,

en voor de leeken tot noodzakelijke en onmisbare middelaars des heils

verstrekken, Cat. Rom. II 7, 13. Zulk een stand nu kent de Schrift

niet. Zelfs op het Oude Testament is de tegenstelling van clerus en

leeken niet toepasselijk; het gansche volk was clerus, eigendom en

erve des Heeren, een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk, Ex.

19:5, 6, Deut. 7:6, 14:2, 26:18, 32:9, 1 Kon. 8:51, 53, Ps. 135:4,

Jes. 19:25, 41:8, Jer. 12:7, 8, Joel 2:17 enz.; de priesterschap, die

niet benoemd maar krachtens afstamming uit Aäron tot dezen dienst

geroepen werd, was toch ten strengste aan de wet Gods gebonden,

Lev. 10:11 en aan het oordeel der profeten onderworpen, Jes. 28:7,

Jer. 1:18, 2:26, 6:13, Ezech. 22:26, Hos. 4:9 enz., Israel was eene

theocratie doch geen hierarchie. Veel minder is er nog in het N. T.

van een clerus sprake: de H. Geest is op allen uitgestort, Hd. 2:17,

en nu zijn allen πνευματικοι, Rom. 8:14, 1 Cor. 2:15, 3:1, Gal. 5:25,

6:1, de zalving deelachtig, 1 Joh. 2:27, een koninklijk priesterdom,

1 Petr. 2:5, 9, eene gemeente van heiligen en geroepenen, Rom. 1:7,

een volk en eigendom Gods, 2 Cor. 6:16, 1 Petr. 2:10, Hebr. 12:22-24.

Nergens maakt het N. T. gewag van een bijzonder priesterambt, door de

dienaren der kerk waar te nemen, of van eene bijzondere offerande,

door hen te offeren; het ambt in de kerk van Christus is geen

magisterium maar een ministerium, geen ἱεραρχια maar een ἱεροδουλεια,

een διακονια, οἰκονομια, welke alle heerschappij over het erfdeel

des Heeren (των κληρων, 1 Petr 5:3, d. i. de aan de presbyters ter

verzorging toevertrouwde gemeenten) ten eenenmale buitensluit, Mt.

20:25, 26, 1 Cor. 3:5, 4:1, 2 Cor. 4:1, 2, Ef. 4:12. Cf. Luthers leer

over het algemeene priesterschap der geloovigen bij Köstlin, Luthers

Theol. I 316. 376. II 538. Gerhard, Loci Theol. Loc. 23 § 37. Calvijn,

Inst. IV 4, 9. 12, 1. Comm. op 1 Petr. 5:3. Junius, Op. II 1181.

Amesius, Bellarminus enervatus III c. 1. Voetius, Pol. Eccl. III p. 2.

Cappellus, Synt. thesium theol. in Acad. Salmur. III p. 272-279. M.

Vitringa IX 1 p. 423-437. Art. Geistliche van Caspari in Herzog³.

_Ten tweede_ leert desniettemin de H. Schrift zeer duidelijk, dat

Christus in zijne gemeente niet alleen gaven uitdeelt, maar ook bepaalde

ambten ingesteld heeft, buitengewone zooals die van apostel, profeet

en evangelist, en gewone zooals die van ouderling en diaken. Over

het episcopaat is daarbij het grootste verschil. Grieken, Roomschen

(ook Gallikanen en Oudkatholieken) en Anglikanen houden dit voor een

ambt, dat wezenlijk en jure divino van het presbyteraat onderscheiden,

door wettige en onafgebroken successie van het apostolaat afstamt

en bepaaldelijk de potestas magisterii, jurisdictionis en ordinis

bezit; de bisschoppen hebben eigenlijk alleen het leerambt, de macht

om te prediken en de sacramenten te bedienen, zij bedienen zich

daarbij van de priesters (pastoors) als hunne vicarii, en hebben het

uitsluitend recht der zending en ordening; patriarchen, metropolieten,

aartsbisschoppen dragen geen ander ambt maar zijn van de bisschoppen

alleen door eene toevallige macht, door jurisdictie over een grooter

gebied enz. onderscheiden. Bewijzen uit de H. Schrift zijn voor

deze onderscheiding alleen te ontleenen aan de ambten, die door

Timotheus, Titus e. a. werden bekleed, en aan den ἀγγελος in de zeven

Klein-Aziatische gemeenten, Op. 1:20. Maar Timotheus en vele anderen

waren in dien eersten tijd door de apostelen tot het buitengewone ambt

van evangelist geroepen, boven bl. 66; en de engelen der gemeenten

waren geen anderen dan de eersten onder hunne gelijken, zooals de

pastores thans, zoodat de singularis in Openb. 2:10, 23, 24 ook met

den pluralis afwisselt. Bellarminus, de membris eccl. milit. I c.

14, Petavius, de eccl. hierarchia I c. 2 e. a. gewagen dan ook niet

van Schriftuurlijke argumenten, maar beroepen zich op de traditie bij

Irenaeus, Tertullianus, Eusebius enz., die zeggen, dat de apostelen

in verschillende gemeenten een bisschop aanstelden en van sommige

gemeenten de bisschopslijsten opgeven. Maar al is het monarchisch

episcopaat ook zeer spoedig in de kerk opgekomen, er is daarin toch

duidelijk eene afwijking te zien van de ordeningen der apostelen.

Immers het N. T. weet nog niets van een ambtelijk onderscheid tusschen

ἐπισκοπος, en πρεσβυτεροs. Ofschoon de naam πρεσβυτεροι in den eersten

tijd waarschijnlijk eene ruimere beteekenis had, en soms ook de oude en

eerwaardige leden der gemeente aanduidde, als ambtsnaam was hij toch

met dien der ἐπισκοποι identisch. Immers waren er in de gemeenten

vele ἐπισκοποι, Hd. 20:17, 28, Phil. 1:1; en dit επισκοπειν was juist

aan πρεσβυτεροι opgedragen, Hd. 20:17, 28, 1 Tim. 3:1-7, 5:17, Tit.

1:5, 7, 1 Petr. 5:1-3; Petrus noemt zich daarom ook een πρεσβυτερος,

1 Petr. 5:1; van eene bijzondere instelling van het episcopaat naast

het presbyteraat weet het N. T. dan ook niets; behalve de buitengewone

ambten van apostel, profeet en evangelist, zijn er maar twee gewone

ambten, dat van diakenen en dat van πρεσβυτεροι, Phil. 1:1, 1 Tim.

3:1, 8, ποιμενες και διδασκαλοι, Ef. 4:11, 1 Tim. 5:17, κυβερνησεις,

1 Cor. 12:28, προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, ἡγουμενοι,

Hebr. 13:7, 17. Deze getuigenissen der Schrift zijn zoo sterk, dat

niet alleen Aerius in de 4e eeuw, de Waldenzen, Wiclef, de Hervormers

enz., het presbyterale en episcopale ambt identisch noemden, maar ook

vele kerkvaders, zooals Theodoretus, Chrysostomus, Epiphanius e. a.

zich gedrongen zagen tot de erkentenis, dat in het N. T. de namen van

presbyter en episcopus door elkander werden gebruikt; en Hieronymus,

Ep. 65 ad Evagrium en Comm. op Tit. 1:5 zegt zelfs, dat presbyteri

en episcopi oorspronkelijk gelijk waren, doch dat er later één uit hen

over de anderen gesteld werd, in schismatis remedium, bij Petavius,

Dissert. eccles. I c. 1-3, cf. ook Lombardus, Sent. IV dist. 24, 9. De

Roomschen kunnen met de Schrift op dit punt niet in het reine komen.

Volgens Hd. 20:17, 28, Phil. 1:1 waren er ongetwijfeld onderscheidene

episcopi in ééne gemeente; maar de Roomschen kunnen dit niet erkennen

en zeggen daarom, dat de apostelen soms aan de presbyteri tegelijk de

episcopale wijding gaven (Petavius) of dat daaronder tegelijk de episcopi

der naburige gemeenten begrepen zijn (Franzelin), of dat de namen van

presbyteri en episcopi nog niet onderscheiden waren, Scheeben, Dogm.

IV 395. Ermann, de Paus, 2e ged. 96. In het laatste geval is echter

het beweerde verschil tusschen het presbyterale en episcopale ambt

niet te handhaven. Bij deze getuigenis der Schrift komt dan nog de les

der historie, dat het Roomsche episcopaat de wortel is der hierarchie,

den weg tot het pausdom opent, de ongelijkheid der gemeenten meebrengt

en de geloovigen van de ambten slaafs afhankelijk maakt. Ook dit alles

is met de Schrift ten eenenmale in strijd. Eene hierarchie is er in

de kerk van Christus niet, Luk. 22:25, 26, 2 Cor. 1:24, 1 Petr. 5:3;

eene dioecesane, cathedrale, patriarchale of metropolitaansche kerk

bestaat er niet, want alle gemeenten zijn in het N. T. gelijk en hebben

elk haar eigen ἐπισκοποι; en nergens wordt aan de geloovigen bevolen,

om naar de legitima successio van hare dienaren onderzoek te doen maar

om de Schrift te onderzoeken, in de leer te blijven enz., Joh. 5:39, Hd.

17:11, 1 Tim. 4:13-16, 2 Tim. 1:13, 14, 3:14-17; wettelijke opvolging

waarborgt niet de zuiverheid der leer, Joh. 8:39, Rom. 2:28, 9:6, en

zou de zaligheid afhankelijk maken van bepaalde personen en van een

onpractisch, feilbaar en dikwerf zelfs onmogelijk historisch onderzoek.

Om deze redenen werd het episcopaat door de Hervormers eenparig

verworpen. Wel waren de Lutherschen bereid, om het recht, dat het

secundum ecclesiasticam politiam verkregen had, te erkennen, indien het

wezenlijke in het bisschoppelijk ambt maar bleef het op goddelijk recht

berustend ministerium verbi et sacramentorum, Symb. Bücher ed. Müller

p. 62. 205. 286. 340. Ook werd de naam van bisschop soms behouden

en op den landsheer overgedragen, of ook werd wel in enkele zoowel

Gereformeerde als Luthersche kerken één uit een kring van dienaren

onder den naam van bisschop of superintendent met de inspectie over

een groep van gemeenten belast. Calvijn en vele anderen, Knox, a Lasco,

Saravia, Tilenus, Scultetus, Bochartus, Spanheim enz. hadden daartegen

geen overwegend bezwaar, M. Vitringa IX p. 210 sq. Maar dit was toch

iets wezenlijk anders dan het bisschoppelijk ambt in de Roomsche kerk,

dat volgens het concilie te Trente essentieel van het presbyteraat

verschilt, op goddelijk recht berust en in de 17e eeuw ook in de

Anglikaansche kerk ingevoerd en verdedigd werd. Cf. Calvijn, Inst. IV

3, 8. 4, 2 sq. 5, 1 sq. Beza, Responsio ad tractationem de ministrorum

evangelii gradibus ab Hadriano Saravia editam, 1592. Thomas Cartwright,

† 1603, A directory for church government 1644. William Bradshaw,

† 1618, English Puritanism, containing the main opinions of the

rigidest sort of those called Puritans in the realm of England 1604.

David Calderwood, Altare Damascenum seu politica ecclesiastica obtrusa

ecclesiae Scoticanae 1621. Robert Parker, De politica ecclesiastica

Christi 1616. Smectymnus, een antwoord op Hall’s Episcopacy door

Stephen Marshal, Edmund Calamy, Thomas Young, Matthew Newcomen en

William Spurstow 1641. Blondel, Apologia pro sententia Hieronymi de

episcopis et presbyteris, 1646. Voetius, Pol. Eccl. III 832-869.

Maresius, Examen quaestionis de episcoporum origine 1657. Cappellus,

Synt. thes. theol. in acad. Salm. III 296. Buddeus, de origine et

potestate episcoporum, Misc. Saera I 131. M. Vitringa IX 1 p. 141-229.

_Ten derde_ staat volgens de H. Schrift vast, dat het apostolaat

een exceptioneel, tijdelijk en onvernieuwbaar ambt is geweest in de

gemeente des N. T. Ook al ware het episcopaat een ander ambt dan het

presbyteraat, er zou toch volstrekt niet uit volgen, dat het met het

apostolaat identisch en daarvan de voortzetting was. Natuurlijk kan wel

in goeden zin gezegd worden, dat de episcopi of presbyteri opvolgers

der apostelen zijn, want dezen stelden hen aan in al de gemeenten,

welke zij stichtten, en droegen de verzorging dier gemeenten aan hen

op. Maar dat neemt het groote en wezenlijke onderscheid tusschen beiden

niet weg. Ook van Roomsche zijde kan dit onderscheid niet worden

uitgewischt. Immers de apostelen deelden in eene gansch bijzondere

leiding des H. Geestes, en droegen een ambt, dat tot heel de kerk, ja

tot de gansche wereld, Mt. 28:20 zich uitstrekte. Maar hunne opvolgers,

ook al zouden zij bisschoppen geweest zijn in Roomschen zin, hebben

zulk een ambt geenszins; zij zijn ook volgens Rome niet onfeilbaar en

zij hebben de zorg slechts over een klein gedeelte der kerk, over eene

dioecese, Schwane D. G. IV 267. 285. 294. Simar, Dogm. 612. Heinrich,

Dogm. II 247. Ermann, De Paus, 2e gedeelte 89v. Doch het onderscheid

is nog sterker; de apostelen waren oor- en ooggetuigen van Jezus’

woorden en daden, zij werden onmiddellijk door Christus zelven tot hun

ambt geroepen, ontvingen den H. Geest in bijzondere mate, hadden eene

geheel eenige taak, n.l. om den grondslag der kerk te leggen en in hun

woord het blijvend middel der gemeenschap tusschen Christus, en zijne

gemeente te bieden. In dit alles zijn zij van alle anderen onderscheiden,

staan zij hoog boven al hunne navolgers, en bekleeden zij een ambt, dat

onoverdraagbaar en onvernieuwbaar is. De buitengewone gaven, waarin zij

mochten deelen, worden aan geen andere dienaren in de kerk geschonken.

Als apostelen in eigenlijken zin hebben zij geen opvolgers, al is het

ook, dat de leiding der gemeente, waartoe zij geroepen waren, ook op

andere wijze en in beperkter kring aan anderen na hen toebetrouwd is.

_Ten vierde_ is er in de Schrift geen bewijs voor te vinden, dat het

primaat van Petrus wederom essentieel van het apostolaat, dat hij

met dezelven gemeen had, onderscheiden was. Ook Roomsche theologen

erkennen, dat al wat de Schrift verhaalt van den voorrang van Petrus

boven de andere apostelen, nog niet in staat is, om zijn primatus

jurisdictionis over de andere apostelen te bewijzen, Scheeben-Atzberger,

Dogm. IV 405. De sedes doctrinae voor deze leer zijn alleen Mt. 16:18,

Luk. 22:32 en Joh. 21:15-17. Maar ook deze houden niet in, wat Rome

eruit afleidt. Mt. 16:18 leert, dat Petrus door zijne belijdenis de rots

is, waarop Christus zijne gemeente bouwt. Dit is natuurlijk beeldspraak

en geeft zonder beeld toch niet minder maar ook niet anders te kennen,

dan dat Christus van den persoon van Petrus als den getrouwen belijder

zich bedienen zou, om zijne gemeente te vergaderen. In de gemeente

als het gebouw Gods zijn de geloovigen de levende steenen, die op de

apostelen als de fundamentsteenen worden opgebouwd. Die plaats neemt

Petrus in het Godsgebouw in, en hij niet alleen, maar al de apostelen

met hem. Want Petrus legde de belijdenis van Jezus’ Messianiteit af in

aller naam, Mt. 16:15, 16; al sprak hij haar het eerst en het klaarst

uit, hij gaf toch uiting aan wat onbewust in aller hart leefde; en

niet alleen Petrus doch alle apostelen legden door deze belijdenis,

welke zij straks in het midden der wereld verkondigden, den grondslag

der kerk van Christus; in beeld gesproken, waren zij dus allen met

Petrus de rots, op welke Christus zijne kerk bouwde, of ook is, met

eene andere toepassing van hetzelfde beeld, Christus de rots, welke

de apostelen samen door hunne verkondiging legden tot grondslag der

gemeente, Hd. 4:11, Rom. 9:33, 1 Cor. 3:10, 11, Ef. 2:20, 1 Petr.

2:5, 6, Op. 21:14. De sleutelmacht, welke Petrus om zijne kloeke

belijdenis reeds Mt. 16:19 ontvangt, wordt 18:18, Joh. 20:23 aan alle

apostelen verleend. De bijzondere bekwaammaking en leiding des H.

Geestes was niet alleen het deel van Petrus maar gelijkelijk van alle

apostelen, Mt. 10:20, Joh. 14:26, 15:26, 16:13, 20:22, Hd. 1:8, Ef.

