IV

Nadat wij gezien hebben dat het geslachts-onderscheid in de

menschheid buitensporig groot is en bij de vrouwen sterker op den

voorgrond treedt dan bij de mannen en tevens bevonden hebben dat

het wijfje van het menschengeslacht een éénige positie inneemt

als economisch afhankelijk van het mannetje van haar diersoort,

is het niet moeilijk een verband vast te stellen dat tusschen

deze twee feiten bestaat. Reeds in het tweede hoofdstuk werd kort

verwezen naar de algemeene wet die dezen toestand van buitensporige

geslachts-ontwikkeling doet ontstaan. Hij ontstaat als volgt: De

natuurlijke neiging van elke functie om door gebruik in kracht toe te

nemen, is oorzaak dat de geslachts-functie toeneemt door de werking

van teeltkeus. In de meeste diersoorten wordt deze neiging beteugeld

door de kracht der natuurkeus, welke de energie langs andere kanalen

voert en ras-functiën ontwikkelt. Waar het mannetje de economische

omgeving van het vrouwtje is en haar economisch voordeel rechtstreeks

bepaald wordt door haar geslachts-verhouding, daar wordt de kracht der

natuurkeus gevoegd bij de kracht der teeltkeus en werken beide samen om

de geslachts-functiën te ontwikkelen. In elk dier, wanneer geen andere

omstandigheden aanwezig waren, zou zulk een verhouding onvermijdelijk

het geslacht tot een buitensporige hoogte hebben ontwikkeld. Dit valt

duidelijk waar te nemen in betrekkelijk overeenkomstige gevallen van

sommige insekten, waar het wijfje, haar economische bedrijvigheid

verliezende, geheel in geslachtswezen verandert en enkel een eierzak

wordt, een organisme dat geen vermogens tot zelf-behoud, alleen die

tot ras-behoud bezit. Het eenige ras-vraagstuk bij deze insekten komt

daarop neer, hoe zij het best hun diersoort in stand kunnen houden

en voortplanten en zulk een toestand is niet noodzakelijk slecht;

maar voor een ras als het onze, welks ontwikkeling tot menschelijke

wezens nog maar betrekkelijkerwijze begonnen is, is hij wel slecht,

omdat hij den individueelen en den ras-vooruitgang tegenhoudt. Buiten

en behalve de zuivere instandhouding en voortplanting van ons ras,

bestaan er voor ons nog andere doeleinden.

Het moest ieder die de werking der biologische wetten kent duidelijk

zijn, dat elk levend organisme er naar streeft om in zijn ontwikkeling

progressief te zijn en dat die progressieve ontwikkeling beteugeld

wordt door de onderlinge werking der verschillende krachten. Elk

levend wezen, met zijn op den voorgrond tredende eigenaardigheden,

vertegenwoordigt een evenwicht van macht, een soort van compromis. De

grootte van de voorwereldlijke monsterdieren der aarde werd begrensd

door den voorraad voedsel. Zeemonsters konden grooter zijn, omdat

het element waarin zij leefden, meer voor onderhoud aanbiedt. Vogels

zijn kleiner om de omgekeerde reden. De koe bezit vele magen van

tamelijke grootte, omdat haar voedsel een geringe voedingswaarde

heeft en zij groote hoeveelheden moet eten om haar levensmachine

gaande te houden. De grootte van op boomen levende dieren, zooals

apen en eekhorentjes wordt begrensd door den aard van hun woonplaats:

schepselen die op boomen leven, kunnen niet zoo groot zijn als die

welke op den grond leven. Iedere hoedanigheid van elk schepsel staat in

verhouding tot zijn toestand en streeft er naar om in overeenstemming

daarmede toe of af te nemen; elke hoedanigheid bezit een neiging om

toe te nemen in evenredigheid tot haar bruikbaarheid en af te nemen

in evenredigheid tot haar onbruikbaarheid. De oorspronkelijke man en

zijn vrouwtje waren dieren, evenals andere dieren. Zij waren sterke,

vurige, levendige beesten; en zij was even vlug en woest als hij;

behalve dat de mannetjes in hun geslachts-wedstrijd bovendien zeer

strijdlustig waren. In dien strijd vocht hij, evenals de andere

mannelijke wezens, wild en woest met zijne harige medeminnaars;

terwijl zij, even als de andere vrouwelijke wezens, met voldoening

hun strijd gadesloeg en zich met den overwinnaar paarde. In andere

tijden rende zij mede door de wouden, bediende zich zelf van 't geen

er te eten was even vrij als hij.

Er schijnt een tijd gekomen te zijn, waarin het aan het ontwaakte

verstand van dezen beminnelijken wilde duidelijk werd dat het

goedkooper en gemakkelijker was om een wijfje te bevechten en zich

daartoe te bepalen dan telkens een man te bevechten, wanneer hij een

vrouw wenschte. Daarom stelde hij tot regel om het wijfje tot slavernij

te brengen, en toen zij haar vrijheid verloren had, kon zij niet langer

haar eigen voedsel en dat voor haar jongen verkrijgen. De moeder-aap,

na haar goed volbrachte moederlijke functie, vliedt springende door het

woud, plukt haar vruchten en noten, verplaatst zich met den troep, haar

jong op den rug of in een sterken arm houdende. Maar de moeder-vrouw,

tot slavernij gebracht, kan dit niet doen. Toen zag de man, de vader,

dat die toestand van slavernij hem verplichtingen oplegde; hij moest

voor haar zorgen, omdat hij haar verboden had voor zich zelf te zorgen;

anders zou zij onder zijn oogen sterven. Langzaam en met tegenzin nam

hij de plichten van zijn nieuwe positie op zich. Hij begon haar te

voeden en niet alleen dat, maar hij moest nu ook de kinderen voeden,

waaruit bleek hoezeer hij de plichten van het moederschap gedwarsboomd

had. Het schijnt een eenvoudige regeling. Wanneer wij er over nadachten

was dit met bewondering. De naturalist verdedigt haar op grond dat

het voor de diersoort het voordeeligst is als de moeder, van alle

andere zorgen bevrijd, zich geheel kan wijden aan de plichten van

het moederschap. De dichter en novellist, de schilder en beeldhouwer,

de priester en onderwijzer, allen hebben deze liefelijke verhouding

hoog verheven. Den socioloog werd het overgelaten uit een biologisch

oogpunt hare gevolgen op de lichaamsgesteldheid van het menschelijk

ras op te merken, zoowel in het individu als in de maatschappij.

Naarmate de man de vrouw begon te voeden en te verdedigen, hield

zij op, zich zelf te voeden en te verdedigen. Naarmate hij tusschen

haar en haar physische omgeving stond, hield zij op, den invloed van

die omgeving te voelen en er aan te beantwoorden. Naarmate hij haar

onmiddellijke en almachtige omgeving werd, begon zij aan dezen nieuwen

invloed te beantwoorden en veranderde in overeenstemming daarmede. In

vrijen staat was spoed een even groot voordeel voor het vrouwtje als

voor het mannetje, zoowel om haar prooi te bemachtigen als om aan

haar vijanden te ontkomen; maar in haar nieuwen toestand was spoed een

nadeel. Zij mocht geen mannen vangen, en het gaf haar het voordeel om

door haar nieuwen meester gevangen te worden. Vrije wezens, die hun

eigen voedsel zoeken en in hun levensonderhoud voorzien, ontwikkelen

groote vlugheid om het noodige te verkrijgen. Parasieten, die hun

levensonderhoud door de inspanning van anderen verkrijgen, ontwikkelen

de hoedanigheden om zich vast te zuigen en vast te houden aan anderen,

hoedanigheden die hun het meeste voordeel aanbrengen. Het menschelijk

wijfje werd aan de rechtstreeksche werking der natuurkeus onttrokken,

dien machtigen invloed welke te voren op het mannetje en vrouwtje

gelijkelijk had ingewerkt met onverbiddelijk en heilzaam gevolg,

kracht, bekwaamheid, volharding, moed ontwikkelende,--in één woord,

het ras ontwikkelende. Zij ondervond nu den invloed der natuurkeus

indirect werkende door het mannetje en natuurlijk werden daardoor de

eigenschappen ontwikkeld, die noodig zijn om een hoûvast aan hem te

krijgen en te behouden. Onnoodig te zeggen dat deze eigenschappen,

die van geslachts-aantrekking waren, de eenige macht die hem er toe

gebracht heeft het wezen, waarop hij verliefd was, met graagte in

alle mogelijke weelde te onderhouden. Vele, vele eeuwen had zij geen

ander hoûvast, geen andere zekerheid om gevoed te worden. Het jonge

meisje had een toekomstige waarde en werd onderhouden voor hetgeen

zou volgen; de oude vrouw daarentegen had in vroeger tijden slechts

een armoedig bestaan. De vrouw die haar heer het meest kon behagen

was de lievelings-slaaf of de lievelings-vrouw en zij verkeerde in

de beste economische omstandigheden.

