Als zelfbewuste schepselen, die gemakkelijk in de dwaling verkeeren
de gewaarwording voor het feit te houden, in wier bewustzijn de
gewaarwording inderdaad het feit is,--er wordt een dieper doordenken
vereischt om de gewaarwording uit het feit af te leiden,--zijn
wij er niet erg om te berispen dat wij zooveel gewicht aan gevoel
en aandoening hechten. Misschien zullen wij in het licht der koude
redeneering toestemmen dat het huis niet de geschikte plaats is voor
zooveel werk en dat de echtgenoote en moeder niet de aangewezen persoon
is om het te verrichten. Deze verstandige meening verandert evenwel
op geenerlei wijze ons gevoel over dit onderwerp. Dit gevoel, diep
ingeworteld en overprikkeld, bedekt met een dikke laag het geheele
veld van huiselijk leven. Niet wat wij er van denken (want wij hebben
er nooit veel over na gedacht), maar wat wij er van voelen, stelt in
dezen de som van onze meeningen vast. Vele zijn ware, rechtmatige,
gewettigde gevoelens. Sommige zijn domme ongerijmdheden, niets anders
dan reliquien uit lang vervlogen tijden, waarvan wij ons langzaam
zullen ontdoen, zoodra wij wijzer worden.
Men denke bijvoorbeeld eens na over het reeds lang bestaand geloof aan
het "vrij zijn in eigen huis". Er ligt voor velen iets terugstootends
in het denkbeeld dat het voedsel gekookt zou worden buitenshuis,
zelfs wanneer het in huis wordt opgedischt; meer nog in het idee
dat het gezin uitgaat om te eten en nog meer dat de individuen
afzonderlijk uitgaan om te eten. De bijzondere smaak van verschillende
personen door het "koken te huis" ontwikkeld, kon wel eens de eigen
bruine kleurschakeering van de ham, het naar eigen smaak gekruid
vischschoteltje, het eigen biscuittrommeltje moeten ontbeeren.
Dit bezwaar moet eerlijk in aanmerking genomen worden en gedeeltelijk
worden toegestemd. Een menu, hoe ruim ook uitgedacht door beroeps-koks,
zal toch nooit dat vrij spel aan persoonlijke eigenaardigheden bieden
als de menu's, bereid door de talrijke op zich zelf staande koks die
ons nu bedienen. Er zal dan een veel grooter keus in bestanddeelen
zijn, maar de bereidingswijze en bediening zullen niet zooveel verschil
opleveren. Het verschil zal gelijk staan met dat, wanneer ieder man
zijn eigen jas maakte of door zijn eigen vrouwelijke bedienden liet
maken en wanneer hij zijn keuze deed uit een aantal in voorraad
gemaakte jassen of er een bij een beroeps-kleermaker bestelde.
In een geregelden, als beroep uitgeoefenden, voedingsdienst zou een
goede algemeene regelmaat heerschen, en voor bepaalde gelegenheden zou
het werk van specialiteiten dienst kunnen doen. Wij hebben dit reeds
lang kunnen opmerken bij de aanhoudende toename van beroepsmatig bereid
voedsel, van de goedkoope eetgelegenheden tot de deftige restaurants,
van de gewone scheepsbeschuit tot de fijne wafel. Doch ook wanneer
men het "tehuis koken" eens zijn beroepsmatig bereide toevoegsels
ontneemt, zou het heel veel minder worden. Wij bedenken niet hoe ver
wij reeds in die richting gegaan zijn en hoe snel wij verder gaan.
Een van de belangrijkste gevolgen van een voortdurend algemeene
goede voedingswijze zal zijn, dat de volkssmaak verbeterd wordt. Wij
zullen daarmede de waardeering van wat inderdaad goed voedsel is
aankweeken, veel beter dan dit door de dwalende en onberedeneerde
zelf-toegevendheid van de eigen tafel kan geschieden. Onze eenige
maatstaf voor smaak in gekookt voedsel is thans persoonlijke eetlust
en luim. Dat wij van een schotel houden is voldoende om er onze volle
instemming aan te schenken. Maar van iets te houden is niets anders dan
aanpassingsvermogen. Natuur zoekt steeds het organisme naar de omgeving
te wijzigen en wanneer het organisme zoo gewijzigd is geworden, zoo aan
de omgeving passend is gemaakt, dan houdt het van de omgeving. Vroeger
zeide men: "het past mij", wat duidelijk de bedoeling weergeeft.
