III

Na te hebben vastgesteld dat het buitensporig geslachts-onderscheid

(de over-sexualiteit) in het menschenras bestaat, dienen wij den

gewonen lezer nog duidelijk te maken, wat met dezen term bedoeld

wordt. Volgens de volksmeening, zoowel in ruw-gemeenzame als

in overbeschaafde kringen, beteekent "sexueel" (geslachtelijk)

meestal "sensueel" (zinnelijk), en meent men iemand, die den last

der over-sexualiteit te dragen heeft, daarvan een verwijt te moeten

maken. Deze meening kunnen wij onmiddellijk ter zijde stellen, want

zij toont duidelijk aan dat men de beteekenis van den gebruikten

term niet kent. Een man toch voelt zich niet beleedigd als men hem

"mannelijk" noemt, of een vrouw als men haar "vrouwelijk" noemt. En

toch is alles wat mannelijk of vrouwelijk aan hen is sexueel. Zich

door vrouwelijkheid te onderscheiden, beteekent niets anders dan zich

sexueel te onderscheiden. Over-vrouwelijk te zijn is over-sekst te

zijn. Door op de een of andere wijze de onderscheidingsteekens van

het geslacht, de primaire zoowel als de secondaire, in overmaat te

vertoonen, bewijst men over-sekst te zijn. Om bij ons voorbeeld van

den pauwhaan te blijven, eene te groote en te schitterende staart

zou bewijzen dat hij over-sekst was, doch dit zou voor zijn zedelijk

karakter geen beleediging zijn!

De primaire geslachts-kenmerken zijn in ons ras zoowel als in andere

rassen alleen in de organen en functien aanwezig die een werkelijke

rol bij de voortplanting vervullen. De secondaire kenmerken,--en

hier moeten wij onze grootste overmaat zoeken,--zijn te vinden

in al die kenmerken in orgaan en functie, in gelaatsuitdrukking

en beweging, in gewoonte, manieren, wijze van doen, bezigheid,

gedrag, waardoor mannen en vrouwen uiterlijk van elkaar onderscheiden

worden. Ziet men een troep paarden op een kleinen afstand dan kan men

de geslachten niet van elkander onderscheiden. In een kudde rendieren

zijn de mannetjes door hun gewei onmiddellijk te herkennen. De leeuw

onderscheidt zich door zijn manen, de kater alleen door wat zwaarder

bouw. In sommige soorten van insekten verschillen het mannetje en het

vrouwtje uiterlijk zooveel van elkaar, dat zelfs natuuronderzoekers

gemeend hebben dat zij tot afzonderlijke soorten behooren. Boven deze

verschillen staat het verschil in gedrag. Elke sekse bezit zekere

psychische eigenschappen. De krachtige moederlijke hartstocht is even

goed een geslachts-kenmerk als de manen van den leeuw of de horens

van het hert. Het oorlogzuchtige en heerschende in het karakter van

den man zijn geslachtskenmerken; de bescheidenheid en bedeesdheid

der vrouw zijn geslachts-kenmerken. De zucht om te broeden is een

geslachts-kenmerk van de hen; de zucht om trots en deftig te stappen

is een geslachts-kenmerk van den haan. De neiging tot vechten is

een geslachts-kenmerk der mannen in het algemeen; de neiging om te

beschermen en te verzorgen is een geslachts-kenmerk der vrouwen in

het algemeen.

De beginnende neiging tot geslachts-onderscheid is bij de menschen,

wier voornaamste werkzaamheden van socialen aard zijn, in allerlei

functiën merkbaar. Wij hebben onze industrieele werkzaamheden,

onze verantwoordelijkheid, onze ware deugden, door geslachtslijnen

in tweeën gedeeld. Het is daarom duidelijk dat het buitensporig

geslachts-kenmerk in de menschheid, en in de vrouw in het bijzonder,

geen bepaald "zedelijk" verwijt in zich sluit, ofschoon het in ruimer

beteekenis aantoont dat het op den vooruitgang der menschheid een

beslist slechten invloed uitoefent.

