XIII

Wanneer wij ons de positie der vrouw onder economisch onafhankelijke

omstandigheden voor den geest stellen, dan is de vrouw in haar positie

als moeder voor velen het groote struikelblok.

Wij zijn zoo gewoon geraakt aan de oude opvatting van het moederschap,

wij gevoelen ons zoo overtuigd dat alle onderdeelen er van onderling

met elkaar in betrekking staan en niet te vervangen zijn, en wij

vreezen zoozeer door verandering van een daarvan de geheele verhouding

in gevaar te brengen, dat wij ons van eenige wenschelijke verandering

geen voorstelling kunnen maken.

Wanneer bepaalde voorstellen voor zulk een verandering aan de hand

worden gedaan,--maatregelen, waardoor kleine kinderen beter verzorgd

zullen worden dan tegenwoordig,--dan loochenen wij òf de voordeelen van

de voorgestelde verandering, òf wij beweren dat diezelfde voordeelen

ook behaald kunnen worden onder ons tegenwoordig stelsel. Evenals wij

bij het koken de eigen keukenmeid trachten te oefenen en onzen smaak te

verbeteren, zoo trachten wij ook bij de verzorging van kleine kinderen

de individueele moeder te oefenen en beter toestanden in eigen huis

te scheppen; in beide gevallen de verhouding tusschen ons algemeen

systeem en zijne bijzondere verschijnselen voorbijziende. Ofschoon

bewezen kan worden dat de woning als plaats om kinderen groot te

brengen, voor zoo ver het de lichamelijke omstandigheden betreft,

geschikt gemaakt kan worden, handhaven wij daartegenover met kracht

deze waarheid: dat voor het geestelijk leven van het jonge kind het

gezin met zijn leven vol aandoeningen geen geschikte omgeving is.

Er is een tijd in de menschelijke geschiedenis geweest dat de woning

ook voor het geestelijk leven van het kind de beste plaats was. Toen

de vooruitgang zijn voornaamste drijfkracht aan de geslachts-drift

ontleende en onze hoogste aandoeningen die waren, waardoor wij in

familieverhouding samen bleven, was het natuurlijk voor het kind het

beste een opvoeding en omgeving te hebben, waarin zulke aandoeningen

gekweekt en versterkt werden. Maar in het levensstadium dat wij thans

tegemoet gaan, waarin de familieverwantschap slechts een deel van het

leven uitmaakt en de individuen, die in maatschappelijke verhouding

tot ons staan onze hoogste toewijding behoeven, heeft het kind nieuwe

behoeften gekregen.

Hiermede wordt niet bedoeld, hetgeen de panische schrik aan

het onberedeneerde verstand zal ingeven, dat onmiddellijk het

tegenovergestelde, verbreking van den familiekring of vernietiging

van het tehuis moet plaats vinden. Er wordt geen scheiding van

moeder en kind bedoeld,--die oogenblikkelijke vrees uit het zuiver

instinkt van dierlijk moederschap voortspruitende. Maar er wordt een

andere grondslag in de familieverhouding bedoeld, het verwijderen

van het vroeger economisch fundament en een andere methode van

kindercultuur. Wij zijn immers niets meer gedwongen altijd dezelfde

handelwijze van vroeger bij het verzorgen van kleine kinderen toe te

passen, dan wij gehouden zijn haar bij de opvoeding van oudere kinderen

of bij de bloemencultuur te handhaven. Het geheele menschelijk leven

is in zijn waren aard voor verbetering vatbaar en het moederschap is

daarvan niet uitgesloten. De verhouding tusschen mannen en vrouwen,

tusschen echtgenoot en echtgenoote, tusschen ouders en kinderen

verandert onvermijdelijk met den maatschappelijken vooruitgang, maar

wij willen dit niet altijd toegeven. Wij meenen dat elke verandering

in het moederschap verkeerd moet zijn, omdat wij ons verbeelden dat

de tegenwoordige toestand de juiste is.

Onderzoeken wij dien echter, dan vinden wij dat de bestaande verhouding

tusschen ouders en kinderen tehuis volstrekt niet is zooals wij die,

als van zelf sprekend, hadden aangenomen. Wij bezitten allen zekere

idealen van het huiselijk leven, het familieleven. Doch wanneer wij

rondom ons zien, of wij lezen van honderde gevallen van ongelukkige

gezinnen, die openlijk met elkaar in vijandschap leven, dan schrijven

wij dat toe aan het individueel wangedrag der betrokken partijen,

en blijven onvoorwaardelijk aan de innerlijke volmaaktheid van

het familieleven gelooven. Doch wanneer, omgekeerd, menschen in

deze verhouding in rust en liefde en hoffelijkheid te zamen leven,

dan schrijven wij dat niet toe aan de individueele superioriteit en

deugdzaamheid dier menschen, maar dan gebruiken wij dat gezin als

voorbeeld om de schoonheid dier verhouding aan te toonen.