Elke natie, elk volk, elk gezin, elk individu houdt bovenal van die
dingen waaraan het gewoon is geworden. Waarvan het anders zou hebben
gehouden, indien het dat andere gehad had, kan men nimmer weten;
maar het langzaam doordringen van nieuwe smaken en gewoonten, het
tegenstribbelend in gebruik nemen van aardappelen, tomaten, maïs en
andere nieuwe groenten door de menschen in oude landen, bewijst dat
het toch mogelijk is verandering te brengen in hetgeen men lust.
Door de beperkte macht van het gezin om in de voeding te voorzien
en zijn onbekwaamheid om het te bereiden en door onze overdreven
voorkeur voor enkele zaken, zijn wij in het kleine veld van keuze
zeer vasthoudend geworden. Wij vinden onze eigen manier van doen bij
het koken het best en wij keuren de wijze van doen van onze buren
af, zonder eenig hoogeren maatstaf voor kritiek te hebben dan onzen
onontwikkelden smaak. Wanneer wij van onze jeugd af gewend worden aan
wetenschappelijk en met kunst bereid voedsel, dan zullen wij later
weten wat goed is en daarvan kunnen genieten, zooals wij ook goede
muziek leeren waardeeren, door ze te hooren.
Als wij een ruimer keus en beter bereid voedsel hebben leeren
waardeeren, dan zullen wij ook leeren eenvoudigheid in het koken
op prijs te stellen. Onder ons tegenwoordig systeem kunnen de
meeste menschen het niet zoover brengen. Wanneer het koken wordt
afgescheiden van het gezin, dan zullen wij langzamerhand ophouden er
aandoeningen aan vast te knoopen; wij zullen het dan onpersoonlijk
leeren beoordeelen op wetenschappelijken en artistieken grondslag. Dit
zal natuurlijk niet beletten dat sommige personen een bijzonderen
smaak hebben, maar deze zullen dan weten dat zij bijzonder zijn en
ook hun buren zullen het weten. Het zal ook niet beletten dat een
vrouw, die er veel van houdt nu en dan het een of ander te koken,
om zich zelf of haar vrienden te tracteeren, een klein kooktoestel
binnen haar bereik houdt, evenals zij een naaimachine of een kleine
draaibank kan bezitten.
Met betrekking tot het buitenshuis nuttigen van het voedsel ondervinden
wij nog sterker tegenkanting door het bezwaar van onvrijheid, en
wij ontwaren een sterk uitgesproken, zelfs pijnlijken tegenzin als
wij deze functie van het huiselijk leven willen scheiden. Samen
te eten vormt natuurlijk een tijdelijken band. Om een middel tot
gedachtewisseling tusschen ongelijke personen vast te stellen,
moet een of ander gemeenschappelijke grondslag gevonden worden,--een
ceremonie, een of ander spel, eenig vermaak,--iets wat zij te zamen
kunnen doen. En indien de personen die met elkander in verbinding
wenschen te komen geen andere gemeenschappelijke basis hebben dan deze
lichamelijke functie,--welke inderdaad zoo gemeenschappelijk is, dat
zij niet alleen het geheele menschdom, maar ook het geheele dierenrijk
insluit,--laten zij die dan vooral aangrijpen. Bij gelegenheden
van algemeen maatschappelijk vreugdebetoon, waarbij een of andere
gebeurtenis van algemeen belang gevierd wordt, zal een feestmaal
altijd een natuurlijke en voldoening gevende instelling zijn.
Voor den oorspronkelijken echtgenoot die vocht voor zijn beroep,
de oorspronkelijke vrouw die huishoudwerk deed voor het hare, de
oorspronkelijke kinderen die alleen in lichamelijke verwantschap tot
hun ouders stonden, voor dezulken was de gemeenschappelijke tafel de
eenige gemeenschappelijke band; en hun eenvoudig voedsel schonk het
middel dat niemand kwetsen kon. Doch in de hoogere ontwikkeling van
het moderne leven is de etenskwestie volstrekt niet het eenige punt van
algemeen belang der leden van een gezin en in geen geval het beste. De
liefste, teederste, heiligste herinneringen van het familieleven staan
niet met de tafel in verband, ofschoon menige vroolijke en pleizierige
herinnering daarmede vereenigd kan zijn. Doch bij vele gebeurtenissen
van diep gevoel, hetzij van vreugde of van pijn, wordt het ongevoelig
verzadigen van een heele groep, drie keer daags aan tafel, een
ondragelijke inspanning. Indien een groote verscheidenheid van goed
voedsel altijd te verkrijgen was, zou een gezin te zamen kunnen gaan
feest vieren, wanneer het dat verkoos; of te zamen eenvoudig gaan
eten, wanneer het dat wilde; en elk individu kon alleen gaan, wanneer
hij niet met het heele gezelschap verkoos te eten. Men behoeft dit
niet te dwingen of te verhaasten, doch zoodra er steeds voedsel in
voorraad bestaat, dat gemakkelijk binnen ieders bereik is, behoeft
de maag niet langer verplicht te worden als familieband dienst te doen.