Met het toenemen der beschaving hebben wij trapsgewijze de zichtbare

noodzakelijkheid om het hulpelooze vrouwtje te voeden tot wet verheven;

en zelfs oude vrouwen hebben nu een aangename zekerheid dat zij door

hunne mannelijke verwanten zullen worden onderhouden. Maar tot op

heden,--uitgezonderd natuurlijk het steeds grooter wordende leger

loontrekkende vrouwen, die de wereld door haar aanhoudend voorwaarts

schrijden naar economische onafhankelijkheid een ander aanzien zullen

geven,--staat het persoonlijk voordeel der vrouwen nog steeds in een

te nauw verband tot haar macht om de andere sekse te winnen en er een

hoûvast aan te krijgen. Van de odalisk met de meeste armbanden tot

de debutante met de meeste bouquetten, blijft de verhouding steeds

dezelfde,--het economisch voordeel der vrouw wordt verkregen door de

macht van geslachts-aantrekking.

Wanneer wij dit feit moedig en eerlijk op de open markt van ontucht

aanschouwen, dan walgen wij van afschuw. Doch zien wij diezelfde

economische verhouding blijvend vastgesteld, bekrachtigd door de wet,

gesteund en geheiligd door de kerk, bedekt onder bloemen en wierook

en al het opeengehoopte sentiment, dan denken wij dat het onschuldig,

liefelijk en juist is. Den kortstondigen handel beschouwen wij als

slecht. Den verkoop voor het leven keuren wij goed. Maar het biologisch

gevolg blijft hetzelfde. In beide gevallen ontvangt de vrouw haar

voedsel van den man op grond van haar geslachts-verhouding tot hem. In

beide gevallen, misschien zelfs meer in het huwelijk, omdat daar de

stand van zaken volmaakter optreedt, verandert het wijfje van het

menschenras, levende onder natuurwetten, onvermijdelijk in steeds

toenemenden graad in een geslachts-wezen.

De inwerking der veranderde omgeving op vrouwen, in bepaalde

bijzonderheden nagegaan, is in gegeven omstandigheden als volgt

geweest: In de beteekenis van zuiver passieve omstandigheden is de

vrouw onmiddellijk in haar levenscirkel beperkt geworden. Deze ééne

factor heeft onmetelijke gevolgen zoowel op mensch als dier. Een

volkomen éénvormige omgeving, één vorm, één grootte, één kleur, één

geluid, zou het leven maken, indien eenig leven zoo kon zijn, tot een

hopelooze, onveranderlijke zaak. Wanneer de omgeving grooter wordt

en afwisselt, moet ook de ontwikkeling van het schepsel grooter

worden en mede afwisselen; want het verkrijgt kennis en macht

zoodra de stof voor kennis en de behoefte aan macht verschijnt. Bij

zwervende diersoorten is het vrouwtje vrij om dezelfde kennis als het

mannetje op dezelfde wijze op te doen, dezelfde ontwikkeling door

dezelfde ondervinding. Van den beginne af is het gebied waarop het

menschelijk wijfje zich had te bewegen beperkt geworden. Zelfs onder

de wilden is haar kennis van het land waarin zij leeft beperkter dan

de zijne. Zij reist natuurlijk met den troep en oefent haar primitieve

werkzaamheden in zijn nabijheid uit, maar het oorlogsveld en de jacht

blijven voor den man. Hij leeft op veel ruimer gebied. Het leven van

de vrouwelijke wilde is evenwel de vrijheid zelf, vergeleken met

de toenemende gewoonte om de vrouw in huis op te sluiten, waar de

beschaving vooruitgaat. Zeer sterk is dit uitgedrukt in het gezegde:

"Een vrouw moet maar driemaal haar huis verlaten: als zij gedoopt

wordt, als zij trouwt en als zij begraven wordt." Of dit: "De vrouw,

de kat, het fornuis, Verlaten nimmer het huis." Het steeds thuiszitten

van het wijfje en het vrij rondzwerven van het mannetje zijn duidelijk

te onderscheiden menschelijke instellingen; achter ons volgen zulke

laag georganiseerde wezens als de rondvliegende mot, wiens vrouwtje

zich zelden meer dan een paar voet van de plaats waar zij pop-mot was

verwijdert. Zij heeft afgeknotte vleugels en kan niet vliegen. Zij

wacht ootmoedig op het gevleugelde mannetje, legt haar ontelbare

eieren en sterft,--een prachtig voorbeeld van opgaan in geslachts-dier.

Door de omgevings-ruimte zoo te verkleinen, heeft men de

ras-ontwikkeling zeer sterk belemmerd; maar dit kan in zijne gevolgen

niet vergeleken worden met de beperking van vrijwillige werkzaamheden

waaraan men de vrouw heeft onderworpen. Haar beperkte indrukken, haar

opsluiting tusschen de vier muren van het huis, heeft natuurlijk groote

gevolgen gehad; daardoor werden haar denkbeelden, kennis, gedachtengang

en macht om te oordeelen begrensd en werd een onevenredig gewicht en

belangrijkheid gegeven aan de weinige zaken waarvan zij iets afweet;

maar dit alles werkt onschuldig vergeleken met haar beperkte uiting

en het verbod om in vrijheid te handelen. Een levend wezen wordt veel

minder gewijzigd door den invloed van uiterlijke omstandigheden en zijn

verzet daartegen, dan door de gevolgen van zijn eigen inspanning. De

huid mag langzamerhand dikker worden door blootstelling aan het weder,

maar wordt veel sneller dik wanneer zij tegen iets gewreven wordt,

bijv. tegen het handvat van een roeiriem of van een bezemsteel. Met

mooie zaken omgeven te zijn oefent op het menschelijk wezen een

grooten invloed uit; maar mooie zaken te maken veel meer. In een

mooie omgeving te leven en leelijke zaken te maken verlaagt meer

rechtstreeks, dan in een leelijke omgeving te leven en mooie zaken te

maken. Wat wij doen verandert ons meer dan wat ons gedaan wordt. De

vrijheid om zich te uiten is bij vrouwen meer beperkt geworden dan

de vrijheid om in zich op te nemen, indien dat mogelijk ware. Zij

heeft iets van de wereld waarin zij leeft door hare getraliede

vensters gezien. Een beetje lucht kwam door de reten der deuren,

een beetje kennis drong tot haar gretige ooren door uit de gesprekken

der mannen. Desdemona leerde iets van Othello. Had zij meer geweten,

dan had zij misschien langer geleefd. Maar in den steeds grooter

wordenden menschelijken drang tot scheppen, de macht en den wil om

te maken, te doen, nieuwe gedachten in nieuwe vormen uit te drukken,

werd zij volkomen belemmerd. Zij mocht werken zooals zij van het begin

af gewerkt had, aan den oorspronkelijken huishoudelijken arbeid, maar

in de onvermijdelijke uitbreiding zelfs van deze werkzaamheden tot

beroeps-werkzaamheden, hebben wij getracht haar tegen te houden. Om met

haar handen te werken voor niets, in rechtstreeksche dienstbaarheid

bij haar eigen familie,--dit werd toegestaan, ja verplicht. Maar het

werd haar verboden om iets anders te zijn, iets meer te doen. Haar

arbeid was niet alleen begrensd in soort, maar ook in gehalte. Wat

haar ooit werd toegestaan te doen, moest zij in stilte en alleen doen,

de eenvoudige werkzaamheden uit onbeschaafde tijden.