Voor den nauwkeurigen sociologischen opmerker is evenwel de

ware toedracht deze: zoolang de individueele en ras-vooruitgang

het best door het nauwe verbond der familieleden gediend werden,

was familie-genegenheid zeer sterk bij de menschen ontwikkeld. Zij

voelden de werkelijke beperking en de onophoudelijke wrijving der

verhouding niet. Zij berustten in de onbegrensde heerschappij van

het hoofd der familie en de dwingelandij der lagere gezaghebbers,

wijl zij geen van deze scherp omlijnde individueele bijzonderheden

bezaten, welke zoo vijandelijk tegenover de familieverhouding staan.

Maar wij hebben een stadium bereikt waarbij vooruitgang van het

individu en het ras het best gediend worden door een steeds toenemend

verschil der individuen en door een hooger en breeder opvatting

van liefde en plicht. Deze verandering oefent op de geestelijke

omstandigheden van het huiselijk leven een steeds nadeeliger

invloed uit. Onophoudelijk hooren wij klagen over slechte manieren

der hedendaagsche kinderen, over rusteloosheid der jeugd en over

ouders die hun kinderen verlaten. Het is blijkbaar nu niet meer zoo

gemakkelijk tehuis te leven als het vroeger was. Onze kinderen zijn

niet onhandelbaarder dan de kinderen uit vroeger eeuwen, maar de

toestanden waarin zij groot gebracht worden zijn niet meer geschikt

de eigenschappen te ontwikkelen, die menschelijke wezens thans

noodig hebben.

Deze toenemende wrijving onder de familieleden moet uit een zedelijk

oogpunt niet met vooroordeel beschouwd, maar met wetenschappelijke

belangstelling bestudeerd worden. Indien onze gezinnen onder de

tegenwoordige omstandigheden betrekkelijk niet op hun gemak zijn,

zijn er dan geen toestanden te scheppen, waarin diezelfde gezinnen

aangenamer kunnen leven? Neen: wij vreezen dat het niet kan. Wij meenen

dat het goed is zooals de dingen nu zijn en dat het verkeerd is te

wenschen dat zij veranderd worden. Wij meenen dat het zeer deugdzaam

is in deze ongemakkelijke toestanden te berusten en dat wij bijzonder

deugdzaam zijn, als wij de bestaande familieverhouding niet aantasten.

Deugd is een betrekkelijke term. Menschelijke deugden veranderen jaar

in jaar uit met de verandering van toestanden. Beschouwen wij eens

de groote deugd van trouw,--onzen hoogsten naam voor plicht. Zij is

een eigenschap die in het menschelijk leven waarde verkreeg, op het

oogenblik dat wij dingen begonnen te doen, die niet oogenblikkelijk

en duidelijk merkbaar voor ons zelf voordeelig waren. Voortdurende

ijver van een individu voor een op zich zelf niet aantrekkelijke taak,

was een onontbeerlijke maatschappelijke hoedanigheid en werd daarom

als deugd aangemerkt. Onveranderlijkheid, getrouwheid, oprechtheid,

plichtsgevoel, die bewuste, vrijwillige houding van het individu,

welke hem aan een te voren overeengekomen verhouding bindt, soms

levenslang, al mocht het hem persoonlijk nog zooveel schaden, deze

verhoudingen vormen het verband van het maatschappelijk lichaam. Zij

zijn het grondbeginsel van het maatschappelijk bestaan.

Een sociale deugd moet zich aan het persoonlijk geweten doen gevoelen

door een erkend en aangenomen drang, een drang waarvoor wij buigen,

een plicht tegenover anderen. Op die wijze kwam de deugd van trouw

reeds vroegtijdig in duurzame achting; hetzij in den vorm van trouw

aan het eens gegeven woord of de belofte, of trouw aan een vriend of

een groep van vrienden die voor een of ander gemeenschappelijk doel

tijdelijk vereenigd waren, of trouw aan een grooter en bestendiger

verhouding. De hoogste vorm van trouw is natuurlijk trouw aan het

grootst algemeen belang; en hier kunnen wij duidelijk den loop der

ontwikkeling van deze eigenschap volgen.

Eerst zien wij haar in het vage, nevelachtig samenhangen van de

horde der wilden, dan in de strenge vereering der gezinnen,--dien

onbegrensden plicht voor de hoogste toen bekende maatschappelijke

groep. Het was in deze periode dat gehoorzaamheid aan ouders op onze

schaal der deugden zoo hoog stond aangeschreven. De familietwisten,

de vendetta der Corsicanen, zijn een over-ontwikkeling van deze

deugd van familievereering. Daarna kwam trouw aan het opperhoofd, met

voorbijgaan zelfs van trouw aan den vader. En met den Koning,--die

dramatische verpersoonlijking van een natie,--"Zie! het Koninkrijk

Engeland komt!"--werd trouw zelfs een hartstocht. Zij werd, en om

goede redenen, boven elke andere deugd verheven, want het was niet,

zooals verondersteld wordt, de persoon des Konings die zoo vereerd

werd; het was de belichaamde natie, de ver-strekkende, gezamenlijke

belangen van elken burger, het gemeenschappelijk welzijn, waarvoor

het vrijwillig offer van elk individu gevraagd werd. Wij bezitten

nog al deze phasen van trouw, in verschillend afnemende graden;

maar wij verkrijgen thans ook een breeder opvatting van deze deugd,

meer geschikt voor onzen tijd.

De tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen zijn hoofdzakelijk

industrieele verhoudingen. Ons individueel leven, onze sociale rust

en vooruitgang hangen meer af van onze economische verhoudingen

dan van eenige andere. Gedurende langen tijd was de maatschappij

alleen ingericht op een geslachts-basis, een godsdienstige basis of

een militaire basis; elk van deze organisaties was van betrekkelijk

kortstondigen duur; en de individuen die haar samenstelden werkten

alleen op den economischen grondslag van het hulpeloos individualisme.

Plicht is een maatschappelijk gevoel en ontwikkelt zich alleen met

maatschappelijke organisatie. Toen onze burgerlijke organisatie

eene nationale werd, ontwikkelden wij het gevoel van plicht voor

den Staat. Toen de industrieele organisatie tot de tegenwoordige

wereldomvattende ingewikkelde regeling aangegroeid was, toen wij het

stadium bereikt hadden waarin onze plaats op aarde alleen houdbaar

was door onze uitgestrekte en ingewikkelde economische verhouding, met

haar snel kloppend en fijngevoelig samenstel van verkeer en algemeen

onderling dienstbetoon, toen heeft het verstand ons voor de nieuwe

sociale behoeften een nieuw soort trouw voorgeschreven,--trouw aan

ons werk. De machinist op zijn post blijvende tot hij sterft, opdat

de passagiers in den trein behouden blijven; de kassier, liever de

grootste kwellingen verdragende, dan het geheim van de brandkast te

verraden,--dezulken zijn even trouw als de dienaar uit het feudale

tijdperk die zijn meester tot den dood volgde, of de onderdaan die

alles voor zijn koning opofferde. Beroepseer, verplichtingen tegenover

het werk zelf, wat het ook kosten moge,--dat noemen wij trouw,

geloofwaardigheid, de macht om stand te houden in een verhouding,

die noodzakelijk is voor het maatschappelijk belang, zelfs wanneer

het persoonlijk belang daarmede rechtstreeks in strijd is.

De kinderen voor dit stadium van het menschelijk leven op te voeden,

daarvoor is de eigen woning niet meer voldoende en de op zich zelf

staande, primitieve, afhankelijke vrouw niet meer in staat. Niet dat

de moeder geen krachtig en alles-overheerschend gevoel van trouw en

plicht bezit, maar het is een plicht voor individuen, even als het

was in het jaar één. In haar gedwongen nijverheids-beperking is zij

onbekwaam, de hoogere arbeidsverdeeling en de loffelijke toewijding van

een menschenleven aan den vooruitgang van zijn vak te waardeeren. Zij

werd zoo slaafs mogelijk tot haar dagelijksche taak beperkt, dat

geven wij toe; maar het kwam ook niet in haar op dat het ook haar

plicht was het gehalte van haar arbeid in het belang der menschheid

te verhoogen, noch dat het een zonde was den vooruitgang der wereld

door haar tevreden berusting tegen te houden.

Zij kan niet onderwijzen wat zij niet weet. Zij kan niet, met

eenigen ernst, als plicht hoog houden, hetgeen zij zelf niet

in toepassing brengt. Het kind leert meer van de deugden noodig

voor het hedendaagsche leven,--van oprechtheid, rechtvaardigheid,

vriendschap, gemeenschapszin en gemeenschappelijk handelen--in

een openbare school dan in den besten familiekring onderwezen kan

worden. Wij kunnen, zooveel wij willen, onze kinderen den grooten

plicht zijn naaste lief te hebben en van dienst te zijn voorhouden;

maar de zuigeling wordt geboren en het kind groeit op in een omgeving,

waarin een geheel leven,--dat van zijn moeder,--gewijd wordt aan de

vergrooting van haar gezin; en waarin een ander geheel leven,--dat van

zijn vader,--zich overspant door de noodzakelijkheid van "zijn gezin

te onderhouden", zoodat verraad jegens de maatschappij gewoonlijk de

prijs is, waarmede wij het gemak in de woning betalen. De man, die

elk laag, valsch werk waarvoor hij gehuurd wordt verricht, werk dat

voortbrenger en verbruiker beiden benadeelt; die zijn gaven en talenten

beschikbaar stelt voor elken kooper die ze gebruiken kan, wordt door

mannen verontschuldigd met wat zij noemen "plichten voor het gezin"

en door het zedelijk gevoel der afhankelijke vrouwen niet gelaakt.

Dit is de atmospheer waarin het tehuis opgevoede, door de moeder

onderwezen kind opgroeit. Waarom zouden dan niet voedsel en kleederen

en gemak van eigen familieleden een eerste plaats in zijn jonge ziel

innemen? Ziet hij niet zijn eigen moeder, de boven allen geliefde,

de boven alles volmaakte in zijne oogen, rustig haar dagen besteden

in het regelen van die zaken, welke door vader's onophoudelijk zwoegen

verkregen zijn? Waarom zou hij, als hij groot is, niet voor zich zelf

zorgen, met veronachtzaming van de belangen of ten nadeele van al

de anderen, wanneer zijn vroegste, diepste indrukken gevormd worden

onder een toewijding van zóó exclusieven aard?

