Wanneer wij ons de positie der vrouw onder economisch onafhankelijke
omstandigheden voor den geest stellen, dan is de vrouw in haar positie
als moeder voor velen het groote struikelblok.
Wij zijn zoo gewoon geraakt aan de oude opvatting van het moederschap,
wij gevoelen ons zoo overtuigd dat alle onderdeelen er van onderling
met elkaar in betrekking staan en niet te vervangen zijn, en wij
vreezen zoozeer door verandering van een daarvan de geheele verhouding
in gevaar te brengen, dat wij ons van eenige wenschelijke verandering
geen voorstelling kunnen maken.
Wanneer bepaalde voorstellen voor zulk een verandering aan de hand
worden gedaan,--maatregelen, waardoor kleine kinderen beter verzorgd
zullen worden dan tegenwoordig,--dan loochenen wij òf de voordeelen van
de voorgestelde verandering, òf wij beweren dat diezelfde voordeelen
ook behaald kunnen worden onder ons tegenwoordig stelsel. Evenals wij
bij het koken de eigen keukenmeid trachten te oefenen en onzen smaak te
verbeteren, zoo trachten wij ook bij de verzorging van kleine kinderen
de individueele moeder te oefenen en beter toestanden in eigen huis
te scheppen; in beide gevallen de verhouding tusschen ons algemeen
systeem en zijne bijzondere verschijnselen voorbijziende. Ofschoon
bewezen kan worden dat de woning als plaats om kinderen groot te
brengen, voor zoo ver het de lichamelijke omstandigheden betreft,
geschikt gemaakt kan worden, handhaven wij daartegenover met kracht
deze waarheid: dat voor het geestelijk leven van het jonge kind het
gezin met zijn leven vol aandoeningen geen geschikte omgeving is.
Er is een tijd in de menschelijke geschiedenis geweest dat de woning
ook voor het geestelijk leven van het kind de beste plaats was. Toen
de vooruitgang zijn voornaamste drijfkracht aan de geslachts-drift
ontleende en onze hoogste aandoeningen die waren, waardoor wij in
familieverhouding samen bleven, was het natuurlijk voor het kind het
beste een opvoeding en omgeving te hebben, waarin zulke aandoeningen
gekweekt en versterkt werden. Maar in het levensstadium dat wij thans
tegemoet gaan, waarin de familieverwantschap slechts een deel van het
leven uitmaakt en de individuen, die in maatschappelijke verhouding
tot ons staan onze hoogste toewijding behoeven, heeft het kind nieuwe
behoeften gekregen.
Hiermede wordt niet bedoeld, hetgeen de panische schrik aan
het onberedeneerde verstand zal ingeven, dat onmiddellijk het
tegenovergestelde, verbreking van den familiekring of vernietiging
van het tehuis moet plaats vinden. Er wordt geen scheiding van
moeder en kind bedoeld,--die oogenblikkelijke vrees uit het zuiver
instinkt van dierlijk moederschap voortspruitende. Maar er wordt een
andere grondslag in de familieverhouding bedoeld, het verwijderen
van het vroeger economisch fundament en een andere methode van
kindercultuur. Wij zijn immers niets meer gedwongen altijd dezelfde
handelwijze van vroeger bij het verzorgen van kleine kinderen toe te
passen, dan wij gehouden zijn haar bij de opvoeding van oudere kinderen
of bij de bloemencultuur te handhaven. Het geheele menschelijk leven
is in zijn waren aard voor verbetering vatbaar en het moederschap is
daarvan niet uitgesloten. De verhouding tusschen mannen en vrouwen,
tusschen echtgenoot en echtgenoote, tusschen ouders en kinderen
verandert onvermijdelijk met den maatschappelijken vooruitgang, maar
wij willen dit niet altijd toegeven. Wij meenen dat elke verandering
in het moederschap verkeerd moet zijn, omdat wij ons verbeelden dat
de tegenwoordige toestand de juiste is.
Onderzoeken wij dien echter, dan vinden wij dat de bestaande verhouding
tusschen ouders en kinderen tehuis volstrekt niet is zooals wij die,
als van zelf sprekend, hadden aangenomen. Wij bezitten allen zekere
idealen van het huiselijk leven, het familieleven. Doch wanneer wij
rondom ons zien, of wij lezen van honderde gevallen van ongelukkige
gezinnen, die openlijk met elkaar in vijandschap leven, dan schrijven
wij dat toe aan het individueel wangedrag der betrokken partijen,
en blijven onvoorwaardelijk aan de innerlijke volmaaktheid van
het familieleven gelooven. Doch wanneer, omgekeerd, menschen in
deze verhouding in rust en liefde en hoffelijkheid te zamen leven,
dan schrijven wij dat niet toe aan de individueele superioriteit en
deugdzaamheid dier menschen, maar dan gebruiken wij dat gezin als
voorbeeld om de schoonheid dier verhouding aan te toonen.