In de primaire kenmerken is onze buitensporigheid niet zoo merkbaar

als in de verdere en fijnere ontwikkeling; doch zelfs daar zijn de

bewijzen duidelijk aanwezig. Geslachts-drift uit zich bij den man ten

eerste veel sterker dan noodig is voor de voortplantings-processen,

zoo sterk inderdaad, dat het geheele proces er door tegengegaan of

benadeeld wordt. Het directe nadeel aan de voortplanting door den

overdreven geslachts-lust van den man, het indirecte nadeel door zijn

verzwakkenden invloed op de vrouw, met het verschrikkelijk kwaad

door buiten-echtelijke geslachts-gemeenschap aan de maatschappij

berokkend--deze zijn de bijna algemeen bekende gevolgen. Eeuwenlang

kenden wij ze reeds en wij hebben het kwaad trachten te beteugelen

door burgerlijke, maatschappelijke en zedelijke wetten. Maar wij

hebben het altijd als een daad van vrijen wil beschouwd en niet als

een toestand van ziekelijke ontwikkeling. Wij hebben altijd gemeend

dat het juist was dat mannen zoo waren, maar dat het verkeerd was

dat zij zoo handelden. Op die wijze werkt de natuur niet. Wie zoo

moet zijn, moet ook zoo handelen. Wie anders moet handelen, moet

ook anders zijn. De overdreven eisch naar geslachts-gemeenschap in

den man is een buitensporig geslachts-kenmerk. Wij vinden in een

zeker soort ruwheid en hardheid, in een te groote heerschzucht en

trots, in een te sterk toegeven aan de macht tot geslachts-lust,

de voornaamste kenteekenen van een buitensporig geslachts-kenmerk

in mannen. Dit werd in hen steeds beteugeld en tegengewerkt door

de gezonde werkzaamheden van het ras-leven. Hunne krachten werden

gebruikt en hun talenten ontwikkeld langs de geheele linie van

den menschelijken vooruitgang. Met den vooruitgang van industrie,

koophandel, wetenschap, fabrieken, regeering, kunst, godsdienst,

werd de man van ons ras mensch, veel meer dan man. Hoe sterk deze

hartstocht in hem is en hoe buitensporig hij er ook aan toegeeft,

toch is hij een veel normaler dier dan het vrouwtje van zijn ras, veel

minder over-sekst. Voor hem is dit veld van bijzondere werkzaamheid

slechts een deel van zijn leven,--een voorbijgaand iets. De geheele

wereld staat daar buiten. Voor haar daarentegen is het de geheele

wereld. In het bekende gezegde van madame de Staël:--"Liefde is

voor den man een episode, voor de vrouw een geschiedenis,"--is

dit zeer goed weergegeven. In de vrouw vinden wij het buitensporig

geslachts-onderscheid van het menschenras, lichamelijk, geestelijk,

maatschappelijk, het volledigst uitgedrukt.

Eerst het lichamelijk onderscheid. Door een voorbeeld zal ik trachten

het verschil tusschen een normaal en een abnormaal geslachts-kenmerk

duidelijk te maken. Beschouw voor dat doel een wilde koe en een

"melkkoe" zooals wij die gemaakt hebben. De wilde koe is een

vrouwtje. Zij heeft gezonde kalveren en melk genoeg om hen te voeden;

dat is al de vrouwelijkheid die zij noodig heeft. Overigens is zij meer

rund dan vrouwelijk. Zij is een licht, sterk, vlug, gespierd schepsel,

in staat als het noodig is te rennen, te springen, te vechten. Voor

ons economisch voordeel hebben wij de eigenschap van de koe om melk

te kunnen voortbrengen, kunstmatig ontwikkeld. Zij is een wandelende

melk-machine geworden, aangefokt en opgeleid voor dat uitsluitend doel,

zoodat haar waarde in liters berekend kan worden. Melk-afscheiden

is een moederlijke functie, een geslachts-functie. De koe is

over-sekst. Breng haar in haar natuurlijken toestand terug en indien

zij de verandering overleeft, dan zal zij na eenige generaties weder

in een eenvoudige koe veranderd zijn, die al haar energie gebruikt

in de algemeene werkzaamheden van haar ras, in plaats van op te gaan

in het produceeren van melk.