Men heeft beweerd dat de lagere dieren in hunne redeloosheid alleen
eten en dat menschen het eten tot een gezamenlijke functie gemaakt
en het daardoor verheven hebben. De verheffing is het moeilijkst
te bewijzen, wanneer wij de ruwe gewoonten, ziekelijken smaak en
doodelijke ziekten, de geveinsdheid en ongemanierde gulzigheid en
onmatigheid der menschen waarnemen. De dieren mogen lager staan dan
wij, omdat zij eenvoudig eten wat goed voor hen is wanneer zij honger
hebben, maar hun doel dient het goed.
Een van de gevolgen, voortspruitende uit het maken van het eten tot een
gezamenlijke functie is, dat hoe nauwgezetter wij die socialiseering
doorvoeren, des te meer behoefte wij hebben bij onze maaltijden
aan een groot aantal vreemden, die van het onderling gesprek zijn
uitgesloten,--personen, die niet mede-eten, niet mede-spreken
en die zelfs niet door het knippen der oogleden mogen verraden,
dat zij eenig belang in het gesprokene stellen,--die alleen de
grove benoodigdheden voor de gelegenheid op een zuiver koopcontract
leveren en toedienen. Zulk een tegenwoordigheid van vreemden moet en
doet het gesprek op een bepaalde hoogte houden. In een gezin zonder
dienstbode zijn vader en moeder beide te vermoeid van het werken om
den maaltijd tot een sociabele functie te maken, terwijl in gezinnen
met een dienstbode het gesprek tot op zekere hoogte beperkt wordt. De
uitwerking van ons gezamenlijk eten, hetzij in gezinnen of in grooter
groepen, is niet in elk opzicht goed. De vraag moet gesteld worden
of wij niet, vooral in dit geval, onze levenswijze verbeteren kunnen.
Wanneer de kookkunst zich ten volle kan ontwikkelen en uitgeoefend
wordt door hen, die door aangeboren talent en geduldige studie
geleerd hebben, hoe het best aan de behoeften van het lichaam
te gemoet gekomen kan worden, door een smakelijke en geschikte
samenvoeging van de voedingsbestanddeelen, dan zullen wij beginnen
te begrijpen, wat het voedsel voor ons beduidt en op welke wijze het
menschelijk lichaam in goede gezondheid en volle kracht moet opgebouwd
worden. Een wereld van reine, sterke, schoone mannen en vrouwen, die
weten wat zij eten en drinken moeten en het nemen wanneer het noodig
is, zal ons een hooger en verhevener vorm van verbond te aanschouwen
geven, dan die veel geprezen gemeenschappelijke tafelverbonden. De
tevreden ruwheid van het heden, de volhardende zelfzucht van overigens
verstandige menschen, de vetheid en luiheid en zwakheid, de heele
reeks digestie-stoornissen en het gebruik van velerlei kruiderijen, al
deze ziekelijke verschijnselen zijn meerendeels toe te schrijven aan
de abnormale aandacht aan het eten en koken geschonken en die zullen
blijven bestaan, zoolang het eten als een familie-functie beschouwd
blijft. Zoodra wij het eten en koken uit deze valsche verhouding hebben
losgemaakt, door onze sexueel-economische verhouding te verbreken,
zullen wij de natuurkrachten een kans geven hun eigen reinen weg in
ons te volgen en ons beter te maken.
Men vreest dat het private leven te huis bedreigd wordt door de
invoering van beroeps-schoonmakers. Maar wij zullen zien dat een huis
zonder keuken veel minder behoeft te worden schoongemaakt en dat het
dagelijks in orde brengen van iemands eigen kamer heel gemakkelijk,
door ieder die het doen wil, zelf kan geschieden. Velen wenschen
zoo van harte, dat hun eigen kamer, hun persoonlijk verblijf, nooit
anders dan door hun dierbaarste vrienden, hun naaste betrekkingen
betreden wordt. Zoo 'n ideaal van privaat leven mag dwaas schijnen
aan hen, die nu tevreden de ruwe openbaarheid van onze tegenwoordige
levenswijze aannemen. Van alle bekende tegenstrijdigheden is er geen
zoo ongerijmd dan ons te hooren pochen op ons "vrij zijn te huis",
en dat in een plaats waar wij volgaarne tot onze tafelgesprekken en
onze kamerdiensten toelaten,--ja, tot het opmaken van onze bedden en
het hanteeren van onze kleedingstukken,--een volslagen vreemdeling,
vreemdeling niet alleen door de nieuwe kennismaking of om het verkeerde
begrip dat vreemde oogen zich onvermijdelijk van onze eigenaardigheden
vormen, maar vreemdeling door geboorte, door opvoeding,--iemand die
ons nooit geheel begrijpen kan.