Het is niet de woning als plaats van familieleven en liefde die het

kind bederft, maar de woning als middelpunt van een verwarden hoop

werkzaamheden, laag in hun ongeregelden toestand en lager nog om hun

zuiver persoonlijk karakter. Werk dat alleen voor eigen belang dient,

staat het laagst. Daarop volgt het werk dat hoofdzakelijk voor het

belang van eigen gezin moet dienen. Werk dat in het belang van meer

en meer menschen, in steeds wijder kring verricht wordt, tot het ten

laatste den heiligen geest die voor de geheele wereld zorgt nabij

komt, is maatschappelijk werk in den volsten zin, en de hoogste vorm

van dienstbaarheid dien wij kunnen bereiken.

Het is dit persoonlijke in de huiselijke werkzaamheden, waardoor de

huiselijke omgeving zoo hopeloos laag staat. De korte afstand tusschen

inspanning voor en bereiking van het doel, de aanhoudende aandacht aan

persoonlijke behoeften geschonken, is voor den man slecht, slechter

nog voor de vrouw en het slechtst voor het kind. Van den aanvang af

worden zijn levensindrukken daardoor verkleind. Het gewent hem de

plichten tegenover zijn persoon te vergrooten en de plichten tegenover

de maatschappij te verkleinen en het houdt zijn geschiktmaking voor een

breeder levensopvatting zeer sterk tegen. Het dienstbode-moederschap,

met al zijn onvermijdelijke beperkingen en ziekelijke gevolgen,

is de begeleider van de economische afhankelijkheid der vrouw, het

rechtstreeksch en onafwendbaar gevolg van de sexueel-economische

verhouding.

Het kind ondergaat dien invloed gedurende de jaren dat het voor

indrukken het meest vatbaar is en voelt de slechte gevolgen er van

zijn geheele leven door. De vrouw wordt er bestendig achterlijk

door gehouden; de man in mindere mate, omdat hij door zijn normale

maatschappelijke werkzaamheden tegelijkertijd meer ontwikkelende

invloeden ondervindt. Maar toch wordt ook hij nog in groote mate

daardoor benadeeld, terwijl onze geheele beschaving er door belemmerd

en in verkeerde richting gedreven wordt.

Ook lijden wij hierdoor levenslang aan een sterk gevoel van

eigenwaarde, een alle voegen te buiten gaande lichtgeraaktheid;

wij eischen een bovenmatige aandacht en toewijding aan onze

persoonlijkheid, omdat wij geboren en groot gebracht werden in een

ware broeikast van deze hoedanigheden. Een klein kind dat een zeker

aantal uren daags onder andere kleine kinderen doorbrengt, waarvoor

wordt zorg gedragen omdat hij een klein kind is en niet omdat hij

"mijn kindje" is, zal, groot geworden, een heel ander oordeel over

zich zelf hebben dan het kind, dat opgroeit onder de onophoudelijke

bewondering en liefkoozing van eigen familieleden. Het kind moet

eens en voor altijd leeren, vriendelijk en zacht doch onverbiddelijk,

dat het een kind is als velen.

Wij erkennen dit allen zwakjes door het prijzen van groote gezinnen

en door te zeggen dat "een eenig kind geneigd is om zelfzuchtig te

worden." Dat is ook het geval met een eenig gezin. Hoe vroeger en

gemakkelijker een kind kan leeren dat menschelijk leven beteekent

het leven van vele menschen en hun gedrag tegenover elkander, des te

gelukkiger en voller en nuttiger zal zijn leven worden.

Dit kan het kind zonder eenige moeite onder bepaalde omstandigheden

geleerd worden, juist zoo als het zijn tegenwoordige zelfzucht en

lichtgeraaktheid onder de tegenwoordige omstandigheden leert. Niet

enkel temperatuur en dieet en rust en beweging oefenen invloed op

een klein kind uit. "Hij vindt het zoo prettig als er notitie van

hem genomen wordt", zeggen wij. "Hij is zoo gelukkig wanneer hij een

dozijn bewonderaars rondom zich ziet," merken wij op. Maar wat leert

onderwijl het jonge kind van dit alles? Welke indrukken vangt het op,

zoodra het ziet en hoort en langzamerhand leert opmerken? Dank zij de

rechtstreeksche gevolgtrekkingen die een helder, ontluikend verstand,

dat nog niet over ervaring beschikt, maakt, leert het dat vrouwen in

de wereld zijn om de menschen te bedienen, voor het eten te zorgen,

te vegen en te schrobben en weg te ruimen; dat mannen geschapen zijn

om dingen te huis te brengen, die hun naar gelang van omstandigheden

afgebedeld of afgeperst moeten worden; dat kleine kinderen het

voorwerp zijn van voortdurende bewondering, dat hun haar, handen of

voeten bijzonder aantrekkelijk schijnen, dat zij het brandpunt van

oplettendheid zijn, van hand tot hand gaan, geslingerd en gehost en

vermaakt worden op de wildste manier, doch ook op zijde gezet en aan

zich zelf overgelaten, zonder te overwegen wat het kind het liefst

wil en het aangenaamst is.

