des woords een veel te algemeen en te onduidelijk kenteeken is, dan
dat de ware kerk daarnaar beoordeeld worden kan. Immers laat de
bediening des woords eenerzijds in ware kerken, zooals bijv. te Corinthe
en in Galatië, dikwerf aan zuiverheid nog veel te wenschen over,
en is zij andererzijds in kettersche en sectarische kerken niet ten
eenenmale teloor gegaan. Socinianen en Remonstranten redeneerden op
dezelfde wijze en bestreden de noodzakelijkheid en de profijtelijkheid
van kenmerken, waaraan de ware kerk te onderkennen was, Cat. Rac. qu.
489. Episcopius, Disp. III 28 Op. II 2 p. 459. En hoewel Lutherschen
en Gereformeerden in den eersten tijd zeer kras staande hielden, dat zij
de ware kerk waren, maakte de toenemende onzuiverheid van eigen kerken
en het optreden van andere kerken naast de hunne het hoe langer hoe
moeilijker, om deze bewering in al hare strengheid te handhaven. Ja,
van den beginne aan was de houding, welke de Protestantsche kerken
tegenover de Roomsche kerk aannamen, eene gansch andere dan omgekeerd.
Rome kan secten maar geen kerken naast zich erkennen, Hettinger, Apol.
d. Christ. V⁷118. Doch de Protestanten, schoon de kerkelijke hierarchie
van Rome beslist verwerpende, bleven het christelijke in Rome’s kerk
ten volle erkennen. Hoe bedorven Rome ook zij, er zijn toch nog vestigia
ecclesiae, ruinae dissipatae ecclesiae in, er is nog aliqua ecclesia,
licet semirupta, in het pausdom overgebleven, Calvijn, Inst. IV 2, 11,
cf. Op. ed. Schippers VIII 111. 309. IX Epist. 51. 57. Beza, Tract.
theol. III 145. 192. Bullinger, Huijsboeck 1612 p. 206. 207. Zanchius,
Op. II in de praef. vóór de natura Dei. Polanus, Synt. 535. cf. 496.
Polanus a Polansdorf. Part. Theol. p. 196. Junius, Op. II 1018-1023.
Alsted, Theol. schol. 696. Voetius, Desp. causa papatus 699-703.
Mastricht, Theol. VII 1, 25. Turretinus XVIII 14, 24. 27. De Hervorming
was eene afscheiding ab ecclesia Romana et Papali, maar niet a vera
ecclesia, Turretinus, XVIII 15, 8. Id. de necessaria secessione nostra
ab ecclesia Romana, et impossibili cum ea syncretismo, achter zijne
Disp. de satisf. Christi 1691 en andere anti-Roomsche geschriften bij
Vitringa IX 1 p. 116. Moor VI 58. Voorts waren of werden althans de
Hervormers zich spoedig ervan bewust, dat de zuivere bediening van
woord en sacrament niet als een absoluut kenmerk gelden kon. Calvijn
waarschuwt ten sterkste tegen alle willekeurige afscheiding. Al
ontbreekt er iets aan de zuiverheid der leer of der sacramenten, al
laat de heiligheid des levens en de trouw der dienaren veel te wenschen
over, men mag daarom niet aanstonds de kerk verlaten. Eerst als de
summa necessariae doctrinae, de praecipua religionis doctrina voor de
leugen ingeruild wordt, is scheiding plicht, Inst. IV 2, 12-16. 2,
1. Comm. op Mt. 13:40, 41. 2 Thess. 3:6. Toen later het bederf in de
staatskerken toenam en velen tot scheiding zich gedrongen voelden,
kwamen de meeste leeraars op dezelfde gronden tegen het separatisme
in verzet, Voetius, Pol. Eccl. IV 488. Brakel, Red. Godsd. c. 25. V.
d. Waeyen en Witsius, Ernstige betuiginge der Geref. kercke aan hare
afdwalende kinderen 1670. Koelman, Hist. Verhaal nopende der Labadisten
scheuring en velerleye dwalingen met de wederlegging derzelver, 2
deelen, Amst. 1683-84, cf. Hoe oordeelt de H. S. en hoe oordeelen de
Geref. vaderen over Scheiding en Doleantie bij J. Campen te Sneek. Allen
zagen zich gedrongen, om met Calvijn te erkennen, dat er in de ware
kerk veel onzuivers in leer en leven voorkomen kan, zonder dat dit
recht tot afscheiding geeft, en dat er in de gescheiden kerken dikwerf
veel goeds wordt gevonden. Zoo onderging het begrip ware en valsche
kerk eene belangrijke wijziging. Aan de eene zijde moest men toegeven,
dat eene ware kerk in absoluten zin hier op aarde onmogelijk is; er is
geen enkele kerk, die volstrekt en in alle deelen, in leer en leven,
in bediening van woord en sacrament aan den eisch Gods beantwoordt. En
aan den anderen kant werd het duidelijk, dat er ook eene valsche kerk in
absoluten zin niet bestaan kan, wijl zij dan geen kerk meer ware; al was
Rome eene valsche kerk, in zoover ze pauselijk was, er waren toch nog
vele overblijfselen der ware kerk in. Er was dus onderscheid tusschen
vera en pura ecclesia, Polanus, Synt. p. 532. Alsted, Theol. schol.
601 sq. Synopsis 40, 37. Maresius XVI 20, Vitringa IX 1. 79. Ware kerk
werd de naam, niet voor ééne kerk met uitsluiting van alle andere,
maar voor velerlei kerken, die de hoofdwaarheden des Christendoms,
de fundamenteele artikelen, cf. deel I 520v. nog vasthielden, doch
overigens in graden van zuiverheid zeer verre van elkander afweken; en
valsche kerk werd de naam van de hierarchische macht van bijgeloof of
ongeloof, welke in de plaatselijke kerken zich opwierp en zichzelve en
hare ordinantiën meer macht en autoriteit toeschreef dan den Woorde
Gods, Ned. Gel. 29.
11. Deze ontwikkeling van het kerkbegrip, die in de geschiedenis
zelve valt waar te nemen, heeft hare onmiskenbare schaduwzijde; het
denkbeeld van een eenig, alle geloovigen omvattend kerkinstituut is
er voorgoed door verstoord. Ook is het niet te ontkennen, dat de
eindelooze gedeeldheid van de belijders van Christus aan de wereld eene
oorzaak biedt van vreugde en spot, en haar een reden geeft voor haar
ongeloof aan den Gezondene des Vaders, wijl zij de eenheid der geloovigen
in Christus niet ziet, Joh. 17:21. Wij kunnen ons als Christenen niet
diep genoeg verootmoedigen over de scheuring en tweedracht, die alle
eeuwen door in de kerk van Christus heeft bestaan; zij is eene zonde
tegen God, in strijd met de bede van Christus, en veroorzaakt door de
duisternis van ons verstand en de liefdeloosheid van ons hart, cf.
Gunning, De eenheid der kerk 1896. Hooger dan de kerk 1897. Rekenschap
1898. En het is te begrijpen, dat vele Christenen zich telkens weer
hebben laten verleiden tot de poging, om die vurig begeerde eenheid
der kerk van Christus, hetzij door gewelddadige middelen, vooral door
den sterken arm der overheid, of op kunstmatige wijze, door syncretisme
en fusie, tot stand te brengen of in stand te houden, cf. bijv. J. von
Döllinger, Ueber die Wiedervereinigung der christl. Kirchen, Leipzig
Mohr 1897. Maar ter anderer zijde mogen wij toch ook niet vergeten,
dat de mislukking van al deze pogingen ons iets te leeren heeft. De
historie is evenals de natuur een werk Gods; zij gaat niet buiten zijne
voorzienigheid om; Christus is door zijne opstanding en hemelvaart
verheven tot Koning aan des Vaders rechterhand en zal dat blijven,
totdat al zijne vijanden onder zijne voeten gelegd zijn. Hij regeert, ook
over de verdeeldheden en scheuringen van zijne kerk op aarde. En zijne
bede om hare eenheid is niet voortgevloeid uit onbekendheid met hare
geschiedenis noch ook uit onmacht tot hare regeering; in en door
de verdeeldheid heen wordt zij dagelijks verhoord en hare volkomen
vervulling tegemoet gevoerd. De diepe, geestelijke zin, waarin de
eenheid zijner discipelen door Jezus opgevat wordt, sluit juist alle
gewelddadige of kunstmatige poging tot hare invoering uit. Christus,
die er om bad, kan ook alleen haar tot stand brengen; zijne bede is
waarborg, dat zij in Hem reeds bestaat en te zijner tijd uit Hem ook
in alle geloovigen openbaar worden zal. Daarom hebben wij tot recht
verstand van de gedeeldheid der kerk van Christus, het volgende te
bedenken: 1º Alle scheiding en scheuring, die er thans in de kerk van
Christus bestaat, dagteekent principieel reeds uit den apostolischen
tijd. In weerwil dat de kerken om allerlei redenen toen veel meer
geestelijk één zich gevoelden, dan thans zelfs tusschen kerken van
dezelfde belijdenis het geval is, waren zij in velerlei opzicht
onderscheiden. De apostelen te Jeruzalem en Paulus, de gemeenten
uit de Joden en uit de Heidenen, gingen op vele en zelfs belangrijke
punten uiteen; het kwam tusschen Petrus en Paulus, Gal. 2:11, tusschen
Paulus en Barnabas, Hd. 15:39 tot een ernstig verschil; ketterijen en
scheuringen van allerlei aard kwamen ook toen reeds voor, 1 Cor. 1:10,
11:18, 19 enz.; de gemeente van Corinthe was in partijen verdeeld, zag
het schandelijk leven van een der broederen stilzwijgend aan, en geloofde
voor een deel zelfs niet aan een zoo beteekenisvol feit, als de
lichamelijke opstanding van Christus en de geloovigen; en de gemeenten
van Klein-Azië waren enkele tientallen van jaren, nadat zij door Paulus
gesticht werden, verre gezonken beneden het eerst door haar in leer
en leven ingenomen standpunt. 2º Deze scheidingen en scheuringen in
den apostolischen tijd maken daarom nog niet zoo diepen indruk, wijl
wij het in het N. T. altijd in de eerste plaats te doen hebben met
plaatselijke kerken. Er was nog niet anders dan een geestelijke band,
die alle gemeenten verbond. Maar toen in de kerk van Christus de
hierarchie zich ontwikkelde en deze zichzelve voor het wezen der kerk
hield, toen is het deze valsche, onchristelijke kerkidee geweest, die
alle eeuwen door de scheuringen en ketterijen uitgelokt en vele ware
geloovigen van zich vervreemd heeft. Overal waar en in dezelfde mate
als de hierarchie zich ontwikkeld heeft, in de Roomsche, de Grieksche,
de Anglikaansche kerk, daar zijn telkens weer de secten opgestaan en
hebben, indien zij niet gewelddadig onderdrukt en uitgeroeid werden, de
officieele kerk teruggedrongen en zijn haar menigmaal boven het hoofd
gegroeid. De hierarchische kerkidee, die allereerst op de eenheid der
Christenheid bedacht is, heeft juist alle eeuwen door de verdeeldheid
bevorderd en scheuring veroorzaakt. En het Protestantisme verloochent
zijn beginsel, indien het de eenheid der Christenheid zoekt te handhaven
door eenigen hierarchischen dwang. 3º Juist wijl het woord het kenteeken
der kerk is en er geen onfeilbare uitlegging van dat woord bestaat,
is aan ieder mensch door Christus zelven de vrijheid gegeven, om dat
woord voor zichzelven te verstaan, gelijk hij het inziet. Zedelijk is
hij daarbij natuurlijk wel aan Christus gebonden, en ieder zal voor
zichzelven moeten verantwoorden, hoe hij het woord van Christus verstaan
en beoefend heeft. Maar tegenover zijne medemenschen en medechristenen
staat hij volkomen vrij. Rome vreest deze vrijheid, en werpt aan het
Protestantisme zijn individualisme, subjectivisme en sectarisme voor
den voet. Maar wat de zwakheid van Rome is, wijl het zichzelf door
hierarchische middelen in stand houden moet, dat is de kracht van het
Protestantisme, wijl geen schepsel maar Christus zelf zijne kerk regeert.
Het is volkomen waar, dat, indien het woord kenteeken der kerk is
en allen menschen in handen gegeven wordt, ieder daarmede het recht
ontvangt, om over de kerk te oordeelen en, indien hij het goedvindt,
van haar te scheiden. Maar deze vrijheid is volkomen te eerbiedigen en
door geen staat of kerk te belemmeren. Zelfs het schrikkelijk misbruik,
dat er van gemaakt kan worden en gemaakt is, mag geen oogenblik tot
afschaffing van het gebruik verleiden. 4º De gedeeldheid der kerk van
Christus heeft zonder twijfel in de zonde haar oorzaak; in den hemel is
er geen plaats meer voor. Maar toch is daarmede niet alles gezegd. God
heeft in de eenheid de verscheidenheid lief. Verscheidenheid was er
onder alle schepselen, ook toen er nog geen zonde was. Door de zonde is
zij ontaard en verbasterd, maar in zichzelve is zij goed en ook voor de
kerk van Christus van beteekenis. Verschil van geslacht en leeftijd, van
karakter en aanleg, van verstand en hart, van gaven en goederen, van
plaats en van eeuw komt ook aan de waarheid, die in Christus is, ten
goede. Hij neemt ze alle in zijn dienst en siert er zijn kerk mede. Ja, al
heeft de gedeeldheid der menschen in volken en talen in de zonde haar
aanleiding gehad, zij bevat iets goeds, dat in de gemeente ingedragen en
alzoo voor de eeuwigheid bewaard wordt. Uit vele geslachten en talen en
volken en natiën vergadert Christus zijne kerk op aarde. 5º Indien wij
daarom weer naar het N. T. spraakgebruik onder kerken de plaatselijke
kerken in de gansche Christenheid verstaan, dan zijn er geen ware en
geen valsche kerken in _volstrekten_ zin. Eene kerk is eene vergadering
van ware Christgeloovigen op eene bepaalde plaats. Indien ergens geen
enkel geloovige meer is, noch actu noch potentia, dan is er ook het
woord Gods onbekend, en is er geen kerk meer. En omgekeerd, indien het
woord Gods op een bepaalde plaats nog eenigermate bekend is, zal het
zekerlijk zijn werking doen en is er eene kerk van Christus, hoe onzuiver
en vermengd dan ook. Daarmede wordt geen indifferentisme en syncretisme
bedoeld. Onverschillig is er niets, allerminst in de waarheid, die naar
de godzaligheid is. Het staat niet zoo, dat wij gerust de zoogenaamde
articuli non fundamentales kunnen prijsgeven en loochenen, indien wij de
articuli fundamentales maar aannemen. Terwijl wij echter in betrekking
tot anderen het woord van Jezus in toepassing hebben te brengen: wie
niet tegen mij is, die is voor mij, behooren wij ons voor onszelven te
houden aan dat andere woord: wie niet voor mij is, die is tegen mij. Er
is groot verschil in de zuiverheid van de belijdenissen en de kerken. En
naar de zuiverste hebben wij te staan en te streven. Wie daarom tot de
overtuiging komt, dat de Protestantsche kerk beter is dan de Roomsche,
en de Gereformeerde zuiverder is dan de Luthersche of Remonstrantsche
of Doopsgezinde, heeft, zonder daarmede zijne kerk als eene valsche
te oordeelen, deze te verlaten en bij de andere zich aan te sluiten.
En in de eigen kerk te blijven, in weerwil van veel onzuiverheid in
leer en leven, is zoolang plicht, als zij ons niet verhindert, om naar
de eigen belijdenis getrouw te zijn en zij het ook indirect, ons niet
dwingt, om den menschen meer te gehoorzamen dan Gode. Want eene kerk,
die hare leden daartoe dwingt, zou zich in datzelfde oogenblik aan
de conscientie harer leden, in zooverre als zij dat deed, als eene
valsche openbaren, die zichzelve en haren ordinantiën meer macht en
autoriteit toeschrijft dan den woorde Gods. 6º Met de namen schisma
en haeresie behoort men daarom voorzichtig te zijn. Zonder twijfel zijn
dit beide groote zonden; aan schisma maken zij zich schuldig, die,
ofschoon het fundament der leer intact latende, toch om ondergeschikte
punten van eeredienst of kerkregeering zich van de kerk scheiden;
haeretici zijn zij, die dwalen in de substantie der waarheid; genen
verbreken de gemeenschap der kerk, dezen de gemeenschap der leer. Toch
is het moeilijk, in de practijk de grens aan te wijzen, die wettige en
plichtmatige verbreking van de gemeenschap met eenige kerk of leer van
ongeoorloofde breuke scheidt. Voor Rome is dit wel gemakkelijk, wijl het
maar ééne kerk en ééne belijdenis erkent en over al wat daarbuiten is
het anathema uitspreekt. Maar het Protestantisme kan hoogstens eenige
algemeene regelen aangeven en moet de toepassing daarvan in ieder
concreet geval aan de conscientie der geloovigen overlaten. Het begrip
van haeresie en schisma heeft daardoor eene rekbaarheid verkregen,
welke in het gebruik tot voorzichtigheid maant. Sedert de Reformatie
is de kerk overgegaan in de periode der pluriformiteit; en dit feit
dwingt ons, om de eenheid der kerk veelmeer in den geestelijken band
des geloofs dan in den uitwendigen vorm der regeering te zoeken. Cf.