Lichamelijk behoort de vrouw tot een groot, krachtig schoon diersoort,

dat in staat is tot groote inspanning van allerlei aard. In elk ras

en op elk tijdstip waar zij gelegenheid had aan de werkzaamheden

van het ras deel te nemen, ontwikkelde zij zich in overeenstemming

daarmede en zij werd niet minder vrouw door een gezond menschelijk

wezen te zijn. In elk ras en op elk tijdstip waar men haar deze

gelegenheid ontnam,--en haar jaren van vrijheid waren inderdaad zeer

weinige,--heeft zij zich in die richting ontwikkeld waarvoor men haar

bestemde, en die richting was altijd geslachts-werkzaamheid. Daardoor

treedt het geslachts-onderscheid bij de vrouw zeer sterk op den

voorgrond.

De vrouwelijkheid der vrouw,--en "das ewig weibliche" beteekent

eenvoudig het eeuwig sexueele,--treedt in evenredigheid tot haar

menschelijkheid meer op den voorgrond, dan de vrouwelijkheid van

andere dieren in evenredigheid tot hun hond- of kat- of paard-zijn. Een

"vrouwenhand" of een "vrouwenvoet" is altijd te herkennen. Wij hooren

echter nooit spreken van een "vrouwenpoot" of een "vrouwenhoef." Een

hand is een grijporgaan en een voet een bewegingsorgaan. Zij zijn geen

secondaire geslachts-organen. De betrekkelijke kleinheid en zwakheid

van de vrouw is een geslachts-kenmerk. Wij hebben het tot zulk een

uiterste gebracht dat de vrouwen gewoonlijk aangeduid worden als "het

zwakke geslacht." In geen ander hoog ontwikkelde diersoort bestaat zulk

een beschamend verschil tusschen het mannetje en het vrouwtje. Op de

lange zwerftochten der trekvogels, in de onophoudelijke beweging der

grazende kudden die het geheele jaar door over de velden trekken, of

in de wilde, diepe reizen van de zalmen is nooit sprake van een zwak

geslacht. En bij de hoogere carnivoren, die door hun langdurige zorg

voor de jongen dichter bij ons staan, vreest de jager den aanval van

het vrouwtje meer dan van het mannetje. De ongeëvenredigde zwakheid is

een buitensporig geslachts-kenmerk. Haar schadelijke gevolgen kunnen

duidelijk aangetoond worden bij de Oostelijke natiën, waar de vrouwen

in gesloten harems geheel alleen voor geslachts-functiën bestemd zijn

en de uitoefening van elke ras-functie haar verboden is. Bij zulke

volkeren wordt de zwakheid, de fijne beenderenbouw en de sterke

vetontwikkeling van de over-sekste vrouw op den man overgebracht

en bewerkt zoodoende achteruitgang van het geheele ras. Omgekeerd,

bij de vroegere Germaansche stammen brachten de betrekkelijk vrije en

menschelijk ontwikkelde vrouwen,--die groot, sterk en moedig waren,--op

hunne zonen een grootere hoeveelheid menschelijke krachten en veel

minder ziekelijken geslachts-lust over.

De graad van zwakheid en plompheid aan vrouwen eigen, de betrekkelijke

moeilijkheid om te staan, te loopen, te rennen, te springen, te

klimmen, en om andere ras-functiën, die voor beide seksen gelijk

zijn, te verrichten, is een buitensporig geslachts-onderscheid,

en de daaropvolgende overplanting van deze betrekkelijke zwakheid

op hare kinderen, zoowel op de jongens als op de meisjes, houdt de

ontwikkeling van het menschdom tegen. Sterke, vrije, werkzame vrouwen,

de stoere op-het-land-werkende boerin, de last-dragende wilde,

zijn niet minder goede moeders omdat zij zoo krachtig zijn. Maar

onze beschaafde "vrouwelijke teerheid", die zich iets minder teer

voordoet zoodra zij erkend wordt als een uitdrukking van buitensporige

seksualiteit, maakt geen betere moeders van ons, maar slechtere. De

betrekkelijke zwakheid der vrouwen is een geslachts-kenmerk. Zij heeft

dien graad bij hen bereikt dat het moederschap, de huwelijksstaat en

het individu er door benadeeld worden. Het nut dat vrouwen als sekse

en als menschen doen, haar algemeene menschenplicht, wordt door dezen

graad van distinktie zeer sterk aangetast. In elk opzicht oefent de

over-sekste toestand der vrouw een ongunstigen invloed uit op haar

zelf, haar man, haar kinderen en het ras.