3:5. Door de handhaving van het apostolaat als een exceptioneel en

onoverdraagbaar ambt laat de Reformatie aan al deze teksten, ook aan

Mt. 16:18, veel meer recht wedervaren dan Rome. De apostelen zijn en

blijven de grondleggers der kerk; zij zijn door hun belijdenis de rots

der gemeente; geen gemeenschap met Christus dan door de gemeenschap

met hun getuigenis! Wat de andere plaats, Luk. 22:32 betreft, Jezus

zegt daar tot zijne jongeren, dat Satan hen allen, ἱμας in plur., zal

trachten tot verloochening van hun Meester te brengen, maar dat Hij

bepaaldelijk voor Petrus, περι σου in sing., bidden zal, dat zijn geloof

niet ophoude. Petrus zou dit vóór allen noodig hebben, omdat hij zijn

Meester het eerst en het sterkst verloochenen zou. Dat zijn geloof dan

niet ophoudt, zal hij alleen aan eene geheel bijzondere voorbede van

Jezus te danken hebben. En als hij dan door dat gebed van Jezus bewaard

zal blijven en uit zijn val weder zal opstaan, dan zal hij, door de

beproeving geleerd en in zijn geloof bevestigd, juist zijne broederen

kunnen sterken, als dezen later misschien eens in hun geloof zullen

wankelen. Gelijk van Paulus met hetzelfde woord, στηριζω, gezegd wordt,

dat hij de discipelen sterkte, Hd. 18:23, cf. Rom. 1:11, 16:25, 1 Thess.

3:2, 13, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 5:10, zoo wordt hier aan Petrus beloofd,

dat hij later zijn broederen tot bemoediging, volharding, bevestiging

dienen zal. Van dezen heerlijken, geestelijken steun maakt het wettische

Rome een primatus jurisdictionis! In Joh. 21:15-17 eindelijk wordt

Petrus hersteld in den rang, dien hij vroeger met en onder de apostelen

ingenomen had. Hij ontvangt geen nieuw ambt, uitgaande boven dat,

hetwelk hij vroeger bezat. Want de aanspraak met den naam van Simon,

Jona’s zoon, de drievoudige vraag en de omstandigheden, waarbij dit

voorval plaats had, bewijzen onweerlegbaar, dat Petrus alleen hersteld

wordt in den rang, dien hij door zijne verloochening van Jezus verbeurd

had, dus in het apostolaat en in het primatus honoris, dat hem vroeger

reeds geschonken was. En zoo ook wordt hem, als Jezus hem weder de

zorg en leiding van zijne kudde in het algemeen en van de schapen in

het bijzonder toevertrouwt, geen andere werkzaamheid opgedragen, dan

die in het apostolaat als zoodanig lag opgesloten en dus ook aan alle

andere apostelen toekwam, Mt. 28:19, Mk. 16:15, 2 Cor. 11:28. De

voorrang, dien Petrus onder de apostelen genoot, nam dan ook ganschelijk

niet weg, dat hij door Jezus, dien hij afhouden wilde van zijn aanstaand

lijden, als een satan en ergernis teruggewezen wordt, Mt. 16:23, om

zijne zelfverheffing boven de andere apostelen vernederd wordt, Joh.

21:15, om zijn onoprechtheid in Antiochie door Paulus bestraft wordt,

Gal. 2:11, met Johannes door de andere apostelen naar Samarie gezonden

wordt, Hd. 8:14, over Paulus hoegenaamd geen jurisdictie had, Gal. 2:6,

9, nooit in de Schrift afzonderlijk als hoofd en vorst der apostelen

genoemd wordt, 1 Cor. 12:28, Ef. 2:20, 4:11, Op. 21:14, en zelf de

bewaring der geloovigen alleen aan de kracht Gods toeschrijft, zichzelf

een συμπρεσβυτερος noemt en tegen een heerschappij voeren over de

gemeenten waarschuwt, 1 Petr. 1:5, 5:1, 3.

_Ten vijfde._ Maar al zou de Schrift aan Petrus ook een primaat in

Roomschen zin toeschrijven, wat echter geenszins het geval is, dan zou

daarmede nog niets gewonnen zijn voor het primaat van den bisschop van

Rome. Want hiertoe moet er nog heel wat meer bewezen worden, n.l. 1º

dat Petrus te Rome geweest is, 2º dat hij daar het ambt van bisschop en

primas heeft bekleed, en 3º dat hij met bewustheid en opzet deze beide

ambten aan één bepaalden opvolger heeft overgedragen. Nu is het, in den

laatsten tijd door Baur en Lipsius, ten onrechte bestreden, dat Petrus

in Rome geweest is. Indien 1 Petr. 5:13 al niet beslist, waar volgens

velen bij Babylon aan Rome moet gedacht worden, dan is de getuigenis der

traditie, van den eersten tijd af, bij Clemens Rom., Ignatius, Marcion,

Dionysius van Corinthe, Irenaeus, Canon Murat., Cajus, Tertullianus,

Hippolytus, Origenes, Lactantius enz. zoo vaststaand en eenstemmig,

dat haar waarheid redelijkerwijs niet te betwijfelen valt. Ook mag

geacht worden vast te staan, dat Petrus in het jaar 64 onder Nero

als martelaar gestorven is, hetzij in hetzelfde jaar met of een paar

jaren vóór Paulus. Op. 18:20, cf. 17:6, 19:2 wijst erop, dat Rome het

bloed van apostelen vergoten heeft, en de genoemde oud-christelijke

schrijvers zeggen allen eenparig, dat Petrus en Paulus in Rome, soms met

de nadere tijdsbepaling, onder Nero, den marteldood hebben ondergaan.

Maar volstrekt onbewijsbaar is, dat Petrus 20 à 25 jaren in Rome heeft

vertoefd, dat hij bisschop der gemeente aldaar en primas der gansche

kerk is geweest, en dat Linus in episcopaat en primaat hem opgevolgd

is. Immers, 1º Hand. 12:17 bericht, dat Petrus Jeruzalem verliet, niet

lang vóór den dood van Herodes, vs. 23, die in het jaar 44 stierf. Dat

hij toen naar Rome is gegaan, is niets dan een vermoeden en mist allen

grond. Maar indien dit ook zoo ware, dan zou daarbij aan niets anders

dan aan een kort bezoek te Rome gedacht kunnen worden, evenals hij toen

volgens Harnack misschien ook in Corinthe is geweest, 1 Cor. 1-3, 9:5;

in elk geval was Petrus bij de synode in Hd. 15, dat is in het jaar

47, in Jeruzalem terug. 2º In den brief, dien Paulus van Corinthe uit

ongeveer het jaar 54-58 aan de gemeente te Rome schreef, wordt met

geen enkel woord van Petrus’ verblijf en arbeid te Rome gewag gemaakt;

evenmin geschiedt dit in de brieven aan Philemon, Colosse, Efeze, welke

Paulus waarschijnlijk, noch in dien aan Philippi, welken hij zeker uit

Rome schreef in de jaren 57-58 of 61-63; en ook Petrus maakt in zijn

eersten brief, dien hij uit Babylon, 1 Petr. 5:13, dat is misschien

Rome, schreef, met geen woord van Paulus melding, zoodat Zahn vermoedt,

dat Petrus juist in Rome geweest is tusschen de eerste en tweede

gevangenschap van Paulus in, toen deze op reis was naar Spanje, en daar

in het jaar 64 onder Nero en een paar jaren vóór Paulus den marteldood

heeft ondergaan. Niet langer dan een halfjaar of een jaar heeft Petrus

dus in Rome vertoefd. 3º In overeenstemming met deze feiten noemt de

oudste traditie Petrus en Paulus steeds naast elkaar en zegt, dat niet

Petrus alleen, maar Petrus en Paulus de gemeente te Rome gesticht en

bevestigd hebben, Clemens 1 Cor. 5. Cajus en Dionysius van Corinthe bij

Euseb. Hist. eccl. II 25, 7. 8. Ignatius, ad Rom. 4. Iren. adv. haer.

III 1, 1. 3, 1-3. Tert. de praescr. 36. Van een jarenlang verblijf en

van een episcopaat van Petrus te Rome weten deze oude geschiedenissen

niets. Integendeel, volgens den brief van Clemens uit de jaren 93-95,

den in Rome omstreeks 100 of 135-145 geschreven Pastor van Hermas, en

den brief van Ignatius aan de Romeinen bestond toentertijd, dat is in

elk geval omstreeks het einde der eerste eeuw, in Rome het monarchisch

episcopaat nog niet, maar werd de gemeente geleid door een college

van presbyters of episcopi. Uit de bisschopslijsten bij Hegesippus,

Irenaeus, ’t Murat. fragment, Hippolytus, Tertullianus, Epiphanius

blijkt, dat men op het einde der tweede en zelfs in het begin der derde

eeuw Petrus nog niet als bisschop van Rome beschouwd heeft. De gewone

voorstelling was toen nog deze, dat Petrus en Paulus de gemeente hadden

gesticht en aan Linus den dienst van het episcopaat hadden opgedragen,

Iren. adv. haer. III 3. En vanaf Linus als eersten bisschop worden dan

de volgende als tweede, derde enz. aangeduid, zoo, dat de apostelen

Petrus en Paulus als εὐαγγελιζομενοι και θεμελιουντες την ἐκκλησιαν,

ib. III 1, 1 aan hen allen voorafgegaan zijn, en de bisschoppen na hen

gekomen en elkander opgevolgd zijn ἀπο των ἀποστολων, d. i. van den

tijd der apostelen af, Iren. I 27, 1. Euseb. Hist. Eccl. V praef., 28,

3. Epiph. haer. 42, 1. 4º Eerst in den tijd van Victor of Zephyrinus,

180-217 is deze oude traditie zoo gewijzigd, dat Paulus hoe langer hoe

meer zijn aandeel in de stichting en bevestiging van de gemeente te Rome

verloor en Petrus uitsluitend als de insteller van het episcopaat en

daarna ook als de eerste bisschop van Rome voorgesteld werd. Volgens

Tertullianus, de pudic. 21 noemde Calixtus zich reeds bisschop op den

stoel van Petrus. Stephanus beweerde, per successionem cathedram Petri

habere, Cypr. Ep. 71, 3. 75, 17. En Cyprianus duidde den stoel van den

bisschop te Rome doorloopend als de cathedra Petri aan, Ep. 55, 8. 59,

14. Omstreeks dienzelfden tijd kwam ook eerst de legende op, dat Petrus

20 of 25 jaren lang in Rome gearbeid had en er zoolang bisschop was

geweest. Eusebius spreekt in zijne kerkgeschiedenis nog niet van Petrus

als bisschop en noemt Petrus en Paulus nog naast elkaar, III 2, maar

noemt III 4, 9 Petrus alleen en zegt II 14, 6, dat Petrus reeds onder

keizer Claudius naar Rome is gekomen, om Simon Magus te bestrijden.

Hier wordt tegelijk de oorsprong der legende ontdekt. Reeds vóór het

midden der tweede eeuw gold het in Rome als een feit, dat Simon Magus

onder Claudius naar Rome was gekomen. De omstreeks 160 ontstane Acta

Petri leerden in aansluiting aan Hd. 8, dat Petrus en Simon Magus veel

met elkaar hadden gestreden. Deze overleveringen werden gecombineerd

en gaven zoo geboorte aan de legende, dat Petrus onder Claudius naar

Rome was gekomen en daar tot zijn dood in 64, dus een twintigtal

jaren geleefd had. En Eusebius en Hieronymus maakten haar tot een

bestanddeel van de Roomsche traditie. Cf. Herzog² 11, 375 f. Hase,

Protest. Polemik⁵ S. 150 f. Kattenbusch, Vergl. Conf. 90 f. Harnack,

Die Chronologie der altchristl. Litteratur bis Eusebius I 1897 passim,

vooral S. 171 f. 240 f. 703 f. Th. Zahn, Einl. in das N. T. I 1897 II

1899 passim, vooral II 17-27. Erbes, Die Todestage der Apostel Paulus

und Petrus und ihre röm. Denkmäler, Leipzig Hinrichs 1899, die meent,

dat Paulus den 22 Febr. 63 ter dood gebracht is, dat Petrus, daarvan

gehoord hebbende, naar Rome is gekomen en in het volgend jaar aldaar

als martelaar gestorven is.

_Ten zesde_, de Roomschen, ofschoon in de traditie na Irenaeus steun

vindende, verkeeren tegenover de oudste, uit de eerste en tweede eeuw

afkomstige getuigenissen in niet geringe verlegenheid. Maar al zouden

deze getuigenissen gunstiger en meer in hun voordeel zijn, zij moeten

toch allen erkennen, dat het primaat van den bisschop van Rome gebouwd

is op eene historische onderstelling, n.l. hierop, dat Petrus in Rome

geweest is, dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed

en dit aan zijn opvolger heeft overgedragen. Nu is deze traditie,

onderstel al, dat zij dit alles bevestigde, toch slechts een historisch

getuigenis, dat ook volgens Rome niet op onfeilbare zekerheid doch

slechts op hooge waarschijnlijkheid aanspraak kan maken. Het primaat van

den bisschop van Rome, de kerkelijke waardigheid van den paus, en dus

de waarheid der Roomsche kerk en de zaligheid der Roomsche kerkleden

is op eene historische waarschijnlijkheid gebouwd, die ieder oogenblik

door nieuwe getuigenissen teniet gedaan kan worden. De eeuwigheid hangt

hier aan een spinrag. Doch daarbij doet zich voor Rome nog eene andere

moeilijkheid voor. De traditie bij Julius Africanus, Origenes, Eusebius

enz. verhaalt, dat Petrus vóór zijne reis naar Rome in het tweede jaar

van keizer Claudius in Antiochie is geweest en daar het episcopaat

heeft ingesteld, Harnack, t. a. p. 118. 705. Laat deze traditie nu op

zichzelve onbetrouwbaar zijn, voor de Roomschen is het toch moeilijk

hare waarheid te loochenen, wijl zij dan den schijn aannemen, van met

twee maten te meten. Doch ook afgezien van deze traditie, het is

allerwaarschijnlijkst, dat evenals de andere apostelen, zoo ook Petrus

in verschillende gemeenten het episcopaat heeft ingesteld. Waarom is

dan bepaald de bisschop van Rome de opvolger van Petrus en de erfgenaam

van het primaat? Petrus was volgens Rome toch ook primas, toen hij

te Jeruzalem, te Antiochie en elders zich ophield. Bij hem bestond

er dus in elk geval geen onverbrekelijke band tusschen zijn primaat

en het episcopaat van de gemeente te Rome. Hij had dat primaat dus

evengoed aan een anderen bisschop dan dien van Rome kunnen overdragen.

Heeft hij, als hij, wat zeer waarschijnlijk is, ook elders episcopi in

gemeenten aanstelde, het episcopaat wel overgedragen maar het primaat

uitdrukkelijk gereserveerd, totdat hij dit aan den bisschop van Rome kon

overdoen? En waarom deed hij dan zoo? Op welk gezag handelde hij aldus?

Welk bewijs is er, dat Linus de opvolger van Petrus is, niet alleen

in het apostolaat maar ook in het primaat? Een historisch, kerkelijk

recht, dat het zoo altijd opgevat is, is hiervoor niet voldoende, want

het betreft juist den grondslag, waarop heel de Roomsche kerk rust. Er

moet een goddelijk recht voor bestaan. Maar dit is er niet; Christus

heeft met geen woord van Petrus’ episcopaat te Rome noch van zijn

opvolger aldaar gesproken; Petrus zelf heeft noch volgens de Schrift,

noch volgens de traditie ook maar in de verste verte aangeduid, dat

de episcopus te Rome zijn eenige, ware opvolger was. De verbinding van

het primaat met het Roomsche episcopaat rust dus alleen op het feit,

dat Petrus te Rome geweest is en op de onhistorische onderstelling,

dat hij daar het ambt van bisschop en primas heeft bekleed. Ook al

zou dit laatste historisch juist zijn, dan gaf het nog niet wat het

geven moet. Want dan ontbrak nog het strikt noodzakelijk bewijs, dat

Petrus welbewust, met opzet, krachtens apostolische volmacht en

goddelijken last, dit episcopaat en dit primaat aan zijn opvolger te

Rome heeft willen overdragen en werkelijk overgedragen heeft. Dat is,

het primaat van den Roomschen bisschop over de gansche kerk hangt in

de lucht; het kan geen jus divinum aanwijzen, waarop het rust; en het

heeft zelfs geen betrouwbaren, historischen grondslag. De Roomsche

theologen moeten dan ook huns ondanks erkennen, dat het primaat van

den Roomschen bisschop neben einer unmittelbar göttlichen Grundlage,

nämlich der Einsetzung des Primates als einer dauernden Institution

(wat echter ook onbewijsbaar is), auch eine menschlich vermittelte

Grundlage von geschichtlicher Natur bezit, Scheeben-Atzberger, Kath.