Voor den nauwkeurigen sociologischen opmerker is evenwel de
ware toedracht deze: zoolang de individueele en ras-vooruitgang
het best door het nauwe verbond der familieleden gediend werden,
was familie-genegenheid zeer sterk bij de menschen ontwikkeld. Zij
voelden de werkelijke beperking en de onophoudelijke wrijving der
verhouding niet. Zij berustten in de onbegrensde heerschappij van
het hoofd der familie en de dwingelandij der lagere gezaghebbers,
wijl zij geen van deze scherp omlijnde individueele bijzonderheden
bezaten, welke zoo vijandelijk tegenover de familieverhouding staan.
Maar wij hebben een stadium bereikt waarbij vooruitgang van het
individu en het ras het best gediend worden door een steeds toenemend
verschil der individuen en door een hooger en breeder opvatting
van liefde en plicht. Deze verandering oefent op de geestelijke
omstandigheden van het huiselijk leven een steeds nadeeliger
invloed uit. Onophoudelijk hooren wij klagen over slechte manieren
der hedendaagsche kinderen, over rusteloosheid der jeugd en over
ouders die hun kinderen verlaten. Het is blijkbaar nu niet meer zoo
gemakkelijk tehuis te leven als het vroeger was. Onze kinderen zijn
niet onhandelbaarder dan de kinderen uit vroeger eeuwen, maar de
toestanden waarin zij groot gebracht worden zijn niet meer geschikt
de eigenschappen te ontwikkelen, die menschelijke wezens thans
noodig hebben.
Deze toenemende wrijving onder de familieleden moet uit een zedelijk
oogpunt niet met vooroordeel beschouwd, maar met wetenschappelijke
belangstelling bestudeerd worden. Indien onze gezinnen onder de
tegenwoordige omstandigheden betrekkelijk niet op hun gemak zijn,
zijn er dan geen toestanden te scheppen, waarin diezelfde gezinnen
aangenamer kunnen leven? Neen: wij vreezen dat het niet kan. Wij meenen
dat het goed is zooals de dingen nu zijn en dat het verkeerd is te
wenschen dat zij veranderd worden. Wij meenen dat het zeer deugdzaam
is in deze ongemakkelijke toestanden te berusten en dat wij bijzonder
deugdzaam zijn, als wij de bestaande familieverhouding niet aantasten.
Deugd is een betrekkelijke term. Menschelijke deugden veranderen jaar
in jaar uit met de verandering van toestanden. Beschouwen wij eens
de groote deugd van trouw,--onzen hoogsten naam voor plicht. Zij is
een eigenschap die in het menschelijk leven waarde verkreeg, op het
oogenblik dat wij dingen begonnen te doen, die niet oogenblikkelijk
en duidelijk merkbaar voor ons zelf voordeelig waren. Voortdurende
ijver van een individu voor een op zich zelf niet aantrekkelijke taak,
was een onontbeerlijke maatschappelijke hoedanigheid en werd daarom
als deugd aangemerkt. Onveranderlijkheid, getrouwheid, oprechtheid,
plichtsgevoel, die bewuste, vrijwillige houding van het individu,
welke hem aan een te voren overeengekomen verhouding bindt, soms
levenslang, al mocht het hem persoonlijk nog zooveel schaden, deze
verhoudingen vormen het verband van het maatschappelijk lichaam. Zij
zijn het grondbeginsel van het maatschappelijk bestaan.
Een sociale deugd moet zich aan het persoonlijk geweten doen gevoelen
door een erkend en aangenomen drang, een drang waarvoor wij buigen,
een plicht tegenover anderen. Op die wijze kwam de deugd van trouw
reeds vroegtijdig in duurzame achting; hetzij in den vorm van trouw
aan het eens gegeven woord of de belofte, of trouw aan een vriend of
een groep van vrienden die voor een of ander gemeenschappelijk doel
tijdelijk vereenigd waren, of trouw aan een grooter en bestendiger
verhouding. De hoogste vorm van trouw is natuurlijk trouw aan het
grootst algemeen belang; en hier kunnen wij duidelijk den loop der
ontwikkeling van deze eigenschap volgen.
Eerst zien wij haar in het vage, nevelachtig samenhangen van de
horde der wilden, dan in de strenge vereering der gezinnen,--dien
onbegrensden plicht voor de hoogste toen bekende maatschappelijke
groep. Het was in deze periode dat gehoorzaamheid aan ouders op onze
schaal der deugden zoo hoog stond aangeschreven. De familietwisten,
de vendetta der Corsicanen, zijn een over-ontwikkeling van deze
deugd van familievereering. Daarna kwam trouw aan het opperhoofd, met
voorbijgaan zelfs van trouw aan den vader. En met den Koning,--die
dramatische verpersoonlijking van een natie,--"Zie! het Koninkrijk
Engeland komt!"--werd trouw zelfs een hartstocht. Zij werd, en om
goede redenen, boven elke andere deugd verheven, want het was niet,
zooals verondersteld wordt, de persoon des Konings die zoo vereerd
werd; het was de belichaamde natie, de ver-strekkende, gezamenlijke
belangen van elken burger, het gemeenschappelijk welzijn, waarvoor
het vrijwillig offer van elk individu gevraagd werd. Wij bezitten
nog al deze phasen van trouw, in verschillend afnemende graden;
maar wij verkrijgen thans ook een breeder opvatting van deze deugd,
meer geschikt voor onzen tijd.
De tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen zijn hoofdzakelijk
industrieele verhoudingen. Ons individueel leven, onze sociale rust
en vooruitgang hangen meer af van onze economische verhoudingen
dan van eenige andere. Gedurende langen tijd was de maatschappij
alleen ingericht op een geslachts-basis, een godsdienstige basis of
een militaire basis; elk van deze organisaties was van betrekkelijk
kortstondigen duur; en de individuen die haar samenstelden werkten
alleen op den economischen grondslag van het hulpeloos individualisme.
Plicht is een maatschappelijk gevoel en ontwikkelt zich alleen met
maatschappelijke organisatie. Toen onze burgerlijke organisatie
eene nationale werd, ontwikkelden wij het gevoel van plicht voor
den Staat. Toen de industrieele organisatie tot de tegenwoordige
wereldomvattende ingewikkelde regeling aangegroeid was, toen wij het
stadium bereikt hadden waarin onze plaats op aarde alleen houdbaar
was door onze uitgestrekte en ingewikkelde economische verhouding, met
haar snel kloppend en fijngevoelig samenstel van verkeer en algemeen
onderling dienstbetoon, toen heeft het verstand ons voor de nieuwe
sociale behoeften een nieuw soort trouw voorgeschreven,--trouw aan
ons werk. De machinist op zijn post blijvende tot hij sterft, opdat
de passagiers in den trein behouden blijven; de kassier, liever de
grootste kwellingen verdragende, dan het geheim van de brandkast te
verraden,--dezulken zijn even trouw als de dienaar uit het feudale
tijdperk die zijn meester tot den dood volgde, of de onderdaan die
alles voor zijn koning opofferde. Beroepseer, verplichtingen tegenover
het werk zelf, wat het ook kosten moge,--dat noemen wij trouw,
geloofwaardigheid, de macht om stand te houden in een verhouding,
die noodzakelijk is voor het maatschappelijk belang, zelfs wanneer
het persoonlijk belang daarmede rechtstreeks in strijd is.
De kinderen voor dit stadium van het menschelijk leven op te voeden,
daarvoor is de eigen woning niet meer voldoende en de op zich zelf
staande, primitieve, afhankelijke vrouw niet meer in staat. Niet dat
de moeder geen krachtig en alles-overheerschend gevoel van trouw en
plicht bezit, maar het is een plicht voor individuen, even als het
was in het jaar één. In haar gedwongen nijverheids-beperking is zij
onbekwaam, de hoogere arbeidsverdeeling en de loffelijke toewijding van
een menschenleven aan den vooruitgang van zijn vak te waardeeren. Zij
werd zoo slaafs mogelijk tot haar dagelijksche taak beperkt, dat
geven wij toe; maar het kwam ook niet in haar op dat het ook haar
plicht was het gehalte van haar arbeid in het belang der menschheid
te verhoogen, noch dat het een zonde was den vooruitgang der wereld
door haar tevreden berusting tegen te houden.
Zij kan niet onderwijzen wat zij niet weet. Zij kan niet, met
eenigen ernst, als plicht hoog houden, hetgeen zij zelf niet
in toepassing brengt. Het kind leert meer van de deugden noodig
voor het hedendaagsche leven,--van oprechtheid, rechtvaardigheid,
vriendschap, gemeenschapszin en gemeenschappelijk handelen--in
een openbare school dan in den besten familiekring onderwezen kan
worden. Wij kunnen, zooveel wij willen, onze kinderen den grooten
plicht zijn naaste lief te hebben en van dienst te zijn voorhouden;
maar de zuigeling wordt geboren en het kind groeit op in een omgeving,
waarin een geheel leven,--dat van zijn moeder,--gewijd wordt aan de
vergrooting van haar gezin; en waarin een ander geheel leven,--dat van
zijn vader,--zich overspant door de noodzakelijkheid van "zijn gezin
te onderhouden", zoodat verraad jegens de maatschappij gewoonlijk de
prijs is, waarmede wij het gemak in de woning betalen. De man, die
elk laag, valsch werk waarvoor hij gehuurd wordt verricht, werk dat
voortbrenger en verbruiker beiden benadeelt; die zijn gaven en talenten
beschikbaar stelt voor elken kooper die ze gebruiken kan, wordt door
mannen verontschuldigd met wat zij noemen "plichten voor het gezin"
en door het zedelijk gevoel der afhankelijke vrouwen niet gelaakt.
Dit is de atmospheer waarin het tehuis opgevoede, door de moeder
onderwezen kind opgroeit. Waarom zouden dan niet voedsel en kleederen
en gemak van eigen familieleden een eerste plaats in zijn jonge ziel
innemen? Ziet hij niet zijn eigen moeder, de boven allen geliefde,
de boven alles volmaakte in zijne oogen, rustig haar dagen besteden
in het regelen van die zaken, welke door vader's onophoudelijk zwoegen
verkregen zijn? Waarom zou hij, als hij groot is, niet voor zich zelf
zorgen, met veronachtzaming van de belangen of ten nadeele van al
de anderen, wanneer zijn vroegste, diepste indrukken gevormd worden
onder een toewijding van zóó exclusieven aard?