Gladstone, The place of heresy and schism in the modern Christian
Church, Nineteenth Century Aug. 1894 p. 157-194. Kuyper, Encycl. II
607v.
12. In overeenstemming hiermede krijgen ook de zoogenaamde eigenschappen
(attributa, proprietates, adjuncta, affectiones, epitheta, elogia) der
kerk op Protestantsch standpunt een geheel anderen zin dan bij Rome.
Rome heeft een absoluut en exclusief kerkbegrip; het kan de bediening
van woord en sacrament niet erkennen als kenteeken der kerk, wijl deze
ook buiten de Roomsche kerk, zij het in onzuiveren vorm, nog voorkomt;
het kan daarom ook geen onderscheid maken tusschen kenteekenen en
eigenschappen der kerk, want de eigenschappen zijn juist de indicia, die
de eenige ware kerk aanwijzen; en het moet eindelijk die eigenschappen
zoo zinnelijk, tastbaar en uitwendig opvatten, dat zij alleen op de
Roomsche kerk van toepassing zijn en deze als de alleenzaligmakende aan
allen in het oog doen springen. De eerste eigenschap, de _eenheid_ der
kerk, duidt dan ook wel aan, dat de gemeente één Heer, één geloof,
één doop heeft, maar toch komt zij volgens Rome vooral daarin uit, dat
de door Christus gestichte kerk één zichtbaar hoofd in den paus heeft
(unitas hierarchica, regiminis) en nooit eene andere kerk naast zich
(unitas simultanea) of na zich (unitas successiva) hebben kan; eigenlijk
is de paus het ééne, afdoende kenmerk der ware kerk, cf. Cat. Rom. I
10, 10. Schema const. dogm. de eccl. Christi en de daarbij behoorende
adnotationes op het Vaticaansch concilie, Collectio Lacensis VII 569.
586-588. Bellarminus, de eccl. mil. IV 9. 10. Scheeben-Atzberger IV
340. Schanz, Apol. d. Chr. III § 6. Door deze alzoo opgevatte eenheid
der kerk is Rome verplicht, om tegenwoordig over de helft der gansche
Christenheid het anathema uit te spreken. Zelfs de gedachte van Pusey
in zijn Eirenikon en van Palmer, de doctrina christ. I c. 5, dat de
Roomsche, Oostersche en Anglikaansche kerk saam de ééne kerk uitmaken,
kan niet toegelaten worden. Buiten de gemeenschap met den paus is er
geen zaligheid. Maar het Protestantisme denkt bij de eenheid der kerk
allereerst aan de eenheid van het Hoofd der gemeente, Ef. 1:10, 5:22,
aan de gemeenschap aller geloovigen door één en denzelfden Geest, 1
Cor. 6:17, 12:13, 2 Cor. 12:11, Ef. 4:4 met Christus en met elkander,
Joh. 10:16, 15:1, Rom. 12:5, 1 Cor. 12:12, 13, Ef. 1:22, en dan voorts
aan de eenheid des geloofs, der liefde, der hope, des doops enz. Ef.
4:3-5. Deze eenheid is wel in de eerste plaats geestelijk van aard,
maar zij bestaat toch objectief en reëel en blijft ook niet geheel
onzichtbaar. Zij openbaart zich, zij het ook op zeer onvolkomene wijze,
naar buiten en treedt in datgene, wat alle christelijke kerken met
elkander gemeen hebben, althans eenigermate aan het licht. Er is geen
Christendom boven of beneden, maar er is wel een Christendom in de
geloofsverdeeldheid aanwezig. Omdat ons oog het meest op de verschillen
en scheuringen in de Christenheid gericht is, loopen wij steeds gevaar,
om deze toch waarlijk bestaande eenheid te miskennen. Wat alle ware
Christenen verbindt is altijd nog meer dan wat hen scheidt. Onder de
_heiligheid_ der kerk verstaat Rome in de eerste plaats de liturgische,
ceremonieele heiligheid, daarin bestaande, dat de kerk als instituut
den rechtmatigen offerdienst en het heilzame gebruik der sacramenten
bezit, waardoor God als door krachtige werktuigen der Goddelijke
genade, in de geloovigen de ware heiligheid werkt, en dan ten tweede
de persoonlijke heiligheid, die in de kerk wel niet het deel van allen
of ook van de meesten is of behoeft te zijn, maar toch altijd in enkelen
en dan weer in zeer verschillende graden gevonden wordt, Cat. Rom. I
10, 12. Bellarminus, ib. c. 11-15. Scheeben-Atzberger IV 347. Schanz,
Apol. III c. 10. Jansen, Prael. I 452. Omdat de Reformatie de kerk weer
kennen deed als gemeenschap der heiligen, zocht zij de heiligheid niet
allereerst in het bovennatuurlijk karakter van het heilsinstituut maar
in de geestelijke vernieuwing van de leden der kerk. Heilig is de kerk,
omdat zij eene gemeenschap van heiligen is. Maar daarbij is de Reformatie
toch niet in het euvel van het Donatisme vervallen, en heeft zij veeleer
in de practijk deze eigenschap der kerk al te zeer verwaarloosd. Doch
dat neemt niet weg, dat naar het beginsel der Hervorming de kerk
heilig is, wijl zij is eene gemeenschap van heiligen. En heilig heeten
de geloovigen, allereerst omdat zij objectief in Christus krachtens de
toerekening zijner gerechtigheid door God voor heiligen gerekend worden,
en ten tweede, omdat zij, wedergeboren uit water en Geest en vernieuwd
naar den inwendigen mensch, een lust en begeerte hebben, om niet alleen
naar sommige maar naar alle geboden Gods in oprechtheid te wandelen,
Joh. 17:19, Ef. 5:25-27, Tit. 2:14, 1 Thess. 4:3, Hebr. 12:14, 1 Petr.
2:9. Ook deze eigenschap der kerk is geestelijk doch niet gansch en al
onzichtbaar; al hebben de allerheiligsten, zoolang zij in dit leven
zijn, nog slechts een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid, zij
wandelen toch naar den Geest en niet naar het vleesch.
De derde eigenschap is de _katholiciteit_. Bij Rome draagt de kerk dezen
naam ten eerste, omdat zij, hoewel één geheel en eene volkomene eenheid
vormende, toch over de gansche aarde zich uitbreidt, terwijl de secten
altijd tot eenig land, of deel der wereld beperkt blijven. Ten tweede
is zij katholiek, wijl zij, hoewel vroeger in minder volmaakten vorm
bestaande, toch altijd van het begin der wereld af op aarde geweest is
en alle geloovigen van Adams dagen af in zich begrepen heeft, terwijl
de secten altijd komen en gaan. En ten derde heet zij zoo, omdat zij
alle door God tot mededeeling aan de menschen bestemde waarheid en
genade volkomen deelachtig is, bewaart en uitreikt, en daarom voor
alle menschen het eenige en noodzakelijke instituut ter zaligheid is,
terwijl de secten altijd maar een gedeelte der waarheid bezitten. Wijl de
katholiciteit bij Rome een duidelijk zichtbaar kenmerk der kerk moet zijn,
is zij vooral in dien zin te verstaan, dat de kerk onder alle volken,
waar zij bestaat, eene in het oog vallende menigte van leden telt. In
den eersten tijd was dit nog wel niet het geval, maar spoedig kwam de
kerk toch tot groote uitbreiding. En nu is het eisch der katholiciteit,
dat het ledental der ware kerk wel niet grooter zij dan dat van alle
buiten haar levende menschen, maar toch grooter dan het ledental
van iedere secte afzonderlijk en waarschijnlijk ook van alle secten
saam. Cf. Cat. Rom. I 10, 13. Bellarminus, de notis eccl. c. 4. 7.
Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 351. Schanz, Apol. d. Chr. III § 7. Söder,
Der Begriff der Katholicität der Kirche und des Glaubens nach seiner
gesch. Entw. Würzburg 1881. In uitwendigen glans en heerlijkheid, in
ruimtelijke uitbreiding en in getalsterkte der leden zoekt de Roomsche
Christen dus een wezenlijk kenmerk van de ware kerk. Kerkvaders, zooals
Tertullianus, Origenes, Augustinus, zijn al begonnen, om de verbreiding
van het Christendom onder de volken te overdrijven. En nog altijd wordt
hun voorbeeld door vele Roomschen, bijv. in de zendingsstatistiek,
nagevolgd. Toch kon men tegenwoordig niet als vroeger het oog sluiten
voor het feit, dat er nog bijna een duizend millioen niet-Christenen
zijn en nauwelijks een vijfhonderd millioen Christenen, dat deze laatsten
wederom verdeeld zijn in ongeveer 112 millioen Grieksche, 225 millioen
Roomsche en 160 millioen Protestantsche Christenen, en dat de Roomsche
Christenen in deze eeuw schier overal geregeld in getalsterkte
achteruitgaan en door de Protestantsche Christenen op zij gestreefd
worden. Naar dit kenmerk der katholiciteit, dat de Roomsche kerk
zelve aangeeft, staat het met hare waarheid hoe langer hoe treuriger
geschapen. De naam katholiek komt der Roomsche kerk steeds minder
toe. Roomsch en katholiek zijn ook met elkander in tegenspraak; gelijk
onder het O. T. de bedeeling der genade Jeruzalem tot middelpunt had
en alle geloovigen aan die plaats verbond, zoo maakt de Roomsche kerk
in de dagen des N. T. het geloof en de zaligheid der menschen van eene
bepaalde plaats en van een bepaald persoon afhankelijk en doet daarmede
aan de katholiciteit van het Christendom tekort. De naam van Roomsche
of Pauselijke kerk drukt daarom haar wezen veel beter uit dan die van
katholiek. Eene katholieke kerk wordt in het apostolisch symbool en
soms ook in hunne eigene confessies door alle Protestanten geloofd en
beleden, Ned. Gel. 27. Apol. Conf. Aug. art. 7. 8. Men verstond er
gewoonlijk onder de ecclesia universalis, welke alle ware geloovigen
omvatte en in de verschillende kerken meer of minder zuiver tot
openbaring kwam, of ook de kerk des N. T., die in onderscheiding van
die des O. T., voor alle volken en plaatsen der aarde bestemd was. Het
woord katholiek komt in de Schrift niet voor. Maar de teksten, waarop
de kerkvaders zich voor de katholiciteit der kerk beroepen, zooals
Gen. 12:3, Ps. 2:8, Jes. 2:2, Jer. 3:17, Mal. 1:11, Mt. 8:11, 28:19,
Joh. 10:16, Rom. 1:8, 10:18, Ef. 2:14, Col. 1:6, Op. 7:9 enz. bewijzen,
dat hare beteekenis vooral hierin gelegen is dat het Christendom
wereldgodsdienst is, voor alle volk en eeuw, voor iederen stand en
rang, voor elke plaats en tijd bestemd en geschikt. Het meest katholiek
is die kerk, welke dit internationaal en kosmopolitisch karakter van
de christelijke religie het klaarst in hare belijdenis uitgedrukt en in
de practijk toegepast heeft. De Gereformeerden hebben er een oog voor
gehad, als zij in de verschillende landen en kerken de waarheid op
eigene, vrije, zelfstandige wijze beleden en op de Synode te Dordrecht
afgevaardigden uitnoodigden van de gansche Gereformeerde Christenheid,
cf. mijne rede over de Katholiciteit van Christ. en Kerk, Kampen 1888.
De vierde eigenschap der kerk is hare _apostoliciteit_. Volgens
Rome komt deze haar toe, omdat zij door de apostelen is gesticht, in
leer, inrichting en dienst met die der apostelen overeenstemt, maar
vooral omdat hare ambtsdragers in onafgebroken lijn opvolgers van de
apostelen zijn en hun macht en gezag ontvangen hebben van zulken,
die ze zelven op hun beurt in wettige successie van de apostelen
hadden ontvangen. De eerste beteekenis is daarbij geheel aan de tweede
ondergeschikt. Het woord der apostelen, d. i. de H. Schrift, maakt
niet uit, welke kerk apostolisch is, d. i. met de leer der apostelen
overeenstemt; maar omgekeerd beslist de in onafgebroken successie
van de apostelen afstammende kerk, wat apostolisch, wat de leer der
apostelen is. Ja zelfs wordt na de afkondiging van het dogma der
onfeilbaarheid de apostolische successie der ambtsdragers geheel en al
door hunne gemeenschap met den paus bepaald. Al is een bisschop ook
de apostolische successie deelachtig, deze wordt toch terstond ijdel,
als hij de gemeenschap met den paus verbreekt. Omgekeerd kann der Papst
vermöge seiner kirchlichen Vollgewalt jeden Mangel heben, der etwa
der formalen Apostolicität irgend eines Kirchenvorstehers anhaftet.
So ist die Einheit mit den Papste nothwendig, damit ein Vorsteher
rechtmässiger Nachfolger der Apostel werden oder sein kann, es ist aber
jene Einheit auch sofort hinreichend, um die wahre Apostolicität des
letztern zu erkennen, Scheeben-Atzberger IV 1 S. 356. De paus maakt
alles goed. Waar de paus is, daar is de ware kerk, de zuivere leer,
de apostolische successie. Nu is zulk eene apostolische successie met
geen woord in de Schrift te vinden en op zichzelf evenmin waarborg voor
de zuiverheid der leer als de erfelijke hoogepriesterlijke waardigheid
bij Kajafas een bewijs was voor het recht zijner uitspraken en daden. En
daarom zeiden de Protestanten terecht, dat niet de successio locorum et
personarum maar de successio doctrinae een kenmerkende eigenschap der
ware kerk was. Indien deze laatste ontbrak, kon de eerste geen kerk tot
eene ware kerk maken; en indien zij aanwezig was, was de eerste van zeer
ondergeschikte beteekenis.
Bij de eigenschappen der kerk behooren ten slotte ook nog de
indefectibilitas en de infallibilitas. Jezus heeft aan zijne kerk
beloofd, dat de poorten der hel niets tegen haar zouden vermogen en dat
Hij ze bewaren zou tot aan het einde der wereld, Mt. 16:18, 28:20, Ef.
4:11-13, 1 Tim. 3:15. De Roomschen leiden hieruit af, dat hun kerk, de
pauselijke, blijven zal tot het einde der wereld toe, en dat niet alleen,
maar ook dat die pauselijke kerk altijd de katholieke zal blijven, welke
door de talrijkheid harer leden en door haar uitwendigen glans voor
ieder zichtbaar en kenbaar zal zijn, Bellarminus, de eccl. milit. c. 11.
13. 16. De notis eccl. c. 5. 6. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 359.
Maar voor deze bewering ontbreekt genoegzame grond. Niet alleen is de
kerk in verschillende tijden, b. v. van Noach, Abraham, Elia, Christus
enz. tot enkele personen beperkt geweest, maar telkens zijn ook bepaalde
kerken in bepaalde landen, bijv. in Klein-Azië te gronde gegaan. Ja,
het N. T. zegt duidelijk, dat in het laatste der dagen het bederf
toenemen en de kerk aan allerlei verleiding en vervolging blootstaan
zal, Mt. 24:21, 22, Luk. 18:8, 2 Tim. 3:1. Jezus’ belofte waarborgt dus
wel, dat er altijd eene vergadering van geloovigen op aarde zal zijn,
hetgeen Socinianen en Remonstranten ten onrechte ontkennen, Moor IV
122, maar zij houdt in het minst niet in, dat eene bepaalde kerk in een
bepaald land steeds blijven en door hare grootte en heerlijkheid voor
een ieder kenbaar zal zijn. En evenzoo is het met de onfeilbaarheid
der kerk. De Roomsche kerk heeft lang geaarzeld, om een antwoord te
geven op de vraag, bij wie ten slotte de onfeilbaarheid berust en heeft
haar eindelijk op het Vaticaansche concilie ten gunste van den paus
beslist. De paus waarborgt, dat de ecclesia docens niet kan dwalen in
docendo. Maar de H. Schrift verbindt de onfeilbaarheid nergens aan een
bepaald persoon of aan eene bepaalde, plaatselijke kerk. Er is wel eene
onfeilbaarheid der kerk, die ook de Protestanten gaarne erkennen, maar
deze onfeilbaarheid komt der kerk als vergadering van ware geloovigen
toe en bestaat daarin, dat Christus als Koning zijner kerk ervoor zorgen
zal, dat er steeds op aarde eene vergadering van geloovigen zal zijn,
hoe klein en onaanzienlijk dan ook, die zijn naam belijden zal. Cf. over
de eigenschappen der kerk van Prot. zijde: Martyr, Loci Comm. p. 226.
Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 5 sq. Heidegger, Corp. Theol. XXVI 16
sq. Maresius, Exeg. conf. Belg. art. 27. Witsius, Exerc. in Symb. 24.