Dogm. IV 1 S. 425. Daarom zijn eindelijk de Roomsche theologen onderling

ook niet eenstemmig over den aard der verbinding van primaat en Roomsch

episcopaat. Sommigen, zooals Dominicus Soto, Banner, Mendoza e. a.

zijn van meening, dat die verbinding slechts is ex jure ecclesiastico

en dat het primaat van den Roomschen bisschopszetel op een ander kan

overgedragen worden. Ballerini, Veith e. a. laten de vraag onbeslist en

achten ze hoogst moeilijk te beantwoorden. Maar Cajetanus, Canus, Suarez

enz. zijn van oordeel, dat Petrus, nadat hij in Antiochie het episcopaat

had ingesteld, eene bijzondere goddelijke openbaring ontving en krachtens

deze het primaat onlosmakelijk met het episcopaat te Rome verbond,

Schwane, D. G. IV 300. 303. 311. 341 en voorts Bellarminus, de Rom.

pontif. lib. II. Theol. Wirceb. ed. Paris. 1880 I 267-306. Perrone,

Prael. theol. Lov. 1843 VIII 295-419. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV

424-435. Jansen, Prael. I 512-582. Hettinger, Apol. des Christ. IV 1897

S. 499-618. W. Esser, Des h. Petrus Aufenthalt, Episkopat und Tod zu

Rom., Breslau 1889. Joseph Hollweck, Der apost. Stuhl und Rom, Mainz

1895. Hoewel dit geschil nog niet formeel tot beslissing is gebracht,

spreken pausen, conciliën, theologen meest ten gunste van het laatste

gevoelen; onwillekeurig gaan zij altijd van de onoplosbare verbinding van

beide uit. Door den Syllabus van Pius IX prop. 35 is uitgemaakt, dat

de kiesgerechtigden het primaat niet van de stad Rome en haar bisschop

op een andere stad en bisschop mogen overdragen. Alleen blijft de vraag

over, of de paus zelf dit zou mogen doen; en dit is natuurlijk alleen

door den onfeilbare zelf te beslissen. De Roomsche Christen is dus

gehouden te gelooven, dat de gemeenschap met de plaatselijke kerk te

Rome noodzakelijk tot de zaligheid is. De zoogenaamde katholieke kerk is

in der waarheid Roomsche kerk; dat is haar naam en haar wezen.

6. De Roomsche hierarchie lokte, naarmate zij zich verder ontwikkelde,

te ernstiger verzet en tegenstand uit. In de Middeleeuwen stonden

er verschillende secten op, die Rome als Babel en den paus als

den antichrist verwierpen. En in de eeuw der Hervorming breidde

deze oppositie over heel de westersche Christenheid zich uit. Uit

verklaarbare reactie kwamen velen er toe, om alle kerkinstituut te

verwerpen, of om daarin slechts een vrije, willekeurige schepping van

de gemeente te zien, of ook om alle regeering der kerk stilzwijgend

toe te kennen aan de christelijke overheid, boven bl. 20v. Zelfs bij

de Lutherschen kwam de zelfstandige regeering der kerk niet tot

haar recht. Wel ging Luther oorspronkelijk uit van het algemeene

priesterschap der geloovigen en van de kerk als gemeenschap der

heiligen. Maar zijn standpunt was ook hier te anthropologisch, dan

dat hij uit de belijdenis van het koningschap van Christus een eigen

regeering voor zijne kerk afleiden kon. Den vorm van kerkregeering

achtte hij tot op zekere hoogte eene uitwendige, onverschillige zaak;

desnoods was eene pauselijke of bisschoppelijke regeering hem goed,

mits ze maar geen hindernis in den weg legde voor de verkondiging van

het evangelie, Art. Smalc. II 4. De kerk wordt alleen zichtbaar in

woord en sacrament maar hoegenaamd niet in eenige wijze van inrichting

of vorm van regeering; Christus regeert in zijne kerk alleen door het

predikambt. Deze overtuiging, gevoegd bij zijne beschouwing van de

overheid als praecipuum membrum ecclesiae, bracht Luther ertoe, om

reeds in zijn geschrift An den christl. Adel deutscher Nation 1520 de

overheid tot het werk der reformatie op te roepen. In 1526 verzocht hij

zelfs den keurvorst van Saksen, om het werk der visitatie ter hand te

nemen. Den 27 Aug. 1526 werd te Spiers de reformatie onder bescherming

der vorsten en standen geplaatst. En van 1527 af berustte de regeering

der kerk in handen van de landsoverheid. De ordo ecclesiasticus

(de pastores) behield wel de bediening van woord en sacrament, de

ordo oeconomicus (de gemeente) ontving het recht van consensus en

approbatio; maar de ordo politicus (de overheid) kreeg heel de externa

gubernatio, dat is, het recht tot aanstelling, onderhoud, ontslag

der pastores, tot stichting van kerken en scholen, tot regeling der

godsdienstoefeningen, tot reformatie der leer enz., en oefende deze

macht onder Melanchtons inspiratie sedert 1529 door consistoria uit.

De gronden, waarop de Lutherschen dit uitgebreide recht over de kerk

aan de overheid toekenden, waren verschillend. Maar hetzij de overheid

beschouwd werd als plaatsvervangster der bisschoppen, hetzij ondersteld

werd, dat zij deze macht stilzwijgend van de kerk had ontvangen, hetzij ze

als voornaamste lid der kerk werd geëerd, altijd kwam het toch hierop

neer, dat de kerk schier van alle eigen regeering verstoken was. Maar

al deze stelsels van kerkregeering, die tijdens en na de Reformatie in

vele Protestantsche kerken opgekomen zijn, beantwoorden niet aan wat

de Schrift dienaangaande leert. Immers, 1º hoe nauw onder Israel het

godsdienstige en het burgerlijke leven verbonden was, er was toch ook

toen reeds onderscheid; naast de koningen bestonden de priesters, die

eene onafhankelijke positie innamen en tot eene eigene taak geroepen

waren. Veel zelfstandiger is de gemeente als het volk Gods nog

geworden in de dagen des N. Test. Want niet alleen is zij toen uit de

nationale verhoudingen van Israel losgemaakt maar zij ontving ook op

den Pinksterdag in den H. Geest een zelfstandig levensprincipe, dat

haar tegenover staat en maatschappij een eigen aard en een onafhankelijk

bestaan schenkt. 2º Het wezen der kerk bestaat daarin, dat zij eene

vergadering van Christgeloovigen is. Als zoodanig is zij niet en kan

ze niet wezen eene stichting van menschen. Zij ontstaat niet door den

wil des vleesches noch door den wil des mans, maar door geboorte

uit God. Zij is geen product van menschelijke associatie noch van het

goedvinden van den staat, maar is in haar oorsprong en wezen een

wonder, vrucht van eene bijzondere, genadige werkzaamheid Gods en

daarom ook krachtens haar aard zelfstandig, onafhankelijk, vrij tegenover

alle gunst of ongunst van menschen. 3º Reeds hieruit vloeit voort,

dat de gemeente een eigen regeering hebben moet. Zij heeft een eigen

leven, draagt in dat leven eene bijzondere levenswet, welke God erin

gelegd heeft, en eischt daarvoor vanzelf ook eene vrije, zelfstandige

uiting. Het is niet juist te zeggen, dat de wijze van inrichting en de

vorm van regeering voor de kerk van Christus eene onverschillige zaak

is. Zoo los en onverschillig staan wezen en vorm, het onzichtbare en

het zichtbare, het in- en uitwendige nooit naast of tegenover elkaar.

Wel is waar komt de kerk allereerst uit in de bediening van woord en

sacrament, in de zuiverheid van leer en van leven, maar de regeering

der kerk gaat niet buiten dit alles om, doch staat er zeer nauw mede in

verband. Juist opdat woord en sacrament zuiver bediend en leer en leven

daarnaar ingericht zij, is eene goede regeering van noode. De belijdenis

is de hoofdzaak maar de kerkenorde is het middel, om de belijdenis te

handhaven. En evengoed als een onzuivere belijdenis ook de regeering

vervalscht, gaat er van eene slechte regeering een bedervende invloed

op de belijdenis uit. 4º Christus heeft daarom aan zijne gemeente eene

eigene regeering geschonken. Hij riep, bekwaamde en ordende zelf de

apostelen, die het fundament der kerk zijn. En deze apostelen hebben op

hun beurt onder zijne leiding de gewone ambten van opzieners en diakenen

ingesteld, opdat de gemeenten van Christus in hunne afwezigheid en

na hun dood niet van regeering verstoken zouden zijn. Ook deze gewone

ambten hebben hun oorsprong in God, Hd. 20:28, 1 Cor. 12:28, Ef.

4:11 en zijn niet in den apostolischen tijd geeindigd maar zijn daartoe

ingesteld, dat zij blijven zouden tot het einde van deze bedeeling, Hd.

14:23, 1 Tim. 3, Tit. 1:5. De Schrift is geen kerkenorde maar zij bevat

toch beginselen van kerkregeering, welke niet zonder schade voor het

geestelijk leven veronachtzaamd kunnen worden. 5º Daarom is het ook

niet goed te zeggen, dat de gemeente van Christus zelve zich naar den

eisch der omstandigheden eene regeering kan geven of deze stilzwijgend

of opzettelijk aan de christelijke overheid opdragen kan. Want ofschoon

in zekeren zin gezegd kan worden, dat de gemeente zelve zich hare

regeering geeft en het instituut der kerk opricht, wijl de apostelen bij

het instellen der gewone ambten de gemeenten raadpleegden en dezen de

personen voor die ambten aanwezen, toch is dat slechts in zekeren zin

het geval. Het is altijd Christus, die tot de ambten roept en bekwaamt;

de gemeenten kunnen en mogen de personen aanwijzen, maar zij zijn daarbij

niet zelfstandig en autonoom doch gebonden aan de inzettingen des

Heeren; zij mogen bij de oprichting van het instituut niet willekeurig

en naar eigen inzicht te werk gaan, maar hebben ook daarin te vragen,

wat de Heere wil dat zij doen zullen. Daarom staat het ook niet vrij

aan de gemeenten, om de ambten af te schaffen of de regeering aan

de christelijke overheid op te dragen. Want al is het waar, dat er

onder eene christelijke overheid en in eene christelijke maatschappij

hoe langer hoe meer overeenstemming en samenwerking met de kerk zal

komen in den maatstaf, in de beoordeeling en in de handhaving van leer

en leven, toch blijft ook dan nog de taak van kerk en staat wezenlijk

onderscheiden. Dezelfde zonde wordt anders in de kerk dan in den staat

gestraft; de tucht, welke gene oefent, verschilt hemelsbreed van de

straf, welke deze oplegt. De verzorging der armen, het opzicht over de

kudde, de bediening van woord en sacrament, de roeping en verkiezing

der dienaren blijft het onvervreemdbaar recht en de dure plicht der

gemeente.

Dit hebben de Gereformeerden ingezien, dank zij hun diep besef van de

souvereiniteit Gods. Wie eenzijdig van de goedheid of de liefde of

het vaderschap Gods uitgaat, komt daar niet toe. Maar wie niet eene

van Gods deugden maar al die deugden saam op den voorgrond stelt en

van God als God uitgaat, die kan niet anders dan alle schepsel in

afhankelijkheid en ootmoed plaatsen onder Hem. God is souverein, altijd

en overal, in natuur en genade, in schepping en herschepping, in wereld

en gemeente. Zijne inzettingen en rechten zijn de regel van ons leven,

want de mensch is zijn schepsel, aan Hem onderworpen en tot volstrekte

gehoorzaamheid verplicht. In de kerk leidde dit vanzelf tot de heerlijke

belijdenis van het koningschap van Christus. Want evenals God in het

burgerlijke leven om der zonde wil de overheid had ingesteld, zoo heeft

Hij zijnen Zoon gezalfd tot koning over Sion, den berg zijner heiligheid

en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen, Ps,

2:6, Ef. 1:20, Phil. 2:9-11. Christus is niet alleen profeet, die door

zijn woord en voorbeeld onderwijst; niet alleen priester, die door zijne

offerande verzoent, maar Hij is ook koning, die de zijnen bewaart en

beschermt, die daartoe met macht in hemel en aarde is bekleed, en in

veel waarachtiger zin koning is dan eenig wereldsch vorst. Hij is dat

niet alleen naar zijne Goddelijke maar evenzeer naar zijne menschelijke

natuur; de mensch Christus Jezus is verhoogd aan ’s Vaders rechterhand.

En Hij was dit alles niet slechts van eeuwigheid en in de dagen des O.

Test., en tijdens zijn verblijf op aarde, maar Hij is dit alles nog heden

ten dage en tot het einde der eeuwen; Hij is gister en heden dezelfde en

in der eeuwigheid. Ja, Hij is het thans in den staat der verhooging in

nog veel rijker zin, dan Hij het was in den staat der vernedering en in

den tijd, die daaraan voorafgegaan is. Want wel was Hij van eeuwigheid

tot koning gezalfd en oefende Hij dit ambt met dat van profeet en

priester terstond na den val en tot den dood des kruises uit. Maar om

zijne vernedering heeft God Hem uitermate verhoogd en een naam gegeven

boven allen naam. Door de opstanding is Hij verordineerd en aangesteld

als Zoon Gods in kracht, is Hij κυριος geworden, heeft Hij alle macht

ontvangen in hemel en op aarde, en regeert nu, totdat Hij het koninkrijk

voltooid en alle vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben, deel

III 415v. Dit koningschap van Christus valt in tweeën uiteen. Het is

eenerzijds een regnum potentiae, Ps. 2:8, 9, 72:8, 110:1-3, Mt. 28:18, 1

Cor. 15:27, Ef. 1:21, Phil. 2:9-11, Hebr. 1:6, 1 Petr. 3:22, Op. 17:14.

Opdat Christus in waarheid koning over zijn volk zij, die het verlost,

beschermt en bewaart, moet Hij macht hebben in hemel en aarde, over

Satan en wereld. Het is een koningschap der macht, ondergeschikt aan en

middel voor zijn koningschap der genade. Er ligt niet in, dat de Vader

van de regeering der wereld afstand heeft gedaan, en dat alle gezag in

de schepping nu van Christus afdaalt en in zijn naam wordt geoefend.

Maar God heeft aan den Middelaar Christus op grond van zijne volmaakte

gehoorzaamheid het recht en de macht geschonken, om zijn volk uit de

wereld saam te vergaderen, tegen alle vijanden te beschermen en die

vijanden zelven volkomen aan zich te onderwerpen. God regeert de wereld

zoo, dat Christus de Heidenen mag eischen tot zijn erfdeel en de einden

der aarde tot zijne bezitting. In de verhooging heeft de Vader zijnen

Zoon erkend en aangesteld als een κληρονομος παντων, Hebr. 1:2. Maar

andererzijds is het koningschap van Christus een regnum gratiae, Ps.

2:6, Jes. 9:5, 6, Jer. 30:9, Ezech. 37:24, Luk. 1:33, Joh. 18:33, Ef.

1:22, 4:15, 5:23, Col. 1:18, 2:19. En omdat dit koningschap een geheel

ander karakter draagt dan dat van de vorsten der aarde, heet Christus

in het N. T. veel meer hoofd dan koning der gemeente, deel III 421.

Het is immers een koninkrijk der genade, waarin Christus heerscht door

zijn Woord en Geest. Zijn Woord komt uit het verledene tot ons, bindt

ons aan den historischen persoon en het in den tijd volbrachte werk van

Christus, en vraagt van ons geloof in den zin van assensus, cognitio.

Maar die nedergedaald is, is dezelfde ook, die opgevaren is verre boven

alle hemelen, die gezeten is aan Gods rechterhand en met zijne Godheid,

majesteit, genade en Geest in ons woont en nimmermeer van ons wijkt. Het

is de levende, de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus, die met

bewustheid en vrijmacht zijne gemeente vergadert, zijne vijanden verwint

en de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij

is nog altijd in den hemel als middelaar werkzaam, en door zijn Geest

op aarde in kerk en ambt, in woord en sacrament tegenwoordig. Ook de

toepassing des heils is zijn werk. Hij is de handelende, en ambten en

bedieningen zijn niets dan middelen in zijne almachtige hand. Ongerijmd is

het daarom te denken, dat Hij de regeering zijner kerk op eenig mensch,

op een bisschop of paus, op een instituut of sacrament zou hebben

overgedragen. Hij is en blijft de Heer uit den hemel, die juist daartoe

verhoogd is tot hoofd der gemeente, opdat Hij zelf regeeren en alle

dingen vervullen zou, deel III 409. 449. Dit koningschap van Christus

was het Materialprinzip van de Gereformeerde kerkregeering. Het werd

reeds uitgesproken door Zwingli, en ontwikkeld en gehandhaafd door

Calvijn; het vond een plaats in bijna alle belijdenisschriften en was van

de 16e eeuw af tot den huidigen dag toe de drijfkracht tot bestrijding

van alle menschelijke heerschappij in de kerk van Christus en tot

herwinning en bewaring van hare vrijheid en zelfstandigheid. Cf. Helv. I

18. Helv. II 17. Gall. 30. Belq. 31. Scot. 16. Westm. 25. 30. Calvijn,

Inst. II 15, 3-5. Martyr, Loci 403. Bucanus, Inst. theol. 464. Synopsis

pur. theol. disp. 41. M. Vitringa IX 125 enz. cf. Rieker, Grundsätze

ref. Kirchenverf. Leipzig 1899 S. 105 f.