Ieder onzer die het betalen kan neemt zoo'n vreemdeling in huis, één of
meer op eens en velen in opvolging. Indien wij, even als de barbaarsche
koningen deden in de oude en bloedige zeeroover-geschiedenissen,
hun tongen uitsneden, zoodat zij niets konden navertellen, dan nog
zou het een vervelende indringerij blijven. Maar zooals zij nu zijn,
met oogen om te zien, ooren om te hooren en tongen om te spreken, en
geen andere belangen dan de onze om hun geest bezig te houden en met de
wraaknemende uitvallen, volgende op het gedwongen stilzwijgen van hen
die niet mogen "tegenspreken"; met dit opmerkzame en oververtellend
leger, gehuisvest in den schoot der familie, moeten wij toch bitter
glimlachen over ons dwaas ideaal van "het vrij zijn te huis."
Het vlugge werk van menschen die van beroep vegen, stoffen en
schrobben en ontboden kunnen worden waar en wanneer wij ze in de
kamers noodig hebben, is in elk geval niet zoo kwetsend voor het
intieme leven als de tegenwoordige wijze van doen. De afschaffing van
dienstboden en het optreden der vrouw op een maatschappelijk en voor
haar persoon belangrijker gebied, zal in de wereld een nieuw begrip
van de heiligheid van het huiselijk leven vestigen, de rechten van
het individu in dezen doen gevoelen, zooals tot nu toe onbekend was.
Nauw verwant aan het schoonmaak-vraagstuk is het inrichten en het
meubileeren van de woning. De economisch afhankelijke vrouw, alle
energie in haar kleine kooi verkwistende, stort een verwarde massa
in die kleine ruimte uit, evenals een groote plant een hoop wortelen
uitzendt in een kleinen pot. Zij heeft haar beperkte woning met een
onbeperkt aantal dingen overvuld, nuttige en nuttelooze, sierlijke
en smakelooze, gemakkelijke en ongemakkelijke zaken, en tot haar
levenstaak behoort, deze zaken te bewaken en in orde te houden.
De vrije vrouw, die zich geheel kan uiten in haar economische
werkzaamheden en haar maatschappelijke positie, voelt zich
niet gedrongen haar ziel uit te storten in antimacassars en
photographiestandaards. Haar huis zal haar plaats van rust en niet
van rustelooze bezigheid zijn, en zij zal inzien dat eenvoudigheid ten
slotte het aangenaamst is. Hiervan zullen beter hygiënische voorwaarden
in de woningen en meer schoonheid en minder werk het gevolg zijn. De
nieuwe omstandigheden, waardoor de waarde van het huiselijke leven
verhoogd en het schoonheidsgevoel ontwikkeld zal worden, zullen het
inwendige van onze woningen een beschaafder en liefelijker aanzien
geven, en ze zullen zonder overmatige inspanning van den eigenaar in
orde te houden zijn.
Buiten en behalve deze betrekkelijk uiterlijke omstandigheden,
ondervindt het gezin door de sexueel-economische verhouding geestelijke
gevolgen, die niet allen een gunstigen invloed op onze ontwikkeling
uitoefenen. Een van die gevolgen toont duidelijk op welke wijze de
druk van deze verhouding werkt. Het private leven in onze huizen is een
privaat leven van het gezin, een vereenigd privaat leven; dit verzekert
ons niet,--integendeel werkt tegen,--het individueel privaat leven. Dit
is een ander van de nog bestaande rudimenten van een levenswijze
uit tijden die wij reeds lang ontgroeid zijn en die gehandhaafd
blijven door het zorgvuldig bewaren van de primitieve gewoonten in
den onveranderden toestand der vrouwen. In zeer vroege tijden kon een
ruw en onverschillig volk in groote groepen in een kleine tent te
zamen huizen, zonder ernstig ongerief of nadeel te ondervinden. De
gevolgen van zulk groepeeren op moderne menschen kan men waarnemen
in sommige wijken van groote steden, waar blokken huizen bij kamers
verhuurd worden; zij zijn bepaald van demoraliseerenden aard.