Vitringa IX 1 p. 81. Mastricht, Theol. VII 1, 9. Quenstedt, Theol. IV
482. 497. Thomasius, Christi Person u. Werk II 543. Philippi, Kirchl.
Gl. V 3 S. 16 f. Hase, Handb. d. prot. Polemik I c. 1. Van Oosterzee,
Dogm. § 130.
§ 48. DE REGEERING DER KERK.
1. Bij de kerk als vergadering der geloovigen is eene regeering
onmisbaar. Gelijk bij den tempel een bouwmeester, bij den akker een
zaaier, bij den wijnberg een landman, bij het net een visscher, bij de
kudde een herder, bij het lichaam een hoofd, bij het gezin een vader,
bij het rijk een koning behoort, zoo is ook de kerk niet zonder een
gezag te denken, dat haar draagt en leidt, verzorgt en beschermt. In
nog specialer zin dan op politiek terrein berust dit gezag bij God,
die niet alleen de Schepper aller dingen maar ook de Zaligmaker der
gemeente is; de gemeente is als volk Gods, zoowel onder het Nieuwe
als onder het Oude Verbond eene theocratie, de Heere is haar rechter,
wetgever en koning, Jes. 33:22. Maar gelijk God op burgerlijk terrein de
souvereiniteit op de overheid heeft overgedragen, zoo heeft Hij in de
kerk Christus tot koning aangesteld. Van eeuwigheid reeds tot middelaar
aangewezen, heeft deze zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt
uitgeoefend van het paradijs af aan, zette het voort in de dagen des
O. Test. en tijdens zijne omwandeling op aarde en voleindigt het thans
in den hemel, waar Hij gezeten is aan des Vaders rechterhand, deel
III 408-424. En deze werkzaamheid van Christus onderstelt niet de
gemeente, tenzij dan als gedacht en gewild in Gods eeuwigen raad, maar
gaat aan haar vooraf en heeft haar tot product; de gemeente wordt als
een tempel op Christus als de rots gebouwd, als een lichaam uit Hem als
het hoofd geboren; de koning is hier eer dan zijn volk. Maar ook nog
in een anderen zin is de kerk niet zonder regeering denkbaar. Wel is
waar had Christus zijn ambt kunnen uitoefenen zonder eenigen dienst van
menschen; indien het Hem behaagde, kon Hij zijne geestelijke en hemelsche
zegeningen uitdeelen zonder hulp van instellingen en personen. Maar
dit heeft Hem alzoo niet goedgedacht. Het is zijn welbehagen geweest,
om, zonder zijne souvereiniteit ook maar eenigszins op menschen over te
dragen, toch bij hare uitoefening van hun dienst gebruik te maken en
door hen het evangelie te prediken aan alle creaturen. En ook in dezen
zin is de kerk nooit zonder regeering geweest; zij was altijd op eene of
andere wijze georganiseerd en institutair ingericht. Dat was necessitate
hypothetica noodig, wijl de gemeente hier op aarde eene _wordende_
gemeente is. In den hemel valt alle ambt en alle genademiddel weg,
omdat het Godsrijk voltooid en God alles in allen is. Maar op aarde is
dit anders; de kerk als vergadering der geloovigen wordt zelve door
Christus als een instrument gebruikt, om anderen tot zijne gemeente toe
te brengen; door haar bedient Christus zijn middelaarsambt in het midden
der wereld. Zoo treedt de kerk van den aanvang af in tweeërlei gedaante
op; zij is eene vergadering van het volk Gods in passieven en actieven
zin, is tegelijk een coetus en een mater fidelium, of naar eene andere
benaming op hetzelfde oogenblik organisme en instituut. Gelijk boven
bl. 36 reeds gezegd is, is deze onderscheiding eene gansch andere dan
die tusschen onzichtbare en zichtbare kerk. Het is eene distinctie in
de zichtbare kerk en zegt, dat de kerk als vergadering der geloovigen
op tweeërlei wijze voor ons openbaar wordt, in ambten en genademiddelen
als instituut, en in gemeenschap des geloofs en des levens als
organisme. Bij deze onderscheiding wordt steeds de vraag opgeworpen
naar de prioriteit. Sommigen stellen het zoo voor, dat het instituut
der kerk met ambt en bediening altijd aan de kerk als vergadering van
geloovigen voorafgaat en leggen dus op het mater fidelium den nadruk.
Anderen oordeelen, dat de kerk als vergadering der geloovigen de
eerste plaats inneemt en dan zelve naar den drang der omstandigheden
zich op de eene of andere wijze institutair inricht. Zelfs wordt daarin
dan het principieele verschil tusschen Protestantisme en Romanisme
gezocht. De onderscheiding van de kerk als instituut en organisme met
die in zichtbare en onzichtbare kerk verwarrend, zegt Schleiermacher,
dat het Protestantisme das Verhältniss des Einzelnen zur Kirche
abhängig macht von seinem Verhältniss zu Christo, terwijl het Romanisme
omgekeerd das Verhältniss des Einzelnen zu Christo abhängig macht von
seinem Verhältniss zur Kirche, Chr. Gl. § 24. En volgens Möhler gaat
bij Rome de zichtbare kerk aan de onzichtbare, doch bij de Lutherschen
deze aan gene vooraf, Symbolik § 48. Maar heel deze voorstelling is
verre van volledig en juist te achten. Want 1º is van Tertullianus’
dagen af aan, de orat. 2. de monog. 7. adv. Marc. V 4 de kerk door
alle Christenen niet alleen een coetus maar ook een mater fidelium
genoemd. De Protestanten zijn daarin met de Roomschen eenstemmig, en
Calvijn legt er zelfs zeer sterken nadruk op, Inst. IV 1, 4. En dat was
de kerk volgens hunne overtuiging, niet omdat zij vrij en zelfstandig
zich tot instituut organiseerde en zichzelve eene eigene regeering gaf,
maar omdat Christus haar alzoo ingericht had. Het instituut der kerk
is volstrekt niet, althans niet volgens de Gereformeerde belijdenis,
een product der gemeente, maar eene instelling van Christus. En dat
deze overtuiging op goede, schriftuurlijke gronden steunt, zal in het
vervolg duidelijk blijken. 2º De kerk als vergadering der geloovigen
komt niet, gelijk Schleiermacher, Chr. Gl. § 115 zegt, durch das
Zusammentreten der einzelnen Wiedergeborenen tot stand. Want de vraag
blijft hierbij onbeantwoord, vanwaar die wedergeborenen zijn. Dezen
komen er toch niet, doordat de H. Geest atomistisch en unvermittelt
(niet: unmittelbar) menschen wederbaart en ze dan samenvoegt. Maar de
H. Geest is in al zijne werkingen, ook in die der wedergeboorte, aan
Christus gebonden, uit wien Hij alles neemt. En Christus is op aarde
slechts daar, waar zijn woord is. Gods woord en Gods volk hooren bijeen.
Wel is waar worden kinderkens menigmaal wedergeboren, zonder dat zij
persoonlijk de prediking des woords hebben kunnen hooren. Maar dit zijn
dan kinderkens, die in het verbond der genade zijn geboren, die in de
gemeenschap der kerk leven en die inwendige roeping ontvangen, welke
van Christus uitgaat door den H. Geest. 3º Het verschil tusschen
Rome en de Hervorming op dit punt bestaat niet in de prioriteit van
zichtbare of onzichtbare kerk, van instituut of organisme, van de
gemeenschap met de kerk of de gemeenschap met Christus; althans bestaat
het daarin niet zonder scherpere bepaling; maar het is hierin gelegen,
dat Rome de zaligheid bindt aan priester en sacrament en de Hervorming
aan de prediking des woords. Volgens Rome wordt de gratia infusa alleen
medegedeeld door den doop en is deze dus absoluut noodzakelijk. Volgens
de Hervorming is het woord het eerste en voornaamste genademiddel
en geloof dus ter zaligheid genoegzaam. En dat woord werkt als
genademiddel volstrekt niet alleen, als het ambtelijk bediend wordt in
de vergadering der geloovigen, maar ook, wanneer het in huisgezin en
school, door opvoeding en onderwijs tot ons gebracht wordt. Gods volk
is, waar Gods woord is, maar dat volk en dat woord kan er wel zijn en is
er ook menigmaal, waar geen priester en geen paus, geen pastor en geen
presbyter is. 4º Ook volgens de Hervorming komt de kerk als vergadering
der geloovigen niet unvermittelt tot stand, uit eene van het woord
losgemaakte werking des Geestes. Tusschen Christus en den individueelen
mensch staat zeker niet, gelijk bij Rome, de priester en het sacrament,
de ecclesia docens, in maar toch wel het woord van Christus, want de
gemeenschap met Christus is volgens het getuigenis der Schrift gebonden
aan de gemeenschap met het woord der apostelen, Joh. 17:3, 1 Joh. 1:3.
Gelijk het in het natuurlijke is, is het ook in het geestelijke. Ieder
mensch is een product der gemeenschap en de individueele geloovige
wordt uit den schoot der gemeente geboren. De ecclesia universalis gaat
aan de ecclesia particularis en aan de afzonderlijke fideles vooraf,
gelijk in elk organisme het geheel voor de deelen gaat. Eene moeder
is daarom inderdaad de kerk van Christus, maar zij is dit volstrekt
niet alleen als instituut doch ook als organisme. De geloovigen saam
zijn tegelijk producent en product; in visibili ecclesia invisibilis
colligitur et formatur; invisibilis in visibili haeret ac continetur,
Synopsis pur. theol. 40, 34; door de kerk vergadert Christus zijne
kerk. 5º Door dit standpunt in te nemen, vermeed de Reformatie zoowel
de hierarchie der Roomschen als het enthousiasme der Wederdoopers,
en deed de waarheid, die in beide aanwezig is, tot haar recht komen.
Eenerzijds geen binding van de werking des H. Geestes aan priester en
sacrament en anderzijds geen werking des H. Geestes buiten Christus en
zijn woord om! De kerk als vergadering wordt in beide, instituut en
organisme, openbaar; zij heeft tot kenteeken de zuivere bediening des
woords en de belijdenis en den wandel der geloovigen; zij is institutair
en charismatisch ingericht. Het ambt onderdrukt de gaven niet maar
organiseert ze en houdt ze in het rechte spoor, en de gaven zetten het
ambt niet ter zijde maar maken het krachtig en vruchtbaar. Irvingianisme
en Darbysme bevatten beide eene waarheid, die erkend dient te worden.
Ambten en gaven zijn samen door Christus aan zijne gemeente geschonken
tot volmaking der heiligen en tot opbouw zijns lichaams, Rom. 12:5-8,
1 Cor. 12:25, 28, Ef. 4:11, 12. Daarom getuigt 6º de vraag naar de
prioriteit van het instituut of het organisme der kerk zelve reeds van
eenzijdigheid. Beide zijn met elkander gegeven en werken voortdurend op
elkander in. In den staat zijn volk en overheid steeds ten nauwste met
elkander verbonden; men kan wel onderzoek doen naar het ontstaan bij
eenig volk van een of anderen regeeringsvorm; men kan wel aantoonen,
dat de politieke overheid eerst om der zonde wil is ingesteld, maar
overal, waar menschen zijn, is er ook zekere vorm van regeering; Adam
werd terstond als hoofd der menschheid geschapen. En zoo ook is de
regeeringsvorm der kerk lang niet altijd dezelfde geweest, maar eene
regeering heeft haar nimmer ontbroken, noch in het onzichtbare, waarin
Christus haar hoofd is, noch ook in het zichtbare, waarin zij altijd eene
zekere organisatie deelachtig was.
2. De H. Schrift stelt dit in helder licht. Als Adam gevallen is en
zich voor des Heeren aangezicht verbergt, is het God zelf, die den
mensch opzoekt en roept, de belofte des evangelies hem predikt en
daardoor zijne gemeente sticht. Met Noach richt hij zijn verbond op,
deelt er een schat van zegeningen in mede en bezegelt het met den
boog in de wolken. Abram roept Hij uit Ur der Chaldeën, maakt hem
tot zijn bondgenoot en geeft hem het teeken der besnijdenis. In den
patriarchalen tijd waren de huisgezinnen de gemeenten der geloovigen;
de huisvaders waren de priesters, die de beloften meedeelden aan
hunne kinderen en Gode offeranden brachten van aanbidding en dank.
Het volk van Israel ontving bij den Sinai niet alleen eene burgerlijke
maar ook eene godsdienstige organisatie en werd in priesterschap en
offerande, in tabernakel en altaar, in allerlei wetten en instellingen
als het volk Gods openbaar. Als bij den aanvang des N. Test. Johannes
de Dooper optreedt, predikt hij den doop der bekeering tot vergeving
der zonden, en zondert daardoor het volk Gods van het zondig Israel
af. Jezus neemt deze prediking en dezen doop van Johannes over, voegt
er later het avondmaal aan toe, vergadert eene ἐκκλησια rondom zich,
regeert haar zelf rechtstreeks, zoolang Hij op aarde is, en stelt een
twaalftal apostelen aan, die straks als zijne getuigen zullen optreden.
De instelling van het apostolaat is vooral een krachtig bewijs voor het
institutair karakter, dat Christus aan zijne kerk op aarde gaf. Christus
is zelf de ἀποστολος, Hebr. 3:1, en zet deze ἀποστολη in de twaalven
voort, Joh. 20:21. Dit twaalftal vormde zich niet allengs vanzelf,
maar werd uitdrukkelijk door Jezus zelven geroepen en aangesteld. Er
is bij hen, ofschoon Jezus van den aanvang wist, wie Hij tot apostelen
verkiezen zou en daarom reeds terstond tot hen kon zeggen, dat hij hen
tot ἁλεεις ἀνθρωπων, Mk. 1:17 zou maken, toch een duidelijk onderscheid
te maken tusschen hunne eerste roeping tot het discipelschap, en hunne
tweede roeping tot het apostelschap, Mt. 4:18-22 en 10:1, Mk. 1:16 en
3:14, Luk. 6:1 en 13-16. Door velen, zooals Schleiermacher, Volkmar,
Harnack, Seufert, Holtzmann enz. wordt deze speciale roeping tot
het apostelambt door Jezus wel ontkend. Maar de feiten zijn met deze
bewering in strijd. Het twaalftal apostelen stond toch reeds lang vóór
het optreden van Paulus in de christelijke gemeenten vast, Mt. 26:33,
28:18, Luk. 24:47, Joh. 20:19, 21, 1 Cor. 15:5, 7, Op. 21:14. Ook de
naam van apostel, שָׁלוּחַ, is hun door Jezus gegeven, Luk. 6:13,
cf. 11:49, Mt. 23:34, 10:2, Mk. 6:30, Luk. 9:10, 17:5, 22:14, 24:10,
omdat zij door Hem werden uitgezonden om te prediken, Mk. 3:14. Jezus
was zelf de gezondene van den Vader, Joh. 3:34, Hebr. 3:1 en had tot
uitvoering van zijn werk getuigen van noode, die het in Hem verschenen
evangelie bekend maakten onder heel het volk van Israel, Mt. 10:6. Deze
naamgeving door Jezus wordt daardoor bevestigd, dat het woord apostel
van den beginne aan, een ambtsnaam is geweest, zoozeer zelfs, dat
het woord ψευδαποστολος gevormd kon worden, 2 Cor. 11:13. Het woord
שָׁלוּחַ komt trouwens in LXX slechts eenmaal, 1 Kon. 14:6, en het
woord ἀποστολος, in het profaan grieksch zelden voor. Toch schijnen deze
feiten der Schrift over het apostolaat door andere gegevens weersproken
te worden. Ten eerste is het onzeker, wie tot dit twaalftal apostelen
gerekend moeten worden. Ook al wordt het verschil tusschen de vier
apostellijsten, Mt. 10:2, Mk. 3:16, Luk. 6:14, Hd. 1:13 in dien zin
opgelost, dat Lebbeus Thaddeus en Judas Jacobi vereenzelvigd worden,
dan blijft toch nog over, dat Judas uitviel en door Matthias vervangen,
Hd. 1:15-26, en later Paulus nog aan het twaalftal toegevoegd werd. De
verhouding van Paulus tot de twaalven is daarbij verre van duidelijk. Wel
maakt Paulus meermalen dit onderscheid, dat de apostelen te Jeruzalem
onder Israel en hijzelf onder de Heidenen het evangelie verkondigen
zou, Hd. 9:15, 13:47, 22:21, Rom. 11:13, Gal. 1:16, 2:7-9, Ef. 3:8,
1 Tim. 2:7, 2 Tim. 1:11. Maar dit onderscheid is toch zeer relatief;
want Paulus wendde zich bij zijne evangelieverkondiging altijd eerst
tot de Joden, Hd. 13:5, 14, 46 enz. en de twaalf apostelen ontvingen
van Christus na zijne opstanding den uitdrukkelijken last, om aan alle
volken het evangelie te prediken, Mt. 28:19, Hd. 10:42, en hebben aan
dien last ook in meerdere of mindere mate voldaan. Niet alleen de
gemeente uit de Joden, maar geheel de Nieuwtestamentische gemeente
rust op het fundament van apostelen en profeten, Ef. 2:20, Op. 21:14
en heeft door hun woord gemeenschap aan Christus, Joh. 17:20, 1 Joh.