7. Het koningschap van Christus over zijne kerk bestaat daarin, dat Hij

de zijnen door Woord en Geest vergadert en regeert en bij de verworven

verlossing beschut en behoudt, Heid. Cat. 31. 54. De kerk heeft haar

grondslag en eenheid in den raad Gods, in het verbond der genade, in

den persoon van Christus, maar zij moet, als bestaande uit menschen,

vergaderd en toegebracht worden door Woord en door Geest. Deze

vergadering geschiedt door Christus en gaat van Hem uit. Ook al bedient

Hij zich daarbij van ambten en genademiddelen, Hij is het toch, die de

weldaden des verbonds uitdeelt en daardoor zijne gemeente sticht. Hij

bouwt zelf de gemeente op de rots der belijdende apostelen, Mt. 16:19

en dezen zijn het, die als instrumenten in zijne hand de gemeente bouwen

op Hem als het fundament, 1 Cor. 3:11. Christus is de wijnstok, en de

geloovigen zijn de ranken, die uit Hem voortkomen, sappen trekken en

vruchten dragen, Joh. 15. Christus is het hoofd, en de gemeente is het

lichaam, dat uit Hem wordt saamgevoegd en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16,

Col. 2:19. Christus is de Herder, en de geloovigen zijn de schapen, die

door Hem worden toegebracht en tot ééne kudde saamgevoegd, Joh. 10:16.

Christus is de Heer, die degenen, die gered worden, tot de gemeente

toevoegt, Hd. 2:47. Wijl de gemeente een organisme is, gaat het hoofd

aan de leden en de ecclesia universalis aan de ecclesia particularis

vooraf. De kerk in haar geheel komt niet tot stand door de atomistische

saamvoeging van verschillende deelen. Maar de ecclesia catholica is er

eerst, zij heeft haar bestand in Christus, kwam in de dagen des N. T.

het eerst tot openbaring in de kerk te Jeruzalem en breidde zich dan

vandaar in andere plaatsen uit. Elke ecclesia particularis (localis)

is daar ter plaatse, waar zij optreedt, eene openbaring van de ecclesia

catholica, van het volk Gods. Reeds krachtens haar oorsprong staat zij

met deze in onlosmakelijk verband. Want geen enkele plaatselijke kerk

komt autochthonisch uit het onbewuste op, maar werd geplant door het

zaad des woords, dat een andere kerk daar ter plaatse strooien deed.

Wel is naar de leer der H. Schrift iedere plaatselijke kerk zelfstandig,

eene ecclesia completa, hoe klein en gering zij ook wezen moge. Er zijn

geen moederkerken in dien zin, dat de eene kerk over de andere zou

mogen heerschen; noch Jeruzalem noch Rome heeft op zulk eene regeering

eenige aanspraak. Alle kerken staan gelijk, omdat zij alle, al is de

eene middelijkerwijze ook door de andere gesticht, op dezelfde wijze,

d. i. rechtstreeks en volstrekt van Christus afhankelijk en aan zijn

woord gebonden zijn. Daarom hebben de Gereformeerden niet alleen het

verband hunner kerken met die te Rome verbroken maar ook aan de diocese

en de parochie een einde gemaakt. Een diocese toch is het kerkelijk

gebied van een bisschop, die, aan de hoofdkerk verbonden, van daaruit

heel den kring der geloovigen beheerscht. En eene parochie duidt de

groep van geloovigen op eene bepaalde plaats slechts aan als object

van de werkzaamheid van den parochus. Beide begrippen wijzen er op,

dat bisschop en parochus van buiten af tot de geloovigen gezonden

worden, en hoog als regenten boven hen staan. Maar dit is het geval

niet. Elke kerk is zelfstandig, kiest en roept hare dienaren en staat

in het kerkverband, waarin zij werd opgenomen, met alle andere kerken

volkomen gelijk. Soms, bijv. bij de kerken der Hugenoten in Frankrijk,

heeft het den schijn, alsof het verband geheel vrij door confederatie is

ontstaan. Maar dat is toch de Geref. beschouwing niet, welke op dit

punt beslist tegen die der Independenten overstaat. Bij de beschrijving

van het wezen der kerk gingen alle Gereformeerde theologen van de

ecclesia universalis uit en daalden zoo tot de ecclesiae particulares

af, M. Vitringa IX 60. Deze laatsten zijn plaatselijke openbaringen

van het ééne mystieke lichaam van Christus, zijn daarom geestelijk

één, staan krachtens haar historischen oorsprong met elkander in

verband en zijn tot het onderhouden der gemeenschap met allen, die

hetzelfde geloof deelachtig zijn, van ’s Heeren wege verplicht. Elke

plaatselijke kerk is daarom tegelijkertijd eene zelfstandige openbaring

van het lichaam van Christus en een deel van een grooter geheel; eene

ecclesia particularis, die opkomt uit en geestelijk en historisch met

de ecclesia catholica in verband staat, cf. Rieker, Grundsätze ref.

Kirchenverf. 80 f. En wat van elke plaatselijke kerk geldt, is ook op

ieder harer leden in het bijzonder toepasselijk. Geen enkele kerk en

geen enkel levend lidmaat dankt zijn ontstaan aan eigen wil of aan het

werk van menschen. Christus heeft hem, zij het ook door middel van de

bediening des woords, geroepen en vergaderd, en hem niet alleen maar

allen, die leden der gemeente zijn. Zoo zijn het dan niet wij, maar is

het Christus alleen, die bepaalt, wie leden der gemeente zijn en met

wie wij in gemeenschap hebben te leven. Het staat niet aan ons believen

al dan niet, om bij deze of bij gene kerk ons te voegen; maar het is

schuldige plicht van alle geloovigen, om zich te voegen tot die kerk,

die het zuiverst als de kerk van Christus tot openbaring komt, Ned.

Gel. 28. Ook hier staan de Gereformeerden tegen de Independenten over.

De geloovigen deelen zichzelven niet willekeurig in conventikels

en congregaties in en lezen zelven niet uit, met wie zij willen

saamvergaderen. Maar op eene bepaalde plaats behooren alle geloovigen

bijeen en zijn daar te zamen het volk Gods en de gemeente van Christus.

Gelijk God het is, die de tijden verordent en de bepalingen van ieders

woning, Hd. 17:26, zoo is het ook Christus, die, bij deze ordinantie

des Vaders zich aansluitend, de geloovigen plaatselijk vergadert en

als eene zelfstandige ecclesia optreden doet. Natuur en genade werden

ook op dit punt door de Gereformeerden niet uit elkander gerukt, noch

vijandig tegenover elkander gesteld, want de genade herstelt de natuur

en het evangelie is de vervulling der wet. Toch is met deze eenheid

der plaatselijke kerk de zoogenaamde kerspelvorming niet in strijd.

Verschillende gemeenten in het N. T., Jeruzalem, Rome, Corinthe enz.,

waren elk op zichzelf eene eenheid; die te Jeruzalem stond onder

hetzelfde college van apostelen en benoemde in haar geheel een zevental

diakenen, en die te Rome, Corinthe, Colosse ontvingen van Paulus

brieven, waarin alle geloovigen ter zelfde plaats door hem als eene

eenheid worden saamgevat. Maar dat nam toch niet weg, dat die gemeenten

bij hare vergaderingen in verschillende gebouwen samenkwamen en zoo weer

onderscheidene huisgemeenten vormden. En daartoe moet elke kerk komen,

die tot een ledental van duizenden zielen zich uitbreidt. Gelijk het

dan geoorloofd en plichtmatig is, om in verschillende gebouwen saam te

komen, zoo is het ook in het belang van den geestelijken welstand, de

regeering en de verzorging der geloovigen geboden, om aan elke groep

van geloovigen, die in een bepaald gebouw vergadert, een bepaald getal

predikanten, ouderlingen en diakenen te verbinden. Aan de eenheid der

kerk behoeft dit geen afbreuk te doen, wijl die zich in den kerkeraad,

in het beheer, in het beroepen van predikanten enz. uitspreken kan. En

soms zijn bij de groote uitbreiding van vele steden in den tegenwoordigen

tijd stadsgedeelten meer in karakter van elkander verschillend, dan

nabijgelegen dorpen of vlekken en de kerken die daar zijn geformeerd.

In deze plaatselijke kerken stort Christus allerlei gaven uit, niet

alleen zaligmakende gaven van wedergeboorte, bekeering, geloof enz.,

maar ook geestelijke gaven, die onder den naam van charismata bekend

staan, boven bl. 29. In den apostolischen tijd was er eene rijke

bedeeling van; maar al zijn zij ten deele van aard en werkzaamheid

veranderd, zij worden ook thans nog door den H. Geest aan de geloovigen

geschonken, opdat zij daarmede elkander dienen en als één lichaam zich

openbaren zouden. De gemeente is niet onmondig, zij is geen ecclesia

audiens of ordo oeconomicus, die slechts te luisteren en te zwijgen

heeft. Maar zij is de zalving van den Heilige deelachtig, bestaat uit

vele leden, die alle elkander van noode hebben, en mag de gaven, haar

geschonken, niet verzuimen. Elke gemeente is en moet zijn een leger des

heils, dat onder Christus strijd voert tegen duivel, wereld en vleesch

en geen soldaten kent in rust of op nonactiviteit; eene gemeenschap

van heiligen, waarin allen lijden en zich verblijden met elkaar en

hunne bijzondere gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten

gewilliglijk en met vreugde aanwenden. En gelijk alle geloovigen eene

gave hebben, zoo staan zij ook allen in het ambt. Zij hebben niet alleen

in de kerk als organisme maar ook in de kerk als instituut eene roeping

en taak, die hun van ’s Heeren wege opgelegd is. De apostelen gaan wel

aan de kerk vooraf, zijn haar grondleggers en binden haar aan hun, d. i.

aan Gods woord. Maar zij stellen niet van te voren en niet eigenmachtig

ambtsdragers aan, doch stichten eerst gemeenten en laten dan door die

gemeenten zelve ouderlingen en diakenen verkiezen. Aan het speciale

ambt van opziener en armverzorger gaat daarom het algemeene ambt der

geloovigen vooraf. Christus toch is in het midden, waar twee of drie

in zijn naam vergaderd zijn, Mt. 18:19, 20. Hij heeft voor allen den H.

Geest verworven, die in alle geloovigen als zijn tempel woont, Hd.

2:17, 1 Cor. 6:19, Ef. 2:22 enz., zoodat zij, met dien Geest gezalfd,

een heilig, koninklijk priesterdom zijn, 1 Petr. 2:5, 9; profeten, die

de deugden Gods verkondigen, zijn naam belijden, en alle dingen weten,

Mt. 8:38, 10:32, 1 Joh. 2:20, 27; priesters, die hunne lichamen

stellen tot eene levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande,

Rom. 12:1, 1 Petr. 2:5, 9, Hebr. 13:16, Op. 1:6, 5:10; koningen,

die den goeden strijd strijden, zonde en wereld en dood overwinnen en

eens met Christus heerschen zullen, Rom. 6:12, 13, 1 Tim. 1:18, 19,

2 Tim. 2:12, 4:7, 1 Joh. 2:13, 14, Op. 1:6, 2:26, 3:21, 20:6, en

daarom den naam van Christenen, gezalfden, dragen, Hd. 11:26, 26:28,

1 Petr. 4:16, cf. Heid. Cat. vr. 32. Deze profetische, priesterlijke

en koninklijke werkzaamheid van de geloovigen mag de uitoefening van

een ambt heeten. Immers reeds in het algemeen is de mensch er niet

om zichzelf, maar om Gods wil. God schiep hem naar zijn beeld, opdat

hij Hem kennen, liefhebben en verheerlijken zou, en dus als profeet,

priester en koning Hem dienen zou. Maar bepaaldelijk is Christus door

den Vader tot middelaar, tot knecht des Heeren, tot profeet, priester

en koning aangesteld, om dit werk, dat de mensch nagelaten en verstoord

had, wederom tot stand te brengen en te voltooien. En daartoe worden

nu ook de geloovigen geroepen. Als gezalfden, die de gemeenschap met

Christus deelachtig zijn, zijn zij geroepen tot eenzelfde werk, dienst en

strijd, Joh. 12:26, 14:12. Van het oogenblik hunner roeping af zijn de

geloovigen hun zelfs niet meer maar behooren zij Christus toe; zij zijn

zijne dienstknechten, hebben zijn wil te doen en zijn werk te volbrengen.

Zij zijn het zout der aarde, het licht der wereld en hebben in en ten

opzichte van de kerk bepaaldelijk eene drieërlei taak. Ten eerste zijn zij

verplicht, zich bij de kerk te voegen. Zij staan niet op zichzelf, maar

zijn leden van het lichaam van Christus en hebben dus de gemeenschap

daarmede te zoeken en te onderhouden. Ten andere zijn zij in die gemeente

geroepen tot allerlei werkzaamheid, tot het aanleggen, der gaven

ten nutte van anderen, tot het mede lijden en zich verblijden met de

broederen, tot het bezoeken van de samenkomsten der geloovigen, tot het

verkondigen van ’s Heeren dood, tot het opzicht hebben op elkander,

tot het dienen en uitdeelen in barmhartigheid enz. En eindelijk zijn

zij elk op zijne wijze en in zijne mate ook tot formatie en reformatie

der kerk verplicht. Als er ergens ter wereld geloovigen zijn, en er

bestaat geen gelegenheid, dat dienaren van elders de verkiezing tot

de door Christus ingestelde ambten leiden en den verkozenen de handen

opleggen, dan hebben zij zelven het recht, om samen in den naam des

Heeren ambtsdragers te verkiezen en te ordenen. Zoo geschiedde feitelijk

te Mainz en te Parijs in 1555, cf. Lechler, Gesch. d. Synodal- und

Presb. Verfassung, 1854 S. 65. 66. Doumergue, Jean Calvin 1899 I 232;

zoo oordeelden de Gereformeerden, Voetius, Desp. Causa Papatus p. 268

sq., en zoo was ook het gevoelen van Luther, Köstlin, Luthers Theol.

I 327. Het ambt hangt toch van geen successie af, het ontstaat niet

door overdracht; het berust op de gave en de roeping van Christus en

op de aanwijzing zijner gemeente. En die gemeente is zelve mondig en de

gaven des H. Geestes deelachtig; de gaven, tot het ambt van noode,

zijn niet essentieel verschillend van die, welke aan alle geloovigen

geschonken worden; daarom kan zij uit haar midden diegenen aanwijzen,

die in bijzondere mate met ambtelijke gaven versierd zijn en hen in

Christus’ naam roepen en verkiezen tot het ambt. Maar daaruit vloeit

ook voort, dat de geloovigen zelven desnoodig tot reformatie der kerk

mogen voortschrijden. Als eene kerk in hare ambten en bedieningen toont,

zichzelve en hare ordinantiën meer autoriteit toe te kennen dan den

woorde Gods en zich duidelijk als eene valsche kerk openbaart, dan

hebben de geloovigen het heilig officie en den schuldigen plicht, om

zich af te scheiden en wederom kerkelijk te gaan leven naar des Heeren

woord, Ned. Gel. art. 28. 29.

8. Op de basis van deze gaven en dit ambt aller geloovigen heeft

Christus ook bijzondere ambten in de gemeente ingesteld. De apostelen

deden hierbij wel ministerieelen dienst maar Christus is het toch,

die deze ambten geeft, en de personen ertoe bekwaamt en verkiest.

In de Roomsche kerk beweerde echter Richer, de ecclesiastica et

politica potestate 1611, dat Christus alle macht primarie, proprie et

essentialiter aan de kerk en dan instrumentaliter, ministerialiter

et quoad exsecutionem aan paus en bisschoppen had opgedragen,

Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 404. Luther leidde in den eersten tijd

uit het algemeene priesterschap der geloovigen af, dat bediening van

woord en sacrament eigenlijk aan allen geschonken was maar ordeshalve

door een hunner werd uitgeoefend, Köstlin, Luthers Theol. I 327.

Gereformeerden drukken zich soms zoo uit, alsof de macht der dienaren

eigenlijk aan de gemeente toebehoort en door hen in haar naam wordt

uitgeoefend, Amesius, Med. I 35, 6. Turretinus, Theol. El. XVIII qu.