De menschelijke wezens gaan voort zich hoe langer hoe meer door
kleine verschillen van elkander te onderscheiden, waardoor een
eigen tehuis, of ten minste een eigen kamer voor elk individu
een vereischte wordt. Deze behoefte wordt voor een deel in het
familie-leven erkend en voor zoo ver de beurs het toelaat, wordt er
aan te gemoet gekomen; maar voor de groote meerderheid der bevolking
is dit een onmogelijkheid. Voor vrouwen in het bijzonder is de weelde
van een eigen kamer alleen voor de rijken weggelegd. Zelfs waar door
den druk der maatschappelijke ontwikkeling voor een deel in deze
behoefte voorzien wordt, daar werkt de druk van het familieleven haar
aanhoudend tegen. Het tehuis is de eenige plaats op aarde waar niemand
der familieleden ware afzondering kan genieten. Een gezin is een ruwe
samenvoeging van personen, verschillend in leeftijd, grootte, geslacht
en karakter, die door geslachts-banden en economische behoeften te
zamen gehouden worden; en de liefde die tusschen de verschillende
familieleden bestaan moest, wordt door dien economischen druk niet
vermeerderd, doch eerder verminderd. Een door economische krachten
onderhouden liefde, is trouwens de soort niet welke de menschheid
het meest noodig heeft.
Elke neiging om zich tegenwoordig aan de oude sleur te onttrekken en
een eigen leven te leiden, te leven naar eigen opvatting, wordt sterk
tegengewerkt en door andere familieleden kwalijk genomen. Dit hindert
de vrouwen meer dan de mannen, omdat de mannen zeer weinig te huis en
zeer veel in de wereld leven. De man heeft zijn individueel leven, zijn
persoonlijke uiting met de daaraan verbonden rechten, zijn kantoor,
studeerkamer of werkplaats; de vrouwen en kinderen leven te huis,
omdat zij moeten. Men beschouwt het van een vrouw slecht als zij elders
veel tijd wenscht te besteden, en de kinderen laat men geen keuze. De
historische neiging der vrouwen om "op straat te slenteren"; en van
de kinderen om van huis te loopen, of om steeds ergens anders dan te
huis te willen spelen; de onophoudelijke, nuttelooze, goed gemeende
pogingen om "de jongens tehuis te houden", deze feiten, saam genomen
met de bepaalde hoeveelheid tijd die de man buitenshuis doorbrengt,
vormen een vreemd commentaar op ons gewillig geloof dat wij "tehuis"
leven en het prettig vinden. En toch binden de banden van tehuis ons
met een zachten druk, dien slechts weinigen kunnen weerstaan. Wie
weerstand bieden en het doorzetten volgens eigen opvatting te leven,
betalen dit met verlatenheid en ontbering; zij moeten zooveel van
hun dagelijksche comfort en genegenheid opofferen, dat vele anderen
er door teruggeschrikt worden hun voorbeeld te volgen.
Er bestaat geen enkele reden waarom deze pijnlijke keuze ons opgelegd
behoeft te worden, geen reden waarom het huiselijk leven niet zoo
ingericht kan worden, dat veroorloofd, ja, dat bevorderd zou worden,
de hoogste ontwikkeling zijner persoonlijkheid te bereiken. Wij hebben
behoefte aan het gezelschap van menschen die wij lief hebben, aan hun
liefde en omgang. Dit zal bestaan blijven. Maar de gelegenheid om te
koken en te eten, zooals in onze technisch onontwikkelde huizen, met
alle daarmede samenhangende gebreken, is daarvoor niet noodzakelijk
en behoeft niet te blijven.
Wij houden het er meestal voor dat de woning, zooals zij nu is
ingericht, voor ons het beste is. Wij verbeelden ons daar hooger
opvattingen, edeler aandoeningen op te doen, daar onderricht te
worden hoe wij moeten leven. De waarheid aan deze volksmeening ten
grondslag liggende is, dat de liefde van de moeder voor het kind de
basis vormt van alle hoogere wederkeerige liefde. Maar men vergeet
dat achter moederliefde de krachtige aandrift tot geslachts-liefde,
de zich te buiten gaande kracht van den geslachtslust ligt. De
familie-verhoudingen die daarvan een gevolg zijn, staan niet zoo hoog
als onze breeder, dieper, maatschappelijke verhoudingen.