1:3. Het apostolaat van Paulus draagt echter een van dat der twaalven
zeer onderscheiden karakter. Wel handhaaft Paulus met alle macht den
Goddelijken oorsprong, de zelfstandigheid en de waarachtigheid van zijn
apostolisch ambt tegenover alle bestrijders, Gal. 1-2, 1 Cor. 1:10-4:21,
2 Cor. 10:13. Maar desniettemin, hij heeft met Jezus niet verkeerd
tijdens zijne omwandeling op aarde, hij heeft de gemeente Gods vervolgd,
hij is geroepen door den verhoogden Christus op eene buitengewone
wijze en een ongewonen tijd, hij is geweest de voornaamste der zondaren
en de minste der apostelen, 1 Cor. 15:9, Ef. 3:8, 1 Tim. 1:15. Zijn
apostolaat, hoe zelfstandig en uitnemend ook, is een middel geweest,
om het apostolaat der twaalven tot grondslag van heel de gemeente te
leggen. Paulus heeft door zijn apostolaat het apostolaat der twaalven
niet beperkt of ondermijnd maar het integendeel bevestigd en uitgebreid.
Hij heeft in de heidenwereld voor het apostolaat der twaalven den
weg gebaand, heeft het eenerzijds ontdaan van al het Joodsche, dat
de dragers ervan nog bleef aankleven en andererzijds de Heidenen als
wilde takken ingeënt op den tammen olijfboom van Israel, Rom. 11:24.
Op Christus als hoeksteen en de apostelen als fundament heeft Paulus
de ééne gemeente, het ééne volk Gods, het geestelijk Israel gebouwd.
Daarmede is in beginsel ook reeds eene tweede bedenking opgelost,
welke tegen de aanstelling en naamgeving van de twaalf apostelen door
Jezus ingebracht wordt. Het is n.l. een feit, dat het woord apostel,
waarschijnlijk reeds in Jeruzalem, H. 14:4, 14, 2 Cor. 11:13, Op. 2:2,
maar dan vooral door Paulus in ruimer zin is gebezigd en ook op anderen
dan het twaalftal toegepast is. Paulus moest dat daarom wel doen, wijl
hij zichzelf een geroepen dienaar van Jezus Christus wist, in ambt en
eere aan de andere apostelen gelijk. Hij was apostel in een anderen zin
dan de apostelen in Jeruzalem, op eene andere wijze en in een lateren
tijd geroepen en met eene speciale taak belast. Maar één ding had hij
met de apostelen in Jeruzalem gemeen; hij was een geroepen apostel van
Jezus Christus, die zijne roeping, zijn evangelie, zelfs bepaaldelijk ook
den eigenaardigen inhoud van zijn evangelie, n.l. dat de Heidenen zijn
mede-erfgenamen, aan eene bijzondere openbaring van Christus en niet
aan menschen te danken had, 1 Cor. 9:1, 15:8, Gal. 1:1, 12, 15, 2:2,
Ef. 3:3. Maar voor zijn zendingsarbeid had hij hulp noodig. Behalve de
apostelen had Jezus ook reeds andere zeventig uitgezonden, om in de
steden en vlekken, waar Hij komen zou, zijne komst voor te bereiden,
Luk. 10. Toen de gemeente in Jeruzalem door de vervolging verstrooid
werd, ging Philippus, een van de in Hd. 6 verkozen zeven mannen, het
evangelie prediken onder de Samaritanen, Hd. 8:5, aan den eunuch der
koningin Candace, 8:26, cf. 11:20, en verder tot Cesarea toe, 8:40,
21:8. En zoo bediende zich Paulus bij zijn zendingsarbeid van mannen
als Barnabas, Markus, Lukas, Silas, Tychicus, Aristarchus, Epaphras,
Apollos, Timotheus, Titus e. a., die als zijne συνεργοι, 1 Thess. 3:2
hem ter zijde stonden. Deze hulpzendelingen der apostelen werden nu
door Paulus soms ook apostelen genoemd, omdat zij wel niet rechtstreeks
door Jezus Christus, maar toch onder leiding des H. Geestes door
de gemeente gezonden waren, om op andere plaatsen het evangelie te
verkondigen, Hd. 13:2, 3, cf. 2 Cor. 8:23, ἀποστολοι ἐκκλησιων. Het
woord apostel kreeg naast den engeren dus ook een ruimeren zin, Hd.
14:4, 14, Rom. 16:7, 1 Cor. 4:6, 9, 9:5, 15:7, 2 Cor. 11:5, 13, 12:11,
Gal. 1:19, 1 Thess. 2:6, Op. 2:2 en leefde zoo ook nog later in den
na-apostolischen tijd, bijv. in de Didache c. 11 voort. Elders dragen
deze apostolische helpers den naam van evangelisten, Hd. 21:8, Ef.
4:11, 2 Tim. 4:5, omdat zij, gelijk Christus door den Vader, Luk. 4:18,
en de apostelen door Christus, Luk. 9:1, 6, zoo op hun beurt onder
de leiding des Geestes door de gemeente werden afgezonderd voor de
verkondiging van het evangelie, Hd. 8:5, 12, 40, 11:19, 20, 22, 13:2,
2 Cor. 8:18, 19, 23, Phil. 2:25, 1 Tim. 4:14. Zij komen dus in drie
opzichten met de apostelen in enger zin overeen, 1º daarin, dat zij ook
dienaren Gods of van Christus zijn, 1 Thess. 3:2, 1 Tim. 4:6, 6:11, 2
Tim. 2:24 en niet maar een charisma hebben ontvangen, 1 Tim. 4:14, 2
Tim. 1:6, doch werkelijk krachtens eene bijzondere roeping en aanstelling
een ambt dragen, onder een bepaalden naam, Hd. 21:8, met een eigen rang
en plaats, Ef. 4:11, en met een speciale taak, 2 Tim. 4:5; 2º dat hun
ambt niet tot eene plaatselijke kerk beperkt is, maar zich uitstrekt tot
alle kerken, tot de ecclesia universalis, Hd. 13:4v., zoodat zij naar
de oud-kerkelijke verklaring πανταχου περιιοντες ἐκηρυττον en macht en
gezag hadden over alle kerken, Tit. 1:5, en 3º dat zij deelnemen aan
den grondleggenden en gemeentestichtenden arbeid der apostelen; zij zijn
hunne συνεργοι, 1 Thess. 3:2, συνεκδημοι, Hd. 19:29, συνστρατιωται,
Phil. 2:25, συνδουλοι, Col. 1:7, 4:7, die natmaken wat de apostelen
hebben geplant, 1 Cor. 3:6, en bij relatieve zelfstandigheid toch
aan de apostelen onderworpen waren, Hd. 19:22, 1 Cor. 4:17, 1 Tim.
1:3, Tit. 1:5 enz. en ten deele alleen, ten deele ook in gezelschap
van de apostelen werkten, ib. en Hd. 11:30, 12:25, 13:2 enz. In den
na-apostolischen tijd verdwijnt het ambt geheel en wordt de naam sedert
Tertullianus, Origenes en Eusebius gebruikelijk voor de schrijvers
der vier evangeliën, die als het ware de personen der evangelisten
overbodig maken. Cf. over de evangelisten: Suicerus s. v. Witsius,
Misc. Sacra I 315 II 564. Voetius, Pol. Eccl. III 364-369. Mastricht,
Theol. VII 2, 18. Lechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 220
f. Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 277. Sohm, Kirchenrecht 42. Zöckler,
Diakonen und Evangelisten, München Beck 1893.
Naast de evangelisten treden in het N. T. nog profeten op, die zelfs
nog vóór hen genoemd worden, Rom. 12:6, 1 Cor. 12:28, 29, Ef. 4:11,
soms zonder hen met de apostelen verbonden worden, Ef. 2:20, 3:5, en
dus in rang en eere boven hen staan. Zij waren door Jezus beloofd, Mt.
23:34, Luk. 11: 49, werden door den H. Geest, die op den pinksterdag
uitgestort was, verwekt, Hd. 2:17, 18, 1 Cor. 12:10, Op. 1:10 en komen
dan in grooten getale en in bijna alle gemeenten voor, in Jeruzalem, Hd.
6:5, 8, 11:27, Antiochie, 11:27, 13:1, Cesarea 21:9, 10, Corinthe, 1
Cor. 12, en allerwege, gelijk uit hunne vermelding in Rom. 12:6, 1 Cor.
12:28, Ef. 2:20, 3:5, 4:11, 1 Thess. 5:20 blijkt. Zij worden besloten
met Johannes, den apostel, Op. 1:1, en verdwijnen dan als stand uit de
gemeente geheel. Wel spreken de apostolische vaders nog van profeten,
Hermas, Mand. 11 Vis. 3. Didache 11. 15, maar zij denken daarbij aan
zulke mannen, die rondreisden en in verschillende gemeenten over de
christelijke waarheid spraken maar daarbij nauwkeurig onderzocht en
van de valsche profeten onderscheiden moesten worden; de tijd voor
de profetie was voorbij. Het Montanisme en andere enthusiastische
richtingen van vroeger en later tijd trachtten de profetie wel te
doen herleven; Rome beweert, dat de profetische gave nog voortduurt,
Bellarminus, de notis eccl. c. 15; Zwingli en velen na hem voerden
zoogenaamde profetieën in, waarbij de Schrift voor het volk werd
verklaard, art. Prophezei in Herzog² en Dr. H. H. Kuyper, De opleiding
tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden 1891 bl. 104v. Maar
dat alles is wezenlijk onderscheiden van de profetie, gelijk die in de
eerste christelijke kerken bestond. Deze onderscheidt zich door het
volgende: 1º de N. T. profeten kunnen wel ambtsdragers heeten, maar
hun ambt is toch veel meer charismatisch dan dat van profeten en
apostelen. Zij worden niet onmiddellijk door Christus noch ook door zijne
gemeente geroepen en aangesteld, maar ontvangen een bijzonder charisma
van den H. Geest, en zijn dientengevolge geroepen, om eene bijzondere
taak te vervullen in de gemeente van Christus. 2º Met de apostelen en
evangelisten hebben zij gemeen, dat zij een ambt bekleeden, hetwelk voor
heel de kerk van Christus op aarde geldt en alzoo ook medearbeiden aan
de grondlegging der gemeente, Ef. 2:20, maar terwijl de evangelisten
de apostelen vooral helpen in hun missioneerenden en institueerenden
arbeid, staan de profeten hun ter zijde in hun opbouwende, stichtende,
leerende werkzaamheid. 3º De N. T. profetie is wel bewust en daarom
hoog te achten boven de glossolalie, 1 Cor. 14:5, 32, maar zij is toch
momentaan en buitengewoon, vrucht van ἀποκαλυψις, 1 Cor. 14:30; zij
breidt de natuurlijke mate van het weten en kennen uit, omvat zoowel
den vorm als den inhoud der rede, Mt. 10:19, 20, bewijst zich als
waarheid door hare innerlijke, overtuigende kracht, 2 Cor. 2:14-17, en
diende vooral, om aan het evangelie, dat door de apostelen verkondigd
werd, dat den Joden een ergernis en den Grieken eene dwaasheid was, en
nog niet in het geschreven Woord voor heel de kerk toegankelijk was,
ingang te verschaffen bij geloovigen en ongeloovigen en de gemeente
alzoo door leering, vermaning, vertroosting, 1 Cor. 14:3, op te bouwen
in de genade en kennis van den Heere Jezus Christus. Cf. over de
N. T. profeten: Voetius, Pol. Eccl. III 369 cf. Disp. Sel. II 1036
sq. Witsius, Misc. Sacra I 282 sq. Neander, Geseh. d. Pflanzung u.
Leitung der chr. K⁵. 182 f. Bonwetsch, Die Prophetie im ap. u. nachap.
Zeitalter, Zeits. f. k. Wiss. u. k. Leben 1884 S. 408 f. Burger, art.
in Herzog² 12, 265. Zöckler, t. a. p. 71 f. Weiszäcker, Das apost.
Zeitalter, 584 f. enz.
Maar hoe nauw profeten en evangelisten ook aan de eigenlijke apostelen
verwant zijn, zij zijn er toch wezenlijk van onderscheiden. De apostelen
vormen een eigen kring, hun ambt draagt een gansch bijzonder
karakter, en is door de volgende trekken kenbaar. 1º De apostelen
zijn aan Christus door den Vader gegeven, Joh. 17:6, door Hemzelven
uitverkoren en geroepen, Joh. 6:70, 13:18, 15:16, 19, 1 Cor. 1:17, 2
Cor. 5:20, Gal. 1:1, door God gekozen tot hun ambt, Hd. 10:41. 2º Zij
zijn door Jezus zelf voor hunne taak opgeleid en bekwaamd, zijn oor-
en ooggetuigen van zijne woorden en daden geweest, hebben het Woord
des levens met de oogen aanschouwd en met de handen getast, en hun
evangelie niet van eenig mensch maar van Christus zelven ontvangen,
Luk. 24:48, Joh. 1:4, 15:27, Hd. 1:21, 22, 26:16, 1 Cor. 9:1, 15:8, 2
Cor. 12:1v., Gal. 1:12, Ef. 3:2-8, 1 Tim. 1:12, 1 Joh. 1:1-3 enz. 3º
Zij zijn in bijzondere mate den H. Geest deelachtig, die hen onderwijst en
in alle waarheid leidt, Mt. 10:20, Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 13, 14,
20:22, 1 Cor. 2:10-13, 7:40, 1 Petr. 1:12. 4º Met dien Geest toegerust,
Joh. 20:22, Hd. 1:8, Ef. 3:5, treden zij openlijk op als getuigen van
Jezus, bepaaldelijk van zijne opstanding, Hd. 1:8, 21, 22, 2:14, 32,
3:15, 4:8 enz., zijn betrouwbare getuigen, Luk. 1:2, Joh. 19:35, 21:24,
1 Cor. 7:25, 1 Petr. 5:1,2 Petr. 1:16, Hebr. 2:3, Op. 1:3, 22:18, 19,
en verkondigen Gods Woord, Joh. 1:14, 20:31, 1 Cor. 2:13, 2 Cor. 2:17,
Gal. 1:7, 1 Thess. 2:13, 1 Joh. 1:1-4, Op. 22:18, 19. 5º Hun getuigenis
wordt door God bezegeld met teekenen en wonderen en rijken geestelijken
zegen, Mt. 10:1, 9, Mk. 16:15v., Hd. 2:43, 3:2, 5:12-16, 6:8 enz.,
Rom. 12:4-8, 15:18, 19, 1 Cor. 12:10, 28, 15:10, 2 Cor. 11:5, 23, Gal.
3:5, Hebr. 2:4. 6º Aan dit hun getuigenis is de kerk aller eeuwen
gebonden. Er is geen gemeenschap met Christus dan door gemeenschap
aan het woord en de personen der apostelen, Joh. 17:20, Gal. 1:7-9, 1
Joh. 1:3; zij zijn het fundament der kerk, Mt. 16:18, 1 Cor. 3:10, Ef.
2:20, Op. 21:14; hun woord, voor ons bewaard in de Schriften des N.
T., is medium gratiae, Joh. 20:31, 1 Cor. 1:18v., 15:2, 1 Joh. 1:1-4.
7º Hun ambt is dus niet voor een tijd en niet tot eene plaatselijke
gemeente beperkt, maar het blijft en strekt zich tot de gansche kerk
uit. Het is het eenige, dat rechtstreeks door Christus ingesteld is
en sluit alle bevoegdheden en werkzaamheden, die in de latere ambten
verdeeld zijn, in zich, de pastorale, presbyterale, diakonale, zelfs
ook de evangeliseerende en profetische werkzaamheid. Van stonden aan
genieten de apostelen dan ook in de kerk van Christus eene algemeen
erkende autoriteit. Zij zijn niet alleen de opzieners van de gemeente
te Jeruzalem, maar zij zijn de grondleggers, de vaders, 1 Cor. 4:15 en
leiders der gansche kerk, hebben opzicht over de geloovigen te Samaria,
Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32, 11:22, stellen ambten in,
Hd. 6:2, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15:22, 28, treden op met
apostolische volmacht, 1 Cor. 4:21, 5:2, 2 Cor. 2:9, geven bindende
bevelen, 1 Cor. 7:40, 1 Thess. 4:2, 11, 2 Thess. 2:15, 3:6, 14 enz.
en zijn nog met hun woord gezaghebbend voor de gansche Christenheid;
apostoliciteit is een eigenschap en kenmerk der kerk van Christus.
Cf. deel I 334v. en voorts Voetius, Pol. Eccl. III 351-363. Burmannus,
Exerc. Acad. II 104 sq. Spanheim, Op. II 289 sq. Moor VI 250 e. a. bij
Walch, Bibl. theol. III 444. Philippi, Kirchl. Cl. V 3, 258. Gloël, Der
H. Geist in der Heilsverkündigung des Paulus, Halle 1888 S. 325 f. W.
Seufert, Der Ursprung u. die Bedeutung des Apostolates in de chr. K.
der ersten 2 Jahrh. Leiden 1887. Köppel, Der Ursprung des Apost., Stud.
u. Krit. 1889 S. 257-331. Erich Haupt, Zum Verständniss des Apost.