24, 7. 8. 19. 26. Meermalen wordt het beeld gebruikt, dat, gelijk de

mensch ziet door het oog en hoort door het oor, zoo de gemeente de

institutaire werkzaamheden door de ambten verricht. En in den nieuweren

tijd is de voorstelling algemeen, dat het ambt een orgaan der gemeente

is. Dit alles is slechts ten deele juist. In Mt. 18:17 geeft Jezus

de sleutelmacht wel aan heel de gemeente, maar Hij gebruikt dit woord

daar nog in gansch algemeenen zin, zonder melding te maken van de

organisatie, die later ingevoerd zou worden. Zoodra deze er is, zien

wij, dat de sleutelmacht bij de apostelen en dan bij de opzieners berust.

Ook kan de macht in het algemeen aan de kerk geschonken heeten, wijl zij

tot haar heil en welstand strekt, en dus, indien niet formaliter, dan

toch finaliter aan haar is geschonken. Zij is toti quidem ecclesiae ad

illius ædificationem destinata, maar proprie a solis ejus ministris

tractanda, Maresius, Syst. Theol. XVI 70, cf. tegen Richer Petavius,

de eccl. hier. III c. 14-16. De ambten in de kerk van Christus zijn

geen heerschappijvoerende maar een dienende macht; zij zijn er ter wille

der gemeente, 1 Cor. 3:22, Ef. 4:12; Paulus noemt zich met zijne

mededienaren zelfs δουλους ὑμων δια Ιησουν, 2 Cor. 4:5. Het doel van

de kerk als instituut ligt in de vergadering der uitverkorenen, in

den opbouw van het lichaam van Christus, in de volmaking der heiligen

en alzoo in de verheerlijking Gods, Ef. 4:11. God had zeker ook wel

zonder eenig middel van kerk of ambt, woord of sacrament zijn volk tot

de zaligheid kunnen leiden. Maar zijn welbehagen is geweest, om zijne

uitverkorenen te vergaderen door den dienst van menschen; de kerk heeft

de salus electorum tot doel; de ambten zijn necessitate hypothetica

noodzakelijk, Gall. 25. Belg. 30. Helv. II 18. Voetius, Pol. I 17. III

213. Vitringa, IX 131 sq. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 22. Maar

toch, al zijn de ambten in dien zin om de gemeente, zij zijn toch niet

haar orgaan, en hebben niet van haar hun macht ontvangen. Immers,

in het O. T. werden Mozes en Aaron, priesters en profeten door den

Heere geroepen en aangesteld; in het N. T. zijn de apostelen, Paulus

inbegrepen, rechtstreeks door Christus zelven verkoren en bekwaamd.

Valsche profeten en apostelen hebben juist geen zending van Godswege

en komen alleen in hun eigen naam, Jer. 32:21, 32, Joh. 5:43, maar de

ware dienaren beroepen zich op hunne zending van Godswege en ontleenen

daaraan hun macht en autoriteit, Jes. 6:8, Jer. 1:4, Hos. 1:1, Rom.

1:1, Gal. 1:1 enz. Daarom, al zijn zij ook ten dienste van de gemeente,

zij heeten toch διακονοι Χριστου, Col. 1:7, Hd. 20:24, 1 Tim. 1:12,

δουλοι Χριστου, Rom. 1:1, Gal. 1:10, 2 Petr. 1:1, ὑπηρεται Χριστου,

Hd. 26:16, 1 Cor. 4:1, δουλοι θεου, Hd. 16:17, συνεργοι θεου, 1 Cor.

3:9, die, de mond Gods en gezanten ten behoeve van Christus zijnde, van

Christus’ wege bidden, dat men zich met God late verzoenen, 2 Cor.

5:20, en zonder menschen te behagen, het evangelie verkondigen, dat

hun toebetrouwd is, 1 Thess., 2:4 en de verborgenheden van Christus

uitdeelen, 1 Cor. 4:1. Daarom staan zij als opzieners en verzorgers ook

boven de gemeente, zijn hare ἐπισκοποι, προισταμενοι, ἡγουμενοι, zijn

voor haren geestelijken welstand verantwoordelijk, en hebben op hare

achting en gehoorzaamheid aanspraak. En dit geldt niet alleen van

de buitengewone maar ook van de gewone ambten. Ook deze worden door

Christus gegeven, Mt. 9:38, 23:34, Hd. 20:28, 1 Cor. 12:5, 28, Ef.

4:11. Er is geen prediking zonder zending, Rom. 10:15. Niemand mag zich

deze eere nemen, dan die van God geroepen is, Joh. 10:1, 2, Hebr. 5:4.

Al is het ook, dat alle geloovigen tot verkondiging van het evangelie

geroepen zijn, Hd. 8:4, 13:15, 1 Cor. 14:26; dit te doen met macht en

gezag in des Heeren naam, tot eene reuke des levens ten leven of eene

reuke des doods ten doode, vereischt eene speciale zending en opdracht.

De weg, waarlangs Christus zijne dienaren in het ambt zet, loopt over

vocatie, examinatie en ordinatie. Sedert de roeping niet meer, gelijk

tot profeten en apostelen, op buitengewone wijze tot iemand komt, is

zij alleen kenbaar aan de samenstemming der in- en der uitwendige

roeping. De inwendige roeping, welke dus van de bovennatuurlijke en

buitengewone wel te onderscheiden is, bestaat 1º in de verleening der

gaven, die tot het ambt vereischt worden, 2º in de zuivere, oprechte

en standvastige begeerte, die iemand naar het ambt doet streven, en

3º in de baning der wegen, welke tot het ambt leiden, Gerhard Loc.

XXIII cap. 3, Voetius Pol. Eccl. III 529. Moor VI 282. Alting, Theol.

probl. nova I 15. Brakel, Red. Godsd. XVII 12. Vitringa IX 298. Deze

inwendige, subjectieve roeping moet haar waarmerk en zegel ontvangen

in de uitwendige roeping door de gemeente, wijl ook op dit terrein

dwaling en verleiding niet uitgesloten is, Ned. Gel. art. 31. Daarom

staat deze uitwendige roeping niet tegenover de inwendige maar zij gaat

evengoed als deze van Christus uit. Hij alleen kan roepen en roept in

der waarheid. Maar deze uitwendige roeping is middellijk en geschiedt

door de gemeente in Jezus’ naam. De Schrift laat hier geen twijfel over,

Hd. 1:23, 6:2-6, 2 Cor. 8:19, cf. boven bl. 79. In de eerste eeuwen

oefende de gemeente dit recht ook feitelijk uit; zelfs de bisschop werd

door de gemeente gekozen, cf. Sohm, Kirchenrecht 59. 229. 271. 275.

282. 285, Achelis, Lehrb. d. prakt. Theol. 1² S. 147 en oudere litt. bij

Vitringa IX 308-310. De verkiezing van den paus, den bisschop van Rome,

door de kardinalen, d. i. oorspronkelijk het presbyterie der plaatselijke

gemeente aldaar, is nog een overblijfsel van het vroeger gebruik. Maar

langzamerhand werd het recht der gemeente beperkt en ten laatste in de

Roomsche hierarchie aan den paus, en onder invloed van een humanistisch

staatsrecht door Erastianen en Remonstranten aan de overheid toegekend.

Zelfs in de Gereformeerde kerken was hierover groot verschil. Al hield

men in theorie staande, dat het recht tot beroeping van dienaren

des woords bij de gemeente berustte, practisch werd dit dikwerf zeer

beperkt en aan den kerkeraad of aan patronen of aan de overheid of

aan gemengde colleges afgestaan, Calvijn, Inst. IV 3, 11-15. Voetius,

Pol. Eccl. III 557 sq. 580 sq. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 24. M.

Vitringa IX 311-321. Moor VI 288-298. Aan de andere zijde is echter ook

de dwaling van Grotius, Pufendorf e. a. te vermijden, alsof de keuze

der kerkedienaren een natuurrecht van de geloovigen ware, evenals het

recht, om een bestuur te verkiezen, bij de leden eener vereeniging

berust, cf. M. Vitringa IX 310. Want de kerk is geen vereeniging, die

door den wil van menschen tot stand komt, maar eene stichting van

Christus. Alle macht, welke der gemeente toekomt, is haar daarom door

Christus geschonken; zij is geen recht maar eene gave. De gemeente

is geen democratie, waarin het volk zichzelf regeert. Maar Christus

regeert in haar, en de keuze der gemeente heeft geen andere beteekenis

dan dat zij de gaven opmerkt en de personen aanwijst, welke Christus

voor het ambt heeft bestemd. Vandaar dat de gemeente wel kiest, maar

die keuze staat onder leiding van hen, die reeds in hun ambt zijn,

van apostelen, evangelisten enz., Hd. 1:15, 6:2, 14:23, Tit. 1:5, en

later van naburige bisschoppen, Sohm, t. a. p. Voorts is de keuze niet

volstrekt vrij, maar gebonden aan voorwaarden en vereischten, die door

Christus voor het ambt zijn aangegeven, Hd. 1:21, 6:3, 1 Tim. 3. En

eindelijk staat iemand nog niet in het ambt, als hij door de gemeente

gekozen is, maar moeten hem daarna de handen worden opgelegd, Hd. 6:6

enz. Keuze door de gemeente en leiding door den kerkeraad behooren dus

samen te gaan bij de roeping tot een ambt in de gemeente van Christus,

hetzij de kerkeraad zich bij de beroeping binde aan eene nominatie der

gemeente of aan eene keuze der gemeente uit eene nominatie van den

kerkeraad.

Maar met de keuze van de gemeente en de beroeping door den kerkeraad

(vocatio stricte sic dicta), is de uitwendige roeping nog niet

afgeloopen. Zij zet zich voort in de beproeving, het onderzoek of

examen. Natuurlijk is deze niet volstrekt noodzakelijk; als de gemeente

beslist weet, dat hij, dien zij roept, de vereischte gaven bezit, is

verder onderzoek overbodig. Maar de gemeente is niet onfeilbaar en

kan zich vergissen; zij deelt zelve de gaven niet uit maar kan alleen

opmerken, aan wien Christus gaven tot zijn dienst heeft geschonken. Om

daarin nu zoo veilig mogelijk te gaan, stelt zij na de roeping nog eene

beproeving in, strekkende om der gemeente de zekerheid te verschaffen,

dat de beroepene de vereischte gaven bezit. Reeds Paulus eischte daarom

1 Tim. 3:30, dat de diakenen --en het και οὑτοι δε bewijst, dat dit ook

reeds bij de presbyters gebruikelijk was-- op eene of andere ons onbekende

wijze zouden beproefd worden en daarna, als zij onberispelijk bleken in

leer en leven, zouden dienen. Daarop berustte het recht, waarvan de

kerk later gebruik ging maken, om vóór de aanvaarding van het ambt een

proeftijd te stellen of ook een examen af te nemen, Bingham, Origines

eccles. or the Antiq. of the Christ. Church, London 1843 II 225.

Hier te lande stonden de Geref. kerken, nadat de universiteit te Leiden

was opgericht, het recht tot afneming van het (peremptoir) examen aan

de professoren af en vergenoegden zich met hun testimonium academicum,

Syn. Midd. vr. 3. ’s Gr. art. 18. Maar langzamerhand wisten zij overal,

behalve in Groningen, het recht om het peremptoir en het praeparatoir

examen af te nemen, met groote moeite en niet zonder veel tegenstand,

zelfs van Voetius en Maccovius, aan de professoren te ontnemen en voor

zichzelve te behouden. Daargelaten de vraag, of de kerken niet goed

doen, als zij bij het afnemen der examina in de classes zich van de

hulp der professoren bedienen, het recht tot het instellen van zulk

een onderzoek komt naar de H. Schrift, de Geref. belijdenis en ook naar

den aard der zaak aan de kerken toe. De school neme hare examens af,

maar de kerken houden het recht, om te beroepen, om te beproeven, om

te zenden, om macht te geven tot bediening van woord en sacrament.

Het eigenlijke, kerkelijke examen is daarom het peremptoir examen;

het praeparatoir is, ofschoon reeds vermeld ’s Grav. art. 18, van

ondergeschikte beteekenis, werd eerst langzamerhand ingevoerd vooral

ten gevolge van de Remonstrantsche twisten, en was volgens Voetius’

getuigenis, Pol. Eccl. III 517, eerst in 1669 algemeen in gebruik. Het

diende alleen, om de voorloopig geëxamineerden een tijd lang in het

houden van propositiën onder leiding van een predikant en kerkeraad

zich te laten oefenen.

Bij de vocatie en examinatie komt ten slotte nog de ordinatie, die

vooral door de handoplegging geschiedt. Deze was onder Israel in

gebruik bij zegening, Gen. 48:14, Lev. 9:22, offerande, Ex. 29:10,

Lev. 1:4, beschuldiging, Lev. 24:14, bij Levietenwijding, Num. 8:10, bij

aanstelling tot een ambt, Num. 27:18-23, later ook bij installatie van

rechters en promotie van leeraars, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes

II³ 199. Jezus legde de handen op, om te genezen, Mt. 8:15, 9:18, Mk.

5:23 cf. 2 Kon. 4:34, 5:11 en te zegenen, Mt. 19:15, (Luk. 24:50),

en het volk hechtte daaraan groote waarde, Mt. 9:18, Mk. 5:23, 7:32,

maar nergens lezen wij, dat Hij alzoo ook deed bij de aanstelling tot een

ambt. Zijne apostelen stelde Hij alleen aan met het woord, zonder eenige

ceremonie, Mt. 10:1v., 28:19. Bij de aanstelling van Matthias, Paulus,

Barnabas, Silas, Lukas enz. wordt nergens van eene handoplegging

melding gemaakt; een algemeen gebruik bij de inleiding tot een kerkelijk

ambt was zij zeker niet. Maar de handoplegging had plaats bij genezing,

Hd. 9:12, 17, bij meedeeling van de gave des Geestes, Hd. 8:17-19, bij

de aanstelling van diakenen, 1 Tim. 4:14, 2 Tim. 1:6; volgens 1 Tim.

5:22 was zij bij de ordinatie tot een kerkelijk ambt algemeen in gebruik

en volgens Hebr. 6:2 behoort zij tot de eerste beginselen der leer van

Christus. Doch eene reëele mededeeling van de geestelijke ambtsgaven

was zij niet. Want Hd. 6:3 leert, dat de diakenen, die verkozen werden,

van te voren reeds moesten zijn vol des H. Geestes en der wijsheid. In

Hd. 13:3. geschiedt de handoplegging niet bij de ordening, maar bij de

uitzending van Barnabas en Paulus, die te voren reeds in het ambt

stonden. Volgens 1 Tim. 1:18, 4:14 werd de aanstelling van Timotheus

tot evangelist door profetische getuigenissen en door handoplegging

van het presbyterium bekrachtigd. En wel wordt 2 Tim. 1:6 de ambtsgave

gedacht als geschied δι ἐπιθεσεως, maar 1 Tim. 4:14 zegt, dat zij

geschonken werd δια προφετειας en μετα ἐπιθεσεως; een bewijs daarvoor,

dat profetie en handoplegging niet de oorsprong van de gaven waren,

maar het middel, waardoor zij in den dienst der gemeente overgeleid

en daarvoor bestemd werden. Van de apostelen ging dit gebruik der

handoplegging over in de christelijke kerk, die haar toepaste bij den

doop, bij genezing, bij de wederopname van gevallenen en ketters, bij het

huwelijk, bij de boete en bij de ordening. In het laatste geval werd het

recht, om haar toe te passen, in later tijd alleen aan den bisschop

toegekend en als verleening van eene bijzondere ambtsgave opgevat.

Tegenover Gnosticisme en Montanisme toch werd de waarheid der kerk

daarmede betoogd, dat de bisschoppen in de gemeenten, die door de

apostelen werden gesticht, de bewaarders der zuivere traditie waren.

Zij hadden deze zelven van de apostelen ontvangen en ongeschonden aan

hunne opvolgers overgegeven. De successio ab initio decurrens, met 2

Tim. 2:2 betoogd, leverde daarvoor den waarborg, want het ambt sloot

de meedeeling van een bijzonderen ambtsgeest in, dien de ambtsdrager

behoudt ook al is hij persoonlijk nog zoo goddeloos. De handoplegging was

in de oude kerk zeker gebruikelijk bij de ordening tot presbyter, diaken

en de lagere ambten, ging altijd met gebed gepaard en werd nog langen

tijd opgevat als symbolisch teeken van de meedeeling der ambtsgave.

Manus impositio, quid est aliud nisi oratio super hominem? Aug. de

bapt. 3, 16. Maar allengs werd zij beschouwd als een sacrament, dat

ex opere operato een character indelebilis aanbracht, Trid. 23 c. 7.

de ref. c. 3. 10. Cat. Rom. II 7, 29. Bellarminus, de clericis I 14.