Het is niet de woning als plaats van familieleven en liefde die het
kind bederft, maar de woning als middelpunt van een verwarden hoop
werkzaamheden, laag in hun ongeregelden toestand en lager nog om hun
zuiver persoonlijk karakter. Werk dat alleen voor eigen belang dient,
staat het laagst. Daarop volgt het werk dat hoofdzakelijk voor het
belang van eigen gezin moet dienen. Werk dat in het belang van meer
en meer menschen, in steeds wijder kring verricht wordt, tot het ten
laatste den heiligen geest die voor de geheele wereld zorgt nabij
komt, is maatschappelijk werk in den volsten zin, en de hoogste vorm
van dienstbaarheid dien wij kunnen bereiken.
Het is dit persoonlijke in de huiselijke werkzaamheden, waardoor de
huiselijke omgeving zoo hopeloos laag staat. De korte afstand tusschen
inspanning voor en bereiking van het doel, de aanhoudende aandacht aan
persoonlijke behoeften geschonken, is voor den man slecht, slechter
nog voor de vrouw en het slechtst voor het kind. Van den aanvang af
worden zijn levensindrukken daardoor verkleind. Het gewent hem de
plichten tegenover zijn persoon te vergrooten en de plichten tegenover
de maatschappij te verkleinen en het houdt zijn geschiktmaking voor een
breeder levensopvatting zeer sterk tegen. Het dienstbode-moederschap,
met al zijn onvermijdelijke beperkingen en ziekelijke gevolgen,
is de begeleider van de economische afhankelijkheid der vrouw, het
rechtstreeksch en onafwendbaar gevolg van de sexueel-economische
verhouding.
Het kind ondergaat dien invloed gedurende de jaren dat het voor
indrukken het meest vatbaar is en voelt de slechte gevolgen er van
zijn geheele leven door. De vrouw wordt er bestendig achterlijk
door gehouden; de man in mindere mate, omdat hij door zijn normale
maatschappelijke werkzaamheden tegelijkertijd meer ontwikkelende
invloeden ondervindt. Maar toch wordt ook hij nog in groote mate
daardoor benadeeld, terwijl onze geheele beschaving er door belemmerd
en in verkeerde richting gedreven wordt.
Ook lijden wij hierdoor levenslang aan een sterk gevoel van
eigenwaarde, een alle voegen te buiten gaande lichtgeraaktheid;
wij eischen een bovenmatige aandacht en toewijding aan onze
persoonlijkheid, omdat wij geboren en groot gebracht werden in een
ware broeikast van deze hoedanigheden. Een klein kind dat een zeker
aantal uren daags onder andere kleine kinderen doorbrengt, waarvoor
wordt zorg gedragen omdat hij een klein kind is en niet omdat hij
"mijn kindje" is, zal, groot geworden, een heel ander oordeel over
zich zelf hebben dan het kind, dat opgroeit onder de onophoudelijke
bewondering en liefkoozing van eigen familieleden. Het kind moet
eens en voor altijd leeren, vriendelijk en zacht doch onverbiddelijk,
dat het een kind is als velen.
Wij erkennen dit allen zwakjes door het prijzen van groote gezinnen
en door te zeggen dat "een eenig kind geneigd is om zelfzuchtig te
worden." Dat is ook het geval met een eenig gezin. Hoe vroeger en
gemakkelijker een kind kan leeren dat menschelijk leven beteekent
het leven van vele menschen en hun gedrag tegenover elkander, des te
gelukkiger en voller en nuttiger zal zijn leven worden.
Dit kan het kind zonder eenige moeite onder bepaalde omstandigheden
geleerd worden, juist zoo als het zijn tegenwoordige zelfzucht en
lichtgeraaktheid onder de tegenwoordige omstandigheden leert. Niet
enkel temperatuur en dieet en rust en beweging oefenen invloed op
een klein kind uit. "Hij vindt het zoo prettig als er notitie van
hem genomen wordt", zeggen wij. "Hij is zoo gelukkig wanneer hij een
dozijn bewonderaars rondom zich ziet," merken wij op. Maar wat leert
onderwijl het jonge kind van dit alles? Welke indrukken vangt het op,
zoodra het ziet en hoort en langzamerhand leert opmerken? Dank zij de
rechtstreeksche gevolgtrekkingen die een helder, ontluikend verstand,
dat nog niet over ervaring beschikt, maakt, leert het dat vrouwen in
de wereld zijn om de menschen te bedienen, voor het eten te zorgen,
te vegen en te schrobben en weg te ruimen; dat mannen geschapen zijn
om dingen te huis te brengen, die hun naar gelang van omstandigheden
afgebedeld of afgeperst moeten worden; dat kleine kinderen het
voorwerp zijn van voortdurende bewondering, dat hun haar, handen of
voeten bijzonder aantrekkelijk schijnen, dat zij het brandpunt van
oplettendheid zijn, van hand tot hand gaan, geslingerd en gehost en
vermaakt worden op de wildste manier, doch ook op zijde gezet en aan
zich zelf overgelaten, zonder te overwegen wat het kind het liefst
wil en het aangenaamst is.