Halle Niemeijer 1896. Art. Apostel van Schmidt in Herzog³.
Onder de apostelen staat Petrus bovenaan. Simon of Schimeon, zoon van
Johannes of Jonas, broeder van Andreas, afkomstig uit Bethsaïda, Joh.
1:45, doch waarschijnlijk sedert zijn huwelijk wonende in Kapernaum, Mk.
1:29, ontving reeds bij zijne eerste ontmoeting van Jezus de toezegging,
dat hij later zou genoemd worden Κηφας, gr. vorm voor het hebr. woord
כֵּף met het aram. artikel, de rots, ἡ πετρα, als manl. eigennaam
Πετρος, Joh. 1:43. Zonder twijfel zinspeelde Jezus daarmede op zijn
trouw karakter, dat hem in weerwil van zijne sanguinische, bewegelijke
natuur eigen was en het duidelijkst uitkwam bij Cesarea Philippi, toen
hij tegenover het volk, dat met zijne aardschgezinde verwachtingen zich
in Jezus teleurgesteld zag en Hem verliet, de belijdenis van Jezus’
Messianiteit vasthield en openlijk in den naam zijner medediscipelen
uitsprak, Mt. 16:13 tot 20, Mk. 8:27-29, Luk. 9:18-20, Joh. 6:66-69.
Bij deze gelegenheid herinnerde Jezus dan ook aan den naam, dien Hij
hem vroeger reeds gegeven had, Mt. 16:18. Door zijne vrijmoedige en
standvastige belijdenis van Jezus als den Christus betoonde zich Petrus
de rots te zijn, op welke Christus zijne gemeente zoo hecht en vast zou
bouwen, dat de poorten van den Hades haar niet in kracht overtreffen
zouden. Volgens Launoi dachten 17 kerkvaders bij de rots aan Petrus, 8
aan de apostelen, 44 aan het geloof van Petrus en 16 aan Christus, bij
Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 411; later hebben de Roomschen de rots
meest op Petrus en de Protestanten op zijne belijdenis laten slaan. Maar
er is hier geen dilemma. De woorden „deze petra” kunnen niet anders
zien dan op den persoon van Petrus, maar een rots is hij en heeft hij
zich bewezen te zijn door zijne belijdenis van Jezus als den Christus,
eene belijdenis, die hij niet aan zichzelven maar aan de openbaring des
Vaders heeft te danken. Juist daarom belooft Jezus hem, dat Hij op hem
als belijder van zijn Zoonschap en Messianiteit zijne gemeente bouwen zal.
Christus stelt dus zichzelf als den bouwmeester van zijne gemeente voor
en Petrus den belijder als de rots, waarop zijne gemeente rusten zal.
In Mt. 21:42, Hd. 4:11, 1 Cor. 3:10, Ef. 2:20, Op. 21:14, cf. 1 Petr.
2:4-6 is hetzelfde beeld gebruikt, maar wordt het op eene andere wijze
toegepast. Daar worden n.l. de apostelen gedacht als de bouwmeesters,
die door hunne prediking op Christus als het fundament de kerk hebben
gegrondvest. Maar hier in Mt. 16:18 is Christus de bouwmeester, die
op den belijdenden Petrus zijne gemeente bouwt. En deze belofte heeft
Christus gestand gedaan; Petrus is de eerste onder de apostelen, de
voornaamste grondlegger der kerk, de voorganger en aanvoerder van
al de belijders van Christus door de eeuwen heen. Daarom wordt hij in
de apostellijsten altijd het eerst genoemd, Mt. 10:2, Mk. 3:16, Luk.
6:14, Hd. 1:13, behoort hij met Johannes en Jakobus tot den intiemen
vriendenkring van Jezus, die dezen volgen mag, als de anderen moeten
achterblijven, Mt. 17:1, Mk. 5:37, 13:3, 14:33, is de woordvoerder en
vertegenwoordiger der discipelen, Mt. 16:17, 17:24, 18:21, 26:40,
treedt na Jezus’ hemelvaart als eerste getuige onder de apostelen op
den voorgrond, Hd. 1:15, 2:14, 3:1v., 4:8, 5:3, 29, 8:14, 10:5v.,
12:3v., 15:7v., en wordt als primus inter pares ook door Paulus geëerd,
Gal. 1:18, 2:7-9. Cf. art. Petrus in Herzog² en de daar aangehaalde
litt.
3. Aan eene regeering heeft het der kerk dus nimmer ontbroken; en zij
heeft zich deze niet zelve verschaft maar heeft ze van God ontvangen.
Instituut en organisme der kerk zijn telkens tegelijk en in verband met
elkander door God in het leven geroepen. Van het apostolaat kan zelfs
gezegd worden, dat het aan de kerk des N. T. voorafging; de apostelen
waren de grondleggers der gemeente, als het ware de patriarchen van
het volk Gods in de dagen des N. T. Maar dit apostolaat is niet
voortgezet en was als ambt voor de stichting der kerk uit den aard
der zaak voor geen voortzetting vatbaar; het leeft voor ons alleen
voort in het apostolisch woord, dat de grondslag der kerk blijft en in
gemeenschap brengt met den Vader en met zijnen zoon Jezus Christus,
1 Joh. 1:3. Zoodra de apostelen op verschillende plaatsen gemeenten
hadden gesticht, stelden zij in die gemeenten ambten in, welke van
het hunne wezenlijk verschilden en niet zonder medewerking van de
gemeenten zelve tot stand kwamen. Er is een groot onderscheid tusschen
de buitengewone ambten van apostelen, evangelisten en profeten, die
tijdelijk voor de grondlegging der kerk werden ingesteld, en de gewone
ambten van presbyters en diakenen, die onder apostolische leiding
uit de kerken zelve opkwamen. Deze laatste ambten onderstellen de
kerken, op dezelfde wijze als de regeering het volk onderstelt. Zij
konden daarom niet rechtstreeks en onmiddellijk, gelijk het apostolisch
ambt, door Christus worden ingesteld, maar konden eerst opkomen, toen
de gemeenten gesticht waren en aan eene geregelde leiding behoefte
kregen. Dit had al spoedig in de kerk van Jeruzalem plaats. Deze
kreeg door den buitengewonen pinksterzegen spoedig eene zeer groote
uitbreiding en was duizenden zielen sterk, Hd. 2:41, 47, 4:4, 21,
32, 5:14, 6:1. Dit maakte natuurlijk organisatie dringend noodig,
welke ook onder leiding der apostelen tot stand kwam. Ten eerste werd
deze gemeente van duizenden zielen, in weerwil van hare eenheid, op
de eene of andere wijze ingedeeld. Zij kon n.l. niet in één gebouw
samenkomen maar moest bij gedeelten in private woningen vergaderen.
Zonder twijfel ontstonden in Jeruzalem de eerste huisgemeenten, gelijk
wij die ook elders in den apostolischen tijd aantreffen, boven bl. 6.
Immers lezen wij, dat de geloovigen niet alleen in den tempel, maar ook
κατ’ οἰκον (niet: van huis tot huis, maar: te huis, in verschillende
huizen) vergaderden, Hd. 2:46, 5:42, o. a. in het huis van Maria en
van Jacobus, Hd. 12:12, 17. Opdat alles eerlijk en met orde geschieden
zou, was er voor deze vergaderingen allerlei regeling van noode;
en misschien heeft daarbij het voorbeeld der joodsche synagogen met
hare oudsten, beambten en dienaren en ook met haar Schriftlectuur,
prediking, gebed en zegen eenigen, hoewel zeker niet zeer sterken
invloed gehad, Schürer, Gesch. des jüd. Volkes im Zeitalter J. Chr.
3{te} Aufl. II 437-459. Op zulk eene regeling wijst reeds de benaming
van οἱ νεωτεροι, die in Hd. 5:6, 10 voorkomt; het artikel duidt aan,
dat de jongere leden der gemeente, evenals de הַזָּגִים, ὑπηρεται,
Luk. 4:20 in de synagogen, de vanzelf aangewezenen waren, om eenige
ondergeschikte diensten te verrichten. Niet onwaarschijnlijk is, dat
zij als zoodanig tegen de oudere leden der gemeente, οἱ πρεσβυτεροι,
overstonden. Onder Israel waren de ouden van dagen om hun grijsheid
en wijsheid geëerd. Uit hun midden werden de regeeringspersonen der
burgerlijke gemeente en in later tijd ook de verzorgers en opzieners
der synagogen benoemd. Zoo waren er ook van huis uit oudsten in de
christelijke gemeente, dat is mannen en vrouwen, die niet alleen ouder
waren in leeftijd, maar die Jezus persoonlijk hadden gekend of ontmoet,
die zijne woorden hadden gehoord en van zijne wonderen getuigen waren
geweest, die reeds vóór den pinksterdag Hem als den Messias hadden
beleden of misschien wel tot de zeventigen hadden behoord, door Jezus
uitgezonden naar de steden en vlekken van Palestina, Luk. 10:1, en die
om dit alles gansch natuurlijk in hooge achting stonden bij hen, welke
later tot de gemeenten werden toegedaan. Zij bekleedden geen ambt maar
namen toch door hunne kennis en godzaligheid eene aanzienlijke plaats in
de gemeente van Christus in. Tusschen πρεσβυτεροι en ἐπιστοποι dient
daarom onderscheiden te worden. Bewijzen daarvoor zijn: 1º dat de naam
πρεσβυτερος, ter aanduiding van het opzienersambt, langzamerhand door
dien van ἐπισκοπος nader omschreven en vervangen wordt, Hd. 20:28,
Phil. 1:1, 1 Tim. 3:2, Tit. 1:7, 1 Petr. 2:25; 2º dat Paulus, na in
1 Tim. 3 over de ambten gesproken te hebben, toch nog in 1 Tim. 5 de
houding aanwijst, welke Timotheus tegenover verschillende gemeenteleden,
ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, heeft aan te nemen, cf. 1 Petr.
5:5; 3º dat de apostolische vaders, Clemens, 1 Cor. 1, 3. 3, 3. 21, 6.
47, 6. 57, 1. 63, 3, 4 en Hermas, Vis. II 4. III 1 duidelijk spreken
van een stand van oudsten, die naast de eigenlijke ambtsdragers in de
gemeente voortbestaat en op eerbiedige gehoorzaamheid aanspraak heeft;
en dat 4º de bekende tekst, 1 Tim. 5:17, zonder deze onderscheiding
aan te nemen, gelijk straks blijken zal, geen goeden zin oplevert.
Waarschijnlijk hebben wij het ons dus zoo voor te stellen, dat de twaalf
apostelen het werk in de groote gemeente te Jeruzalem lang niet konden
afdoen, en daarom al spoedig, evenals van de νεωτεροι voor lagere
diensten, zoo van sommigen der πρεσβυτεροι voor hoogere diensten in de
gemeente gebruik maakten. Wanneer en hoe dit geschied is, wordt ons
in de Handelingen niet bericht. Het eerst vinden wij de πρεσβυτεροι
vermeld Hd. 11:30, 14:23, 15:2, 6, 22, 16:4, 20:17, 28, 21:18, Jak.
5:14, zonder dat van hun oorsprong iets wordt verhaald. Het is niet
onmogelijk, dat zulk een in dienst nemen van de πρεσβυτεροι door de
apostelen reeds vóór Hd. 6, d. i. vóór de instelling van het diakonale
ambt heeft plaats gehad; οἱ νεωτεροι in Hand. 5:6, 10 wijst op eene
onderscheiding van οἱ πρεσβυτεροι. Maar in elk geval leert ons het
boek der Handelingen, dat er weldra in verschillende gemeenten onder
leiding des H. Geestes mannen werden aangesteld, die opzicht moesten
houden over de gemeente, en die eerst wel, omdat zij in den regel uit
de oudsten gekozen werden, den naam van οἱ πρεσβυτεροι droegen maar
later met het oog op hun werkkring dien van ἐπισκοποι kregen. Episcopi
zijn dus zulke presbyteri, die voor een bepaalden dienst in de gemeente
werden aangewezen; alle episcopi zijn dus presbyteri, maar lang niet
alle presbyteri waren episcopi; presbyteri vormden een stand, episcopi
droegen een ambt. Wanneer echter, gelijk eerst menigmaal geschiedde,
de episcopi presbyteri genoemd werden, dan was er in den naam geen
verschil; presbyteri en episcopi waren dan dezelfde personen en dragers
van eenzelfde ambt, Hd. 20:17, 28, 1 Tim. 3:1, 4:14, 5:17, 19, Tit.
1:5, 7, 1 Petr. 5:1, 2. Dit presbyterale of episcopale ambt werd eerst
in Jeruzalem en in de gemeenten uit de Joden, Hebr. 13:7, 17, 24,
Jak. 5:14, maar dan ook in die uit de Heidenen ingesteld. Volgens Hd.
14:23 wezen Paulus en Barnabas in iedere gemeente ouderlingen aan.
Nu wordt er in de brieven aan Rome en Corinthe door Paulus wel niet
met zooveel woorden van dit ambt melding gemaakt. Maar verschillende
plaatsen, Hd. 20:17, 28, Rom. 12:8, 16:5, 10, 11, 14, 15, 1 Cor. 14-16,
16:15, 16, Phil. 1:1, 1 Thess. 5:12-14, 1 Tim. 3:1-7, Tit. 1:5-9, 1
Petr. 5:1, Op. 4:4, 10, 5:6, 8v. bewijzen, dat het ouderlingenambt eene
bekende, algemeen voorkomende, apostolische instelling was. En ter
versterking komt daarbij het getuigenis van Clemens Romanus, 1 Cor. 42,
dat de apostelen, predikende op het land en in de steden, de eerste
bekeerlingen aanstelden tot opzieners en diakenen over degenen, die
daarna geloovig zouden worden.
De taak, die aan deze ouderlingen was opgedragen, wordt duidelijk
uit de omschrijving van hun ambt. De naam van presbyters verspreidt
daarover geen licht, en maakt daarom voor andere, vooral voor dien
van opzieners plaats, Hd. 20:28, Phil. 1:1, 1 Tim. 3:2, Tit. 1:7,
evenals ook Christus zelf, 1 Petr. 2:25, dien naam draagt. En voorts
heeten zij προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, κυβερνησεις, 1 Cor.
12:28, ἡγουμενοι, Hebr. 13:7, 17, 24, ποιμενες, Ef. 4:11, die niet
om vuil gewin noch met heerschappij doch met een volvaardig gemoed
voor de gemeente hebben zorg te dragen, haar als de kudde des Heeren
hebben te regeeren, en daarom aan verschillende vereischten moeten
voldoen, bepaaldelijk ook aan den eisch, dat zij hun eigen huis wel
regeeren, Hd. 20:28, 1 Tim. 3:1-7, Tit. 1:5-9, 1 Petr. 5:1-3. Uit deze
omschrijving blijkt, dat het ouderlingenambt in de eerste plaats met het
opzicht, de regeering en de leiding der gemeente was belast. Natuurlijk
was daarvoor ook eenige kennis van de waarheid noodig; volgens Hd.
15:4, 22, 23 moesten zij zelfs op de vergadering te Jeruzalem met de
apostelen mede oordeelen en beslissen over het gewichtige vraagstuk,
dat door de bekeering der Heidenen aan de orde werd gesteld inzake
de verhouding tot de Mozaische wet. Maar het opzienersambt was toch
oorspronkelijk geen leer-, doch een regeerambt. Trouwens was aan een
afzonderlijk leerambt in den eersten tijd nog geen dringende behoefte.
Apostelen, evangelisten en profeten traden eerst als leeraars op,
Hand. 13:1, 1 Cor. 14:3, 1 Tim. 2:7, 2 Tim. 1:11, en voorts werd het
charisma der leer aan velen geschonken, die geen ambt bekleedden in
de gemeente van Christus, Rom. 12:7, 1 Cor. 12:8, 28, 29, 14:26.
De διδασκαλια was eerst vrij, evenals het in de synagoge iedereen
geoorloofd was, om een gedeelte der Schrift toe te lichten, Luk. 4:16.
Maar langzamerhand werd zij met het episcopale ambt in nauwer betrekking
gebracht. Toen de gemeenten zich uitbreidden, kon in de behoefte aan
woord en sacrament door apostelen, evangelisten en profeten niet meer
worden voorzien; er was een plaatselijk en blijvend ambt van noode,
dat met de zorg daarvoor was belast. Ook ging het op den duur niet
aan, om de didaskalie geheel en al vrij te laten, want deze vrijheid
gaf tot allerlei misbruiken aanleiding. Zoo drong alles er toe, om de
didaskalie aan het opzienersambt op te dragen en alzoo eene blijvende
plaats in de gemeente te verzekeren. Uit Hebr. 13:7 vernemen wij, dat
ἡγουμενοι tevens de verkondigers van het woord Gods zijn. Als Paulus
Ef. 4:11 zegt, dat Christus sommigen tot apostelen en sommigen tot
evangelisten en dan voorts ook sommigen tot herders en leeraars gegeven
heeft, dan leert hij daarmede duidelijk, dat deze beide laatstgenoemde
personen geen wezenlijk onderscheiden ambt bekleeden maar werkzaamheden
in de gemeente verrichten, die nauw verbonden zijn en toch onderling
verschillen. Waarschijnlijk waren in den eersten tijd meer dan één of
zelfs alle ouderlingen tot bediening van woord en sacrament bevoegd.