De Lutherschen verwierpen ze eerst, maar namen ze later weer op en

kenden er soms groote waarde aan toe, Apol. Conf. art. 13, cf. Herzog²

11, 80. De Gereformeerden oordeelden eenparig, dat de handoplegging

geen bevel van Christus en dus niet volstrekt noodzakelijk was. Maar

terwijl sommigen haar nuttig, eerbiedwaardig en navolgenswaard achtten,

Calvijn, Inst. IV 3, 16. 14, 20. 19, 31, Aretius, Spanheim, Koelman,

Pligt der ouderl. en diakenen 1889 bl. 53v., hielden anderen haar voor

een adiaphoron en ontrieden haar gebruik uit vrees voor superstitie,

Syn. Emden art. 16. Dordr. 1574 art. 24 Midd. 1581 art. 4. Dordr. 1578

art. 5. Voetius, Pol. Eccl. III 452. 579. Moor V 352-356. VI 327-331.

M. Vitringa IX 209. 353-357. Een wezenlijk element van de ordening is

zij niet, want noch bij Jezus zelf, noch bij de apostelen, noch ook bij de

ouderlingen, Hd. 14:23, 20:28, wordt er eenige melding van gemaakt. Ook

kan en mag zij niet opgevat worden als mechanische mededeeling van een

bijzonderen ambtsgeest. Want zij schenkt niet doch onderstelt naar de

Schrift de voor het ambt vereischte charismata. Zij is ook niet met de

verkiezing of roeping tot het ambt identisch maar volgt daarop en kan

daarom niet anders zijn dan eene openbare aanwijzing van dengene, die tot

een ambt geroepen is, en eene plechtige inleiding en bestemming tot dat

ambt. Evenals het trouwen voor de overheid het wezen van het huwelijk

niet is en de kroning den koning niet maakt, zoo is ook de ordinatio,

met of zonder handoplegging, geen mededeeling van het ambt of van een

ambtsgeest. Zij is alleen de plechtige, openlijke verklaring voor God

en zijne gemeente, dat de geroepene langs wettigen weg en mitsdien

van Godswege gezonden wordt, dat hij de vereischte gaven bezit en als

zoodanig door de gemeente ontvangen, erkend en geëerd moet worden. Cf.

Sohm, Kirchenrecht 56 f. Art. Handauflegung en Ordination in Herzog.

Zahn, Einl. in das N. T. I 465. Achelis, Lehrb. der prakt. Theol.

Leipzig 1898 I 139-173.

9. Over het aantal ambten, dat Christus in zijne gemeente ingesteld

heeft, bestaat er in de christelijke kerk groot verschil. In den

apostolischen tijd was uit den aard der zaak de grens tusschen

buitengewone en gewone ambten en zoo ook tusschen ambten en gaven nog

niet scherp getrokken. Maar de hierarchische ontwikkeling, die met

het opkomen van het episcopaat een aanvang nam, beroofde de gemeente

van alle vrijheid en zelfstandigheid en zonderde de ambten door eene

breede klove van haar af. De leden der gemeente werden de laici, die,

van alle regeering uitgesloten en voor hun zaligheid van priester en

sacrament volstrekt afhankelijk, niets hebben te doen dan te luisteren

en te gehoorzamen. En door een speciaal karakter en een bijzonderen

ambtsgeest van hen gescheiden, staan hoog boven hen de clerici, die

een afzonderlijken stand vormen, door successie zich voortplanten,

en ook zonder een bepaalden dienst in de gemeente tot de klasse

der geestelijken kunnen behooren. Deze clerici zijn in twee rangen

verdeeld, ordines minores (non sacri) en ordines majores (sacri).

De ordines minores, waartoe de acoluthi, exorcistae, lectores en

ostiarii behooren, waren eerst vrijwillige diensten van gemeenteleden

maar werden in de eerste helft der derde eeuw in Rome georganiseerd

tot lagere ambten, wijl zij tot het heilige in betrekking stonden en

daaraan in mindere of meerdere mate deel hadden; hoewel dikwerf alleen

in naam, zijn zij ook thans nog voorbereiding voor de hoogere ambten,

Sohm, Kirchenrecht 128. Moeller-von Schubert, Kirchengesch. I 370.

Wieland, Die genet. Entw. der sogen. ordines minores in den 3 ersten

Jahrh., Freiburg Herder 1897 en daarbij Schürer’s Theol. Lit. Z. 1898

n. 1. Reeds bij de ordines minores komt het streven voor den dag, om

ze van de gemeente los te maken en ze in te lijven in de kerkelijke

hierarchie. Maar veel sterker is dit bij de ordines majores het geval.

Deze omvatten de drie ambten van bisschop, presbyter en diaken, maar

van deze drie is eigenlijk het bisschoppelijk ambt alleen overgebleven.

In dit episcopaat zijn wel allerlei onderscheidingen aangebracht van

jurisdictie en digniteit, zoodat men spreekt van aartsbisschoppen,

patriarchen, metropolieten enz., maar deze onderscheidingen maken

op de eenheid en het wezen van het bisschoppelijk ambt geen inbreuk.

Zelfs het pauselijk ambt is essentieel een bisschopsambt, slechts tot

de gansche kerk uitgebreid en daartoe met bijzondere gaven toegerust,

niet hieratisch maar alleen hierarchisch van het gewone bisschopsambt

verschillend. Dit bisschoppelijk ambt is in de Roomsche kerk eigenlijk

het eene, ware ambt. Nadat het in de tweede eeuw uit het presbyteraat

zich ontwikkeld had, trok het de leer, de traditie, de jurisdictie aan

zich, scheidde zich door successie, tonsuur, coelibaat van de gemeente

af en maakte presbyters en diakenen allengs tot zijne organen. Nog

binnen den kring des N. Test. treffen wij aan het hoofd der gemeente

een raad van presbyters, een presbyterium, aan, 1 Tim. 4:14, en zulk

een raad bleef, ook nadat een hunner tot bisschop zich verheven had,

nog lang om hem heen bestaan. Maar deze raad verloor meer en meer

elken band met de gemeente, werd een kapittel van den bisschop en

diende, om onder hem krachtens eene door hem verleende volmacht als

bedienaars van het heilige, vooral van het sacrament, op te treden.

Evenzoo veranderde spoedig het diakonaat geheel van karakter. Toen de

priester- en offeridee ingang vond, werd het διακονειν τραπεζαις, Hd.

6:2, niet meer van de verzorging der behoeftigen maar van hulpdienst bij

de eucharistie verstaan. De bisschop werd hoogepriester, de presbyters

werden priesters en de diakenen werden levieten, die, de armenzorg

aan particulieren en kloosterorden overlatende, den bisschop ter

zijde stonden bij de bediening der mis. Terwijl op deze wijze presbyters

en diakenen geheel en al van de gemeente afgezonderd en tot organen

van den bisschop werden gemaakt, is deze zelf bepaaldelijk door ééne

macht van alle andere onderscheiden. Het bisschoppelijk ambt is een

priesterlijk ambt, maar verbonden met de macht om het voort te planten,

met de vis generativa sacerdotii; het waarborgt het voortbestaan van

het sacerdotium en dus de voortplanting van de kerk. De bisschop is het

punctum saliens in de kerk; leeken, diakenen, presbyters kunnen tijdelijk

ontbreken maar de bisschop niet; waar hij is, is de kerk, want hij is de

drager der leer, de voortplanter der priesterschap. De presbyters zijn

ook priesters, bevoegd om de sacramenten te bedienen, maar zij mogen

niet ordenen, zij missen de vis generativa sacerdotii, hun priesterschap

is onvruchtbaar, zij zijn dienaren en helpers van den bisschop, omdat

deze niet overal kan zijn en niet alles kan doen. Presbytoraat en

diakonaat zijn bij Rome verlengstukken van het episcopaat; het zijn drie

graden in het ééne sacerdotium, niet geco- maar gesubordineerd. De

presbyter is ook diaken, de bisschop is ook presbyter; telkens stijgt de

ambtsgave een trap hooger, totdat zij culmineert in den bisschop, of,

gelijk de volgende paragraaf zal aanwijzen, in den paus. Cf. Thomas, S.

Theol. suppl. qu. 34-40. Lombardus e. a. op Sent. IV dist. 24. Bonav.,

Brevil. VI 12. Conc. Trid. sess. 23. Cat. Rom. II c. 7. Bellarminus, de

clericis I c. 11 sq. Dens, Theol. VII 50 sq. Oswald, Die dogm. Lehre v.

d. h. Sakr. II² 315-335. Seydl, Der Diakonat, Regensburg 1884. Vering,

Lehrb. des kath. orient. und prot. Kirchenrechts³, Freiburg 1893 S. 558

f., enz.

Tegenover deze hierarchie stelde Luther zich tevreden met de

herstelling van het oorspronkelijk predikambt. Wel achtte hij tot

oefening der tucht een raad van oudsten en tot verzorging der armen

een raad van diakenen noodig. Maar deze ambten werden toch van wege de

ongelegenheid der tijden niet hersteld; zij waren ook niet zoo noodig

als het episcopale, geestelijke predikambt, het Pfarramt, dat het

voornaamste ambt is en waardoor Christus in het bijzonder zijne kerk

regeert. Het ouderlingen- en diakenambt werden daarom in de Luthersche

kerk vervangen door consistorie en kerkvoogdij; de Roomsche ordines

maakten plaats voor den ordo ecclesiasticus, politicus en oeconomicus.

Cf. Köstlin, Luthers Theol. II 538 f. Conf. Aug. en Apol. art. 5.

14. 28. Gerhard, Loc. XXIII vooral § 232. 233. Sohm, Kirchenrecht

460-542. Achelis, Lehrb. d. prakt. Theol. I² 60 f. Daarentegen is de

presbyterale kerkregeering te danken aan Calvijn. Wel werden er reeds

vóór hem, o. a. door Oecolampadius te Bazel in 1530 pogingen beproefd,

om ten behoeve der kerkelijke tucht het ambt van oudsten in te stellen,

maar Calvijn heeft dit toch het eerst uitgevoerd en het ouderlingenambt

tot een kenmerk der Gereformeerde kerkregeering gemaakt, Lechler,

Gesch. der Presb. u. Syn. Verfassung, Leiden 1854 en art. Presbyter in

Herzog². Hij ging daarbij uit van het woord Gods. Want al is het ook, dat

karakter en omstandigheden Calvijns oog openden voor de beteekenis der

ambten in de H. Schrift, toch is de presbyterale kerkregeering door

hem niet uit eenig abstract beginsel maar uit het woord Gods afgeleid

en op zijn gezag in de kerk ingevoerd. In den nieuweren tijd is men wel

van een Gemeindeprinzip gaan spreken en heeft men daaruit een soort van

presbyterale en diakonale ambten opgebouwd; eene gemeente had recht,

om zichzelve te regeeren, evenals op staatkundig gebied het volk hoe

langer hoe meer invloed op de regeering verkrijgt, zoo Stahl en vele

jongere kerkordeningen bij Rieker, Grundsätze ref. Kirchenverf. 130 f.,

en evenzoo had eene gemeente organen, d. i. diakenen en diakonessen

noodig tot uitoefening van het werk der inneren Mission, Paul Wurster,

Die Lehre v. d. inneren Mission, Berlin 1895 S. 128 f. Maar dit is eene

gansch andere voorstelling, dan die men bij Calvijn en de Gereformeerden

aantreft. Al is het ook, dat zij de regeering der kerk daarmede

aandringen, dat zij anders evenmin als een volk of eene maatschappij kan

bestaan, Calvijn, Inst. IV 11, 1. a Lasco, Op. II 45; toch leiden zij

de ambten niet uit de gemeente maar uit de instelling van Christus

af. De kerk als gemeenschap der heiligen is niet autonoom; zij is niet

vrij, om zich al dan niet, zoo of anders in te richten, maar zij is ook

op dit punt aan het woord Gods gebonden en vindt daarin de beginselen

aangewezen en de lijnen getrokken, welke zij bij de regeering der kerk te

volgen heeft. Het was algemeene overtuiging, dat de regeering der kerk

in substantie op een jus divinum berusten moest, Calvijn, Inst. IV 3,

1. 4, 1. Conf. Gall. 25. 29. Belg. 30. Helv. II 18, vooral de Westm.

synode bij Neal, Historie der Purit. II 1 bl. 182v. Maar daarbij verloor

men toch niet uit het oog, dat de Schrift geen wetboek was, noch in

allerlei bijzonderheden afdaalde en zeer veel aan de vrijheid der kerken

overliet, Syn. Wezel I 9. 10. Emden 19-21. Westm. I 6. Zelfs over de

ambten, welke Christus in zijne kerk ingesteld had, was er niet gering

verschil. Vooreerst waren er, die tegen een episcopaat in den zin van

eene superintendentuur geen bezwaar hadden, a Lasco, Op. II 51. 57.

Knox, First Book of Discipline, cf. Saravia, Scultetus, Bochartus,

Spanheim Jr., Tilenus, Forbesius a Corse e. a. bij M. Vitringa IX

210 sq. Dan was er verschil over, of het doctorenambt, opgevat als

professoraat in de theologie, een afzonderlijk, kerkelijk ambt vormde dan

wel of het, wijl van geen apostolische instelling, slechts in ruimer zin

zoo genoemd kon worden, cf. mijne rede over het Doctorenambt, Kampen

1899. Vervolgens spraken, afgedacht van het doctoraat, sommigen liever

van drie ambten pastor, presbyter en diaken, Calvijn, Ordonn. eccl. Syn.

Wezel c. 2. 4. 5. Emden 13. 14. Dordr. 12v. Midd. 2. ’s Grav. 2. Dordr.

2; anderen noemden twee ambten, presbyter en diaken en verdeelden dan

het eerste in leer- en regeerouderlingschap, a Lasco Op. II 51 en vele

Schotsche en Amerikaansche kerkenorden, bij Rieker, Grundsätze ref.

Kirchenverf. 104; zelfs waren er, die de presbyterale kerkregeering wel

nuttig maar niet krachtens een jus divinum noodzakelijk vonden en de

onderscheiding van leer- en regeerouderlingen verwierpen, Cappellus,

Theses Salm. III 330. Burmannus, Synopsis VIII 7, 41v. e. a. bij M.

Vitringa IX 235 sq. Voorts werd de onderscheiding van diakenen in die

voor armen en voor kranken door Calvijn wel ingevoerd, Inst. IV 3, 9

maar slechts zelden overgenomen, Zanchius, Op. IV 767. Syn. Wezel. c.

5; en door anderen het ambt van diakonessen hersteld, Junius, Op. I

1567. Walaeus, Op. I 466. Voetius, Pol. Eccl. II 508 sq. 529; en ook

was volgens sommigen in Hd. 6 niet de instelling van het diakonaat

bericht en dit ambt daarom niet van Goddelijken oorsprong, Cappellus

e. a. bij M. Vitringa IX 277 sq. En eindelijk was er nog verschil over

de wijze van verkiezing, over het bekleeden van een ambt zonder een

bepaalden dienst in de gemeente, Heidegger, Corpus Theol. II 571, over

het nut der handoplegging, zoowel in het algemeen als vooral bij de

bevestiging van ouderlingen en diakenen, Voetius, Pol. Eccl. III 466,

over de herhaling van de bevestiging bij herbenoeming van ouderlingen

en diakenen, Moor VI 329, M. Vitringa IX 361, over den duur van het

ouderlingschap, Rutgers in de Heraut 944-948 enz. De behandeling van al

deze onderwerpen hoort in het kerkrecht thuis. Maar zooveel mag veilig

gezegd, dat de Gereformeerden, door de herstelling van het ouderlingen-

en het diakenambt naast dat van den dienaar des woords, het zuiverst

de gedachte der Schrift hebben gegrepen en het krachtigst de rechten

der gemeente hebben erkend. Over de kerk is Christus alleen koning;

hare regeering is in het onzichtbare strikt monarchaal. En koning was

Hij niet alleen in het verleden, maar Hij is het nog. Van uit den hemel

regeert Hij zijne gemeente op aarde door zijn Woord en zijn Geest, door

zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid. Deze drie

ambten zet Hij op aarde voort, niet uitsluitend maar toch ook door

middel van de ambten, die Hij ingesteld heeft. In het zichtbare is zijne

regeering niet democratisch noch monarchaal noch oligarchisch, maar

aristocratisch-presbyteraal. Het zijn de ἀριστοι, de besten, niet in

geld en goed maar in geestelijke gaven, die Hij zelf bekwaamt en door de

gemeente voor zijnen dienst aanwijzen laat. Door hen zorgt Hij voor de

geestelijke en voor de stoffelijke belangen van zijne gemeente. Door het

leeraarsambt onderwijst Hij, door het ouderlingenambt leidt Hij, door het

diakenambt verzorgt Hij zijne kudde; en door alle drie bewijst Hij zich

te zijn onze hoogste profeet, onze eeuwige koning en onze barmhartige

hoogepriester.

§ 49. DE MACHT DER KERK.

1. De kerk behoort evenmin als de staat tot de oorspronkelijke

instellingen van het menschelijk geslacht. De oudste vorm van

samenleving was de familie, waarin het burgerlijk en het godsdienstig

leven nog ineengestrengeld lagen en onder leiding stonden van den

vader of aartsvader, die profeet, priester en koning was in zijn gezin.