Onze industrie is niet alleen in soort maar ook in rang

vooruitgegaan. De bakker staat niet op denzelfden graad van industrie

als de keukenmeid, ofschoon beiden brood bakken. Door een of ander

soort van werk tot een bepaald vak te maken, verheft men het; door

het te organiseeren, gaat men een stap verder. Specialiseeren en

organiseeren zijn de grondslagen van den menschelijken vooruitgang, de

organische stelsels van het maatschappelijk leven. Dit is den vrouwen

nagenoeg geheel verboden geworden. De grootste en meest heilzame

verandering in deze eeuw is de ontwikkeling der vrouwen op deze twee

lijnen van vooruitgang. Het gevolg van de belemmering in industrieele

ontwikkeling, vergezeld als zij werd door het onophoudelijk overerven

van vermeerderde ras-macht, heeft de gevoelens en aandoeningen

der vrouwen versterkt en een groote bedrijvigheid ontwikkeld op de

toegestane arbeidswegen. De zenuwachtige haast, die zelfs tegenwoordig

nog vele vrouwen voortdrijft om onophoudelijk iets te doen, zij het

dan ook het onzinnigst handwerkje, is één kenteeken van dit effekt.

Dezelfde dooddoener heeft den vooruitgang der vrouwen in godsdienstige

ontwikkeling door alle rassen en eeuwen tegengehouden. In de grijze

oudheid nam de vrouw deel aan de geheimen en ceremoniën; maar bij de

ontwikkeling van den godsdienst, werd zij op zij geschoven, totdat

Paulus haar beval in de kerken te zwijgen. En zij heeft gezwegen,

tot op dezen dag. Zelfs nu, met al wat wij gewonnen hebben, staan

wij nog maar aan het begin,--het langzaam afgedwongen en afgekeurd

begin--van godsdienstige gelijkheid voor beide geslachten. Bij sommige

natiën wordt de godsdienst nog beschouwd als een zuiver mannelijke

eigenschap, en wordt het zelfs betwijfeld of vrouwen wel een ziel

hebben. Een Christelijke Raad heeft vroeger deze belangrijke kwestie

bij stemming uitgemaakt, gelukkig werd toen aangenomen dat zij een

ziel hadden. Voor een kerk, wier voornaamste kracht altijd in de

aanhankelijkheid der vrouwen gelegen heeft, zou het een droevige

achteruitgang geweest zijn haar geen zielen toegekend te hebben.

Oude familie-vereering ging alleen op mannelijke afstammelingen

over. Het was de zoon die de heilige voorvaders in hooge achting kon

houden en plengoffers over hunne overblijfselen uitstortte. Wanneer

een vrouw huwde, dan veranderde zij van voorouders, dan moest

zij de voorvaders van haar man vereeren in plaats van haar

eigen. Daarom moeten de Hindu en de Chinees en velen van gelijken

aard een zoon hebben om hen in eere te houden,--een diep ingeworteld

geslachts-vooroordeel, dat langzaam begint te verdwijnen nu de vrouwen

in economische beteekenis stijgen.

Het is pijnlijk interessant de langzaam toenemende uitwerking van

deze toestanden op vrouwen na te sporen. Eerst de werking van groote

natuurwetten, die op haar evenals op elk ander dier inwerken, dan de

evolutie van maatschappelijke gewoonten en wetten (met haar positie als

de werkende oorzaak), die op dezelfde wijze als de zuiver physische

krachten werken en deze zeer versterken. Bij toenemende beschaving

komt dan de onafgebroken opeenhooping van het voorafgaande, die door

de grooter wordende kracht der opvoeding in elke generatie gegrift

wordt, na eerst door de kunst verfraaid, door godsdienst geheiligd,

door gewoonte wenschelijk gemaakt te zijn; en onveranderlijk van

beneden af inwerkende, de niet afwijkende druk van economische

noodzakelijkheid, waarop het geheele samenstel steunt. Dit zijn

waarlijk zeer sterk wijzigende omstandigheden.

Het proces zou zelfs veel grooter uitwerking hebben en veel

minder pijnlijk zijn, indien slechts één belangrijke omstandigheid

ontbrak. Erfelijkheid kent geen Salische wet. Elk meisje erft van haar

vader een zekere toenemende hoeveelheid menschelijke ontwikkeling,

menschelijke macht, menschelijke neiging; en evenzoo erft elke jongen

van zijn moeder een toenemende hoeveelheid geslachts-ontwikkeling,

geslachts-macht, geslachts-neiging. Het erfelijkheidsproces heeft

gelijk gemaakt, wat elke strekking van omgeving en opvoeding

verschillend wilde maken. Dit heeft ons voor het lot van de mot

beveiligd. Het heeft de vrouw hoog-, en den man laag gehouden. Het

heeft ijzeren grenspalen geplaatst voor onze pogingen om een ras

te vormen, waarin de eene sekse een millioen jaren achter de andere

aankomt. Maar het heeft de smart en moeilijkheid van het menschelijk

leven verschrikkelijk vergroot,--een moeilijkheid en smart die ons

reeds lang geleerd moesten hebben dat wij naar valsche begrippen

leefden. Elke vrouw die geboren wordt, vermenschelijkt door den stroom

van ras-bekwaamheid door haar vader aangebracht en vervrouwelijkt

door hare traditioneele positie, moet in haar eigen persoon nog

eens datzelfde proces van beperking, terugstooting, verloochening,

doorleven; het smorende "neen" hetwelk al haar menschelijke wenschen

om te scheppen, te ontdekken, te leeren, te uiten, vooruit te gaan,

te niet doet. Daarnaast stond voor elke vrouw slechts een en dezelfde

weg open om zich te uiten en haar doel te bereiken; dezelfde ééne weg

waarlangs zij alleen tot stand mocht brengen wat zij kon en hebben wat

zij kon krijgen. Alle andere deuren waren gesloten, deze ééne altijd

open, terwijl de geheele last der vooruitgaande menschheid op haar

drukte. Geen wonder dat de jonge Daniël in testamentische taal uitriep:

"De koning is sterk! wijn is sterk! maar vrouwen zijn sterker!"

Voor den jongen man die het leven intreedt ligt de wereld open. De

krachten die hij heeft mag hij aanwenden, moet hij aanwenden. Kiest

hij eerst verkeerd, hij mag nog eens kiezen en nog eens. Is de

fortuin hem niet gunstig op de eene wijze, dan beproeft hij haar

op een andere. De aangroeiende, wisselende behoeften der geheele

menschheid doen een beroep op hem voor alle diensten, waarin hij zich

kan ontwikkelen. Wat hij wenscht te zijn, daarnaar mag hij streven. Wat

hij wenscht te hebben, mag hij trachten te verkrijgen. Rijkdom,

macht, maatschappelijke onderscheiding, eer,--wat hij begeert, kan

hij beproeven te verkrijgen.

De jonge vrouw die het leven intreedt, staat tegenover dezelfde

wereld met dezelfde menschelijke gaven en menschelijke wenschen en

menschelijke eerzucht. Maar alles wat zij kan wenschen te hebben,

alles wat zij kan wenschen te doen, moet door een enkel kanaal, door

een enkele keus komen. Rijkdom, macht, maatschappelijke onderscheiding,

eer,--niet deze alleen, maar een tehuis en geluk, reputatie, gemak

en pleizier, haar boterham,--alles moet door een kleinen gouden

ring komen. Dit is een zware last. Deze werd achter haar opgehoopt

door erfelijkheid, rondom haar voortgezet door omgeving. Zij werd er

door haar opvoeding langzaam aan gewend, tot dat zij haar toestand is

gaan beschouwen als den juisten, dien zij met grootere kracht op haar

dochter over brengt. Is het dan te verwonderen dat vrouwen oversekst

zijn? Ware het niet dat zij aanhoudend van den meer menschelijken man

erfden, dan zouden zij inderdaad reeds lang koningin-bijen geworden

zijn. Maar de dochter van den krijgsman en den zeeman, den artist,

den uitvinder, den groothandelaar, heeft in elke generatie in lichaam

en geest haar deel geërfd van zijn ontwikkeling, en is zoodoende iets

menschelijk gebleven in al haar vrouwelijkheid.