Doch ook daarin moest spoedig verandering komen. Wel bleef de eisch
voor alle opzieners, dat zij διδακτικοι, bekwaam om te leeren moesten
zijn, 1 Tim. 2:2. Maar vooral twee omstandigheden bewerkten, dat er
onder de opzieners onderscheid kwam tusschen hen, die alleen met
de regeering, en anderen, die ook met de leer waren belast. In de
eerste plaats werden de eischen hoe langer hoe zwaarder voor hen,
die het woord der waarheid in de gemeente hadden te verkondigen; de
apostelen en evangelisten stierven weg; de buitengewone gaven hielden
op; allerlei dwalingen en ketterijen doken in en buiten de gemeente
op; de bekwaamheid om te leeren bestond niet alleen in onderwijzing en
vermaning, maar ook in wederlegging van de tegensprekers, 2 Tim. 3:16,
Tit. 1:9; opleiding, voorbereiding, studie werd voor de uitoefening
van dit ambt in de gemeente noodzakelijk. Trouwens, de Joodsche
Schriftgeleerden hadden reeds hunne scholen; Jezus had zelf zijne
discipelen opgeleid en tot hun dienst bekwaamd; Paulus had Timotheus
onderwezen en droeg hem op, om deze leer als een kostelijk kleinood
over te dragen aan betrouwbare menschen, die op hunne beurt weder
bekwaam zouden zijn om anderen te leeren, 2 Tim. 2:2. En daarbij kwam
nu in de tweede plaats nog het voorschrift van Jezus, dat de arbeider
in den dienst des woords zijn loon waardig is, Mt. 10:10, Luk. 10:7;
een voorschrift, dat in de christelijke gemeenten algemeen erkend en
opgevolgd werd, Rom. 15:27, 1 Cor. 9:6, 11, 14, 2 Cor. 11:7-9, Gal.
6:6, 1 Thess. 2:6, 1 Tim. 5:17, 18, 2 Tim. 2:6. Wel had dit allereerst
op de apostelen en evangelisten betrekking, maar het gold toch verder
ook van hen, die arbeidden in het woord en de leer en daaraan hun
leven wijdden. Noodzakelijkheid van opleiding en voorziening in het
levensonderhoud waren oorzaak, dat de dienst des woords niet aan alle
maar slechts aan enkele opzieners werd opgedragen. De beroemde plaats,
1 Tim. 5:17, 18 verheft dit boven allen twijfel. De πρεσβυτεροι aldaar,
cf. vers 1 zijn geen opzieners, want dan zou Paulus eene tegenstelling
maken tusschen zulke opzieners, die slecht en anderen, die goed
regeeren en de eersten nog eenige eer doch de laatsten eene dubbele
eer waardig achten. Maar πρεσβυτεροι zijn oudere leden der gemeente
in het algemeen, die als zoodanig aanspraak hebben op eer. Van hen
onderscheidt Paulus de καλως προεστωτες πρεσβυτεροι, zulke oudsten, die
tegelijk goed regeeren, die προισταμενοι, Rom. 12:8, 1 Thess. 5:12, zijn,
d. w. z. die het ambt van opzieners bekleeden; en dezen zijn nu, omdat
zij tot de oudere leden der gemeente behooren en tevens opzieners zijn,
eene dubbele eer waardig. En van hen worden dan nog weer onderscheiden
οἱ κοπιωντες ἐν λογῳ και διδασκαλιᾳ, die opzieners, die bepaald
arbeiden in het woord en de leer en daarvoor naar de Schrift aanspraak
hebben op loon. Zoo is er dus naar deze plaats duidelijk onderscheid
tusschen opzieners, aan wie alleen de regeering, en andere, aan wie
tevens de leer en in het gevolg daarvan ook de bediening van het
sacrament is opgedragen. En nog binnen de grenzen van het N. T. treffen
wij dan in de Klein-Aziatische gemeenten dezen toestand aan, dat onder
de opzieners slechts één enkele met den dienst des woords is belast; hij
is de ἀγγελος, de gezant, die van Christus’ wege de gemeente te leeren
en te leiden heeft en voor haar geestelijken en zedelijken toestand
verantwoordelijk is, Op. 1:20v.
Naast dit ambt van opziener, onderscheiden in dat van regeer- en
leer-ouderling, werd spoedig een tweede ingesteld. In Jeruzalem n.l.
was er volgens Hd. 6 spoedig ontevredenheid bij de uit de Grieksche
proselieten bekeerde Christenen, dat hunne weduwen bij de toen reeds
geoefende private weldadigheid door de uit de Joden toegebrachte
Christenen achteruitgezet en verwaarloosd werden. De apostelen riepen
daarop de gansche gemeente saam, en verklaarden daar, dat zij het
niet goed vonden, om met vermindering van den arbeid in het woord
zelven zich aan de zorg voor de armen te wijden. De gemeente moest dus
uitzien naar zeven mannen en dezen verkiezen, en de apostelen zouden
hen dan tot dezen dienst der barmhartigheid aanstellen en na gebed
hun de handen opleggen. Duidelijk blijkt hieruit, dat de apostelen,
ofschoon zij het aantal en de vereischten der διακονοι aangeven, het
recht en de bevoegdheid tot het kiezen dezer mannen aan de gemeente
toekennen. De apostelen zelven werden wel uitdrukkelijk door Christus
aangesteld; maar Matthias werd toch reeds uit een tweetal, dat door
de 120 vergaderde geloovigen opgemaakt was, door het lot als twaalfde
apostel aangewezen. Volgens Hd. 13:1-3 werden Paulus en Barnabas
door de in de gemeente te Antiochië aanwezige profeten en leeraars
afgezonderd tot het evangelistenwerk. Timotheus werd tot dezen zelfden
dienst verkozen door profetische aanwijzing, in het bijzijn van vele
getuigen en met handoplegging door Paulus en het presbyterium, 1 Tim.
1:18, 4:14, 6:12, 2 Tim. 1:6, 2:2. In 2 Cor. 8:19 cf. vs. 23 is sprake
van een evangelist, die door de gemeenten benoemd is. De profeten
en leeraars werden natuurlijk niet door de gemeenten gekozen, wijl zij
vrij optraden, en meer een gave hadden dan een ambt; maar zij werden
gansch anders dan de apostelen door de gemeenten beoordeeld en waren
haar onderworpen, 1 Cor. 2:15, 12:10, 14:29, 1 Thess. 5:19-21, 1 Joh.
2:20, 27, Op. 2:2, 6, 14, 15, 20, 3:1v. De onderstelling is daarom
niet gewaagd, dat de verkiezing der opzieners, nog veel minder dan
die van de evangelisten, buiten de gemeente is omgegaan. De woorden
in Hd. 14:23, χειροτονησαντες δε αὐτοις κατ’ ἐκκλησιαν πρεσβυτερους,
zeggen alleen, dat de apostelen sommige personen in iedere gemeente
tot ouderlingen aanstelden, maar wijzen niet aan, hoe zij dit deden; en
Tit. 1:5 cf. 2 Tim. 2:2 verspreidt daarover ook geen licht. Maar uit
na-apostolische geschriften weten wij, dat bij de keuze van een episcopus
de gemeente rechtstreeks of zijdelings gekend werd, Did. 15. Clemens, 1
Cor. 44. Polycarpus, Phil. 11. cf. Ign. Philad. 10. Const. Apost. VIII
4. En van de diakenen bericht ons het N. T. in Hd. 6 zeer duidelijk,
dat zij door de gemeente werden aangewezen. Er is echter groot verschil
over den aard van het ambt, dat hier door de apostelen ingesteld werd.
Sommigen meenen, dat het een buitengewoon ambt was, hetwelk spoedig
ophield te bestaan; anderen oordeelen, dat het het latere ouderlingen-
en diakenambt in zich sloot, en nog anderen houden het er voor, dat
in Hd. 6 de instelling van het presbyterambt wordt verhaald. Al deze
meeningen zijn daarop gegrond, dat sommigen van de in Hd. 6 verkozenen,
zooals Philippus, ook optreden als predikers van het evangelie, Hd.
8:5, 26v., 21:8, en dat de presbyters in Jeruzalem ook gaven van de
gemeente te Antiochië in ontvangst nemen ten dienste der broederen in
Judea, Hd. 11:30. Dit laatste bewijs heeft echter weinig kracht; in Hd.
11:30 is er sprake van een geheel exceptioneel geval, n.l. niet van
het uitdeelen der naturalia, welke door de gemeente te Jeruzalem zelve
voor hare armen op de tafelen werden neergelegd, maar van het overmaken
van gelden, die in Antiochië bij eene bijzondere gelegenheid voor de
broederen in Judea bijeengebracht en nu door de hand van Barnabas en
Saulus aan de presbyters overgereikt werden. Maar blijkens Gal. 2:1 is
er van deze reis niets gekomen; wij weten dus niet, hoe en waar die
gelden zijn overgemaakt, noch ook door wie zij feitelijk in ontvangst
genomen en uitgedeeld zijn. En wat Philippus betreft, hij was in
Jeruzalem een van de zeven, maar trad, nadat de vervolging uitgebroken
en de gemeente verstrooid was, in Samaria en elders op als evangelist
en is dat gebleven; hij keerde later niet naar Jeruzalem terug maar
vestigde zich in Cesarea, Hd. 21:8. Daarentegen pleit alles ervoor, dat
wij in Hd. 6 de instelling hebben van het later zoogenoemde diakonaat.
Ten eerste komt de naam in aanmerking; διακονια duidt in het N. T.
alle ambt en gave aan, welke, door den Heere geschonken, in den dienst
en ten nutte der gemeente aangewend wordt; ieder lid der gemeente is
een δουλος van Christus en met al wat hij is en heeft een διακονος
der broederen; er zijn daarom onderscheidene διακονιαι, 1 Cor. 12:5,
vooral bediening des woords, Hd. 6:4, 20:24, 1 Tim. 1:12, en bediening
der barmhartigheid aan armen, kranken, vreemden enz., Rom. 12:7, 1
Cor. 12:28, 1 Petr. 4:11. Zonder twijfel was er nu in de gemeente te
Jeruzalem van het begin af, zulk een dienst der barmhartigheid; er was
eene διακονια καθημερινη, Hd. 6:1, die misschien wel onder toezicht der
apostelen stond maar toch aan private personen overgelaten was. Maar de
apostelen brachten hier regel in door de instelling van een bijzonder
ambt. Er moet nu eene reden zijn, waarom het latere diakonaat juist
bijzonder met den naam van διακονια werd aangeduid. Die reden is nergens
anders te vinden dan in Hd. 6. Daar wordt verklaard, dat de dienst der
barmhartigheid in bijzonderen zin eene διακονια is, wijl zij is een dienst
der tafelen, διακονειν τραπεζαις. Ten tweede wordt aan de zeven mannen
juist datgene opgedragen, wat elders in het N. Test. meer bepaald met
den naam van διακονια wordt aangeduid. Immers bij de διακονια in Hd.
11:29, Rom. 12:7, 1 Cor. 12:5, 2 Cor. 8:4, 9:1, 12, 13, Op. 2:19 en
voorts overal, waar van het ambt van diakenen en diakonessen sprake
is, hebben wij speciaal aan den dienst der barmhartigheid te denken. En
deze wordt in Hd. 6 aan de zeven mannen toevertrouwd. Zij moeten zorgen,
dat de weduwen van de Grieksche Christenen niet langer overgeslagen
worden, en worden daartoe in het algemeen met den dienst der tafelen
belast. Onder deze tafelen zijn niet de tafels in de huizen der weduwen
noch ook de wisseltafels der bankiers, Mt. 21:12, maar eenvoudig de
tafelen des Heeren te verstaan. In elke vergaderplaats der gemeente
was er een of waren er meer tafels, waaraan men aanzat, om saam als
leden der gemeente het liefdemaal, ἀγαπη, en des Heeren avondmaal te
gebruiken. Op die tafels legden de rijkere leden der gemeente hunne
gaven neder, meest bestaande in naturalia, opdat de armere leden
daarvan mede genieten en later nog bediend zouden worden. Die tafels
waren tafels des Heeren; wat er op neergelegd werd, behoorde den Heere
toe; wat men aan die tafels gebruikte, was des Heeren spijze en drank;
en wat ervan overbleef en uitgedeeld werd, was des Heeren gave. De
zeven mannen in Jeruzalem werden nu aangewezen, om die tafelen te
dienen, d. i. om bij de maaltijden behulpzaam te zijn en voorts de gaven
des Heeren eerlijk onder de heiligen naar hunne behoeften te verdeelen.
Ten derde wordt de stelling, dat Hd. 6 den oorsprong van het diakonaat
verhaalt, daardoor gesteund, dat de eischen, eraan gesteld, zoo hoog
zijn en in dit opzicht met die in 1 Tim. 3:8-10, 12 overeenkomen. Waarom
er juist zeven mannen in Jeruzalem verkozen werden, weten wij niet;
misschien wel, omdat de groote gemeente in zeven vergaderplaatsen
samenkwam en in elk van deze een diaken noodig had. Maar in elk geval
moesten het mannen zijn, die in de gemeente de getuigenis hadden, dat
zij πληρεις πνευματος και σοφιας waren; en daarom moest de gemeente
er eerst onderzoekend en kiezend naar uitzien. Zoo wil ook Paulus,
dat de diakenen eerst beproefd worden en aan de vele eischen voldoen,
welke met die voor de opzieners grootendeels overeenkomen. Hatch en
Sohm gaan te ver, als zij hieruit afleiden, dat de vereischten voor
presbyter en diaken nauwelijks te onderscheiden zijn. Want terwijl bijv.
voor den ouderling op het διδακτικον εἰναι nadruk valt, wordt van
den diaken zuiverheid des gewetens in betrekking tot den inhoud des
geloofs geeischt, 1 Tim. 3:9. Maar overigens zijn de godsdienstige en
zedelijke eischen voor ouderling en diaken vrijwel gelijk. Presbyteraat en
diakonaat staan blijkens Hd. 6 en 1 Tim. 3 in nauw verband. Ten vierde
is er weinig grond voor de bewering, dat het diakonaat eerst later
ongeveer gelijktijdig met het bisschoppelijk ambt is opgekomen. Uit de
διακονια, Rom. 12:7 en de ἀντιληψεις, 1 Cor. 12:28 moge weinig af te
leiden zijn. Maar alles pleit er voor, dat met het presbyteraat ook het
diakonaat door de apostelen van de Jeruzalemsche gemeente in andere
gemeenten is overgeplant. Evenals aan ouderlingen, moest er toch elders
ook spoedig voor den dienst der tafelen aan diakenen behoefte rijzen.
In Phil. 1:1 worden zij dan ook terloops als iets heel gewoons naast en
na de ouderlingen genoemd; in 1 Tim. 3 somt Paulus hunne vereischten
op, en in Rom. 16:1, 2, 1 Tim. 3:11, 5:9, 10 is er van diakonessen
sprake. Het apostolaat moge dus als buitengewoon ambt aan de kerk
als vergadering der geloovigen voorafgaan; de ambten van leeraar,
ouderling en diaken onderstellen de gemeente, die het recht heeft, de
dragers ervan aan te wijzen en te verkiezen. Cf. over de organisatie
der kerk in de dagen des N. T. Rothe, Die Anfänge der christl. Kirche
1837. Lechler, Die neut. Lehre vom h. Amte 1857. Neander, Gesch. der
Pflanzung u. Leitung d. christl. Kirche durch die Apostel⁵, Gotha
1862. Hatch, Die Gesellschaftsverfassung d. chr. Kirche im Alt. Aus
d. Engl. von A. Harnack, Giessen 1883. Harnack, Lehre der 12 Apostel,
Texte und Unters. II 1. 2. 1884. Sohm, Kirchenrecht, Leipzig 1892.
Loening, Die Gemeindeverfassung des Urchrist. Halle 1888. Loofs, Die
urchr. Gemeindeverfassung mit spez. Bez. auf Loening u. Harnack, Stud.
u. Krit. 1890 S. 619. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter d. chr. K².
1890. Lechler, Das apost. und nachapost. Zeitalter³ 1885. Zöckler,
Diakonen und Evangelisten, München 1893. Moeller-v. Schubert, Lehrb.
d. Kirchengesch. I² 1897 S. 88. Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. 13{te}
Aufl. 1899 § 31.