En dan te midden van zijn tintelend zelfbewustzijn en zijn zucht om
geprezen te worden, moet het kind hooren dat het "ondeugend" is. Het
verdriet, de schaamte, de woede over zulk een onrechtvaardigheid, de
wanhopige verbijstering, de ziekelijke prikkelbaarheid of de verdooving
van het geweten, het langzamerhand tot het teleurgesteld verstand
doordringen van al deze vroegtijdige gewaarwordingen, doen het kind
ten slotte haken naar zuiver persoonlijk genot en het legt zich toe om
dat te bemachtigen. Dit zijn de ondervindingen die de meeste kinderen
opdoen en die ook wij opdeden toen wij kinderen waren. Natuurlijk
herinneren wij ons dat niet meer. Wij hielden natuurlijk van onze
moeder en dachten dat zij volmaakt was. Vergelijkingen tusschen moeders
te maken is moeilijk voor een klein kind. Wij hielden natuurlijk
van ons huis en droomden er nooit van, dat er ook nog een andere
weg bestaat om groot gebracht te worden. En natuurlijk als wij zelf
kinderen krijgen, brengen wij ze weder op dezelfde wijze groot. Welke
andere weg bestaat er? Wat kan men er tegen hebben? Kinderen werden
immers altijd tehuis groot gebracht. Is dat niet voldoende?
En toch, verraderlijk, langzaam, onverzettelijk, terwijl wij ons
zelf vleien met de gedachte dat de toestanden dezelfde blijven,
veranderen zij onder onze oogen van jaar tot jaar, van dag tot
dag. Opvoeding, zich zelf verschuilende achter een hoop boeken, maar
al meer en meer bestaande in het groepeeren van kinderen en in het
oefenen van eigenschappen die in den schoolcursus nimmer vermeld
worden,--opvoeding, welke het menschelijk moederschap uitmaakt,
kruipt al nader en nader naar haar ware plaats, haar beste werk,--de
verzorging en opleiding van het kleine kind. Er zijn enkele vrouwen en
ook enkele mannen die de menschheid ten hoogste aan zich verplichten
door hun zorg voor kinderen. Dezulken moesten hun krachten niet
concentreeren op eigen kinderen,--een zeer twijfelachtig voordeel voor
de maatschappij--maar zij moesten zoo geplaatst worden dat hun talenten
en geschiktheid, hun kennis en ondervinding, het grootst aantal
kinderen ten goede konden komen. Er zijn vele vrouwen en vele mannen
ook, die, ofschoon zij in staat zijn mooie, gezonde kinderen voort te
brengen, niet bekwaam zijn hun een goede opvoeding te geven. Kinderen
te baren is een persoonlijke zaak, een dierlijke functie. Opvoeding
is een collectieve, menschelijke, maatschappelijke functie.
Zooals wij nu het leven geregeld hebben, loopen onze kinderen de kans
terwijl zij nog zuigelingen zijn, te leven of te sterven, ten goede
of ten kwade zich te ontwikkelen, naar gelang van de hoedanigheden
der moeder, uit wie zij geboren worden. Een onverstandige moeder is
geen beletsel voor een kind om een goede schoolopleiding en later een
goede vakopleiding deelachtig te worden; maar de opvoeding in zijn
prille jeugd, de belangrijkste in alle opzichten, is geheel in haar
handen. Het is onnoodig aan te voeren dat moeders onderwezen moeten
worden, hoe zij hunne moederplichten vervullen moeten. Men kan niet van
elke moeder een goede schoolonderwijzeres of een goede vakonderwijzeres
maken. Waarom verwacht men dan dat wel van iedere moeder eene goede
opvoedster voor kleine kinderen gemaakt kan worden? Maar welke ook
onze verwachtingen zijn, de ondervinding heeft geleerd dat niet
allen er geschikt voor zijn; en onze verkeerd opgevoede kinderen,
dezulken die de verkeerde stoffelijke behandeling te boven komen,
groeien tot menschen op, zoo als wij ze rondom ons zien.
De groei en verandering van het huiselijk en familieleven gaan
aanhoudend hun gang onder en over en door onze vooroordeelen en
overtuigingen heen; en ook de opvoeding van het kind is veranderd
en een sociale functie geworden, hoewel wij ons nog verbeelden dat
alles alleen door de moeder gedaan wordt.