Alle ziekelijke toestanden neigen tot uitsterving. Eén beletsel

heeft onze onevenredige geslachts-ontwikkeling altijd in den weg

gestaan,--de nimmer falende hulp der natuur, de dood. Was iets tot

het uiterste opgevoerd, dan stierf het individu, het gezin stierf uit,

de heele natie verdween, zooals Sodom en Gomorrha. Waar één functie tot

onnatuurlijke buitensporigheid is opgevoerd, verzwakken andere functies

en het organisme verdwijnt. In individueele gevallen is dit ons bekend,

ten minste, de doctoren weten het. In de geschiedenis der natiën kunnen

wij er iets van vinden. Elke nieuwe sprong in de geschiedenis kwam

van jonger rassen, die nader tot de wilde toestanden stonden, nader

tot de gezonde gelijkheid van de vóór-menschelijke wezens. Perzië was

ouder dan Griekenland en zijn hoog opgevoerde sexualiteit heeft het

onvermijdelijk gevolg gehad dat de ras-hoedanigheden verzwakten. Op het

land, onder boeren-menschen, is er veel minder geslachts-onderscheid

dan in steden, waar rijkdom de vrouwen in staat stelt om te leven

in volmaakt niets-doen; zelfs de mannen openbaren daar dezelfde

bijzonderheid. Het frissche bloed dat stroomt in de steden, komt van

het land en de lagere volksklasse, maar keert door den invloed van

de onnatuurlijke geslachts-onderscheiding verzwakt daarheen terug,

totdat er niets is overgebleven om de natie weder aan te vullen.

De onvermijdelijke neiging van het menschelijk leven is naar hoogere

beschaving; maar aangezien die beschaving slechts tot één sekse is

beperkt, vermeerdert het onvermijdelijk geslachts-onderscheiding,

totdat het toenemende kwaad van deze omstandigheid sterker is dan

al het goede dat door de beschaving wordt aangebracht en dan daalt

de natie. Laat men niet vergeten dat beschaving niet bestaat in

het verkrijgen van weelde. Sociale ontwikkeling is een organische

ontwikkeling. In een beschaafden Staat leven de burgers in organische

industrieele verhouding. Hoe vollediger, vrijer, fijner, gemakkelijker

die verhouding; hoe volmaakter de verdeeling van arbeid en ruil van het

voortgebrachte, met hunne wederkeerige instellingen,--des te hooger

is de beschaving. Eten, drinken, slapen, zich warm houden,--deze

werkzaamheden zijn eigen aan alle dieren, om het even of het dier

zich te ruste begeeft in een bed van bladeren of een van eiderdons,

in de zon slaapt en den wind vermijdt of een verwarmd huis bouwt,

op de loer ligt voor wild of zijn diner bestelt in een hotel. Dit

zijn slechts individueele dierlijke processen. Of men één ei of een

millioen eieren legt, of men een kat, een kalf of een baby baart, of

men zijn kuikens uitbroedt, zijn varkens hoedt, of een kinderkamer

vol kinderen verzorgt, dit zijn slechts individueele dierlijke

handelingen. Maar om elkander al meer en ruimer te dienen; alleen

voor zulk een dienst te leven; bijzondere functiën te ontwikkelen,

zoodat wij voor ons levensonderhoud afhangen van wat de maatschappij

kan terug geven voor diensten die geen direct nut voor ons zelf

opleveren,--dat is beschaving, onze menscheneer, ons ras-kenmerk.

Deze geheele menschelijke vooruitgang is door mannen tot

stand gebracht. Vrouwen zijn achter, buiten gelaten, omdat zij

hoegenaamd geen maatschappelijke verhouding hebben, enkel de

geslachts-verhouding waardoor zij leven. Laat ons niet vergeten dat

alle teedere familiebanden, banden zijn van bloedverwantschap, van

geslachtsverwantschap. Een vriend, een kameraad, een deelgenoot,--dat

is een menschelijke verwant. Vader, moeder, zoon, dochter, zuster,

broeder, echtgenoot, echtgenoote,--deze zijn geslachts-verwanten. Bloed

is dikker dan water, zeggen wij. Dat is waar. Maar banden van

bloed doen de wereld niet ruischen met de onstuimige golven van

vooruitgaanden godsdienst, kunst, wetenschap, handel, opvoeding

en alles dat ons tot menschen stempelt. De man is het menschelijk

wezen. De vrouw is belemmerd, gekortwiekt, omgebracht geworden in

menschelijken groei; de aanzwellende krachten van ras-ontwikkeling

werden in elke generatie terug gedreven om in haar alleen door

geslachts-functiën te werken.

Op deze wijze heeft de sexueel-economische verhouding in onze diersoort

gewerkt, door ras-ontwikkeling in de eene helft van ons te belemmeren

en geslachts-ontwikkeling in beide helften te verhoogen.

V

De feiten in de vorige hoofdstukken genoemd zijn bekend en niet

te loochenen, de redeneering is logisch. Toch verzet het verstand

zich met geweld tegen de gevolgtrekkingen die het gedwongen wordt

te aanvaarden en tracht steun te vinden in de gewone omstandigheden

van het dagelijksch leven. Wij vluchten van het opdoemende spook van

het over-sekste wijfje van het geslacht mensch met voldoening terug

naar goede vrienden en bekenden,--naar mevrouw Smit en naar juffrouw

Muller,--naar moeders en zusters en dochters, naar verloofden en

echtgenooten. Wij meenen dat zulk een verschrikkelijke staat van zaken

niet waar kan zijn zonder dat wij dien zouden hebben opgemerkt. Wij

probeeren zelfs dezen acrobatischen toer te volbrengen, voor het

verstand van velen zoo gemakkelijk,--toe te stemmen dat het hiervoor

gestelde theoretisch waar, maar praktisch onjuist is!

Aan twee eenvoudige wetten van hersenwerking is het toe te schrijven

dat de menschen moeilijk te overtuigen zijn van de een of andere

groote algemeene waarheid die henzelf betreft. Eén van deze is aan

elk brein eigen, aan alle zenuwgewaarwordingen zelfs, en blijde zijn

wij hier te kunnen constateeren dat dit niets te maken heeft met de

sexueel-economische verhouding. Het is dit eenvoudig feit, dat wij

geen notitie nemen van hetgeen wij gewóón zijn te doen. Dit berust

op de wet van aanpassing, het adaptatie-vermogen; den geregelden,

onophoudelijken drang, die het organisme aan zijne omgeving passend

zoekt te maken. Een zenuw die voor den eersten keer door een zekeren

prikkel getroffen wordt, voelt dezen eersten prikkel veel meer dan den

honderdsten of duizendsten, zelfs wanneer hij den duizendsten keer

veel krachtiger was dan den eersten. Indien een prikkel voortdurend

en regelmatig werkt, dan worden wij er volkomen ongevoelig voor en

beantwoorden er alleen onder bijzondere omstandigheden aan; zooals

het tikken van een klok, het geluid van stroomend water of van de

golven van de zee. Zelfs het ratelen van de spoortreinen wordt niet

meer opgemerkt door degenen die het dagelijks hooren. Een individu is

volkomen in staat zich aan de nadeeligste omstandigheden te wennen,

zonder ze op te merken.

Evenzoo is het mogelijk voor een ras, een natie, een klasse om

gewend te raken aan de nadeeligste toestanden, zonder ze op te

merken. Neem, als een individueel voorbeeld, het dragen van corsetten

door vrouwen. Doe een krachtigen man of eene vrouw die nooit een

corset droeg er eens een aan, een los corset maar, dan zullen zij

het steeds onaangenaam voelen drukken. De gezonde spieren van den

romp verzetten zich tegen zulk een druk, de werking van het geheele

lichaam wordt in het midden belemmerd, de maag wordt vernauwd,

het digestie-proces in de war gebracht en het slachtoffer vraagt:

"Hoe kan men in 's hemelsnaam zoo'n ding dragen?"

Maar de persoon die gewend is een corset te dragen voelt daarvan

niets. Het bestaat wel, dat is zeker, de feiten zijn er, het lichaam

wordt niet misleid; maar de zenuwen zijn aan dit onaangenaam gevoel

gewend geraakt en beantwoorden er niet langer aan. De persoon "voelt

het niet." Werkelijk wordt de drager zoo aan dit gevoel gewend,

dat het corset niet kan worden uitgelaten zonder dat hij er last

van ondervindt. De zware plooien van de das, stropdas en halsdoek,

zooals de mannen vroeger droegen, de zware paardenharen pruik,

de stijve hooge kraag van heden, het soort schoenen dat wij dragen,

het zijn alle volmaakt bekende voorbeelden van de kracht der gewoonte

bij het individu.