Het geestelijk verschil der beide seksen is even duidelijk. De

aanvankelijke behoefte aan geslachts-bevrediging heeft zich onder den

invloed van sociale krachten langzamerhand ontwikkeld tot een bewusten

hartstocht van enorme macht, een innige, levenslange toewijding, die in

zijn kracht overweldigend is. In beide seksen is dit overdreven, maar

toch meer in vrouwen dan in mannen; niet zoo erg in zijn eenvoudigen

physischen vorm, maar in de onredelijke kracht der emotie, die voor

geen rede vatbaar is en degenen, die in haar macht zijn, voortdrijft

om alles aan dit ééne doel op te offeren. Oppervlakkig beschouwd,

lijkt het niet gemakkelijk en het is misschien een oneerbiedige

en ondankbare taak om hier uit te maken wat in "meester-hartstocht"

goed en wat slecht is, vooral nu het eene geslacht meer van dit gevoel

eischt dan het andere; maar het kan toch geschieden.

Het is voor het individu en voor het ras goed de hartstochtelijke

en bestendige liefde tot zulk een graad ontwikkeld te hebben als

noodig is om het geluk der individuen en de voortplanting van het

ras te bevorderen. Het is voor het individu en voor het ras niet

goed, dat dit gevoel zoo krachtig is geworden dat het alle andere

menschelijke eigenschappen overschaduwt, dat het den spot drijft met

de opgedane wijsheid van vele eeuwen en de voorhanden wilskracht, om

het individu--tegen zijn eigen volle overtuiging--tot een vereeniging

te drijven, welke zeker op kwaad uitloopt of hem hulpeloos in een

ongewenschte verhouding houdt.

Zoo is de toestand der menschheid, de slechtste gevolgen voor zijne

nakomelingen en voor zijn eigen geluk medebrengende. En hoewel

bij de mannen de onmiddellijk op den voorgrond tredende kracht van

den hartstocht misschien meer de aandacht trekt, toch heerscht hij

algemeener onder de vrouwen. Want de man heeft tegelijkertijd andere

krachten en eigenschappen in volle werking, waardoor hij de macht

der hartstochten kan ontvluchten; maar de vrouw, die opzettelijk tot

geslachts-wezen gevormd en aan wie elke ras-werkzaamheid ontzegd wordt,

stort haar geheele leven in haar liefde uit en wordt zij hier gekwetst,

dan is zij onherstelbaar gewond. Bij den man is de liefde doorgaans

licht en vergankelijk, en wanneer zij het krachtigst is duurt zij

meestal het kortst.

Bij de vrouw is het een innige, alles-opslorpende kracht, onder

wier macht zij alles wat het leven aanbiedt opoffert, elk gevaar

trotseert, elke ontbering geringschat, elke pijn verdraagt. Zelfs

na levenslang verwaarloosd en misbruikt te zijn, blijft de liefde in

haar voortleven. Dagelijks komt het op de politie-bureaux voor, dat

de wreed mishandelde vrouw weigert tegen haar man te getuigen. Deze

toewijding, tot zulk een hoogte opgevoerd dat het tot paring van niet

bij elkaar passende individuen leidt, met de daaruit voortvloeiende

persoonlijke en maatschappelijke nadeelen, is een buitensporig

geslachts-onderscheid.

Maar in onze gewone maatschappelijke verhoudingen komt het

overheerschen van het geslachts-onderscheid der vrouwen het duidelijkst

uit. Het feit dat de vrouwen, in het algemeen gesproken, uitdrukkelijk

"de sekse" genoemd worden, toont onbetwistbaar aan, dat dit de

voornaamste indruk is, dien zij op waarnemers en geschiedschrijvers

gemaakt hebben. Men behoeft geen verder bewijs te leveren, maar slechts

den lezer te herinneren aan de onafgebroken reeks feiten en gevoelens

aan ieder volkomen bekend, doch tot nu toe beschouwd als volmaakt

natuurlijk en rechtvaardig. Zoo geheel heeft men den staat van de

vrouw als een sexueelen beschouwd, dat het aan de vrouwenbeweging der

19e eeuw werd overgelaten om te strijden voor den eisch, dat vrouwen

ook als personen beschouwd zullen worden. Dat vrouwen behalve wijfjes

ook burgers zijn--welk een ongehoorde eisch!