Voor het behoud van ons individueel leven hebben wij behoefte
aan huiselijke geriefelijkheden. Het dragen en verdragen van het
huiselijk leven, met zijn heerschenden en onophoudelijken invloed van
den conservatieven geest der vrouw, houdt den onregelmatig snellen
aandrang der mannelijke energie zeer goed in toom. Zoolang de wereld
duurt zullen wij niet alleen aan individueele woningen behoefte hebben,
maar ook aan het familieleven; een gemeenschappelijke scheede voor
de onontloken blaadjes van elken nieuwen tak, bijeengehouden aan den
ouderlijken stam, vóórdat zij ten slotte uiteen vallen.
Stemmen wij dit alles toe, dan blijft nog te bestrijden de steeds
toenemende slechte uitwerking, niet van het huiselijk leven
als zoodanig, maar van de soort van huiselijk leven, welke op de
sexueel-economische verhouding gegrondvest is. In een gezin, waarin
de terecht overheerschende vrouwelijke energie op een primitieve
ontwikkelingshoogte wordt gehouden, en de vrouw de vrije deelname aan
de snelle, breede, voorwaartsche beweging der wereld wordt ontzegd,
ondervinden al de leden den invloed daarvan. Waar de buitengewone
behoefte om dingen te ontvangen zonder er iets voor terug te geven,
in de eene sekse wordt bevorderd en de woeste begeerte om zooveel
mogelijk te verkrijgen in de andere sekse zorgvuldig wordt aangekweekt,
daar ondervindt het kind dezen invloed onophoudelijk en groeit op in
het denkbeeld, dat het leven slechts bestaat in het hebben van eten
en het verkrijgen van geld om er voor te betalen, en dat men alleen
werkt om voedsel van den leverancier te huis te krijgen, het te koken
en op te disschen. Dat zijn de op den voorgrond tredende handelingen
in het huiselijk leven, zooals wij het geregeld hebben. De zorg waarin
wij ons leven doorbrengen, de zaken die ons hinderen en kwellen, zijn
zaken die wij reeds lang en lang geleden ontgroeid moesten zijn, indien
het menschdom geregeld vooruitgegaan was. De man is vooruitgegaan,
maar de vrouw bleef achter. Door erfelijkheid gaat zij vooruit,
door ondervinding komt zij achteraan; altijd teruggeduwd tot een
economischen graad van vele duizenden jaren geleden.
Indien een man van den tegenwoordigen tijd met al zijn verstand en
energie en hulpmiddelen gedwongen werd zijn levensdagen te slijten,
jagend met pijl en boog, visschend met gepunte beensperen, hongerig
wachtend bij zijn vallen en strikken, in de hoop een prooi te
bemachtigen, zou hij op zijn vrouw en kinderen niet den verheffenden
invloed van den waren mannenaard uit onzen tijd kunnen hebben. Zelfs
wanneer hij hooger onderwijs genoten had, zelfs wanneer hij vele
boeken te lezen had (en tijd had ze te lezen) en verheffenden omgang
met anderen, dan nog zouden de economische beslommeringen van zijn
leven, de aanhoudende dagelijksche druk van hetgeen hij voor zijn
onderhoud te doen had, den groei van hoogere gaven belemmeren. Wanneer
alle mannen tot nu toe jagers geweest waren dag in dag uit, zou de
wereld nog woest en wild zijn. Omdat alle vrouwen steeds, dag in
dag uit, dienstboden voor het gezin geweest zijn, leven zij nog in
slaafschen toestand.
Een huiselijk leven met een afhankelijke moeder en een
dienstbode-echtgenoote is geen veredelende macht. Dat gevoelen wij
allen nu en dan. De man, met den grooten vooruitgang der wereld
zich ontwikkelende en ontplooiende, voelt zich tehuis door de domme
gesprekken, het kleingeestig gekibbel en de dwaze en achterlijke
begrippen klaarblijkelijk omlaag gaan. Het is daar behagelijk,
bevredigend voor het gevoel, warm en zacht en mooi en geschikt gemaakt
voor de behoeften van het zwakker en kleiner wezen dat gedwongen is er
te verblijven. Het wordt zelfs als een deugd van den man aangemerkt,
wanneer hij veel te huis is en het ter wille van zijn pantoffels
en couranten, zijn haardvuur en avondmaal, zijn springveeren bed en
schoon ondergoed boven andere plaatsen verkiest.