De zonde echter maakte voor het behoud van het menschelijk geslacht

de instelling van kerk en staat noodzakelijk. In het gebod van de

doodstraf op menschenmoord, Gen. 9:6, stelt God principieel de overheid

in; en deze treedt dan ook weldra na den torenbouw onder de leiding

van Gods voorzienigheid bij alle volken op, in welke de menschheid

verdeeld wordt. Zoodra er eene overheid opstaat, komt er vanzelf ook

eene zekere onderscheiding en scheiding tusschen het burgerlijke en

het godsdienstige leven; naast de vorsten treden er priesters op.

Daarmede is dan vanzelf de mogelijkheid van botsing gegeven; de grenzen

worden bij de volken telkens verschillend getrokken en de banden op

onderscheidene wijze gelegd. Terwijl in het Oosten over het algemeen

de macht der vorsten aan de priesterschap onderworpen is, is in het

Westen, bij Grieken en Romeinen, de godsdienst een politiek belang en

zijn de priesters beambten van den staat. Eene volkomene scheiding kwam

in de oudheid nergens voor; een neutrale staat is daar ten eenenmale

onbekend. De staat onderhoudt en beschermt den godsdienst, desnoods

met verbanning en doodstraf (Socrates), want deze is de grondslag

en waarborg van zijn eigen bestaan. Ook Israel was van huis uit

patriarchaal ingericht en in huisgezinnen, familiën, geslachten en

stammen ingedeeld. Onder de koningen bleef de genealogische indeeling

bestaan en gaf aan de staatsinrichting een democratischen stempel,

zoodat de hoofden der stammen enz. in de volksvergaderingen over

gewichtige zaken te beslissen hadden. Reeds onder dezen patriarchalen

regeeringsvorm was er onderscheid tusschen burgerlijke en godsdienstige

belangen, tusschen Mozes en Aaron, tusschen schrijvers, שֹׁטְרִים en

richters, שֹׁפְתִים, ter eene, en priesters en levieten ter andere

zijde. Alleen in het opperste gerechtshof, dat te Jeruzalem gevestigd

was en over zeer moeilijke gevallen te oordeelen had, hadden ook

priesters zitting, Deut. 17:8-13, 19:17, 18. Onjuist is het daarom,

te zeggen, dat onder Israel kerk en staat één waren. Beide waren in

wetten, instellingen, ambten, ambtsdragers, en ten deele zelfs in

leden duidelijk van elkaar onderscheiden, cf. Hoedemaker, Kerk en Staat

in Israel, in het tijdschrift Troffel en Zwaard 1898 bl. 208-237. De

priesters moesten dienen in den tempel, met de offeranden des volks

tot God naderen, aan het volk Gods genade en zegen uitdeelen, en

het onderwijzen in de wet, Lev. 9:22, 10:11, 21:8, Num. 6:22, 16:5,

Ezech. 44:23, maar zij moesten ook voor zichzelf offeren, Lev. 9:7,

16:6, waren gebonden aan de wet, Deut. 33:10, Jer. 18:18 en voor hun

levensonderhoud van het volk afhankelijk, Lev. 23:10, Num. 18:8-32

enz. Ook hadden zij geen geheime leer of kunst, geen staatkundige of

burgerlijke macht, geen hierarchische heerschappij; een priesterstaat

is Israel nooit geweest, de vrijheid des volks was op alle manier

tegenover den priesterstand gewaarborgd. De profeten traden vrij op,

hadden het woord Gods te verkondigen, moesten zonder sparen aan

Israel zijne zonden bekend maken en volk en overheid Gods oordeelen

aanzeggen, maar zij hadden geen andere macht dan de macht van het

woord. Vreemdelingen konden door de besnijdenis Israel worden ingelijfd,

Ex. 12:48, en onreinen en melaatschen bleven burgers, ook al werden

zij tijdelijk afgezonderd. Ondanks de scheuring had de godsdienstige

eenheid des volks op zichzelve zeer goed kunnen blijven bestaan. Maar

het eigenaardige van Israels inrichting bestond nu daarin, dat al deze

wetten, ambten en instellingen door God gegeven en gehandhaafd werden;

Israel was eene theocratie; God was zijn wetgever, rechter en koning,

Jes. 33:22. Er was daarom op geen enkel gebied in Israel plaats voor

eene onafhankelijke souvereiniteit; ook de koning mocht geen despoot

zijn, maar moest door God verkozen, uit het midden der broederen genomen

en aan Gods wet gebonden worden, Deut. 17:14-20, 1 Sam. 10:25. Boven

alle ambten, instellingen en personen stond de wet Gods, die heel het

leven van Israel regelde en door allen zonder onderscheid gehouden

moest worden; Israel moest een heilig volk en een priesterlijk koninkrijk

zijn, Ex. 19:3, Deut. 7:6. Daaruit vloeit voort, dat, zonder dat het

onderscheid tusschen burgerlijk en godsdienstig leven werd uitgewischt,

de overheid toch ook op haar terrein de wet Gods had te handhaven.

Afgoderij, beeldendienst, tooverij, Godslastering, Sabbatschennis enz.,

alle zonden tegen de eerste tafel, werden daarom menigmaal met den

dood gestraft, Ex. 22:18, 20, Lev. 20:2, 6, 27, 24:11-16, Num. 25:5,

7, Deut. 13:1-5, 17:2-7, 18:9-12, 20, 1 Kon. 15:12, 18:40, 2 Kon. 9:7,

24, 33, 10:6, 11, 17, 18v., 11:15, 12:2, 18:4, 2 Chr. 15:13, 17:6,

29:10, 31:1, 34:5, 33. De godsdienst was eene nationale zaak, zonde was

misdaad, overtreding van de eerste tafel der wet was verbreking van

het verbond. Maar daarbij dient toch bedacht, dat de wet slechts zeer

weinige, algemeene regelen gaf, en de voltrekking der straf dikwerf aan

God zelven overliet; dat het dooden van de Kananieten, van Agag, van

Achabs huis op zichzelf staande gevallen waren, dat Jehu’s ijver veel

verder ging dan het gebod Gods, dat de reformatie der koningen zich

meest bepaalde tot het uitroeien der afgodsbeelden en tot herstel van

den publieken dienst van Jahveh, dat ongeloof en ketterij onder Israel

door geen inquisitie werden opgespoord en menigvuldig voorkwamen,

dat gewetensdwang ten eenenmale onbekend was, dat vreemdelingen, op

voorwaarde van zich te onthouden van publieke schennis van Israels

godsdienst, niet alleen geduld maar ook met voorkomendheid werden

behandeld, dat priesters en profeten nooit opwekten tot vervolging

van de goddeloozen maar alleen hen vermaanden tot bekeering, bijv.

ook in Ps. 2:10, en van God zelven de staatkundige en godsdienstige

overwinning van Israel over al zijne vijanden verwachtten. Daarom kon

ook, toen Israel meer en meer zijne politieke zelfstandigheid verloor,

de godsdienstige gemeente blijven bestaan en zich op eigene wijze

organiseeren. Al breidde de macht van priesters en hoogepriester na

de ballingschap zich gaandeweg uit, straks kregen zij in farizeën en

schriftgeleerden gevaarlijke concurrenten; in de synagoge werd het

godsdienstig leven zelfstandig, niet alleen tegenover den staat, maar

ook tegenover tempel en priesterschap; en heel dat leven werd meer

en meer geconcentreerd om de wet, wier onderwijzing het hoofddoel der

synagoge was, Mt. 4:23, Mk. 1:21 enz. Hd. 15:21, 2 Tim. 3:15. Die wet,

of ruimer genomen, de Oudtest. Schrift was grondslag, middelpunt, bron

van Israels godsdienstig leven; eene andere macht bezat het niet, dan

die er lag in dat Woord. Vandaar dat het zich daaraan vastklemde met

angstvallige nauwgezetheid en allen, die er niet naar wilden leven,

door den ban גִּדּוּי‏‎, ‎‏חֵרֶםַ‏‎, ‎‏שַׁמַּתָא uit zijn midden wegdeed

en zonder of met anathematismen, voor een tijd of voor goed buiten de

gemeente sloot, Luk. 6:22, Joh. 9:22, 12:42, 16:2. Cf. Schürer, Gesch.

d. jüd. Volkes im Zeitalter J. C. II³ passim, vooral 428 f.

2. Toen Jezus, komende tot het zijne, door de zijnen niet aangenomen

werd, organiseerde Hij zijne discipelen tot eene ἐκκλησια, die hopend

en lijdend zijne tweede komst en de overwinning van al zijne vijanden

verbeiden moest. Deze gemeente toont in inrichting en cultus wel

eenige overeenkomst met de synagoge, maar is toch eene nog vrijere

en meer zelfstandige organisatie van het nieuwe leven, dat Christus

aan het licht gebracht had. Immers kan er geen twijfel over bestaan,

of Christus zulk eene gemeente gesticht en haar eene zekere macht

toebetrouwd heeft. Zelf toch spreekt Hij van haar als zoo hecht op eene

rots gebouwd, dat de poorten der hel niets tegen haar zullen vermogen,

Mt. 16:18, en voorts geeft Hij aan die gemeente ambten, bedieningen,

instellingen, gaven, Rom. 12:6v., 1 Cor. 12-14, Ef. 4:11, die er

alle op wijzen, dat zij een eigen, vrij, onafhankelijk bestaan en eene

zelfstandige inrichting heeft. Maar deze macht, welke Christus aan

zijne gemeente verleent, draagt een bijzonder karakter. Zij bestaat in

niets anders maar ook in niets minder dan in de macht der sleutelen,

die door Christus het eerst aan Petrus toebedeeld werd, Mt. 16:19.

Nadat Petrus eerst om zijne belijdenis van Jezus’ Messianiteit eene

rots was genoemd, op welke Christus zijne gemeente zou bouwen, stelde

Hij hem daarna in vers 19 tot οἰκονομος van het koninkrijk der hemelen

aan en droeg de sleutelen van dat rijk aan hem over. Sleutelen zijn een

teeken van heerschappij, Jes. 22:22, Luk. 11:52, Openb. 1:8, 3:7, 9:1,

20:1, en duiden hier de macht van Petrus aan, om het koninkrijk der

hemelen te openen en te sluiten, d. i. om te bepalen, wie er in komen

zal en wie niet. Zijn oordeel toch zal ook in den hemel gelden; wat hij

binden of ontbinden (losmaken, bevrijden) zal, zal ook door God alzoo

gerekend worden. In deze woorden wordt aan Petrus geen wetgevende macht

geschonken, maar wel eene oordeelende of richtende; omdat hij belijder

van Jezus als den Christus is, heeft hij in die belijdenis een maatstaf

om te bepalen, wat tot de gemeente al dan niet behoort en dus al dan

niet in het koninkrijk der hemelen zal ingaan. In Mt. 18:18 krijgt de

gemeente in het algemeen de macht, om een onboetvaardige als een heiden

en tollenaar te beschouwen, want haar oordeel is in de hemelen van

kracht. En in Joh. 20:24 ontvangen al de apostelen, op grond van de hun

in vers 22 geschonken Geestesgave, de macht, om der menschen zonden

los te laten of vast te houden. Hieruit blijkt duidelijk, dat de macht

der gemeente en bepaaldelijk van Petrus en de apostelen bestaat in het

uitspreken van een rechterlijk oordeel over der menschen verhouding tot

het koninkrijk der hemelen naar den maatstaf van de belijdenis van Jezus

als den Christus en de gave des H. Geestes. Deze macht wordt in het N.

T. telkens nader omschreven. Zij is geen autoritaire, onafhankelijke,

souvereine heerschappij, Mt. 20:25, 26, 23:8, 10, 2 Cor. 10:4, 5, 1

Petr. 5:3, maar een διακονια, λειτουργια. Hd. 4:29, 20:24, Rom. 1:1

enz., gebonden aan Christus, die alle macht heeft in hemel en op

aarde, Mt. 28:18, die het eenige hoofd der gemeente is, Ef. 1:22 en

die als zoodanig alle gaven en ambten uitdeelt, Ef. 4:11; gebonden aan

zijn Woord en Geest, door welke Christus zelf zijne gemeente regeert,

Rom. 10:14, 15, Ef. 5:26, en uitgeoefend in zijn naam en kracht, 1

Cor. 5:4. Zij is daarom wel eene macht, eene wezenlijke veelomvattende

macht, bestaande in de bediening van woord en sacrament, Mt. 28:19,

in de opening en sluiting van het koninkrijk der hemelen, Mt. 16:19,

in het vergeven of houden der zonden, Joh. 20:20, in het oefenen van

tucht over de leden der gemeente, Mt. 16:18, Rom. 16:17, 1 Cor. 5:4,

2 Thess. 3:6, Tit. 3:10, 2 Joh. 10, 2 Tim. 2:17, Hebr. 12:15-17, Op.

2:14, in het onderscheiden aller dingen, 1 Cor. 2:15, in het leeren,

vertroosten, vermanen enz. der broederen, Col. 3:16, in het aanleggen

der gaven ten nutte van anderen, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12:12v., in het

doen van wonderen, Mk. 16:17, 18 enz. Maar al deze macht is geestelijk,

zedelijk van aard, wezenlijk onderscheiden van alle andere macht, welke

God aan menschen over menschen of over andere schepselen in gezin,

maatschappij, staat, kunst, wetenschap geschonken heeft. Jezus toch

is niet anders opgetreden dan als Christus, als profeet, priester en

koning; een ander ambt heeft Hij niet bekleed, eene andere betrekking

heeft Hij niet waargenomen. Hij was geen huisvader, geen geleerde,

geen kunstenaar, geen staatsman; Hij heeft alle ordinantiën en werken

des Vaders geeerbiedigd en kwam alleen, om de werken des duivels te

verbreken, 1 Joh. 3:8. Zijn koninkrijk had in deze wereld zijn oorsprong

niet, Joh. 18:36. En daarom erkent Hij alle overheid, hoogepriester,

sanhedrin, Herodes, Pilatus enz., betaalt Hij de belasting, Mt. 17:24,

weigert scheidsrechter te wezen tusschen twee broeders, die twisten

over eene erfenis, Luk. 12:14, beveelt den keizer het zijne te geven,

Mt. 22:21, bestraft Johannes, die vuur wil doen nederdalen van den

hemel, Luk. 9:55, en Petrus, die Malchus het oor afhouwt, Joh.

18:10, verbiedt dat zijne jongeren voor zijn naam en zaak strijden met

het zwaard, Mt. 26:52. Het evangelie van Christus bindt nooit den

strijd tegen de natuur als zoodanig aan, het kwam niet om de wereld

te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3:16, 17; het laat huisgezin,

huwelijk, verhouding van ouders en kinderen, van heeren en dienstbaren,

van overheid en volk onaangetast; het vindt niets verwerpelijks in

zichzelve en alle schepsel goed, indien het met dankzegging genomen

wordt en geheiligd door het woord van God en door het gebed, 1 Tim.

4:4; het laat een iegelijk blijven in de roeping, in welke hij geroepen

werd, 1 Cor. 7:12-24, 1 Thess. 4:11, leert de overheid eerbiedigen,

Rom. 13:1, 1 Tim. 2:2, 1 Petr. 2:13, en laat zelfs de slavernij

bestaan, 1 Cor. 7:22, Philem. 11. Zelfs als het gebiedt, Gode meer te

gehoorzamen dan den menschen, predikt het alleen lijdelijk verzet, Hd.

4:19, 5:29. Maar desniettemin, schoon van alle revolutie afkeerig, is

het des te meer op reformatie gesteld. Het bindt nooit tegen de natuur

als zoodanig, maar wel overal en altijd, op ieder terrein en tot in de

verborgenste schuilhoeken toe tegen de zonde en de leugen den strijd

aan. En zoo predikt het beginselen, die niet langs revolutionairen maar

langs zedelijken en geestelijken weg overal doorwerken en alles hervormen

en vernieuwen. Terwijl het naar Jezus’ bevel gepredikt moet worden aan

alle creaturen, Mk. 16:15, is het eene kracht Gods tot zaligheid een

iegelijk die gelooft, Rom. 1:16; een tweesnijdend scherp zwaard, dat

doordringt tot de verdeeling der ziel en des geestes, Hebr. 4:12; een

zuurdeesem, die alles doorzuurt, Mt. 13:33; een beginsel, dat alles

herschept; eene macht, die de wereld verwint, 1 Joh. 5:4.