En dan te midden van zijn tintelend zelfbewustzijn en zijn zucht om

geprezen te worden, moet het kind hooren dat het "ondeugend" is. Het

verdriet, de schaamte, de woede over zulk een onrechtvaardigheid, de

wanhopige verbijstering, de ziekelijke prikkelbaarheid of de verdooving

van het geweten, het langzamerhand tot het teleurgesteld verstand

doordringen van al deze vroegtijdige gewaarwordingen, doen het kind

ten slotte haken naar zuiver persoonlijk genot en het legt zich toe om

dat te bemachtigen. Dit zijn de ondervindingen die de meeste kinderen

opdoen en die ook wij opdeden toen wij kinderen waren. Natuurlijk

herinneren wij ons dat niet meer. Wij hielden natuurlijk van onze

moeder en dachten dat zij volmaakt was. Vergelijkingen tusschen moeders

te maken is moeilijk voor een klein kind. Wij hielden natuurlijk

van ons huis en droomden er nooit van, dat er ook nog een andere

weg bestaat om groot gebracht te worden. En natuurlijk als wij zelf

kinderen krijgen, brengen wij ze weder op dezelfde wijze groot. Welke

andere weg bestaat er? Wat kan men er tegen hebben? Kinderen werden

immers altijd tehuis groot gebracht. Is dat niet voldoende?

En toch, verraderlijk, langzaam, onverzettelijk, terwijl wij ons

zelf vleien met de gedachte dat de toestanden dezelfde blijven,

veranderen zij onder onze oogen van jaar tot jaar, van dag tot

dag. Opvoeding, zich zelf verschuilende achter een hoop boeken, maar

al meer en meer bestaande in het groepeeren van kinderen en in het

oefenen van eigenschappen die in den schoolcursus nimmer vermeld

worden,--opvoeding, welke het menschelijk moederschap uitmaakt,

kruipt al nader en nader naar haar ware plaats, haar beste werk,--de

verzorging en opleiding van het kleine kind. Er zijn enkele vrouwen en

ook enkele mannen die de menschheid ten hoogste aan zich verplichten

door hun zorg voor kinderen. Dezulken moesten hun krachten niet

concentreeren op eigen kinderen,--een zeer twijfelachtig voordeel voor

de maatschappij--maar zij moesten zoo geplaatst worden dat hun talenten

en geschiktheid, hun kennis en ondervinding, het grootst aantal

kinderen ten goede konden komen. Er zijn vele vrouwen en vele mannen

ook, die, ofschoon zij in staat zijn mooie, gezonde kinderen voort te

brengen, niet bekwaam zijn hun een goede opvoeding te geven. Kinderen

te baren is een persoonlijke zaak, een dierlijke functie. Opvoeding

is een collectieve, menschelijke, maatschappelijke functie.

Zooals wij nu het leven geregeld hebben, loopen onze kinderen de kans

terwijl zij nog zuigelingen zijn, te leven of te sterven, ten goede

of ten kwade zich te ontwikkelen, naar gelang van de hoedanigheden

der moeder, uit wie zij geboren worden. Een onverstandige moeder is

geen beletsel voor een kind om een goede schoolopleiding en later een

goede vakopleiding deelachtig te worden; maar de opvoeding in zijn

prille jeugd, de belangrijkste in alle opzichten, is geheel in haar

handen. Het is onnoodig aan te voeren dat moeders onderwezen moeten

worden, hoe zij hunne moederplichten vervullen moeten. Men kan niet van

elke moeder een goede schoolonderwijzeres of een goede vakonderwijzeres

maken. Waarom verwacht men dan dat wel van iedere moeder eene goede

opvoedster voor kleine kinderen gemaakt kan worden? Maar welke ook

onze verwachtingen zijn, de ondervinding heeft geleerd dat niet

allen er geschikt voor zijn; en onze verkeerd opgevoede kinderen,

dezulken die de verkeerde stoffelijke behandeling te boven komen,

groeien tot menschen op, zoo als wij ze rondom ons zien.

De groei en verandering van het huiselijk en familieleven gaan

aanhoudend hun gang onder en over en door onze vooroordeelen en

overtuigingen heen; en ook de opvoeding van het kind is veranderd

en een sociale functie geworden, hoewel wij ons nog verbeelden dat

alles alleen door de moeder gedaan wordt.

In haar vroegste en meest onvolledige openbaringen maakte opvoeding

slechts deel uit van de individueele moederlijke functie wan het

vrouwelijk dier. Maar van het oogenblik af dat de menschelijke geest

in staat werd indrukken weer te geven en te ontvangen door middel van

de spraak, hierdoor werd de macht verkregen kennis uit andere bronnen

dan die van eigen ondervinding op te doen, hield de individueele

moeder op, de eenige opvoedster van haar kind te zijn. De jonge wilde

ontvangt niet alleen leiding van zijn angstige moeder, maar ook van

de hoofden en ouderen van zijn stam. Gedurende langen tijd beschouwde

men de ouden van jaren als de eenige geschikte onderwijzers, omdat

toen de meeste kennis uit persoonlijke ondervinding verkregen werd;

en hoe ouder de persoon was, des te grooter was zijn ondervinding,

indien natuurlijk, andere dingen gelijk waren, en die waren in dien

tijd maar al te veel gelijk. Dit primitieve denkbeeld bestaat nog onder

ons. Menschen matigen zich thans nog aan meer wijsheid te bezitten

omdat zij ouder zijn, stellen enkel de som hunner ondervindingen

tegenover een essentieeler en goed geregelde veelzijdigheid en vergeten

geheel, dat de wijsheid die wij tegenwoordig bezitten niet uit een

verzameling van feiten bestaat, maar in de macht om over die feiten

met een bepaald doel na te denken.