In een "Handboek met Spreekwoorden van alle Volken", vele duizenden

bevattende, zijn deze feiten opgemerkt: 1e dat de spreekwoorden

over vrouwen veel minder talrijk zijn dan die over mannen; 2e dat

de spreekwoorden op vrouwen van toepassing bijna altijd haar in

het algemeen treffen. Die op mannen toegepast worden, bepalen zijn

hoedanigheid, begrenzen, beschrijven of specializeeren hem. Het is een

"luie man", "een driftige man", "een dronken man". Hoedanigheden

en handelingen worden den man individueel toegerekend en niet

het geheele geslacht, tenzij hij gunstig tegenover de vrouw wordt

gesteld, zooals in "Een man van stroo is een vrouw van goud waard",

"Mannen zijn daden, vrouwen zijn woorden", of "Man, vrouw en duivel,

zijn de drie trappen van vergelijking." Maar wanneer er sprake is

van een vrouw, is het altijd en alleen "de vrouw", eenvoudig het

wijfje bedoelende, zonder eenig persoonlijk onderscheid te maken:

"Het is even hard een vrouw te zien weenen als een gans blootvoets

te zien gaan". "Het is even gemakkelijk een aal bij zijn staart

als een vrouw aan haar woord te houden". "Een vrouw, een hond en

een ezelijn, hoe meer men ze slaat, hoe beter zij zijn". Nu en dan

wordt er verschil gemaakt tusschen een "blondine" en een "brunette"

en Salomo's "deugdzame vrouwen", die zulk een hoogen prijs bedongen,

zooals ons allen bekend is. Maar gewoonlijk is het "een vrouw", eeuwig

en altijd. Het bluffen van den losbol dat hij "de vrouwen" kent, werd

niet lang geleden door een der jonge dichters aldus bezongen: "De zaken

die men leert bij negervrouwen en kleurlingen, bevorderen het succes

bij blanken"; iemand die afgewezen is klaagt verdrietig "dat alle

vrouwen precies gelijk zijn"; dat de publieke opinie ten allen tijde

hierin overeenstemde bewijst, dat de eigenaardigheden van het geslacht

de eigenaardige verschillen van het individu hebben overtroffen,--geen

geringe buitensporigheid in het geslachts-onderscheid.

Van het oogenblik dat onze kinderen geboren worden, wenden

wij alle bekende middelen aan om in jongen en meisje beiden het

geslachts-onderscheid te doen uitkomen; de reden dat de jongen er niet

zoo hopeloos door bedorven wordt als het meisje, ligt daarin, dat

de jongen nog het heele veld van menschelijke uiting voor zich open

vindt. In ons bestendig drijven om het geslachts-onderscheid te doen

uitkomen, hebben wij ons aangewend de meest menschelijke eigenschappen

als mannelijke eigenschappen te beschouwen en wel om de eenvoudige

reden, dat zij voor mannen geoorloofd en voor vrouwen verboden waren.

Het verschil tusschen ras-eigenschappen en geslachts-eigenschappen

moet helder en scherp uiteengezet worden. Het leven bestaat uit

daden. Het gedrag van een levend wezen is onder twee hoofdlijnen te

brengen,--zelf-behoud en ras-behoud. Tot de daden van zelf-behoud

behooren al de levensprocessen die dienen om het individu in leven

te houden, van de onwillekeurige werking der inwendige organen tot de

willekeurige daden der uitwendige organen, van het ademhalen tot het

op de jacht gaan voor voedsel, alles dus wat het in stand houden van

het individueele leven bevordert. Tot de daden van ras-behoud behooren

al die processen die dienen om het ras in leven te houden, van de

onwillekeurige werking der inwendige organen, tot de willekeurige

daden der uitwendige organen; van de ontwikkeling der kiem-cellen

tot het verzorgen der kinderen, alles dus wat het in stand houden

van het ras-leven bevordert. Voor ras-behoud hebben mannen en vrouwen

verschillende organen, verrichten zij verschillende functiën, en doen

verschillende handelingen. Voor zelf-behoud hebben mannen en vrouwen

dezelfde organen, verrichten zij dezelfde functiën, en doen dezelfde

handelingen. De processen van ras-behoud hebben bij de menschen

een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, maar de processen van

zelf-behoud zijn reeds veel en veel verder gegaan.