In haar vroegste en meest onvolledige openbaringen maakte opvoeding
slechts deel uit van de individueele moederlijke functie wan het
vrouwelijk dier. Maar van het oogenblik af dat de menschelijke geest
in staat werd indrukken weer te geven en te ontvangen door middel van
de spraak, hierdoor werd de macht verkregen kennis uit andere bronnen
dan die van eigen ondervinding op te doen, hield de individueele
moeder op, de eenige opvoedster van haar kind te zijn. De jonge wilde
ontvangt niet alleen leiding van zijn angstige moeder, maar ook van
de hoofden en ouderen van zijn stam. Gedurende langen tijd beschouwde
men de ouden van jaren als de eenige geschikte onderwijzers, omdat
toen de meeste kennis uit persoonlijke ondervinding verkregen werd;
en hoe ouder de persoon was, des te grooter was zijn ondervinding,
indien natuurlijk, andere dingen gelijk waren, en die waren in dien
tijd maar al te veel gelijk. Dit primitieve denkbeeld bestaat nog onder
ons. Menschen matigen zich thans nog aan meer wijsheid te bezitten
omdat zij ouder zijn, stellen enkel de som hunner ondervindingen
tegenover een essentieeler en goed geregelde veelzijdigheid en vergeten
geheel, dat de wijsheid die wij tegenwoordig bezitten niet uit een
verzameling van feiten bestaat, maar in de macht om over die feiten
met een bepaald doel na te denken.
Sedert wij al meer en meer in staat zijn individueele ondervinding door
literatuur te bewaren en aan anderen mede te deelen en de daardoor
verkregen kennis door systematisch onderwijs te verspreiden, zien
wij steeds jonger en jonger menschen bijv. rijker zijn in chemische
of electrische ervaring dan "de oudste inwoner" in vroeger tijden
kon geweest zijn. Daarom zijn de hedendaagsche onderwijzers niet
meer de grijsaard en oude vrouw, maar de man of vrouw, die liefst
zoo kort mogelijk geleden de verzamelde ondervinding der wereld
opdeed. Evenals bij den onderwijzer een overgang van ouderdom tot
jeugd plaats vond, evenzoo geschiedde dit bij de leerlingen. Bij
de Grieken bezochten volwassen mannen de school. In de middeleeuwen
vulden jonge mannen de inrichtingen van onderwijs. In onze verlichte
eeuw kunnen jongens en ook meisjes gebruik maken van het zich steeds
uitbreidend schoolonderricht.
Thans is zelfs door de ontwikkeling van "den Kindergarten" het
onderwijs tot de deur der kinderkamer genaderd. Zelfs ons stekeblind
moederschap begint die deur te openen; en zoo zijn wij ten slotte
genaderd tot de studie van kleine kinderen, wij leeren hun behoeften en
gaven kennen en zien dat de opvoeding moet beginnen op het oogenblik
dat het leven aanvangt. Het is geen gewaagde ketterij te beweren dat
kleine kinderen een beter opvoeding noodig hebben dan de individueele
moeder hun geeft. Wij bedoelen alleen een weinig verder uitstrekken
van het zich geregeld uitbreidend systeem der menschelijke opvoeding,
welke met toenemende beschaving toch zal komen. En daardoor zal niet
meer inbreuk worden gemaakt op de rechten der moeder, de plichten
der moeder, het genoegen der moeder, dan de school en vakschool doen.
Wij denken immers geen kwaad van het moederschap, omdat onze
lievelingen daags vele uren in de school gaan doorbrengen. De
moeder wordt daarom niet voor zorgeloos, noch het kind voor te kort
gedaan gehouden. Wij noemen het niet een "scheiding van moeder en
kind." Er zal ook niet meer kwaad of gevaar of verlies zijn, wanneer
de kleine-kinderleeftijd in een omgeving van geoefende en voor hun
taak opgeleide personen doorgebracht wordt, die hunne behoeften beter
kennen en er beter aan te gemoet kunnen komen dan het voor de moeder
alleen tehuis mogelijk is.
Beter omgeving en beter zorg voor kleine kinderen, in 't kort een beter
opvoeding beteekent niet, zooals sommige moeders zich verbeelden,
dat de zwakke zuigeling onderwezen wordt in lezen, of zelfs dat
hij gezet zal worden aan het rangschikken van kleuren of vormen of
geluiden, welke het jonge verstand geheimzinnig tot bloei zullen
dwingen. Het beteekent hoofdzakelijk, een veel kalmer en rustiger
leven dan mogelijk is in de drukke huishouding, voor het te vurig
geliefkoosde en te zeer verzorgde kindje; en dat de indrukken die
het ontvangt met inachtneming van zijne verstandelijke vermogens
gekozen worden. De moeder zou niet uitgesloten maar geholpen worden,
evenals zij nu door den onderwijzer en de school bijgestaan wordt.
Tracht u eens, als gij wilt, een nieuwe wijze van de komst in het leven
voor den geest te roepen;--de moederborst en moederarmen vervullen
ook daar natuurlijk den dienst, welke geen ander hoe teeder ook,
kan aanbrengen; maar waarbij tevens andere hulp zou zijn. De lange,
gelukkige uren van de steeds langer wordende dagen zouden doorgebracht
worden in zonnige, zacht gekleurde vertrekken, of tusschen gras en
bloemen, of op het warme strand en aan het water. Er zouden vele
andere kinderen zijn, kinderen van denzelfden leeftijd en dezelfde
grootte, in kalme hulpvaardige vriendschap. Een jaar verschil in
leeftijd beteekent voor kleine kinderen heel veel. Denkt eens aan
de geestdrift van kleine kinderen, wanneer zij met makkertjes van
dezelfde jaren spelen, omdat zij zich dan volkomen gelijk voelen; en
bedenkt dan dat het tehuis groot gebrachte kindje zulke kameraadjes
nooit heeft, tenzij er toevallig tweelingen zijn.