Het kwaad schuilt ook niet in de liefde voor het tehuis en het
er zooveel mogelijk vertoeven, maar in de soort van woning en in
de soort van vrouwen die er gekweekt worden en in den graad van
technische ontwikkeling die er heerscht. Wanneer men de richting van
den tegenwoordigen vooruitgang volgt, behoeft men geen profeet te
zijn om te zien waarheen ons huiselijk leven leidt. Van het hol en
de tent en de hut tot een goed verdeeld huis, waarvan elk lid van
het gezin zooveel ruimte voor zich alleen krijgt als verschaft kan
worden; van de barsche heerschappij van den almachtigen patriarch
met zijn stille, slaafsche vrouwen en babbelende kinderen, tot de
betrekkelijke vrijheid, gelijkheid en geheel verschillende levenswijze
van de leden uit een hedendaagsch beschaafd gezin; van den laagsten
graad van nijverheid in het kamp der wilden, waar alles te zamen
gekookt werd in denzelfden pot door éénzelfden persoon,--zonder
zindelijkheid, zonder overleg, zonder toewijding,--tot de millioenen
zeer verschillende handen die het gezin tegenwoordig op duizendvoudige
wijze bedienen, hebben de man en de fabriek alles gedaan; de vrouw
ging alleen buitenshuis om inkoopen te doen en stond binnenshuis op
de nederigste plaats.
Men lette op het nog belangrijker en opmerkelijker feit, dat waar
in het historisch begin niets anders dan de woonplaats voor het
gezin bestond, langzaam, met onze ontwikkeling ook de woning voor
het individu zich ontwikkelde. De eerste verder gaande beweging van
het maatschappelijk leven zal een vrijer dagelijksch verkeer onder
de bevolking zijn. Langs rivieren en zeeën, van kano tot stoomboot;
langs paden en wegen, van omnibus tot spoortrein; steeds sneller en
vrijer, verder en vaker, stroomden de individueele menschelijke wezens
naar buiten en mengden zich in het vrije maatschappelijk leven. In
het begin was gastvrijheid de eenige toevlucht van den reiziger,
het recht van den vreemdeling; maar door het toenemend verkeer
ontstond--uit noodzakelijkheid--het organisch maaksel, de tijdelijke
individueele woning, waardoor het reizen gemakkelijker werd. Van de
meest oorspronkelijk karavansera tot onze hotels van eenige vierkante
mijlen vloerruimte, heeft de herberg meer in de behoeften der sociale
evolutie voorzien, dan ooit eenig eigen huis kon doen.
Voor mannen, tot dusver de eenige volkomen ontwikkelde menschelijke
wezens van hun tijd, was de gehuurde kamer de tijdelijke woning voor
dat gedeelte van hun leven, waarin zij het eene gezin verlaten en nog
geen ander gezin gevormd hadden. Voor de vrouw staat deze mogelijkheid
thans ook open. Meer en meer matigen zich thans ook de vrouwen aan
een woning, zelfs zonder een gezin, te hebben. Ook de familiewoning
ondergaat meer en meer den invloed van den vooruitgang. Vroeger
bleef men in hetzelfde huis wonen, soms vele geslachten lang. Thans
veranderen wij herhaaldelijk, zelfs met groote gezinnen; veranderen wel
is waar dikwijls tegen onzen zin en ten koste van vele huishoudelijke
goederen, maar niettemin veranderen wij en moeten veranderen onder
toenemende verbittering tegen de onhoudbare toestanden. En hieruit
is ontstaan en heeft groote afmetingen aangenomen, dat ontzettend
verschijnsel van onzen tijd "het familie-hotel."
Men overwege dit eens. Eerst de herberg, eens de eenige reddende
toevlucht voor vermoeide reizigers. De vermoeide reiziger bemerkte
evenwel reeds spoedig het verschil tusschen zijn individueele vrijheid
dáár en zijn beperkingen tehuis en was gaarne bereid "zijn gemak in de
herberg te zoeken." Thans is de tijdelijke rustplaats voor ongehuwde
mannen van voorheen een vaste woonplaats voor gezinnen geworden. Niet
uit financieële noodzakelijkheid. Zij worden bewoond door menschen
die geld genoeg hebben om een huis te bewonen. Die menschen begeeren
echter geen eigen woning. Zij zijn vermoeid van het huishouden. Het
is zoo moeilijk een huishouding te voeren, de dienstbodenkwestie is
zoo lastig. De gezondheid van de vrouwen laat niet toe dat zij zich
met huishoudelijke werkzaamheden vermoeien. Dit zijn de aangevoerde
redenen.