Dit is eveneens waar voor de gewoonten van een ras. Dat een koning

moest regeeren, eenvoudig omdat hij geboren was, werd duizenden

jaren als van zelf sprekend beschouwd. Dat de oudste zoon de titels

en landgoederen moest erven, was een zelfde verschijnsel, evenmin in

twijfel getrokken. Dat een schuldenaar in de gevangenis moest worden

gezet en zoodoende heelemaal verhinderd werd om zijn schulden te

betalen, was de wet. Zoo'n schandelijk kwaad als kettingslavernij

was een onaangetaste maatschappelijke instelling uit de vroegste

geschiedenis tot op onze dagen, onder de meest beschaafde natiën

van de wereld. Zelfs Jezus merkte haar niet op. De afschuwelijke

onrechtvaardigheid van de Christelijke kerk tegenover de Joden heeft

vele eeuwen lang niemands aandacht getrokken. Dat de slaaf met den

grond verkocht werd en de meester zich dien toeeigende, was in de

middeleeuwen een van de grondslagen der maatschappij.

Men gewent op den duur zoowel aan sociale als aan individueele

toestanden en dan worden zij niet meer opgemerkt. Dat is de reden

waarom het zooveel gemakkelijker is de gebruiken van andere personen

en van andere natiën te kritiseeren dan onze eigen. Het is tevens

de reden waarom wij zoo gemakkelijk de aanvallen der kritiek kwalijk

nemen en er de juistheid van ontkennen. Het is geen gevolg van eenige

onrechtvaardigheid aan de eene zijde of onoprechtheid aan de andere,

maar alleen een eenvoudige en nuttige natuurwet. De Engelschman die

in Amerika komt, wordt in hooge mate getroffen door de politieke

verdorvenheid aldaar en met den ernstigen wensch zijn broeder te

helpen, brengt hij hem dat onder 't oog. Wat in zijn eigen land

gebeurt ziet hij niet, omdat hij daaraan gewend raakte. De Amerikaan

in Engeland vindt ook wel iets waartegen hij bezwaar heeft en vergeet

dan ook niet om in gedachten vergelijkingen te maken met wat hij in

eigen land zag.

Wanneer een toestand onder ons bestaat, die reeds aanving in die

vroege tijden waarvan de overlevering zelfs niet spreekt, die in

wisselenden graad bij elk volk op aarde aangetroffen wordt en die reeds

bij de geboorte op het individu begint in te werken, dan zou het een

wonder zijn dat alle begrip te boven gaat, indien menschen dien zouden

opmerken. De sexueel-economische verhouding is zulk een toestand. Zij

begon in de vroegste oudheid. Zij bestaat bij alle volken. Elke jongen

en elk meisje is er in geboren, in opgevoed en moet er in leven. De

vooruitgang der wereld in zaken als deze wordt verkregen door een

langzaam en pijnlijk proces, maar een dat tot een goed einde leidt.

In den loop der maatschappelijke evolutie zijn er ontwikkelde

individuen geweest, wier lichaamsgesteldheid niet passend kon worden

gemaakt aan de bestaande toestanden, maar die organisch voor meer

geavanceerde toestanden geschikt waren. Deze geavanceerde individuen

reageeren in scherp en pijnlijk bewustzijn op de bestaande toestanden,

en wat zij met hun helderziendheid opmerken, verkondigen zij luide. De

geschiedenis der religieuse, politieke en sociale hervorming is vol

van bekende voorbeelden hiervan. De ketter, de hervormer, de agitator

voelt wat zijns gelijken niet voelen, ziet wat dezen niet zien, en

natuurlijk, zegt wat zij niet zeggen. De groote massa van het volk

houdt niet van het luid geschreeuw van deze onrustige geesten. In

vroegere eeuwen werden zij eenvoudig ter dood veroordeeld. Vooruitgang

was langzaam en moeilijk in die dagen. Maar dit geweldig proces van

uit-den-weg-ruimen ontwikkelde het soort van vooruitstrevende personen,

die als martelaren bekend zijn, en deze merkwaardige sociologische wet

openbaarde zich, dat de sterkte van een stroom van sociale kracht wordt

vergroot door de opoffering van individuen, die bereid zijn voor de

zaak te strijden en te sterven. "Het bloed der martelaren is het zaad

der kerk." Dit is tegenwoordig zoo algemeen bekend, ofschoon nog niet

geformuleerd, dat de machthebbers aarzelen om te vervolgen, uit vrees

dat zij ongewenschte ketterij in de hand werken. Men heeft bevonden dat

een staatkunde van "vrije discussie" de meeste van de aanhoudende duwen

en uitvallen van deze bewogen krachten doet voorbijgaan en tot een

meer ordelijke uitwerking leidt. Onze groote anti-slavernij-beweging,

de heldhaftige pogingen van de strijdsters voor "vrouwenrechten",

zijn nieuwe en krachtige bewijzen van deze waarneembare feiten: dat

de massa van het volk bestaande toestanden niet opmerkt en dat zij

niet veel houdt van hen die het wel doen. Dit is een van de voorname

redenen waarom de sexueel-economische verhouding onopgemerkt onder ons

heerscht en waarom eenige bespreking er van velen zoo onaangenaam is.

De andere wet van hersenwerking waardoor wij de algemeene waarheid

niet zien is deze: het is gemakkelijker te personaliseeren dan

te generaliseeren. Dit moet in de eerste plaats aan de wetten van

verstands-ontwikkeling toegeschreven worden, doch wordt belangrijk

versterkt door het verband met het hiervoren behandelde. De macht

om op te merken en een persoonlijken indruk te onthouden bewijst

een lageren graad van ontwikkeling, dan de macht om indrukken te

klassificeeren en te ordenen en er algemeene gevolgtrekkingen uit

te maken. Er zijn wilden die zeggen kunnen "heet vuur", "heete

steen", "heet water", maar die niet zeggen kunnen "hitte"; dat

kunnen zij niet denken. Evenzoo kunnen zij zeggen "goed mensch",

"goed mes", "goed vleesch", maar zij kunnen niet zeggen "goedheid",

omdat zij zich die niet denken kunnen. Zij hebben bepaalde

voorbeelden opgemerkt, maar zijn niet in staat ze te ordenen, ze te

generaliseeren. Eveneens worden in ons dagelijksch leven individueele

voorbeelden van onrechtvaardigheid of wreedheid opgemerkt, lang

voor dat de volksgeest in staat is te zien dat zij een gevolg zijn

van een toestand en dat eerst de toestand veranderd moet worden,

vóór dat de gevolgen verwijderd kunnen worden. Een slechte priester,

een slechte koning, een slechte meester, waren reeds opgemerkt en

scherp veroordeeld, lang voor men begon in te zien dat de monarchale

toestand of de toestand der slavernij slechte vruchten moest dragen

en, indien die vruchten ons niet smaakten, wij beter deden den boom te

veranderen. Ieder slavenhouder zou toestemmen dat er onder de meesters

voorbeelden waren van wreedheid, luiheid, trots, en onder de slaven

voorbeelden van bedrog, vadsigheid, oneerlijkheid. De slavenhouder

zag evenwel niet dat, gegeven de verhouding van kettingslavernij, dit

onvermijdelijk deze gebreken moest voortbrengen en ook voortbracht,

ondanks alle pogingen van het individu om ze te bestrijden. Het is

gemakkelijk een individueel voorbeeld te zien. Het is moeilijker en

vereischt een grooter verstands-ontwikkeling de algemeene oorzaak te

zien. Wij, als een ras, hebben reeds lang den graad van algemeene

ontwikkeling bereikt, die ons in staat moest stellen, breeder en

wijzer over sociale vraagstukken te oordeelen; maar hier vertoont

zich het ontaardings-effect van de sexueel-economische verhouding.