In deze groote groep, in volle vriendschap levende, zou het kind
onbewust de kennis opdoen, dat "wij" menschheid zijn, dat "wij"
wezens zijn die moeten worden gevoed, bewaakt, gekleed, te slapen
gelegd, gekust en geliefkoosd en vrijgelaten om te rollen en te
spelen. Misschien zouden de moeder-uren de prettigste zijn. Dan zou het
kind heelemaal alleen aan iemand toebehooren en dit zou om het contrast
te beter gewaardeerd worden. Maar de lange, geregelde dagen zouden de
rustige lessen van gelijkheid en gemeenschappelijk belang brengen,
in plaats van de koortsige persoonlijkheid van het alleen staande
kindje in het één-kinder-huishouden, of de tallooze dwingelandijen
en kibbelarijen van een kinderkamer vol broertjes en zusjes van zeer
verschillenden leeftijd en verschillende gaven. Moeders, die er aan
gewend zijn vele andere kleine kinderen dan hun eigen waar te nemen,
zouden eensdeels beginnen iets te leeren van het klein-kinderwezen
in het algemeen en daardoor dat levensstadium veel beter begrijpen,
en anderdeels zouden zij leeren inzien, dat er verschil tusschen
kleine kinderen bestaat en zoodoende een nieuw ideaal in hun groot
werk van moederschap opdoen.
Dit alleen is reden genoeg voor een ruimer opvatting van het
moederschap. Zoolang nog ieder moeder alleen haar eigen kinderen in
volle bewondering en hartstochtelijkheid aanstaart, niets wetende van
anderen, zoolang zal deze dierlijke passie de zuiver menschelijke
hoedanigheden van het kind over- of onderschatten. Zoolang dit
voortduurt zullen wij opgroeien met het valsche, onvaste oordeel over
ons zelf, dat ons in onze kindsheid is opgedrongen. Wij mogen te goed
of te slecht van ons zelf denken, maar altijd denken wij te veel van
ons zelf, als gevolg van die ongeoefende en onveranderde concentratie
van moederlijk gevoel. Onze geheele houding tegenover het kind is te
sterk persoonlijk. Door heel ons pijnlijk later leven kampen wij om aan
dat valsche perspectief, door het primitieve moederschap onderwezen,
te ontgroeien.
Een klein kind, dat groot gebracht wordt met andere kleine kinderen zal
nimmer die moeite en dat verdriet hebben. Hoezeer zijn moeder het ook
mag liefhebben en hoeveel het ook van haar liefde geniet, het zal toch
ondervinden, dat het voor het grootste gedeelte van den tijd precies
zoo behandeld wordt als andere kinderen van denzelfden leeftijd. Zulk
een verandering zal voor het huiselijk en familieleven geen grooter
verlies medebrengen dan de school of den Kindergarten doen. Zij zal
het kleine kind niet van zijn moeder en de moeder niet van haar kind
berooven. En zulk een verandering zou de moeder een aantal uren daags
vrij geven om een gewoon mensch te zijn, een lid van een beschaafde
gemeenschap, een economische voortbrengster, een zich ontwikkelend,
zelfstandig individu. Deze ontwikkeling, vrijheid en macht zullen
van haar een verstandiger, sterker en edeler moeder maken.
Na alles wat gezegd is van de liefde en dankbaarheid voor onze
onfeilbare moeder-kindermeid, moeten wij vrouwen toch wel een zeer
hoogen dunk van onze persoonlijke belangrijkheid hebben om ons eigen
werk zoo heilig te verklaren. De moeder in dienst der maatschappij,
in plaats van in dienst van het gezin, zal haar ware moederplichten
niet verwaarloozen. Zij zal haar kind even goed liefhebben, misschien
beter, als zij er niet elk oogenblik mede in aanraking is; wanneer
zij van zijn leven naar haar leven en terug van het hare tot het
zijne gaat, met steeds nieuwe vreugde en nieuw verlangen. Zij zal
de innige, groote vreugde van het moederschap veel frisscher in haar
hart bewaren, in stem en oogen veel duidelijker uitdrukken, wanneer
de uren van individueel werk haar geest een anderen uitweg gegeven
hebben voor haar eigen deel wan den dag. Zij zal van haar werk, dat
zij lief heeft en hoog stelt, naar het leven te huis en het leven
van haar kind met graagte en met voortdurend welbehagen terugkeeren,
gezuiverd als dit dan zal zijn van de duizend kleine kwellingen,
oneenigheden en moeilijkheden die het nu zoo bederven.
Ook het kind zal dit weldoende gevolg ondervinden. Men vergist zich als
men meent dat het kleine kind, meer dan het oudere, juist de zorg en
tegenwoordigheid van de moeder noodig heeft. Een zorgvuldig onderzoek
heeft aangetoond dat een pas-geboren kind zijn eigen moeder en een
pas-bevallen moeder haar eigen kind niet kent. Men kan ze verwisselen
zonder dat een van beiden er iets van bemerkt.