4. Deze aristocratisch-presbyterale kerkinrichting is niet lang blijven
bestaan maar spoedig in eene monarchisch-episcopale overgegaan. Hoe
dat toegegaan is, weten wij niet; voor gissingen en onderstellingen
is hier dus een ruim veld, cf. Karl Sell, Forschungen der Gegenwart
über Begriff und Entstehung der Kirche, Zeits. f. Theol. u. Kirche
v. Gottschick, 1894 S. 347-417. Maar zeker hebben verschillende
omstandigheden de kerk in deze richting gestuurd. Ten eerste lag
het voor de hand, dat de kerken in den aanvang nog niet streng
onderscheiden konden tusschen de buitengewone (apostelen, evangelisten,
profeten) en de gewone (episcopi, diaconi) ambten. De op een charisma
berustende ambten van apostel (in den ruimeren zin van evangelist),
profeet en leeraar duurden, ook nadat de twaalf apostelen en Paulus
gestorven waren, in de gemeenten nog voort, Did. 11 sq. Hermas, Mand.
11. Euseb. H. E. III 37. Maar toen deze ophielden en hoe langer hoe
meer ontaardden, zoodat tusschen ware en valsche steeds moeilijker te
onderscheiden viel, toen werd de evangeliseerende, profetische en
didaskalische werkzaamheid aan het ambt van de episcopi gebonden;
_zij_ werden de ware evangelisten, profeten en leeraars, Did. 15.
Gelijk altijd, zoo werd ook toen allengs de stroom van het vrije leven
in de bedding eener vaste organisatie geleid. Ten tweede leeren ons
de toestanden, die volgens het N. T. en de apostolische vaders in de
gemeenten bestonden, duidelijk, dat de eerste Christenen lang niet in
staat waren, om de waarheid van het evangelie in al haar rijkdom en
zuiverheid in zich op te nemen. Vooral de denkbeelden van Paulus werden
met allerlei vreemde, joodsche en heidensche bestanddeelen vermengd.
De rechtvaardiging uit het geloof werd nergens zuiver geleerd. Het
geloof aan Gods openbaring in Christus behield slechts beteekenis als
motief voor een zedelijk, dikwijls reeds ascetisch gekleurd, leven;
het evangelie werd een nieuwe wet, welker onderhouding het eeuwige
leven, de ἀφθαρσια, schonk. Heel deze moreele, wettische richting
kwam aan de verheffing van het ambt als orgaan van de Goddelijke
openbaring ten goede, stempelde gehoorzaamheid en onderwerping aan de
kerkelijke overheid (μαθετε ὑποτασσεσθαι, Clem. 1 Cor. 57) tot eersten
Christenplicht, en haeresie en schisma tot de schrikkelijkste van alle
zonden. Ten derde maakte het optreden van allerlei haeretische en
sectarische richtingen organisatie en consolidatie der christelijke
gemeenten dringend noodzakelijk. De vraag naar de ware kerk kreeg
practisch belang. En het antwoord daarop luidde: de ware kerk is
die, welke zich aan het geheel houdt, aan de catholica ecclesia, en
deze is, waar de bisschop is, Ign. Smyrn. 8. Deze verandering in
de regeering kwam niet in alle kerken tegelijk tot stand. De Didache
kent ze nog niet; zij spreekt niet van presbyteri, maar alleen van
episcopi en diaconi, die den Heere waardige mannen moeten zijn en
den dienst der profeten en leeraars vervullen moeten, c. 15. Hermas
noemt apostelen, episcopi, leeraars en diakenen naast elkaar, zonder
van presbyteri gewag te maken, Vis. III 5, maar schijnt aan het hoofd
van elke gemeente een college te onderstellen, dat uit presbyteri
saamgesteld is, II 4, en maakt dus nog geen ambtelijk onderscheid
tusschen presbyteri en episcopi. Omstreeks den tijd, waarin de Pastor
van Hermas geschreven werd, dat is in elk geval in de eerste helft der
tweede eeuw, bestond het monarchisch episcopaat dus in Rome nog niet.
Het is trouwens ook niet in Rome, gelijk Sohm S. 157-179 beweert, en
ook niet in het Westen maar in het Oosten ontstaan. De eerste brief
van Clemens, aan het einde der eerste eeuw uit Rome geschreven, zegt
wel, dat de apostelen de eerstbekeerden tot episcopi en diaconi hebben
aangesteld en dat het zonde is hen te ontslaan, wanneer zij hun dienst
op onberispelijke wijze vervullen, maar kent het onderscheid van episcopi
en presbyteri nog niet en gebruikt beide namen dooreen, c. 42. 44. 47.
Daarentegen heeft het monarchisch episcopaat zich in het Oosten zeer
spoedig ontwikkeld; de brieven van Ignatius, bisschop van Antiochië,
onder Trajanus ongeveer 110-115 als martelaar te Rome gestorven, zijn
daarvoor een onwraakbaar getuige, en zouden dat zelfs in geval van
onechtheid blijven, wijl zij dan toch niet jonger kunnen zijn dan de jaren
130-140. Ignatius spreekt herhaaldelijk, tot 13 malen toe, van episcopi,
presbyteri en diakenen als van drie onderscheidene ambtsdragers; hij
ziet in den episcopus een gezondene van Christus, Ef. 6, eene χαρις
θεου, Magn. 2, eene gelijkenis van God of van Christus, Magn. 7. Trall.
2. 3. Smyrn. 8; en dringt er onophoudelijk in het belang van de eenheid
der kerk op aan, dat de leden der gemeente zich naar Gods gebod met den
bisschop vereenigen, niets kerkelijks buiten hem doen, en alle ketterij
en scheuring ten strengste vermijden. Toch staat de bisschoppelijke
idee bij Ignatius nog maar aan het begin van hare ontwikkeling; de
bisschop is geen drager der traditie, geen priester des N. Testaments,
geen opvolger der apostelen, hij wordt altijd omgeven door den raad van
presbyters en diakenen, gelijk Christus door zijne apostelen, hij draagt
een ambt in eene plaatselijke kerk en heeft daarbuiten geen gezag. In de
gemeenten van Klein-Azië stonden in Paulus’ dagen, Hd. 14:23, 20:17,
Phil. 1:1, Tit. 1:5 en ook later nog, Clemens, 1 Cor. 42, 4. 44, 2.
4. 6 niet een maar onderscheidene episcopi aan het hoofd. Volgens 1
Tim. 4:14 vormden zij samen reeds een college, een presbyterium. En
een onder hen trad volgens Op. 1:20v. zoo op den voorgrond, dat hij
als ἀγγελος aangeduid en als vertegenwoordiger der gansche gemeente
beschouwd kon worden. Waarschijnlijk sloot de ontwikkeling van het
monarchisch episcopaat zich daarbij aan. De presbyter, die met de
leiding van de vergaderingen en misschien ook in onderscheiding van
alle ambtgenooten alleen met den dienst des woords was belast, werd
allengs als drager van een bijzonder ambt beschouwd. Hij alleen was
episcopus, terwijl alle anderen slechts presbyters waren. Op deze wijze
zou ook te verklaren zijn, dat Ignatius het monarchisch episcopaat reeds
als lang bestaande onderstelt, dat Clemens Alexandrinus bij Eusebius,
Hist. eccl. III 23, 6 van Johannes spreekt als ὁπου μεν ἐπισκοπους
καταστησων, en dat dit episcopaat al spoedig, omstreeks het midden der
tweede eeuw, overal ingevoerd was. Indien men daarin niet gemeend had
te steunen op eene apostolische traditie, zou de snelle verbreiding
schier onverklaarbaar zijn. Het nieuwe, dat bij Ignatius ons tegemoet
treedt, bestaat dan daarin, dat hij den naam episcopus uitsluitend
bezigt voor hem, die eerst slechts primus inter pares was, dat hij dezen
episcopus wel nog altijd in verband houdt met maar toch ook reeds verre
verheft boven de presbyteri en diaconi, dat hij hem telkens vergelijkt
met God of met Christus, en dat hij voor hem van de leden der gemeente
eene bijna onbeperkte gehoorzaamheid eischt. In deze richting heeft de
ontwikkeling van dat episcopaat zich voortgezet. Als in eene gemeente
maar één bisschop mocht zijn, dan sprak het vanzelf, dat in eene
groote gemeente, met vele kerkgebouwen, die kerk een zekeren voorrang
verkreeg, waaraan de bisschop verbonden was; dat de van uit de steden
gestichte landelijke gemeenten filialen werden van de moedergemeente
en eene διοικησις (dioecesis, eerst sedert 9e eeuw; vóór dien tijd
παροικια), van den bisschop; dat deze alleen de eigenlijke kerkelijke
handelingen, bijv. de eucharistie, de ordening, de absolutie verrichten
kon enz. Daarmede werd in beginsel heel de vroegere verhouding
omgekeerd; in den apostolischen tijd waren er eerst gemeenten,
vergaderingen van geloovigen, in welke door de apostelen episcopi
en diaconi werden aangesteld, die met toestemming der gemeenten
verkoren werden en aan haar oordeel onderworpen waren. Maar nu werd
het omgekeerd; de ware kerk, leer, doop, eucharistie, gemeenschap met
God is daar, waar de bisschop is, gelijk Ignatius telkenmale zegt en
Irenaeus, Cyprianus e. a. na hem uitwerken. De strijd tegen de gnosis,
welke op de overlevering zich beriep en daarmede haar recht en waarheid
trachtte te bewijzen, maakte het daarbij noodzakelijk, om de echte,
apostolische traditie tegenover haar te stellen. En deze vond men in
de bisschoppen als opvolgers der apostelen en dragers der traditie.
Zij waren door de apostelen in de gemeenten aangesteld, in regelmatige
successie elkander opgevolgd en daarom dragers van het charisma
veritatis certum, Iren. adv. haer. III 2, 2. 3, 1, 2. IV 26, 2, cf. 1
Clem. 42, 2. 44, 2. Cypr. Ep. 66, 4. 75, 16. de unit. 4. Deze gansch
nieuwe opvatting van het episcopaat als voortzetting van het apostolaat
en van zijne onaantastbare autoriteit in de kerk werd daarin voltooid,
dat sedert de tweede helft der tweede eeuw de onderscheiding van clerus
en leeken ingevoerd werd. Clerus, κληρος, lot, erfdeel, eigendom,
duidde oorspronkelijk de gemeente van Christus aan als het erfdeel of
eigendom Gods, Deut. 4:20, 9:29, 1 Petr. 2:5, Ignat. Eph. 11, 2. Trall.
12, 3. Phil. 5, 1. Maar langzamerhand werd het gebruik van dit woord
beperkt, en eerst alleen toegepast op de presbyters, Tert. de monog.
12. de exhort. cast. 7. Cypr. Ep. 15, 1, dan ook op de diakenen, Clem.
Alex. Quis dives 42, Tert. de fuga 11. 12. Hippol. Philos. IX 12 en
eindelijk nog op al de ordines minores (acoluthi, exercistae, lectores,
ostiarii), die in het begin der derde eeuw opkwamen, Cypr. Ep. 29. 34,
4. 59, 9. Al deze dienaren der kerk werden toch langzamerhand meer en
meer van de gemeente onafhankelijk en tot beambten van den bisschop
gemaakt en dan met dezen als clerus, als ecclesia docens gesteld
tegenover de leeken, de ecclesia audiens, die niets meer te zeggen
maar alleen nog te luisteren en te gehoorzamen had, cf. Cremer s. v.
Harnack D. G. I 383 Sohm, Kirchenrecht I 157-247. Zoo ontstond het
episcopale stelsel van kerkregeering, dat in den bisschop den wettigen
opvolger der apostelen en den geestelijken vorst der geloovigen ziet.
Naar dat stelsel zijn verschillende christelijke kerken ingericht, de
Grieksche kerk en vele andere Oostersche kerken en secten, Hofmann,
Symboliek § 44. 55. 62v.; voorts de Roomsche kerk, die echter van het
episcopale stelsel tot het papale is voortgeschreden en daarom steeds
door de aanhangers van het zuivere episcopale stelsel, zooals de mannen
der reformatorische conciliën, de Gallikanen, de Jansenisten, de
Febronianen, de Oud-katholieken bestreden werd, Conc. Trid. sess. 23 c.
4 en can. 6. Bellarminus, de membris ecclesiae militantis, Controv. II
2. Petavius, de eccl. hierarchia, in 5 boeken, Theol. dogm. Paris. 1870
VIII 97-406. C. Pesch, Prael. dogm. I prop. 33. Scheeben-Atzberger,
Dogm. IV 1 S. 480. Simar, Dogm. 624. Conc. Vatic. sess. 4 prooem.; en
eindelijk de Anglikaansche kerk, die in den eersten tijd bij monde van
Cranmer, Parkington, Whitgift, Usher e. a. het episcopale stelsel nog
slechts als een geoorloofd en nuttig jus ecclesiasticum, maar later,
vooral na de aartsbisschoppen Bancroft en Laud als een jus divinum
verdedigde, Richard Hooker, The laws of ecclesiastical polity 1593
etc., meermalen herdrukt, beste ed. van Keble, Oxford 1845. Joseph
Hall, Episcopacy by divine right asserted 1640. Makower, Die
Verfassung der Kirche von England, Berlin 1894. Art. Anglik. Kirche in
Herzog³.
Doch de Roomsche kerk is bij het episcopale stelsel niet blijven staan
maar heeft het verder ontwikkeld tot het papale systeem. Rome was reeds
eeuwenlang de wereldstad en nam ook terstond in de christelijke kerk
eene gewichtige plaats in. Paulus was wel niet de stichter der gemeente
aldaar, maar verlangde toch zeer haar te zien, en richtte aan haar zijn
grootsten en belangrijksten brief, Rom. 1:9v., 15:22v. Later verkeerde
hij er een tijdlang evenals Petrus, en beiden vonden er den marteldood.
Om haar milddadigheid en hulpvaardigheid ten opzichte van andere,
zwakke gemeenten werd ze spoedig beroemd, Ign. Rom. Euseb. H. E. IV
23, 10. VII 5, 2. Blijkens den eersten brief van Clemens droeg zij eene
moederlijke zorg voor de gemeente van Corinthe. Bij al de groote vragen,
die in de tweede en derde eeuw door Gnostiek en Montanisme aan de orde
kwamen, werd zij betrokken en legde het grootste gewicht in de schaal.
Daar werd omstreeks het midden der tweede eeuw de eerste bisschopslijst
vervaardigd; daar kwam de idee van de successie der bisschoppen en
van hun apostolische waardigheid op. Roomsch en katholiek stonden van
huis uit met elkaar in verbinding en ontwikkelden zich hand aan hand,
Harnack, D. G. I 400 f. De gemeente der wereldstad werd het middelpunt
der christelijke kerk. De centrale beteekenis, welke Rome had in het
heidensch keizerrijk, werd overgedragen op de gemeente en verhief haar
tot hoofd der gansche Christenheid. Dit principaat van de gemeente
te Rome droeg echter in den eersten tijd nog geen kerkrechtelijk, maar
slechts een zedelijk-godsdienstig karakter. Rome was prima inter pares;
alle andere gemeenten stonden met haar gelijk; alle bisschoppen hadden
met dien van Rome gelijken rang. Irenaeus zegt wel in de beroemde
plaats, adv. haer. III 3, dat elke kerk en alle geloovigen met de kerk
van Rome propter potiorem principalitatem overeenstemmen moeten, wijl
in haar de apostolische traditie zuiver is bewaard, maar hij haalt de
kerk van Rome toch bij wijze van voorbeeld aan, schrijft aan alle door
de apostelen gestichte kerken principalitas toe, en zegt alleen, dat
Rome eene potior principalitas bezit, wijl zij de grootste, de oudste,
de bekendste, de door de apostelen Paulus en Petrus gestichte kerk
is. Ook spreekt hij met geen woord van het primaat van Petrus noch ook
van den bisschop van Rome; allen nadruk legt hij op de kerk van Rome.
Later bestreed hij dan ook de excommunicatie, welke Victor I over de
Klein-Aziatische Quartodecimanen had uitgesproken, met het gevolg,
dat deze ze herroepen moest, Euseb. H. E. V 24. Deze oppositie moge
eene zaak van tucht gegolden hebben, zij bewijst toch de vrijmoedigheid
en zelfstandigheid van Irenaeus en anderen tegenover den bisschop van
Rome. Evenzoo stelt Tertullianus alle door de apostelen gestichte
kerken, Efeze, Corinthe, Philippi enz. op ééne lijn, al zegt hij ook,
dat Carthago in Rome hare autoriteit heeft en dat de apostelen in Rome
totam doctrinam cum sanguine suo profuderunt, de praescr. 36, cf.
20. de virg. vel. 2; in zijne montanistische periode bestreed hij het
edict van Calixtus over de wederopneming der gevallenen, noemde hem
spottend pontifex maximus, episcopus episcoporum, en zag daar eene
verregaande aanmatiging in, de pudic. 1. 13. 21. Ook Cyprianus staat
nog op hetzelfde standpunt; alle bisschoppen zijn gelijk, zijn eene en
dezelfde bisschoppelijke waardigheid deelachtig, zijn als het ware één
bisschop, staan aan het hoofd der kerk en moeten onderling caritas
animi, collegii honor, vinculum fidei et concordia sacerdotii bewaren,
Ep. 43, 5. 49, 2. 55, 24. 73, 26. de unit. eccl. 5. Daarom kwam hij in
den strijd over den ketterdoop tegen den bisschop van Rome, Stephanus,
nog in verzet, Ep. 71-74; de eenheid bewarend, is ieder bisschop toch
in zekere mate zelfstandig en alleen Gode verantwoordelijk, Ep. 72, 3.