De geslachts-verhouding is sterk persoonlijk. Al de functiën en

verhoudingen die daaruit voortvloeien zijn sterk persoonlijk. De

geest van "ik en mijn vrouw, mijn zoon Jan en zijn vrouw, wij

met ons vieren en niet meer", is de natuurlijke uiting van deze

levensphase. Door de halve wereld tot deze ééne reeks van functiën

te beperken, maakten wij ze tot absoluut persoonlijke functiën. En

op den man, die uit de vrouw geboren wordt, door haar in deze zelfde

atmospheer van geconcentreerde persoonlijkheid wordt groot gebracht,

en er later een groot deel van zijn leven in doorbrengt, mist dit

zijn uitwerking niet. Deze toestand leidt er toe om in onzen geest

het persoonlijke te vergrooten en het algemeene te verkleinen, met de

ons allen bekende gevolgen. De moeilijkheid om gezondheidswetten in

te voeren, waar persoonlijk gemak aan de algemeene veiligheid moet

opgeofferd worden, de grootte van het persoonlijk bezwaar tegenover

het algemeen belang, de noodzakelijkheid van "alles tehuisgebracht

te moeten hebben", welke elken stap van openbaren vooruitgang in den

weg staat en ons boos antwoord wanneer het "ons tehuisgebracht is",

zijn bekende waarheden. Voor zoover een vergelijking mogelijk is,

zijn vrouwen in dezen zin persoonlijker dan mannen, meer persoonlijk

gevoelig, minder bereid om "in 't gelid te staan" en "mee te keeren",

minder in staat om in te zien waarom eene algemeene beperking juist is,

wanneer die haar of haar kinderen raakt. Dit is natuurlijk genoeg,

onvermijdelijk genoeg en wordt hier dan ook alleen aangehaald,

omdat het voor een deel verklaart, waarom de menschen de algemeene

feiten van onzen overseksten toestand niet zien. Toch zijn zij overal

duidelijk zichtbaar en niet alleen duidelijk zichtbaar, maar zij doen

pijnlijk aan. Wij merken ze niet op, omdat wij er aan gewend zijn,

of worden wij gedwongen ze op te merken, dan schrijven wij de pijn die

wij ondervinden toe aan het slechte gedrag van een of ander individu

en denken er nooit aan dat ze een gevolg zijn van een toestand die

ons allen eigen is.

Indien wij onder ons een toestand hebben als gezegd is--een staat van

ziekelijke en overdreven geslachtsontwikkeling,--dan moet zich die

natuurlijk dagelijks op duizenden wijzen openbaren. De gedachtelooze,

die van zulk een openbaring niets heeft opgemerkt, besluit dat er

niets van dien aard bestaat en ontkent alzoo den hier besproken

toestand; zegt dat het heel waar klinkt, maar dat hij er nergens een

bewijs van gevonden heeft! Nu bedenke men wel dat, indien zulk een

bewijs bestaat, dit in het gewone leven natuurlijk het gevolg zou

zijn van een abnormaal geslachts-kenmerk; het kwaad zoo algemeen en

voortdurend zou voorkomen, dat het onopgemerkt bleef. Wanneer onze

aandacht er dan op gevestigd wordt, zien wij het alleen als iets van

persoonlijken aard. Laat ons ondanks deze hindernissen zien, of de

zichtbare gevolgen onder ons niet zoo zijn als uit zulk een oorzaak

moet volgen en laat ons ze voornamelijk zoeken in de verschijnselen

van het dagelijksche leven, zooals wij het kennen, en niet in de

dieper liggende sexueele en sociale gevolgen.

Een concreet voorbeeld, algemeen bekend en met ongeloofelijk slechte

gevolgen, is het gedrag der moeder tegenover haar kinderen ten

opzichte van de geslachts-verhouding. Op weinig uitzonderingen na,

geeft de moeder haar dochter geen waarschuwing voor of inlichting

omtrent hetgeen het leven voor haar inhoudt en laat zoo onschuld

en onwetendheid oorzaak worden van eeuwigdurende ziekte, zonde en

smart, vele generaties door. Een normaal moederschap behoedt zijn

jongen wijs en waarachtig voor gevaar. Een abnormaal moederschap,

overbang en minder wijs, vertelt het kind niets van zijn leed en

levert het ongewapend aan het ergste kwaad over. Millioenen en

millioenen weten dit. Maar slechts sedert kort denken wij er aan

het openlijk te bespreken. Wij zien echter nog niet dat het niet

de fout is van de individueele moeder, maar van haar economischen

staat. Onze abnormale geslachtsontwikkeling is oorzaak dat deze

geheele zaak een soort van misdaad geworden is,--iets wat geheim

gehouden en ontkend moet worden, iets wat men voorbijgaat zonder

opmerking of verklaring. Van daar deze dwaze tegenstrijdigheid dat

moeders zich schamen over het moederschap; dat zij niet in staat zijn

het te verklaren en,--vergeet dit niet,--haar kinderen voorliegen

over het ontstaan van leven,--moeders die liegen tegen haar eigen

kinderen over het moederschap!

De drang waaronder dit geschiedt is een economische. Het meisje

moet trouwen, hoe zou zij anders leven? De toekomstige echtgenoot

geeft de voorkeur aan een meisje dat niets weet. Hij is de markt, de

vraag. Zij is het aanbod. En met de beste bedoelingen dient de moeder

het economisch voordeel van het kind, door haar voor de markt geschikt

te maken. Dit is een uitstekend voorbeeld. Het is bekend. Het getuigt

van de slechte verhouding. Het is geheel uit onze sexueel-economische

verhouding te verklaren.

Een ander voorbeeld van zoo'n grof onrechtvaardig, zoo'n voelbaar,

zoo'n algemeen kwaad, dat het zelfs nu en dan met eenig protest

ons slaperig geweten heeft doen ontwaken is dit: dat men de vrouw

dwingt te huwen. Zooals reeds werd opgemerkt is voor het jonge

meisje het huwelijk de eenige weg tot fortuin, tot het leven. Zij

werd geboren in hooge mate aangelegd als vrouw, zij werd zorgvuldig

opgevoed en geoefend om op alle wijzen haar geslachts-beperkingen

en geslachts-voordeelen te realiseeren. Wat zij zelfs als kind kan

verkrijgen wordt voor een groot deel veroverd door vrouwelijke trekjes

en bekoorlijkheden. Haar lectuur, zoowel geschiedenis als romans,

schetst de positie der vrouwen evenzoo, terwijl de dichter en novellist

haar meer bepaald op den voorgrond brengen. Schilderkunst, muziek,

tooneelspeelkunst, maatschappij, alles vertelt haar dat zij is "zij"

en dat alles er van afhangt met wien zij trouwt. Waar jongens plannen

maken wat zij zullen worden en verkrijgen, daar maken meisjes plannen

wie zij zullen worden en verkrijgen. Kleine Ellie in haar zwanennest

tusschen het riet is een bekende illustratie. Zij maakt haar plannen

voor den minnaar op het bruine strijdros. Het is Lancelot die door

het struikgewas rijdt om de Prinses van haar weefstoel te halen:

"hij", is de komende wereld.

Met vooruitzichten als deze; met een lichaamsgestel dat voor dit

doel speciaal ontwikkeld wordt; met een opvoeding die het natuurlijk

instinkt nog versterkt door voorschrift en voorbeeld, door wijsheid en

deugd; met een maatschappelijke omgeving die er geheel op ingericht is

om het meisje een kans te geven om te zien en gezien te worden en haar

"gelegenheid" te verschaffen; en met den geheelen druk van persoonlijk

voordeel en eigen-belang gevoegd bij geslachts-instinkt,--kon men

logisch verwachten in een maatschappij te leven, vol van wanhopige

en begeerige mannenjaagsters, zonder dat iemand er aanstoot aan nam.

Toch is dit niet het geval! Het huwelijk is het eigen gebied der vrouw,

haar heilig aangewezen plaats, haar natuurlijke bestemming. Zij

wordt er voor geboren; zij wordt er voor opgevoed, zij wordt

er voor tentoongesteld. Meer nog, het is haar middel voor een

eerlijk levensbestaan en om vooruit te komen. Maar--zij mag zelfs

niet kijken alsof zij het wenscht. Zij mag er haar hand niet voor

omdraaien. Zij moet lijdelijk zitten wachten, zelfs wanneer haar

lentejaren voorbijgaan en haar "kansen" met elk jaar verminderen. Denk

eens aan den zielsangst van een fijngevoelig zenuwachtig organisme,

zoo sterk naar iets te verlangen, de mogelijkheid om het te krijgen

elk jaar minder en minder te zien worden en dan ook niet één stap

te mogen doen om het te bemachtigen. Dit moet zij met waardigheid en

lieftalligheid tot het einde toe volhouden.