De diensten van een zoogster, een kindermeid, een grootmoeder worden
door kleine kinderen dikwijls evenzeer gewaardeerd, soms beter, dan die
van de eigen moeder. De zuiver lichamelijke zorg voor een jong kind kan
even goed door de eene als door de andere verstandige, liefderijke hand
gegeven worden. Het is de geoefende hand waaraan het kind voor deze
zorg behoefte heeft, niet aan bloedverwantschap. Zoolang de moeder
het heerlijke voorrecht behoudt haar kind te kunnen zoogen, behoeft
zij nooit te vreezen dat iemand anders het kleine hartje dierbaarder
zal zijn dan zij, de gezegende verschafster van het hoogste goed dat
het kent. Een gezond, gelukkig, goed aangewend moederschap zal in
staat zijn deze functie langer en beter te vervullen dan nu gewoonte
is, tot groot voordeel voor het kind. Afgezien van deze speciale
verwantschap, zal het aldus opgevoede kleine kind gemakkelijk het
besef krijgen van een ander en breeder verwantschap.
In de vrijheid en rust van zijn kinder-slaapkamer en speelkamer,
in zijn dagelijkschen omgang met andere kinderen van zijn leeftijd,
zal het een gevoel van de juiste menschelijke verhouding, als het
ware, met de moedermelk in zich opnemen, een besef krijgen van de
rechten van anderen en van zich zelf. In plaats van zich het leven te
denken als iets waarin alle pret bestaat om door anderen rondgedragen
en geliefkoosd te worden, of ook om door anderen getiranniseerd
of onuitstaanbaar verveeld te worden, zal het kind het leven gaan
beschouwen als een gelegenheid om zich ongehinderd te ontwikkelen,
bekend te worden met zijn eigen ontluikende gaven van lichaam en
geest, in een atmospheer van lichamelijke warmte en gemak en van
kalme zielerust.
Rechtstreeksche, geconcentreerde, onveranderlijke persoonlijke liefde
is een te heete atmospheer voor een ontluikende ziel. Afwisseling met
eenzaamheid, drift en onrechtvaardigheid brengt niet de gewenschte
verandering. Een bedaard toegepaste liefde, door wijsheid verlicht,
op rechtvaardigheid gegrondvest, en door de innige toewijding van de
eigen moeder nu en dan afgewisseld, zou ons na weinige geslachten tot
andere menschen maken. De neiging en uiting van ons geheele leven
worden sterk gewijzigd door de omgeving in de kindsheid, en deze
omgeving kan verbeterd worden, evenwel niet door de individueele
moeder in de individueele woning.
Er zijn drie redenen waarom de individueele moeder nooit geschikt
gemaakt kan worden om alle zorg voor haar kinderen op zich te nemen. De
eerste twee zijn te bekend om er lang bij stil te staan, de derde is
zoo volstrekt afdoend, dat die alleen voldoende zou zijn.
Ten eerste is niet elke vrouw met de bijzondere eigenschappen en
gaven geboren, noodig om de juiste zorg voor kinderen op zich te
nemen; zij bezit er geen aanleg voor. Ten tweede kan niet iedere
vrouw de opleiding en oefening verkrijgen, noodig om haar geschikt
te maken de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij is er
niet voor opgeleid. Ten derde, zoolang elke vrouw alle zorg alleen
voor eigen kinderen op zich neemt, kan nooit een vrouw de vereischte
ondervinding er voor opdoen. Dat is de laatste hinderpaal. Dat houdt
ons menschelijk moederschap achterlijk. Geen moeder weet meer dan
haar moeder wist; geen moeder heeft ooit haar beroep geleerd; en onze
kinderen ondergaan de goed-gemeende proefnemingen van een eindelooze
reeks van amateur-opvoedsters.
Wij trachten een kindermeid te krijgen, die ondervinding heeft. Wij
zoeken een arts met ondervinding. Maar naar onze opinie is een moeder
met ondervinding eenvoudig een, die veel kinderen gebaard heeft,
alsof baren een opvoedend proces was!
De angsten van het kraambed of de angsten van een kindersterfbed, hoe
vaak ook ondervonden, dragen hoegenaamd niet bij tot de kennis van de
moeder omtrent de juiste verzorging, kleeding, voeding en onderricht
van het kind. De afdeeling opvoeding van het moederschap is geen
persoonlijke functie; het is in haar waren aard een maatschappelijke
functie; en in de volbrenging er van schieten wij betreurenswaardig
te kort.
De economisch onafhankelijke moeder, verruimd en bevrijd, versterkt
en ontwikkeld door haar maatschappelijke taak, zal als moeder beter
dienst bewijzen dan dit de afhankelijke moeder mogelijk is. Niets kan
meer de belangen der menschheid bevorderen dan verstandiger zorg en
breeder opgevatte liefde van een georganiseerd menschelijk moederschap
over onze kleine kinderen. Zulk edeler moederschap, voortbrengende
edeler kinderen en hen op edeler wijze groot brengende, zal een wereld
mogelijk maken, zooals wij die wenschen. En deze verandering nadert
overweldigend snel, ondanks onze dwaze vrees.