Sedert wij al meer en meer in staat zijn individueele ondervinding door

literatuur te bewaren en aan anderen mede te deelen en de daardoor

verkregen kennis door systematisch onderwijs te verspreiden, zien

wij steeds jonger en jonger menschen bijv. rijker zijn in chemische

of electrische ervaring dan "de oudste inwoner" in vroeger tijden

kon geweest zijn. Daarom zijn de hedendaagsche onderwijzers niet

meer de grijsaard en oude vrouw, maar de man of vrouw, die liefst

zoo kort mogelijk geleden de verzamelde ondervinding der wereld

opdeed. Evenals bij den onderwijzer een overgang van ouderdom tot

jeugd plaats vond, evenzoo geschiedde dit bij de leerlingen. Bij

de Grieken bezochten volwassen mannen de school. In de middeleeuwen

vulden jonge mannen de inrichtingen van onderwijs. In onze verlichte

eeuw kunnen jongens en ook meisjes gebruik maken van het zich steeds

uitbreidend schoolonderricht.

Thans is zelfs door de ontwikkeling van "den Kindergarten" het

onderwijs tot de deur der kinderkamer genaderd. Zelfs ons stekeblind

moederschap begint die deur te openen; en zoo zijn wij ten slotte

genaderd tot de studie van kleine kinderen, wij leeren hun behoeften en

gaven kennen en zien dat de opvoeding moet beginnen op het oogenblik

dat het leven aanvangt. Het is geen gewaagde ketterij te beweren dat

kleine kinderen een beter opvoeding noodig hebben dan de individueele

moeder hun geeft. Wij bedoelen alleen een weinig verder uitstrekken

van het zich geregeld uitbreidend systeem der menschelijke opvoeding,

welke met toenemende beschaving toch zal komen. En daardoor zal niet

meer inbreuk worden gemaakt op de rechten der moeder, de plichten

der moeder, het genoegen der moeder, dan de school en vakschool doen.

Wij denken immers geen kwaad van het moederschap, omdat onze

lievelingen daags vele uren in de school gaan doorbrengen. De

moeder wordt daarom niet voor zorgeloos, noch het kind voor te kort

gedaan gehouden. Wij noemen het niet een "scheiding van moeder en

kind." Er zal ook niet meer kwaad of gevaar of verlies zijn, wanneer

de kleine-kinderleeftijd in een omgeving van geoefende en voor hun

taak opgeleide personen doorgebracht wordt, die hunne behoeften beter

kennen en er beter aan te gemoet kunnen komen dan het voor de moeder

alleen tehuis mogelijk is.

Beter omgeving en beter zorg voor kleine kinderen, in 't kort een beter

opvoeding beteekent niet, zooals sommige moeders zich verbeelden,

dat de zwakke zuigeling onderwezen wordt in lezen, of zelfs dat

hij gezet zal worden aan het rangschikken van kleuren of vormen of

geluiden, welke het jonge verstand geheimzinnig tot bloei zullen

dwingen. Het beteekent hoofdzakelijk, een veel kalmer en rustiger

leven dan mogelijk is in de drukke huishouding, voor het te vurig

geliefkoosde en te zeer verzorgde kindje; en dat de indrukken die

het ontvangt met inachtneming van zijne verstandelijke vermogens

gekozen worden. De moeder zou niet uitgesloten maar geholpen worden,

evenals zij nu door den onderwijzer en de school bijgestaan wordt.

Tracht u eens, als gij wilt, een nieuwe wijze van de komst in het leven

voor den geest te roepen;--de moederborst en moederarmen vervullen

ook daar natuurlijk den dienst, welke geen ander hoe teeder ook,

kan aanbrengen; maar waarbij tevens andere hulp zou zijn. De lange,

gelukkige uren van de steeds langer wordende dagen zouden doorgebracht

worden in zonnige, zacht gekleurde vertrekken, of tusschen gras en

bloemen, of op het warme strand en aan het water. Er zouden vele

andere kinderen zijn, kinderen van denzelfden leeftijd en dezelfde

grootte, in kalme hulpvaardige vriendschap. Een jaar verschil in

leeftijd beteekent voor kleine kinderen heel veel. Denkt eens aan

de geestdrift van kleine kinderen, wanneer zij met makkertjes van

dezelfde jaren spelen, omdat zij zich dan volkomen gelijk voelen; en

bedenkt dan dat het tehuis groot gebrachte kindje zulke kameraadjes

nooit heeft, tenzij er toevallig tweelingen zijn.