Allerlei werkzaamheden van economische voortbrenging en verdeeling,

alle kunsten en industrieën, beroepen en bedrijven, onze vooruitgang

in wetenschap, ontdekkingen, regeering, godsdienst,--die alle onder

de daden van zelf-behoud gerangschikt moeten worden, deze worden,

of moesten worden uitgevoerd door beide geslachten. Te onderwijzen,

te regeeren, te maken, te decoreeren, te verdeelen,--dit zijn geen

geslachts-functiën, het zijn ras-functiën. Doch zoo buitensporig

is het geslachts-onderscheid in het menschenras dat het geheele

veld van menschelijken vooruitgang als een mannelijk prerogatief

werd beschouwd. Is er sterker bewijs voor een buitensporig

geslachts-onderscheid in het menschenras denkbaar? Dat dit onderscheid

al de natuurlijke grenzen overschreed en over iedere levensdaad werd

uitgebazuind, zoodat elke stap van het menschelijk wezen gestempeld

wordt als "mannelijk" en "vrouwelijk", zekerlijk, dat is genoeg om

onzen over-seksten toestand aan te toonen.

Doch beetje bij beetje, zeer langzaam, onder den onrechtvaardigsten

en wreedsten tegenstand en dikwijls ten koste van alles wat het leven

dierbaar maakt, is trapsgewijze vastgesteld dat menschenwerk zoowel

door vrouwen als door mannen kan geschieden. Harriet Martineau moest

haar schrijfwerk onder haar naaiwerk verstoppen, wanneer er onverwacht

bezoek kwam, want "naaiwerk" was vrouwelijk en "schrijfwerk" mannelijk

werk. Mary Somerville moest zelfs haar werk voor vele familieleden

verbergen, want "wiskunde" was een wetenschap voor mannen. Men heeft

het zoover gebracht dat de geheele menschenwereld beheerscht wordt

door het geslacht,--al de groote levens-uitingen zijn "mannelijk"

genoemd en voor de vrouw heeft men het overgelaten een "wijfje"

te zijn, niets anders.

Maar terwijl de zaken die de mannen dwaas genoeg als "mannelijk"

beschouwden meestentijds "menschelijk" waren, wat zeer goed voor hen

was, waren de weinige zaken die voor de vrouwen overbleven inderdaad

"vrouwelijk"; en altijd hetzelfde deuntje te zingen, hoe mooi dan ook,

is verschrikkelijk eentonig. In een kleeding, waarvan het hoofddoel is

onmiskenbaar het geslacht aan te duiden; met een zucht tot opschik die

overvloedig blijk geeft van geslachts-neiging; met een lichaam zoodanig

vervormd tot een vrouwelijk lichaam dat het op betreurenswaardige wijze

haar natuurlijke verrichtingen belemmert; met manieren en gedrag geheel

in overeenstemming met haar geslachts-belang en dikwijls zeer nadeelig

voor eenig menschelijk belang; met een arbeidsveld zoo streng mogelijk

beperkt tot de geslachts-verhoudingen; met haar over-gevoeligheid,

haar overdreven zedigheid, haar "eeuwige vrouwelijkheid",--is het

wijfje van het geslacht mensch onloochenbaar over-sekst.

Dit buitensporig geslachts-onderscheid vertoont zich evenzeer in

een opvallend vroegrijpe ontwikkeling. Onze kleine kinderen, de

zuigelingen, vertoonen reeds kenteekenen van geslacht in uiterlijk

en kleeding, wanneer de jongen van andere schepselen nog zuiver

geslachtloos zijn. Wij merken deze vroegrijpheid verheugd op. Wij

zijn er trotsch op. Door voorschrift en voorbeeld moedigen wij het

zorgvuldig aan, wij doen moeite om het geslachts-instinkt bij het kind

te ontwikkelen en denken aan geen kwaad. Een van de eerste dingen

die wij het kind, bij het ontwaken van zijn bewustzijn, inprenten

is het feit dat hij een jongen of dat zij een meisje is, en dat zij

daarom elke zaak uit een verschillend oogpunt moeten beschouwen. Zij

moeten verschillend gekleed worden, niet ter wille hunner persoonlijke

behoeften, want die zijn in die levensperiode precies dezelfde, maar

opdat zij niet zelf noch iemand anders een oogenblik zouden kunnen

vergeten dat zij tot een verschillend geslacht behooren.