Maar de bovengenoemde nieuwe opvatting van bet episcopaat moest uit
den aard der zaak aan Rome ten goede komen. Het zwaartepunt was uit
de gemeente in den bisschop verlegd. Deze werd beschouwd als opvolger
van de apostelen, als drager van den schat der waarheid en van de
apostolische macht. Indien dit zoo was, welke bisschop kon dan meer
aanspraken maken en meer rechten doen gelden dan de bisschop van Rome?
Geen kerk stond in macht en aanzien met die van Rome gelijk; zij liet ze
alle achter zich en streefde ze alle voorbij, de kerken van Palestina
en Klein-Azië, straks ook die van Antiochie en Alexandrie. En de
bisschoppen van Rome wisten van hun positie gebruik te maken en gingen
wat eerst zedelijke invloed was allengs vindiceeren als een recht. Toch
kwam het niet zoo spoedig tot erkenning van dit recht. Tertullianus
ontkende nog, dat Mt. 16:18 aan den bisschop van Rome eenige macht over
andere kerken gaf, wijl het alleen eene belofte aan Petrus behelsde,
de pudic. 21. Cyprianus legde wel sterken nadruk op de eenheid der
kerk en deed haar ook rusten op de identiteit der episcopale macht,
maar zag van die macht in de cathedra Petri te Rome toch niet meer dan
eene symbolische eenheid, de unit. 4. De Synode te Nicea stelde in
canon 6 de bisschoppen van Rome, Alexandrie en Antiochie nog gelijk,
kende aan de beide laatsten in hunne provinciën dezelfde ἐξουσια toe,
als de bisschop van Rome reeds in Italie bezat, ἐπειδη και τῳ ἐν τῃ
Ῥωμῃ ἐπισκοπῳ τουτο συνηθες ἐστιν en hield voor deze en ook nog voor
andere kerken het haar toekomend primaat, τα πρεσβεια of τα πρωτεια
vast. Na de ontwikkeling der bisschoppelijke macht in de derde eeuw
volgde die van de aartsbisschoppelijke of metropolitenwaardigheid in
de vierde eeuw; niet Rome alleen, maar vele kerken naast haar hadden
een zekeren voorrang of primaat in hare provinciën; de bisschoppen
werden in den loop der vierde eeuw aan de aartsbisschoppen onderworpen.
Het Oosten bleef steeds tegen het alles overheerschend primaat van
den bisschop van Rome zich verzetten. Naast Alexandrie en Antiochie
steeg sedert het midden der vierde eeuw Constantinopel hoe langer hoe
meer in kerkelijke macht. Het concilie van Constantinopel in 381 can.
2 zegt, dat de bisschop van Alexandrie alleen in Egypte kerkelijke
macht bezit, dat Antiochie de rechten houdt, welke volgens Nicea
eraan toekomen en dat de bisschoppen van het Oosten alleen het Oosten
zullen besturen. En nadat het alzoo de macht van den bisschop van
Alexandrie tot Egypte beperkt heeft, voegt het er in can. 3 aan toe,
τον Κονσταντινου πολεως ἐχειν τα πρεσβεια της τιμης μετα τον της Ῥωμης
ἐπισκοπον, δια το εἰναι αὐτην νεαν Ῥωμην. Na den bisschop van Rome
zal niet die van Alexandrie, al heeft hij ook de oudste rechten en de
oudste brieven, maar die van Constantinopel den voorrang der eere
hebben, niet op grond van eenig kerkelijk of geestelijk prerogatief,
maar alleen om de politieke overweging, dat Constantinopel het nieuwe
Rome is. Het Westen werd aan den bisschop van Rome overgelaten, maar
het Oosten weigerde zich voor hem te buigen en kwam meer en meer
onder de jurisdictie van Constantinopel te staan. Het concilie van
Chalcedon 451 can. 28 erkende den voorrang, τα πρεσβεια, van het
oudere Rome, omdat het de keizerstad was, δια το βασιλευειν την πολιν
ἐκεινην, maar schreef gelijken voorrang, τα ἰσα πρεσβεια, toe aan den
heiligen stoel van het nieuwe Rome. In weerwil van de protesten van
Rome, handhaafde Constantinopel zijne rechten. De pauselijke macht van
den bisschop van Rome berustte voor een groot deel op het politieke
aanzien der stad; deze zelfde aanspraken kon daarom Constantinopel
als tweede Rome laten gelden. De bisschop van Rome is daarom nooit
herder der gansche Christenheid geweest; hij werd het hoofd alleen van
de Westersche, Latijnsche Christenheid. En dit werd hij rechtens eerst
in de vierde eeuw. Reeds de later door de kerk niet erkende synode
van Sardika 343 droeg aan den bisschop van Rome de beslissing op, of,
ingeval een bisschop door eene synode was afgezet, eene nieuwe synode
al dan niet zou worden saamgeroepen. In het jaar 380 vaardigde keizer
Theodosius het beroemde edict uit, waarbij hij beval, cunctos populos,
quos clementiae nostrae regit temperamentum, in tali volumus religione
versari, quam divinum Petrum apostolum tradidisse Romanis religio usque
nunc ab ipso insinuata declarat. Bij de kerkvaders der vierde en vijfde
eeuw is er geen twijfel meer over, dat zij de gemeenschap met en de
onderwerping aan Rome noodzakelijk achten voor het wezen der kerk. Van
de kerk te Rome gaan alle rechten der kerkelijke gemeenschap uit, inde
enim in omnes venerandae communionis jura dimanant, Ambros. Ep. cl. 2
ep 2. Ecclesiae salus in summi sacerdotis dignitate pendet, Hier. c.
Lucif. 9. Bij hem berust de onvervalschte overlevering der vaderen, hij
is lux mundi, sal terrae, aurea vasa et argentea, Hier. Ep. 15 ad Dam.
Roomsch is de maatstaf van het katholieke; indien Rufinus zich houdt
aan het geloof van Rome, is hij katholiek; si Romanam responderit, ergo
catholici sumus, Hier. c. Ruf. 1, 4. Als Innocentius I de besluiten der
synode van Carthago en Mileve tegen het pelagianisme bekrachtigd en
Pelagius en Coelestius veroordeeld heeft, zegt Augustinus: causa finita
est, utinam aliquando finiatur et error! Ep. 132 de script. Klaar en
welbewust ontwikkelt dan Leo I 440-461 dit primaat van den Roomschen
stoel in verschillende brieven en verheft het tot den rang en de waarde
van een godsdienstig dogma, dat in Mt. 16:18 zijn schriftuurlijken grond
bezat, cf. bij Heinrich, Dogm. Theol. II 325 f.
Toen de ontwikkeling zoover was voortgeschreden, moest vanzelf de vraag
oprijzen, waaraan de paus zoo eminente plaats en zulk een hoog gezag
te danken had. In den oudkatholieken tijd, ook nog na de invoering van
het monarchisch episcopaat, viel de nadruk altijd op de plaatselijke
kerk; de kerk te Rome was door Petrus en Paulus gesticht, en had
daarom de zuiverste traditie; alle kerken moesten, om christelijk
en katholiek te zijn, in geloof overeenkomen met haar, Iren. adv.
haer. III 3. De bisschop was daarom van zijne gemeente afhankelijk, hij
werd door haar gekozen en ging in alle gewichtige zaken, vooral bij
excommunicatie, met haar te rade. Cyprianus zegt uitdrukkelijk in zijne
brieven aan het Carthaagsche presbyterium, dat hij niets wil doen sine
consilio vestro et sine consensu plebis, Ep. 14, 4. 17, 1. 3. 19, 2
enz. In moeilijke gevallen werd de raad en hulp van afgevaardigden van
naburige gemeenten ingeroepen, Hd. 15:2, Const. Apost. c. 1, Clemens,
1 Cor. 63. Cypr. Ep. 17, 3; de oudste kerkelijke vergaderingen waren
gemeentevergaderingen, hoogstens door afgevaardigden van naburige
gemeenten bijgestaan. Maar toen de bisschop als opvolger der apostelen
beschouwd en juist hierdoor van allen onderscheiden werd, toen kon hij
niet meer door de gemeente gekozen worden noch van haar afhankelijk
zijn; hij moest zijn ambt van boven in den weg van successie ontvangen,
en dus door een synode van bisschoppen of door een kapittel benoemd
en geordend worden; hij had met de gemeente niet meer te raadplegen
maar was souverein en bepaalde alles alleen, hoogstens na overleg met
het uit het presbyteraat allengs zich ontwikkelend kapittel. En wat
alzoo sedert de vierde eeuw in de plaatselijke of dioecesale kerken
geschiedde, herhaalde zich op grooter schaal in de algemeene kerk.
Uit het episcopaat kwam in den loop der tijden het papale stelsel
voort, en de oude gemeentevergaderingen breidden zich tot synoden en
conciliën uit, die eerst ook nog wel uit presbyters, diakenen, lectores
maar dan vervolgens alleen uit bisschoppen als vertegenwoordigers
der gemeenten waren saamgesteld. Deze synoden beschouwden zich niet
als onfeilbaar; in de vierde eeuw doet telkens eene volgende synode
teniet, wat de vorige vastgesteld heeft; en ook droegen zij van dien
tijd af tot de 9e eeuw toe een staatkundig karakter, waren rijkssynoden
en werden door den keizer saamgeroepen, officieel of officieus geleid
en bekrachtigd. Maar de paus steeg in macht; als bisschop van Rome
en aartsbisschop van Italie had hij reeds macht, om provinciale en
landssynoden saam te roepen en te leiden, evenals andere bisschoppen
dat recht elders bezaten; sedert de 12e eeuw wist hij deze provinciale
en landssynoden, evenals de bisschop van Constantinopel dat al met zijne
συνοδοι ἐνδημουσαι voor de Grieksche kerk had gedaan, tot oecumenische
synoden der gansche Westersche kerk uit te breiden. De oecumenische
conciliën der Westersche Christenheid ontwikkelden zich dus uit
de Roomsche synoden, en werden daarom door den paus saamgeroepen,
geleid en bekrachtigd. Wel trachtten de reformatorische conciliën
in de 15e eeuw, onder den invloed der humanistische theorie van de
volkssuperioriteit, zich als vergaderingen van afgevaardigden der
gansche kerk onafhankelijk van den paus te maken en zich als onfeilbaar
boven hem te stellen. Maar de paus wist zich te handhaven ook tegenover
en boven de oecumenische synoden en moest daarom wel een prerogatief
deelachtig zijn, dat aan geen anderen bisschop geschonken was. Nadat van
de dagen van Irenaeus af reeds langen tijd overeenstemming in geloof
met de kerk te Rome voor het wezen der christelijke kerken noodzakelijk
werd geacht, wijl daar met de rechtmatige successie het charisma
veritatis certum berustte, werd het allengs hoe langer hoe klaarder
uitgesproken, dat deze indefectibilitas der kerk van Rome haar grond
had in eene bijzondere gave, welke door den H. Geest aan den bisschop
van Rome, als opvolger van Petrus, geschonken werd. Eerst werd daarbij
nog de nadruk op de kerk te Rome gelegd; deze kon niet afvallen, wijl
zij door de apostelen Petrus en Paulus was gesticht en voortdurend
door hunne wettige opvolgers werd geleid. Zoo zegt Irenaeus van de
presbyteri, dat zij cum episcopatus successione charisma veritatis
certum secundum placitum Patris acceperunt, adv. haer. IV 26. Maar
dit gaf geen waarborg genoeg, vooral toen vele kerken in weerwil van
hare apostolische stichting met hare rechtmatig opvolgende bisschoppen
afvielen en geheel verdwenen. Daarom werd hoe langer hoe meer de grond
voor de indefectibilitas der kerk te Rome daarin gezocht, dat aan
haar hoofd een bisschop stond, die als opvolger van den ook onder de
apostelen eene gansch bijzondere plaats innemenden Petrus eene bijzondere
gave en leiding des H. Geestes deelachtig was. Augustinus leidde de
onwankelbaarheid van Petrus’ geloof uit de voorbede van Christus af,
Luk. 22:32, de corr. et gr. 8. Ephraem Syrus zeide in zijne lofrede
op Petrus, Paulus en Andreas: lucerna Christus, candelabrum est
Petrus, oleum autem subministratio S. Spiritus. Leo de Groote sprak
in zijn brief aan de bisschoppen der kerkelijke provincie Vienna van
een mirabile munus gratiae, waardoor de bouw van den eeuwigen tempel
op de vastheid van Petrus bevestigd wordt, en verklaarde elders,
dat de stoel van Petrus tanta divinitus soliditate munita est, ut
eam neque haeretica unquam perrumpere pravitas, nec pagana potuerit
superare perfidia. Paus Hormisdas getuigde in zijn libellus van het
jaar 516, dat de waarheid van de belofte van Christus aan Petrus door
de feiten bevestigd wordt, quia in sede apostolica immaculata est
semper catholica servata religio. Evenzoo verklaarde Paus Agatho in
een schrijven aan de keizers van het jaar 680, dat de kerk te Rome door
de genade Gods en de bescherming van Christus nooit van den weg der
waarheid is afgeweken en ook krachtens de belofte des Heeren daarvan
nooit afwijken zal. Het was dus geen nieuwigheid meer, als Gregorius VII
in zijn Dictatus Papae uitsprak: Romana ecclesia nunquam erravit, nec
in perpetuum Scriptura testante errabit, en Bonifacius VIII in de bul
Unam Sanctam 1302 decreteerde: subesse Romano Pontifici omni humanae
creaturae declaramus, definimus et pronunciamus esse de necessitate
salutis, cf. bij Heinrich, Dogm. Theol. II 357 f. Met deze practijk en
theorie der pausen stemden de theologen overeen. Sommigen, zooals Beda,
Alcuinus, Paschasius, Radbertus, Damiani, Anselmus, Lombardus, Sent.
IV dist. 24 enz. spreken nog maar in het voorbijgaan en met enkele
woorden over het gezag van den paus; zelfs is dat nog het geval bij
Thomas, C. Gent. IV 76. S. Theol. II 2 qu. 1 art. 10. qu. 11 art. 2.
Sent. IV dist. 7 qu. 3 art. 1. dist. 20 qu. 1 art. 4 enz. (cf. Leitner,
Der h. Thomas v. Aq. über das unfehlbare Lehramt des Papstes 1872) en
Bonaventura, Breviloquium adjectis illustrationibus ex aliis operibus
ejusdem S. Doct. depromptis opera et studio Ant. Mar. de Vicetia, Frib.
1881 VI c. 12. Maar de verschillende pogingen, die van de 14e tot de
16e eeuw tot reformatie der kerk werden aangewend, brachten Rome tot
zelfbewustzijn. Het eigenlijke papalisme of curialisme trad op, sprak de
plenitudo potestatis en de onfeilbaarheid van den paus duidelijk uit
en ontwikkelde haar menigmaal tot in haar uiterste consequentiën toe.
Canus, Loci theol. lib. 6. Bellarminus, de summo pontifice, in Tom. I
zijner Controv. p. 188-255. Becanus, Manuale Controv. I c. 4. Theol.
Wirceb. ed. 3 Paris. 1880 I 267 sq. Joseph de Maistre, Du pape 1819.
Perrone, Prael. Theol. 1843 VIII 295-536. Heinrich, Dogm. Theol. II
163-476. Scheeben, I 220 f. IV 397-458. Simar, Dogm. 598 f. Jansen,
Prael. Theol. I 512-658. Ermann, De Paus, Utrecht 1899 enz. Den 18e
Juli 1870 werd op het Vaticaansch concilie de constitutio dogmatica de
ecclesia Christi aangenomen, en daarbij bepaald: 1º dat het primatus
jurisdictionis in universam Dei ecclesiam onmiddellijk en rechtstreeks
door Christus aan Petrus beloofd en opgedragen is; 2º dat dit primaat
van Petrus in den bisschop van Rome als zijn opvolger voortduurt; 3º
dat dit primaat van den paus bestaat in plena et suprema potestas
jurisdictionis in universam ecclesiam, non solum in rebus, quae ad
fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam et regimen
ecclesiae per totum orbem diffusae pertinent, zoodat hij judex supremus
fidelium is, in alle zaken, die de kerken raken, de hoogste beslissing
heeft, boven aller oordeel verheven en aan geen concilie onderworpen
is; 4º dat in dit primaat ook begrepen is suprema magisterii potestas,
zoodat de paus wel geen nieuwe openbaringen ontvangt en alleen onder de
leiding des H. Geestes de overgeleverde openbaring zuiver bewaart en
uitlegt, maar toch dit zoo doet, dat hij, wanneer hij ex cathedra spreekt
en als Herder en Leeraar van alle Christenen eene leer over geloof
of zeden vaststelt, door Goddelijke ondersteuning de onfeilbaarheid
deelachtig is, uit zichzelven en niet eerst tengevolge van de
toestemming der kerk. Cf. Acta et decreta sacr. conc. rec. Collectio
Lacensis VII Friburg 1890 p. 262-498.