In deze groote groep, in volle vriendschap levende, zou het kind

onbewust de kennis opdoen, dat "wij" menschheid zijn, dat "wij"

wezens zijn die moeten worden gevoed, bewaakt, gekleed, te slapen

gelegd, gekust en geliefkoosd en vrijgelaten om te rollen en te

spelen. Misschien zouden de moeder-uren de prettigste zijn. Dan zou het

kind heelemaal alleen aan iemand toebehooren en dit zou om het contrast

te beter gewaardeerd worden. Maar de lange, geregelde dagen zouden de

rustige lessen van gelijkheid en gemeenschappelijk belang brengen,

in plaats van de koortsige persoonlijkheid van het alleen staande

kindje in het één-kinder-huishouden, of de tallooze dwingelandijen

en kibbelarijen van een kinderkamer vol broertjes en zusjes van zeer

verschillenden leeftijd en verschillende gaven. Moeders, die er aan

gewend zijn vele andere kleine kinderen dan hun eigen waar te nemen,

zouden eensdeels beginnen iets te leeren van het klein-kinderwezen

in het algemeen en daardoor dat levensstadium veel beter begrijpen,

en anderdeels zouden zij leeren inzien, dat er verschil tusschen

kleine kinderen bestaat en zoodoende een nieuw ideaal in hun groot

werk van moederschap opdoen.

Dit alleen is reden genoeg voor een ruimer opvatting van het

moederschap. Zoolang nog ieder moeder alleen haar eigen kinderen in

volle bewondering en hartstochtelijkheid aanstaart, niets wetende van

anderen, zoolang zal deze dierlijke passie de zuiver menschelijke

hoedanigheden van het kind over- of onderschatten. Zoolang dit

voortduurt zullen wij opgroeien met het valsche, onvaste oordeel over

ons zelf, dat ons in onze kindsheid is opgedrongen. Wij mogen te goed

of te slecht van ons zelf denken, maar altijd denken wij te veel van

ons zelf, als gevolg van die ongeoefende en onveranderde concentratie

van moederlijk gevoel. Onze geheele houding tegenover het kind is te

sterk persoonlijk. Door heel ons pijnlijk later leven kampen wij om aan

dat valsche perspectief, door het primitieve moederschap onderwezen,

te ontgroeien.

Een klein kind, dat groot gebracht wordt met andere kleine kinderen zal

nimmer die moeite en dat verdriet hebben. Hoezeer zijn moeder het ook

mag liefhebben en hoeveel het ook van haar liefde geniet, het zal toch

ondervinden, dat het voor het grootste gedeelte van den tijd precies

zoo behandeld wordt als andere kinderen van denzelfden leeftijd. Zulk

een verandering zal voor het huiselijk en familieleven geen grooter

verlies medebrengen dan de school of den Kindergarten doen. Zij zal

het kleine kind niet van zijn moeder en de moeder niet van haar kind

berooven. En zulk een verandering zou de moeder een aantal uren daags

vrij geven om een gewoon mensch te zijn, een lid van een beschaafde

gemeenschap, een economische voortbrengster, een zich ontwikkelend,

zelfstandig individu. Deze ontwikkeling, vrijheid en macht zullen

van haar een verstandiger, sterker en edeler moeder maken.

Na alles wat gezegd is van de liefde en dankbaarheid voor onze

onfeilbare moeder-kindermeid, moeten wij vrouwen toch wel een zeer

hoogen dunk van onze persoonlijke belangrijkheid hebben om ons eigen

werk zoo heilig te verklaren. De moeder in dienst der maatschappij,

in plaats van in dienst van het gezin, zal haar ware moederplichten

niet verwaarloozen. Zij zal haar kind even goed liefhebben, misschien

beter, als zij er niet elk oogenblik mede in aanraking is; wanneer

zij van zijn leven naar haar leven en terug van het hare tot het

zijne gaat, met steeds nieuwe vreugde en nieuw verlangen. Zij zal

de innige, groote vreugde van het moederschap veel frisscher in haar

hart bewaren, in stem en oogen veel duidelijker uitdrukken, wanneer

de uren van individueel werk haar geest een anderen uitweg gegeven

hebben voor haar eigen deel wan den dag. Zij zal van haar werk, dat

zij lief heeft en hoog stelt, naar het leven te huis en het leven

van haar kind met graagte en met voortdurend welbehagen terugkeeren,

gezuiverd als dit dan zal zijn van de duizend kleine kwellingen,

oneenigheden en moeilijkheden die het nu zoo bederven.

Ook het kind zal dit weldoende gevolg ondervinden. Men vergist zich als

men meent dat het kleine kind, meer dan het oudere, juist de zorg en

tegenwoordigheid van de moeder noodig heeft. Een zorgvuldig onderzoek

heeft aangetoond dat een pas-geboren kind zijn eigen moeder en een

pas-bevallen moeder haar eigen kind niet kent. Men kan ze verwisselen

zonder dat een van beiden er iets van bemerkt.