3. Deze apostolische leer van de kerkelijke macht bleef geruimen tijd in

de christelijke kerk erkend. Het kwam eerst in de gedachte niet op, dat

de arme, kleine gemeente nog eens eene wereldkerk zou worden, die aan

vorsten en volken de wetten voorschreef. Alwat men begeerde, was, om

onder de heidensche overheid een gerust en stil leven te mogen leiden

in alle godzaligheid en eerbaarheid. Maar toen de kerk tot aanzien

en heerschappij kwam, werd ook hare macht gansch anders opgevat. De

ontwikkeling van episcopaat en traditie, van priester- en offeridee

bracht mede, dat de ordinatie als eene sacramenteele handeling werd

beschouwd, die, door den bisschop verricht, den ambtsgeest mededeelde

en tot het voltrekken der kerkelijke ceremoniën recht en bevoegdheid

schonk. En hoewel de sleutelmacht, in Mt. 16:18 aan Petrus geschonken,

door combinatie met Mt. 18:18 en Joh. 20:23 in den eersten tijd van de

vergeving der zonden verstaan werd, Cypr. de unit. eccl. 4. Ep. 75,

16, kreeg zij vooral door het sacrament der boete allengs een juridisch

karakter. De macht der kerk is daarom volgens Rome tweeërlei: potestas

ordinis en potestas jurisdictionis, van welke de laatste dan weer in

jurisdictio fori interni (sacramentalis) en fori externi (legifera,

judiciaria en coactiva) onderscheiden wordt, Thomas, S. Theol. II 2

qu. 39 art. 3. Catech. Rom. II 7, 6. Conc. Vat. ed. Lacensis col. 570.

Klee, Kath. Dogm. I² 162. Dieringer, Kath. Dogm.⁴ 619. 715. Liebermann,

Inst. Theol. I⁸ 290. Simar, Dogm. 593. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1

S. 317 f. Schell, Kath. Dogm. III 1 S. 396. Jansen, Prael. theol. I 380

sq. enz. Tot recht verstand van deze door Rome aan de kerk toegekende

macht dient het volgende in acht genomen te worden. 1º De potestas

docendi wordt soms door latere theologen wel afzonderlijk behandeld en

komt natuurlijk volgens Rome ook wel aan de kerk toe. Maar eigenlijk is

zij onderdeel van de potestas jurisdictionis. De Catech. Rom. II 7, 7

zou kunnen doen vermoeden, dat de potestas docendi onder de potestas

ordinis thuis behoort, omdat hij zegt, dat deze niet alleen inhoudt de

macht, om de eucharistie te bedienen, sed ad eam accipiendam hominum

animos praeparat et idoneos reddit; maar het Conc. Vatic. IV c. 3. 4

brengt het magisterium uitdrukkelijk onder de potestas jurisdictionis.

De bediening des woords is bij Rome rechtspraak, culmineerende in de

onfeilbare beslissingen van den paus; zij is geen prediking maar eene

afkondiging van dogmata, die als zoodanig het geweten binden, tot

geloof, d. i. tot assensus verplichten, en desnoods met dwang kunnen

opgelegd worden, Richter-Dove-Kahl, Kirchenrecht 305. Achelis, Prakt.

Theol. I² 79. 2º De potestas ordinis, de macht, om de sacramenten te

bedienen, is alleen verkrijgbaar door het door den bisschop verleende

sacramentum ordinis, dat den ambtsgeest mededeelt en een character

indelebilis indrukt, en is daarom onverliesbaar, Thomas, S. Theol. II

2 qu. 39 art. 3; zelfs ketters en scheurmakers, die eens in Rome door

den bisschop geordend werden, behouden deze macht, zij staat daarom

ook los op zichzelve, en is geheel onafhankelijk van de bediening

des woords. Het sacerdotium kan bij Rome ook zonder prediking van

het evangelie bestaan. Si quis dixerit..., sacerdotium... non esse

potestatem aliquam consecrandi et offerendi verum corpus et sanguinem

Domini et peccata remittendi et retinendi, sed officium tantum et

nudum ministerium praedicandi evangelium, vel eos, qui non praedicant,

prorsus non esse sacerdotes, anathema sit, Conc. Trid. sess. 23 de

sacr. ordinis can. 1. 3º In overeenstemming hiermede wordt bij Rome

de vergeving der zonden niet geschonken in de prediking van het

woord, welke slechts praeparatoire beteekenis heeft, maar in het

sacrament, hetwelk de genade in zich bevat en ex opere operato in

den ontvanger instort. Bepaaldelijk wordt zij medegedeeld in den doop

en voor de na den doop bedreven zonden in het sacrament der boete.

De tucht was n.l. in de eerste christelijke kerk zeer streng. Toen de

ervaring leerde, dat lang niet allen, die Christen geworden waren,

hunner roeping waardig wandelden en dikwerf vervielen in vleeschelijke

zonden en tijdens de vervolgingen vooral ook in verloochening van het

evangelie, namen de vermaningen toe, om, vooral vóór het gebruik

des avondmaals, in het midden der gemeente belijdenis van zonden te

doen, Did. 4:14, Clemens, 1 en 2 Cor. passim. Over den terugkeer van

zulke gevallenen en uitgeslotenen in den schoot der kerk ontstond een

langdurige strijd. Montanisme, Novatianisme en Donatisme wilden voor

zulke gevallenen, bepaaldelijk voor hen, die zich schuldig gemaakt

hadden aan verloochening, moord of ontucht, de deur der kerk sluiten

en hen aan Gods genade overlaten, cf. Hebr. 6:4-6, 10:26, 1 Joh. 5:16.

Maar Hermas, Mand. IV 1, zeide reeds in geval van echtbreuk, dat er

ééne bekeering mogelijk was. In Tertullianus’ tijd werd al tusschen

vergefelijke en doodzonden onderscheid gemaakt; de bedrijvers der eerste

ondergingen, ook al werden zij tijdelijk van de gemeente uitgesloten,

slechts eene castigatio, geen damnatio, Tert. de pudic. 7; die aan

de laatste, vooral aan afgoderij, echtbreuk of moord zich schuldig

maakten, werden bij berouw toch als ’t ware weer in den voorhof der

kerk toegelaten. De ontwikkeling van de katholieke kerkidee (als

heilsinstituut), de concentratie aller kerkelijke macht in den bisschop,

de leer van de verdienstelijkheid der goede werken (satisfactio,

meritum) kwamen aan de wederopname van gevallenen en gebannenen door

middel van boete ten goede. De bisschop van Rome, Callistus verkondigde

in 217, dat hij ook de zonden van ontucht bij berouwhebbenden vergaf.

Een concilie te Carthago 252 stond aan alle gevallenen, in geval van

boetvaardigheid, de reconciliatie of absolutie toe, Cypr. ep. 57, al

moest de terugkeerende ook verschillende stadiën doorloopen, eer hij in

de volle gemeenschap der kerk opgenomen werd (προσκλαυσις, ἀκροασις,

ὑποπτωσις, συστασις). En in 316 werden de Donatisten veroordeeld, die

beweerden dat geen geexcommuniceerde of der excommunicatie waardige

het sacrament bedienen kon, Moeller-v. Schubert, Kirchengesch. I 96.

133. 278. 298. 358. 415 en de daar aangeh. litt. In de boete, die

langzamerhand als een sacrament werd opgevat en in drie deelen bestond

(confessio oris, contritio cordis en satisfactio operis), schiep de

kerk zich de mogelijkheid, om allen, die na den doop in kleinere of

grootere zonden gevallen waren, weder in haar volle gemeenschap op te

nemen. Zij was eene secunda post naufragium tabula na den doop, Trid.

IV c. 2. Heel de tucht ging bij Rome in deze gesystematiseerde boete

onder, en deze boete werd een actus judicialis, een rechtbank, waarin

de priesters zitten als praesides en judices, de belijdenis van de

mortalia crimina aanhooren, naar den maatstaf der libri poenitentiarii

op casuistische wijze de straf bepalen, en in den naam van Christus niet

conditioneel en declaratorisch maar absoluut, kategorisch en peremptoir

de vergeving der zonden (absolutie) schenken. Dit juridisch karakter

der boete komt ook nog daarin uit, dat dit sacrament alleen mag bediend

worden aan hen, die gedoopt zijn, wijl de kerk over niemand jurisdictie

bezit dan wie door den doop onder haar macht staan; dat de geloovigen

dit sacrament slechts mogen ontvangen uit de hand van dien priester,

wiens subditi zij naar kerkelijke, d. i. pauselijke beschikking zijn; en

dat hoogere geestelijken, bisschoppen enz. en vooral de paus, zich

bepaalde, ergerlijke gevallen voorbehouden, waarin zij alleen oordeelen

en beslissen kunnen, zooals bijv. bij de toepassing van ban en interdict

over vorsten en landen in de Middeleeuwen door de pausen, Conc. Trid.

XIV. Cat. Rom. II 5, 32 sq. 4º Om deze jurisdictie in foro interno

te kunnen uitoefenen, beweert de Roomsche kerk voorts te bezitten

de potestas jurisdictionis in foro externo (potestas regiminis),

onderscheiden in potestas legislativa, judiciaria en coactiva. Christus

gaf toch aan de kerk, opdat zij aan haar roeping getrouw kon zijn,

vooreerst eene wetgevende macht; zij mag binden en ontbinden, verbieden

of veroorloven, zedelijke verplichtingen opleggen of teniet doen; en

al wat zij bepaalt, is in den hemel van kracht; het is evengoed alsof

God zelf het beveelt; het bindt daarom de gewetens en verplicht tot

onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:21, 23, Hd.

15:27-29, 41, 1 Cor. 11:4-7, 14:26, 2 Cor. 8, 10:6, 8, 1 Tim. 3, Tit.

1:5, Hebr. 13:7, 17. Deze wetgevende macht sluit vanzelf de rechterlijke

in, wijl gene zonder deze niet zou kunnen bestaan; Christus gaf deze

macht aan de gemeente in Mt. 18:15-17 en de apostelen oefenden haar

uit, Hd. 5:1-10, 1 Cor. 5:3, 11-13, 1 Tim. 5:19, 20. En eindelijk heeft

de kerk ook eene uitvoerende en dwingende macht, en kan niet alleen

geestelijke straffen opleggen, gelijk Donatisten, Waldenzen, Albigenzen

enz. beweerden, maar ook tijdelijke en lichamelijke, en dat niet alleen op

gezag of door middel van den staat, maar ook zelve uit eigen autoriteit

en rechtstreeks. Rome grondt deze macht op Mt. 16:19, 18:18, 28:19, 1

Cor. 4:18-21, 5:4-5, 2 Cor. 10:6, 8, 13:2, 3, 1 Tim. 1:20, heeft ze

menigmaal uitdrukkelijk geleerd, Denzinger, Enchir. symb. et defin.

n. 1367. 1546. 1572. Conc. Vatic. coll. Lac. VII 570. 577, en ook

veelvuldig toegepast, cf. Perrone, Prael. Theol. Lov. 1843 VII 275.

Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 322. Jansen, Prael. theol. I 390 enz.

5º Eindelijk leert Rome, dat deze kerkelijke macht, van alle aardsche

macht wezenlijk onderscheiden, ten volle onafhankelijk is en souverein.

Wel zegt zij, dat deze macht ten opzichte van Christus eene bedienende,

een ministerium is; maar tegenover alle aardsche gezag en macht is

zij volkomen zelfstandig. Met deze leer van de onafhankelijkheid der

kerkelijke macht sloeg zij een gansch anderen weg in dan de kerk van

het Oosten. Daar werd door Constantijn, Theodosius en Justinianus I

de kerk hoe langer hoe meer een orgaan in den staat; de keizer kon

daarom met de kerk nog wel niet doen wat hij wilde, want hij was aan het

dogma gebonden, en geen αρχιερευς maar alleen εὐσεβης, beschermer der

orthodoxie, doch hij was toch evengoed als van den staat het regeerend

hoofd der kerk. In de Russische kerk heerscht deze beschouwing nog

thans. In 1721 legde Peter de Groote het opperbestuur over de kerk in

handen van eene permanente Heilige Synode, welke door het intermediair

van den procurator aan den Czaar gebonden is. Hoezeer de macht van

den Czaar in vergelijking met die der Byzantijnsche keizers veelszins

beperkt en verzwakt is, is hij het toch, die door de Synode de kerk

regeert, de godsdienstige aangelegenheden van zijn volk regelt, de

mate van vrijheid voor zijne Roomsche en Protestantsche onderdanen

bepaalt; het orthodoxe dogma is in Rusland nog altijd in formeelen zin

staatsrecht en ketterij staatsmisdaad, cf. Pobedonoszew, Streitfragen

der Gegenwart. Autor. Uebersetzung. Berlin 1897. Herzog² 5, 425 f.

Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I 374-393. Terwijl alzoo in het

Oosten het Cesareopapisme tot ontwikkeling kwam, wist de kerk in het

Westen, georganiseerd in den paus, niet alleen hare zelfstandigheid te

handhaven tegen maar menigmaal ook hare suprematie uit te breiden over

den staat. Het keizerschap werd in Karel den Groote een Christelijk,

een Roomsch instituut, en was van dien tijd af menigmaal aan den paus

ondergeschikt. En dit was niet alleen practijk maar werd ook hoe langer

hoe meer theorie. Staat, (gezin, maatschappij, kunst, wetenschap, al het

aardsche) en kerk verhouden zich volgens Rome als natuur en genade,

vleesch en geest, bonum naturale en bonum supernaturale, het tijdelijke

en het eeuwige, het aardsche en het hemelsche. Gelijk de maan haar licht

ontvangt van de zon, zoo hebben de vorsten hunne wereldlijke macht

aan den paus te danken, die immers als stedehouder van Christus alle

macht heeft in hemel en op aarde, (Alvarus, Pelagius e. a.); of in

elk geval heeft de paus als hoofd der Christenheid ook summa potestas

disponendi de rebus temporalibus omnium Christianorum, Bellarminus,

de Rom. Pontif. V 6. 7. Zelfs is een wereldlijk gebied tot uitoefening

van zijn souvereine macht voor hem beslist noodzakelijk. Al is de

staat dan ook binnen zijn eigen terrein vrij en zelfstandig, hij is toch

minder dan de kerk, aan haar uitspraak gebonden en overal waar het

geestelijke in het natuurlijke ingrijpt, aan de kerk onderworpen. De

staat moet Christelijk, d. i. Roomsch zijn, mag geen andere als de ware

erkennen dan de Roomsche, en is verplicht, indien de kerk het verlangt

en het zelve niet doet, om ketters te vervolgen en te straffen.

Cf. Augustinus’ brief aan Vincentius contra Donat. et Rogat. de vi

corrigendis haereticis, id. aan Bonifacius de moderate coercendis

haereticis, voorts c. Epist. Parmeniani I 16. Contra literas Petiliani,

vooral lib. II. Contra Gaudentii Denatistarum episcopi epistolam I 20

II 17. Thomas, de regimine principum. Bellarminus, de Rom. Pontif.

V. de membris eccl. III. Hergenröther, Kath. Kirche und Christl.

Staat in ihrer geschichtl. Entw. 1872. Hammerstein, Kirche und Staat,

Freiburg 1883. Stöckl, Lehrb. d. Philos. III⁶ 451-480. Cathrein,

Moralphilosophie II³ 529 f. Hansjakob, Die Toleranz und die Intoleranz

der Kath. Kirche 2e Aufl. Freiburg 1899 enz.

4. Deze macht, door Rome aan de kerk toegekend, culmineert en vindt

ook den waarborg voor haar bestand en voortduur in de macht van den

paus. Deze draagt toch volgens het Conc. Vatic. IV c. 3. 4 de volgende

eigenschappen: 1º Zij is niet bloot een primatus honoris noch ook

alleen een ambt van toezicht en leiding, maar eene van de bisschoppen

onafhankelijke volmacht van wetgeving, regeering en rechtspraak, eene

potestas jurisdictionis. 2º Zij is niet eene buitengewone, tijdelijke,

maar eene gewone, blijvende macht, welke God hem geeft en die hij altijd

en niet slechts in enkele buitengewone gevallen uitoefenen kan. 3º Zij

is eene onmiddellijke, zoowel naar oorsprong, wijl Christus haar geeft,

als naar haar gebruik, wijl de paus haar niet alleen door de bisschoppen

maar ook door zichzelf of zijne legaten uitoefenen kan, zonder verlof

of volmacht van wie ook te vragen, en dus met alle bisschoppen en

geloovigen onmiddellijk, vrij verkeeren kan. 4º Zij is niet eene beperkte,

maar eene plena et suprema potestas, extensief zich uitstrekkende over

de gansche kerk, intensief alle macht bevattend, welke tot leiding

en regeering der kerk van noode is, en volstrekt souverein, aan geen

leeken, bisschoppen, concilie, maar alleen aan God onderworpen. 5º

Alle leden der kerk, hetzij afzonderlijk of te zamen, alle bisschoppen,

elk voor zichzelf of in synode en concilie vergaderd, zijn aan den

paus volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd, niet alleen in zaken van

geloof en zeden, maar ook in die van tucht en regeering der kerk. Haec

est catholicae veritatis doctrina, a qua deviare, salva fide atque

salute, nemo potest. 6º Een deel van deze macht is het leerambt, over

hetwelk is bepaald, dat de paus, wanneer hij ex cathedra spreekt, door

Goddelijken bijstand onfeilbaar is.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 8 / 83 题