Tot welk einde? Zoo zij er niet in slaagt gekozen te worden, dan

wordt zij op het einde een ding van medelijdende geringschatting, een

menschelijk wezen zonder plaats in het leven, behalve misschien als

een aanhangsel, een afhankelijke van meer gefortuneerde familieleden,

een oude vrijster. De openlijke geringschatting en bespotting waarmede

ongehuwde vrouwen gewoon zijn behandeld te worden, vermindert elk jaar,

naarmate zij in economische onafhankelijkheid vooruitgaan. Maar

het is nog niet zoo lang geleden dat het bekende spreekwoord

"oude vrijsters zijn vaatjes zuur bier" algemeen in gebruik was;

dat afgewezen minnaars heengingen met het dreigend argument "dat zij

wel eens de laatste vrager konden zijn"; dat de hopelooze juffer in

het bosch bad om een man, en toen de uil vroeg: "Wie? wie?" riep:

"Iemand, goede God!" Er bestaat nog steeds een vroolijk liedje,

dat vertelt van de "Drie oude vrijsters van Lynn": "toen zij kenden

wilden zij niet en toen zij wilden konden zij niet."

De wreede en absurde onrechtvaardigheid om het meisje te laken, omdat

zij niet bemachtigen kon, wat zij niet mocht trachten te verkrijgen,

schijnt onverklaarbaar; maar het wordt verklaarbaar zoodra wij het

beschouwen in verband met de sexueel-economische verhouding. Ofschoon

het huwelijk een middel is tot levensonderhoud, is het toch geen

eerbaar beroep, waarbij men zijn werk zonder schaamte kan aanbieden;

maar een verhouding, waarbij het onderhoud dadelijk en gedwongen door

de wet wordt verstrekt ter vergelding van de functioneele diensten der

vrouw, "de plichten van vrouw en moeder." Daarom kan geen eerbare vrouw

er om vragen. Het komt niet alleen doordat het natuurlijk vrouwelijk

instinkt zich wil terughouden en dat van den man zich wil opdringen,

maar omdat het huwelijk beteekent onderhoud, en een vrouw een man niet

kan vragen om haar te onderhouden. Het is een economische bedelarij

zoo wel als een valsche houding uit een geslachtelijk oogpunt.

Let eens op de vernuftige wreedheid van de regeling. Het is even

menschelijk natuurlijk voor een vrouw om rijkdom te begeeren als voor

een man. Maar waar haar rijkdom moet komen door hetzelfde kanaal

als haar liefde, mag zij er wegens haar geslachts-aard en wegens

beroeps-eer niet om vragen. Van daar de millioenen mislukte huwelijken

met "Iemand, goede God!" Vandaar de millioenen gebroken harten die het

geheele leven moesten laten voorbijgaan, niet in staat zelfs om een

poging te doen het te doen stil staan. Van daar de vele oude tantes,

oude zusters en dochters, alleen loopende vrouwen overal, die een last

zijn voor hare mannelijke familiebetrekkingen en voor de maatschappij

tevens. Dit wordt nu gelukkig beter, doch het verandert alleen door de

vordering in economische onafhankelijkheid der vrouwen. Een "ongehuwde

vrouw" is thans heel iets anders dan een "oude vrijster".

Zie hier de verklaring van de Andromeda-figuur der jonge vouw die

misschien-had-kunnen-trouwen, en voor de bespotting en het verwijt

waaraan zij bloot staat. Zoolang de vrouwen alleen als geslachts-wezens

beschouwd worden, zelfs door de vrouwen onderling; zoolang nog alles

gedaan wordt om de macht van geslachts-attractie te vergrooten; zoolang

zij hoofdzakelijk op dien grond huwbaar bevonden worden, tenzij er

een "fortuin" naast haar bekoorlijkheden geplaatst wordt; zóólang zal

niet-getrouwd-zijn beschouwd worden als gemis aan attractie, gemis aan

geslachts-waarde. Zoolang zij geen andere waarde hebben, dan alleen

om ondergeschikt huiswerk te doen, zijn zij heel natuurlijk weinig in

tel. Voor wat deugt zoo'n schepsel, dat het doel waarvoor het geboren

is gemist heeft? Zoo'n geslachtloos ding ondervindt de geringschatting

van man en vrouw tegelijk; het is een menschelijk misbaksel.

Om die reden is het niet vreemd, ofschoon het even juist als treurig

is, dat in het leven der vrouwen dit lange hoofdstuk van geduldig,

stil, bitter lijden voorkomt, en evenmin is het vreemd de publieke

opinie duidelijk en bestendig te zien veranderen, naar mate de vrouwen

ook andere hoedanigheden ontwikkelen buiten en behalve die betreffende

het geslachtsleven. Nu zij zoowel mensch is als vrouw, een economische

positie in de maatschappij bekleedt, wordt zij verwelkomd en aangenomen

als een menschelijk wezen en behoeft niet meer te trouwen met den

eersten den besten man voor haar boterham. De reactie in dezen is zelfs

zoo sterk, dat er heden een kleine groep vrouwen is die niet verkiezen

te trouwen, omdat zij, "haar onafhankelijkheid", haar pas-geboren,

zwaar-verdiende, duur-gekochte onafhankelijkheid niet willen prijs

geven. Dat eenig levende vrouw haar onafhankelijkheid verkiest boven

een tehuis en een man, boven liefde en moederschap, werpt een schel

licht op hetgeen vrouwen vroeger moeten hebben geleden door gemis

aan vrijheid.

Dat deze neiging algemeen zal worden behoeft men evenwel niet te

vreezen. Zij is een zuivere reactie, die zeer natuurlijk is. Zij zal

even natuurlijk verdwijnen als de vrouwen meer en meer onafhankelijk

worden, wanneer het huwelijk niet meer de vrijheid kost. Dat men

vreest dat vrouwen in het algemeen, eens geheel onafhankelijk, niet

zullen trouwen, bewijst hoe goed het bekend was dat afhankelijkheid

alleen de vrouwen dwong tot een huwelijk, zooals dit was. Noch lokaas,

noch straf zal er noodig zijn om de vrouwen te dwingen tot een waar

huwelijk met onafhankelijkheid.

Het is zeer interessant langs dezen weg den voortdurenden strijd op

te merken tusschen natuurlijk instinkt en natuurwet, tusschen sociale

gewoonten en sociale wetten, ons geheel opwaarts leven door. Met de

natuurlijke functiën en het geslachts-instinkt beginnende, vervult

de vrouw die haar hooge positie als kiezende uit de beste onder de

wedijverende mannen hoog houdt, de schoone taak om het ras door een

goed huwelijk te verbeteren. Het gevoel waardoor dit tot stand komt,

wordt fijner naarmate wij beschaafder worden en ontwikkelt zich in die

breede, diepe, ware, duurzame liefde, welke het hoogste goed is voor

elk individu. Dezen stroom volgende, hebben wij altijd "ware liefde"

vereerd en bewonderd, en van de vroegste tijden af vloeiden de romans

over van lof voor de prinses die haar page of haar gevangene huwde,

de teeltkeus in de vrouw vereerende, die den "rechten man" om bestwil

koos. Hier tegen in druischt een sterke stroom van tegenovergestelde

richting, die uitloopt in "het conventioneele huwelijk", iets wat

de wereld altijd innerlijk gehaat heeft. De jonge Lochinvar is voor

niets geen eeuwigdurende held. Het gepersonifieerde type van een

groote sociale waarheid kan zeker zijn van een lang leven. De arme

jonge held, mooi, moedig, goed, maar omringd van moeilijkheden, wordt

altijd geplaatst tegenover den slechten man met rijkdom en macht. De

vrouw weifelt dan tusschen die twee en tegen het einde wint de arme

held het. Dat hij dan ten slotte met rijkdom en eer overladen wordt,

beteekent niets anders, dan onze erkenning dat hij het meest waard

is. Dit is beter dan een zonnemythe. Het is een rasmythe, die waar

is als waarheid.

Het bestaat zoo nog in het hedendaagsche leven, maar eindeloos bewerkt

en door overvloedige bijzonderheden verzwakt, zooals de aard van het

leven het nu medebrengt. Het meisje dat den ouden rijken man huwt of

den adellijken losbol, wordt door de publieke opinie veroordeeld;

het meisje dat den armen jongen man huwt en haar best doet om hem

door het leven te helpen, wordt geprezen door denzelfden grooten

scheidsrechter. Maar waarom zouden wij het meisje verwijten dat zij

haar roeping najaagt? Zoolang het huwelijk haar eenige weg is om geld

te verdienen, waarom mag zij dan niet trachten langs dien weg geld te

verkrijgen? Waarom wordt het gewicht van het geheele eigen-belang

bij de practische uitvoering zoo krachtig geslingerd tegen het

geslachts-belang van individu en ras? Het gekochte huwelijk is een

volkomen natuurlijke consequentie van de economische afhankelijkheid

der vrouw.