De diensten van een zoogster, een kindermeid, een grootmoeder worden

door kleine kinderen dikwijls evenzeer gewaardeerd, soms beter, dan die

van de eigen moeder. De zuiver lichamelijke zorg voor een jong kind kan

even goed door de eene als door de andere verstandige, liefderijke hand

gegeven worden. Het is de geoefende hand waaraan het kind voor deze

zorg behoefte heeft, niet aan bloedverwantschap. Zoolang de moeder

het heerlijke voorrecht behoudt haar kind te kunnen zoogen, behoeft

zij nooit te vreezen dat iemand anders het kleine hartje dierbaarder

zal zijn dan zij, de gezegende verschafster van het hoogste goed dat

het kent. Een gezond, gelukkig, goed aangewend moederschap zal in

staat zijn deze functie langer en beter te vervullen dan nu gewoonte

is, tot groot voordeel voor het kind. Afgezien van deze speciale

verwantschap, zal het aldus opgevoede kleine kind gemakkelijk het

besef krijgen van een ander en breeder verwantschap.

In de vrijheid en rust van zijn kinder-slaapkamer en speelkamer,

in zijn dagelijkschen omgang met andere kinderen van zijn leeftijd,

zal het een gevoel van de juiste menschelijke verhouding, als het

ware, met de moedermelk in zich opnemen, een besef krijgen van de

rechten van anderen en van zich zelf. In plaats van zich het leven te

denken als iets waarin alle pret bestaat om door anderen rondgedragen

en geliefkoosd te worden, of ook om door anderen getiranniseerd

of onuitstaanbaar verveeld te worden, zal het kind het leven gaan

beschouwen als een gelegenheid om zich ongehinderd te ontwikkelen,

bekend te worden met zijn eigen ontluikende gaven van lichaam en

geest, in een atmospheer van lichamelijke warmte en gemak en van

kalme zielerust.

Rechtstreeksche, geconcentreerde, onveranderlijke persoonlijke liefde

is een te heete atmospheer voor een ontluikende ziel. Afwisseling met

eenzaamheid, drift en onrechtvaardigheid brengt niet de gewenschte

verandering. Een bedaard toegepaste liefde, door wijsheid verlicht,

op rechtvaardigheid gegrondvest, en door de innige toewijding van de

eigen moeder nu en dan afgewisseld, zou ons na weinige geslachten tot

andere menschen maken. De neiging en uiting van ons geheele leven

worden sterk gewijzigd door de omgeving in de kindsheid, en deze

omgeving kan verbeterd worden, evenwel niet door de individueele

moeder in de individueele woning.

Er zijn drie redenen waarom de individueele moeder nooit geschikt

gemaakt kan worden om alle zorg voor haar kinderen op zich te nemen. De

eerste twee zijn te bekend om er lang bij stil te staan, de derde is

zoo volstrekt afdoend, dat die alleen voldoende zou zijn.

Ten eerste is niet elke vrouw met de bijzondere eigenschappen en

gaven geboren, noodig om de juiste zorg voor kinderen op zich te

nemen; zij bezit er geen aanleg voor. Ten tweede kan niet iedere

vrouw de opleiding en oefening verkrijgen, noodig om haar geschikt

te maken de juiste zorg voor kinderen op zich te nemen; zij is er

niet voor opgeleid. Ten derde, zoolang elke vrouw alle zorg alleen

voor eigen kinderen op zich neemt, kan nooit een vrouw de vereischte

ondervinding er voor opdoen. Dat is de laatste hinderpaal. Dat houdt

ons menschelijk moederschap achterlijk. Geen moeder weet meer dan

haar moeder wist; geen moeder heeft ooit haar beroep geleerd; en onze

kinderen ondergaan de goed-gemeende proefnemingen van een eindelooze

reeks van amateur-opvoedsters.

Wij trachten een kindermeid te krijgen, die ondervinding heeft. Wij

zoeken een arts met ondervinding. Maar naar onze opinie is een moeder

met ondervinding eenvoudig een, die veel kinderen gebaard heeft,

alsof baren een opvoedend proces was!

De angsten van het kraambed of de angsten van een kindersterfbed, hoe

vaak ook ondervonden, dragen hoegenaamd niet bij tot de kennis van de

moeder omtrent de juiste verzorging, kleeding, voeding en onderricht

van het kind. De afdeeling opvoeding van het moederschap is geen

persoonlijke functie; het is in haar waren aard een maatschappelijke

functie; en in de volbrenging er van schieten wij betreurenswaardig

te kort.

De economisch onafhankelijke moeder, verruimd en bevrijd, versterkt

en ontwikkeld door haar maatschappelijke taak, zal als moeder beter

dienst bewijzen dan dit de afhankelijke moeder mogelijk is. Niets kan

meer de belangen der menschheid bevorderen dan verstandiger zorg en

breeder opgevatte liefde van een georganiseerd menschelijk moederschap

over onze kleine kinderen. Zulk edeler moederschap, voortbrengende

edeler kinderen en hen op edeler wijze groot brengende, zal een wereld

mogelijk maken, zooals wij die wenschen. En deze verandering nadert

overweldigend snel, ondanks onze dwaze vrees.

De economische toestand der vrouw Een studie over de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen als een factor in de sociale evolutie · 第 13 / 16 题