Onze eigenaardigheid om datgene wat gewoonlijk bij dieren gevonden

wordt om te keeren, waar het mannetje opgesierd is en het vrouwtje

er donker en eenvoudig uitziet, is waarlijk niet zoo zeer een bewijs

van buitensporigheid als wel van onze bijzonder averechtsche positie

in de kwestie van teeltkeus. Bij andere diersoorten wedijveren de

mannetjes in opschik en de vrouwtjes kiezen. Bij ons wedijveren de

vrouwtjes in opschik en de mannetjes kiezen. Indien deze theorie

van sekse-tooi geen instemming vindt en wij geven er de voorkeur

aan om den opschik der mannetjes meer als een vorm van overvloedige

geslachts-lust te beschouwen, die zich zelf in onproductieve overdaad

verbruikt, dan is inderdaad het feit, dat bij ons de wijfjes met zulk

een schitterenden tooi voor den dag komen een ander teeken van een

buitensporig geslachts-kenmerk. In elk geval, om kleine meisjes met

geweld zulke mooie kleederen aan te doen, dat haar lichaamsbewegingen

en natuurlijke vrijheid er door belemmerd worden en een vroegtijdig

geslachts-bewustzijn aangekweekt wordt, is een zoo klaar en dreigend

bewijs van onzen toestand, als maar met mogelijkheid kan aangevoerd

worden. Dat het kleine meisje zoo gekleed wordt dat het daardoor

verschil in zorg en gedrag vereischt, alleen omdat het kind een meisje

is, iets wat op dien leeftijd anders in haar geest niet zou opkomen,

is een brutaal aandringen op geslachts-onderscheid, dat in zijn

gevolgen zeer slecht is. Jongens en meisjes worden dus verondersteld

zich verschillend tegenover elkander en tegenover de menschen in

het algemeen te gedragen,--een gedrag dat wij kortheidshalve in

twee woorden kunnen omschrijven. Tot den jongen zeggen wij "Doe";

tot het meisje "Doe niet." Kleine broer moet zusje "beschermen",

zelfs als zus grooter is dan broer. "Waarom?" vraagt hij den eersten

keer. Wel, omdat hij een jongen is. Om het geslacht. Als zij waarlijk

sterker is, moet zij hem beschermen, al was het alleen daarom dat in

een normaal ras het beschermend instinkt zuiver vrouwelijk is. Het

duurt niet lang of de jongen kent zijn les. Hij is een jongen en

zal een man worden, dat sluit alles in. "Ik dank God dat ik niet als

vrouw geboren ben," luidt het joodsch gebed. Zij is een meisje, "máár

een meisje", "niets anders dan een meisje" en zal een vrouw worden,

alleen een vrouw. Jongens worden van het begin af aangemoedigd te

toonen dat zij de gevoelens, die men veronderstelt mannelijk te zijn,

bezitten. Wanneer de kleine vent rondom zich slaat, schreeuwt en

zijn speelgoed wegsmijt, dan zeggen wij trotsch: "het is een echte

jongen." Wanneer het kleine nufje met bezoekers coquetteert, of in

moederlijk weeklagen uitbarst omdat broer haar pop heeft stuk gemaakt,

wier zaag-meelig overschot zij met liefde verzorgt, dan zeggen wij

trotsch: "zij is reeds op end'op een moedertje!" Wat weet een klein

meisje van moederlijk instinkt? Niets meer dan een kleine jongen

van vaderlijk instinkt. Dat zijn geslachts-instinkten, die zich

niet moesten openbaren vóór de periode van geslachts-rijpheid. Het

meest normale meisje is "de wildzang", waarvan het aantal in deze

wijzere dagen gelukkig toeneemt; een jong, gezond schepseltje dat

door en door mensch is en niet vrouwelijk voordat de tijd daarvoor

gekomen is. De meest normale jongen is evenzeer kalm en vriendelijk

als levendig en moedig. Hij is een menschelijk wezen zoo goed als een

mannelijk wezen, en niet opvallend mannelijk voordat de tijd daarvoor

aangebroken is. De kindsheid is niet de periode voor deze kenmerkende

geslachts-uitingen. Dat wij ze aan anderen toonen, ze bewonderen en

aanmoedigen, bewijst hoezeer wij over-sekst zijn.

De economische toestand der vrouw Een studie over de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen als een factor in de sociale evolutie · 第 5 / 16 题