Neem aan den anderen kant eens het gevolg van deze afhankelijkheid

waar op de mannen. Wanneer het overdreven geslachts-kenmerk en

de economische afhankelijkheid der vrouwen toeneemt, dan neemt

tegelijkertijd de kans om te huwen af en de moeilijkheid van het

huwelijk toe; het huwelijk wordt dan uitgesteld en vermeden, wat

voor beide geslachten en voor de maatschappij tevens een direct

nadeel is. In eenvoudiger verhoudingen op het land, waar vrouwen een

persoonlijke waarde in de economische verhouding vertegenwoordigen,

even goed als een vrouwelijke waarde in de geslachts-verhouding, is een

vroeg huwelijk een voordeel. De jonge boer krijgt een voordeelige meid

als hij trouwt. De jonge handelsman krijgt niets van dien aard,--een

aardig meisje, een mooi vrouwtje, gereed voor het huwelijk en het

moederschap, zoo lang haar gezondheid het toelaat,--maar hoegenaamd

geen economische waarde hebbende. Zij is alleen een verbruikster, en

hij moet wachten tot hij genoeg verdient, om te kunnen trouwen. Dit

zijn overal dikwijls voorkomende voorbeelden, ons allen bekend, van

de tastbare gevolgen van onze sexueel-economische verhouding in het

gewone leven.

Indien er in het menschelijk leven een kwaad bestaat dat in elk opzicht

slecht is, dan is het zonder twijfel dat, hetwelk bekend is onder

den populairen naam van "een noodzakelijk kwaad", en dat bestaat in

gemengde en tijdelijke geslachts-verhoudingen. Het inherente kwaad in

deze verhoudingen is een sociologisch kwaad, eer nog dan een wettig of

zedelijk kwaad. Indien het zedelijkheidsgevoel iets als slecht erkent,

moet het van den beginne af slecht geweest zijn. Iets is niet slecht

alleen omdat het zoo genoemd wordt. De slechtheid van dezen vorm van

geslachts-verhouding in een beschaafde maatschappij rust stevig op

natuurwetten. Met de steeds verbeterde middelen om de soort voort te

planten ontwikkelde zich tevens een langere periode van kindsheid. Deze

langere periode van kindsheid vereischte langere zorg en overeenkomstig

daarmede kwam men tot het inzicht dat de beste zorg gedurende dezen

tijd door beide ouders werd gegeven. Dit gaf aanleiding tot eene

duurzamere paring. En de duurzamere paring bond de ouders te zamen door

gezamenlijke belangen en plichten, ontwikkelde in hen door het gebruik

hooger geestelijke hoedanigheden, en door overerving gingen deze op

de kinderen over. Daarom heeft de maatschappij het recht om van de

haar samenstellende individuen de deugd der kuischheid, de heiligheid

van het huwelijk te eischen. De maatschappij heeft hierop volkomen

recht, want de sociale evolutie is een even natuurlijk proces als de

individueele evolutie, en de bestendige bond der ouders is gebleken

een voordeel voor de maatschappij te zijn. Maar de sociale evolutie,

diep, onbewust, langzaam en de zelfbewuste, over-sekste leden der

maatschappij zijn twee verschillende zaken.

De natuurwetten hebben er krachtig toe medegewerkt in het menschelijk

ras zuivere, langdurige, monogame huwelijken te ontwikkelen. Maar

onze bijzondere regeling om het eene geslacht door het andere te

laten voeden, heeft getracht geheel iets anders tot stand te brengen

en is daarin geslaagd. In geen andere diersoort is het vrouwtje

economisch afhankelijk van het mannetje. In geen andere diersoort is

de geslachts-gemeenschap te koop, een overeenkomst. Waar aan de eene

zijde elke levensomstandigheid neigt om in de vrouw het geslacht te

doen uitkomen, om de macht en den wensch naar economische productie

en ruil te vernietigen en de eeuwenoude gewoonte te ontwikkelen alle

aardsche goederen in een mannenhand te zoeken en daarvoor slechts één

ding terug te geven; waar aan de andere zijde de man buitensporige

geslachts-drift erft en nimmer voor het toegeven daaraan berispt wordt,

en waar hij ook de eeuwenoude gewoonte ontwikkelt om alles wat hij

wenscht van vrouwen te nemen, voor wier hulpelooze berusting hij een

economische belooning teruggeeft, wat moest daarvan het natuurlijk

gevolg zijn? Immers juist wat gevolgd is. Wij leven in een wereld

van wetten en de menschheid maakt daarop geen uitzondering. Wij

hebben een zeker percentage vrouwen voortgebracht met geëvenredigde

geslachts-drift en buitensporige begeerte naar stoffelijk voordeel. Wij

hebben een zeker percentage mannen voortgebracht met buitensporige

geslachts-drift en een grootmoedige bereidwilligheid om voor hun

geslachts-bevrediging te betalen. Aangezien het percentage van

zulke mannen grooter is dan dat van zulke vrouwen, hebben wij zeer

slechte methoden uitgedacht om aan de vraag te voldoen. Het gezonde

deel der maatschappij wist altijd wel dat die methoden slecht waren,

slecht in de gevolgen voor het ras, de bron van al het kwaad. In deze

mannenwereld is het heel begrijpelijk dat de vrouw alleen de schuld

kreeg van hun wederzijdsch misdrijf. Daarvoor bestaat ook wel een

reden. Hoe slecht de man ook is, hij zoekt alleen een bevrediging die

natuurlijk is in soort, ofschoon abnormaal in graad. De vrouw doet

dit in sommige gevallen ook, maar in de meeste gevallen toont zij

het scheeve der verhouding door het voor geld te doen, een physisch

bedrog, een zonde tegen de natuur.

Het zuiver instinkt komt in opstand tegen een broodwinning door gebruik

der geslachtsfunctiën. Maar waarom zijn wij er dan tevreden mede,

zoodra zij geschiedt in het huwelijk? Wettig en godsdienstig kunnen

wij zeggen dat zij juist is, maar de daaruit voortvloeiende gevolgen

voor de betrokken paren en voor de maatschappij in haar geheel,

zijn slecht. De physische en psychische gevolgen zijn verkeerd,

ofschoon gewijzigd door onze meening dat zij goed zijn. De physische

en psychische gevolgen van de prostitutie waren ook verkeerd, toen de

jonge Babylonische meisjes door zich te prostitueeren hun bruidschat

verdienden in den tempel van Bela en meenden dat zij daaraan geen

kwaad deden. Het zedelijk karakter van een daad die wij doen,

verandert in ons bewustzijn door hetgeen wij denken en gevoelen,

maar de daaruit voortspruitende gevolgen blijven dezelfde. De

economische afhankelijkheid van vrouwen van de geslachts-verhouding

rechtvaardigen wij en keuren wij goed in het huwelijk. Buiten het

huwelijk veroordeelen wij haar zonder voorbehoud. Wij volgen met onze

verachting en beschuldigingen tot zelfs aan de huwelijkspoort--de

verkochte bruid, maar van de verkochte vrouw, die de zakken van haar

man 's nachts ledigt, denken wij geen kwaad. Het huwelijk maakt alles

heilig, zeggen wij; liefde moet er mede gepaard gaan.

Liefde ging echter nog nimmer met eigenbelang samen. De grootste

tegenstrijdigheid bestaat tusschen deze beide; zij zijn lijnrecht

tegenovergestelde krachten. In het schoone evolutie-proces vinden

wij voortdurend oppositie tusschen het instinkt en het proces van

zelf-behoud en tusschen het instinkt en het proces van ras-behoud. Van

die beginnende vormen, waar nieuw leven dood ten gevolge heeft,

zooals in de bloeiende aloë of bij de ééndaagsche meivlieg, tot op de

hoogste glorie van zelf-opofferende liefde, werken deze twee machten

elkander tegen. Wij hebben ze te zamen gebonden. Wij hebben de vrouw,

de moeder,--de ware bron van opoffering door liefde,--er toe gebracht

om winst te maken uit liefde, een afzichtelijke paradox. Het is geen

wonder dat ons dagelijksch leven van in 't oogloopende gebreken

door dezen onnatuurlijken stand van zaken vol is. Geen wonder dat

de menschen zich met walging afkeeren van het soort vrouwen dat zij

gemaakt hebben.

De economische toestand der vrouw Een studie over de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen als een factor in de sociale evolutie · 第 6 / 16 题