Maar onder deze vage begrippen en uitdrukkingen ligt hijgend
en onrustig een langzaam stijgende maatschappelijke vloed. De
oorspronkelijke woning, gebaseerd op de economische afhankelijkheid
der vrouw met haar ongeorganiseerde werkzaamheden, haar slaafschen
arbeid, haar verdoovenden invloed op individueele ontwikkeling,
wordt met den dag onbruikbaarder voor de hedendaagsche mannen en
vrouwen. Natuurlijk keeren zij er telkens uit noodzakelijkheid
in terug, zoo lang verondersteld wordt dat huwelijk en kinderen
baren een eigen woning vereischt; zoo lang onze diepste gevoelens en
vroegste herinneringen er zoo nauw mede verbonden zijn. Maar door haar
praktische gevolgen, die steeds sterker door de beurs van den man en
de krachten van de vrouw gevoeld worden, zal de woning snel verdwijnen.
Wij hebben dezen toestand zien aankomen en zijn ontstaan aan allerlei
oorzaken, behalve aan de werkelijke, toegeschreven. Wij hebben het de
mannen kwalijk genomen dat zij niet even als vroeger tehuis bleven. Wij
hebben de vrouwen gelaakt omdat zij niet even goede huishoudsters zijn
als vroeger. Wij hebben de kinderen berispt over hunne ontevredenheid,
de dienstboden over hunne onbekwaamheid, de steenen en de kalkbak
over hun slechte constructie. Maar wij hebben er nooit aan gedacht, de
schuld op de instelling zelf te werpen en getracht die te verbeteren.
In de verre Westersche prairiën, en overal in afgelegen
boerenhofsteden, worden de hedendaagsche vrouwen, die men opgesloten
houdt in hun beperkte woningen, bij velen tegelijk gek! Onze
krankzinnigengestichten bevatten ook een grooter aantal krankzinnige
vrouwen uit den boerenstand dan uit een andere klasse. In de steden,
waar men minder tehuis leeft, schijnen de vrouwen het beter te
verdragen. Daar is meer afleiding, zeggen de mannen en zij zoeken
die. Daar heerscht meer vroolijkheid, amusement, afwisseling, zeggen
de vrouwen en zij zoeken die. Doch in werkelijkheid voelt men de
grooter maatschappelijke belangen en den drang van andere invloeden
dan van den huiselijken kring.
Velen vreezen den loop der dingen en wagen ijdele pogingen om hem
tegen te houden. Er bestaat echter geen reden om angstig te zijn. Wij
zullen onze woningen en onze gezinnen niet verliezen, noch iets
van het geluk en het liefelijke dat er mede gepaard gaat. Maar wij
zullen onze keukens verliezen, evenals wij onze wasscherij en bakkerij
verloren hebben. De kookkachel zal het spinnewiel en het weefgetouw, de
wolkaarde en de wolschaar volgen. Onze woningen zullen plaatsen worden
om in te leven en te lieven, te rusten en te spelen, om alleen te zijn
en om samen te zijn; en zij zullen niet langer verward en verlaagd
worden door bijmenging van eenigen tak van nijverheid, welken dan ook.
In zulke woningen zal in het familieleven een beschaafde, goede geest
heerschen en de zorgen en arbeid die nu de rust daar bederven, zullen
buitenshuis op een hooger arbeidsveld overgebracht kunnen worden. De
verhouding van vrouw tot man en van moeder tot kind zal door deze
uiterlijke verandering verbetering ondergaan. Al de persoonlijke
familieverhoudingen zullen dan tot een zuiverder en voller groei komen.
In de langdurige onderwerping der vrouw is niets zoo pijnlijk als het
gevoel, dat de verlaging van het moederschap veroorzaakt wordt door
dezelfde omstandigheden, die verondersteld werden deel er van uit te
maken. Wij zien hoe de moeder steeds verlangt met haar kind te zijn,
het altijd te kunnen helpen en dan moet zij ervaren, dat het kind met
elk jaar meer van haar vervreemdt, dat het dingen leert die zij nooit
mocht leeren, dingen doet die zij nooit mocht doen, alleen de wereld
ingaat,--zijn wereld, doch niet de hare--en hard is het, het kind "te
dragen, te verzorgen, te zoogen, te beminnen en dan te verliezen", niet
door de natuurlijke scheiding van groei en persoonlijk uiteenloopen,
maar door de onnatuurlijke scheiding van valsch verdeelde klassen, de
onontwikkelde vrouwen naast de steeds hooger ontwikkelde mannen. Dat
is de kloof, gevormd nog vóór dat de jongen tien jaar oud is en die
met elk jaar breeder wordt.
Een economisch vrije moeder, een wereld-dienares in plaats van een
dienstbode voor het gezin; een moeder die de wereld kent en er in
leeft, kan voor haar kinderen veel meer zijn, dan ooit te voren
mogelijk was. Het moederschap toegepast op de wereld, zal van die
wereld een geschikter plaats voor het kind maken.