Nu wij weten welk een belangrijke factor de economische verhouding
in de evolutie der diersoorten is en wij in het menschengeslacht een
zoo bijzondere economische verhouding vinden, moeten wij natuurlijk
op gevolgen rekenen, die alleen aan ons ras eigen zijn. Wij mogen
verwachten dat er zich in de geslachts-verhouding en in de economische
verhouding van de menschen verschijnselen zullen voordoen, eenig in
haar soort,--verschijnselen die niet uit de menschelijke superioriteit
verklaard kunnen worden, doch zonderling genoeg deze superioriteit
afbreuk doen; verschijnselen zoo kenschetsend, zoo ziekelijk, dat
zij tot vele bespiegelingen aanleiding hebben gegeven.
Zijn deze voor de hand liggende gevolgtrekkingen juist? Zijn deze
bijzonderheden in de geslachts-verhouding en in de economische
verhouding in het menschelijk leven aanwezig? Zonder twijfel zijn zij
het,--en wel zóó duidelijk, zóó in 't oog loopend, zóó gebiedend de
aandacht vergend, dat de menschelijke geest van zijn eerste ontwaken
af er door werd bezig gehouden en getracht heeft er zich op de een of
andere wijze rekenschap van te geven. Deze verschijnselen uiteen te
zetten en te verklaren,--met afscheiding van wat moet toegeschreven
worden aan een normale ras-ontwikkeling van datgene wat een gevolg
is van abnormale sexueel-economische verhoudingen,--is het doel van
de hier gegeven studie.
Aangezien het ras-kenmerk van de menschheid in haar maatschappelijke
verhouding ligt, moeten wij de kenmerkende voor- en nadeelen van het
menschenras ook zoeken in haar maatschappelijke verhouding. Onze
betrekking tot elkander oefent meer invloed op ons uit dan onze
physische omgeving.
Nadeelen van het klimaat, gebrek aan voedsel, mededinging van andere
diersoorten,--al deze voorwaarden kan de maatschappij met haar krachtig
organisme gemakkelijk overwinnen of regelen. Maar in onze onderlinge
menschelijke verhoudingen zijn wij niet zoo voorspoedig. Ernstige
gevaren en bezwaren in het menschelijk leven zijn meer een gevolg
van de moeilijkheid om te wennen aan onze maatschappelijke, dan
aan onze physische omgeving. Deze moeilijkheden, voor zoover zij
bestaan, hebben als een aanhoudende rem aan den maatschappelijken
vooruitgang gewerkt. Hoe volkomener een natie over physische
toestanden getriumfeerd heeft en hoe gunstiger zij stond in haar
overmacht tegenover physische vijanden en hindernissen, des te meer
kracht legde zij in haar maatschappelijke macht, waardoor zij ten
laatste vernietigd werd en het werd aan anderen overgelaten om den
langen weg opwaarts op nieuw te doorloopen.
De moraal uit alle verhalen aan de menschheid ontleend
Zegt dat het Verleden zich steeds op dezelfde wijze herhaalt,--
Eerst Vrijheid en dan Zege; wanneer dat ontbreekt,
Dan volgt op Rijkdom, ondeugd en verderf,--Barbaarschheid op het eind.
En Geschiedenis met hare groote boekdeelen.
Beslaat dan slechts één pagina. [1]
Het pad der geschiedenis ligt bezaaid met fossielen en zwakke
overblijfselen van uitgestorven rassen,--rassen die stierven aan
wat de sociologen liever inwendige ziekten dan natuurlijke oorzaken
willen noemen. Ook dit is voor den opmerker door alle eeuwen heen
duidelijk geweest. Het was gemakkelijk te zien dat er iets in ons
eigen gedrag was, waardoor ons meer schade berokkend werd dan eenige
invloed van buiten kon teweegbrengen; wij zagen echter de natuurlijke
oorzaak van ons onnatuurlijk gedrag niet en wisten zoodoende niet
hoe allergemakkelijkst het te veranderen zou zijn.
Wanneer wij de voornaamste moeilijkheden van het menschelijk leven
ten ruwste klassificeeren, dan vinden wij dat een groot gedeelte
er van moet toegeschreven worden aan de geslachts-verhouding en
een ander deel aan de economische verhouding tusschen de leden
der maatschappij. Plastisch voorgesteld kan men zeggen dat de
levensbezwaren bijna altijd teruggebracht kunnen worden tot het hart
of de portemonnaie. De andere kwaal van ons leven--ziekte--is dikwijls
een gevolg van dezelfde oorzaken, iets verkeerds in onze economische
verhouding of in onze geslachts-verhouding. Ziek-gevoed of ziek-gebroed
of beide, is hoofdzakelijk de oorzaak van ons ziekelijk bestaan. Wat
zijn de voornaamste kenmerken van deze verkeerde voortplanting,
deze averechtsche geslachts-verhouding in de menschheid? Wij zien
in de maatschappelijke ontwikkeling in dit deel van het leven
twee hoofdzakelijk werkende krachten. De een is een langzamerhand
geordende ontwikkeling van monogame huwelijken, als de vorm van
geslachts-vereeniging die het best berekend is om de belangen van
het individu en van de maatschappij te bevorderen. Men moet duidelijk
begrijpen dat dit een natuurlijke ontwikkeling is, die onvermijdelijk
was in den loop van den maatschappelijken vooruitgang, geen kunstmatige
toestand ons door wetten van eigen maaksel opgedrongen. Monogamie
wordt gevonden onder vogels en zoogdieren; het is een even natuurlijke
toestand als polygamie of gemengde geslachtsvereeniging of welke andere
vorm van geslachts-vereeniging ook. Haar duurzaamheid en volledigheid
werden ingevoerd en uitgebreid door de behoeften der jongen en de
voordeelen voor het ras, om dezelfde reden dus als elke andere vorm
van voortplanting werd ingevoerd. Onze zedelijkheidsbegrippen rusten
voornamelijk op feiten. De zedelijke hoedanigheid van een monogaam
huwelijk hangt af van het werkelijk voordeel dat het individu en de
maatschappij er bij hebben. Wanneer het voor ons ras niet de beste
huwelijksvorm was, zou hij geen recht van bestaan hebben. Door alle
tijden heen, van de verwarde horden der wilde volksstammen, met
hunne verscheidenheid in paring, tot aan de levenslange toewijding
van romantische liefde, is ten slotte in het sociale leven een
type van geslachts-vereeniging ontstaan, het meest geschikt voor
de ontwikkeling en verbetering van het individu en het ras. Deze
overgang kwam op regelmatige en zeer aangename wijze tot stand, alleen
in zoover pijn en moeilijkheid veroorzakende als deze bij aanneming
van nieuwe en uitroeiïng van oude processen altijd gevoeld worden,
doch in dit geval leverde het meer genoegen dan pijn op.
Met het natuurlijk proces van maatschappelijken vooruitgang ging echter
een onnatuurlijk proces gepaard, een ongeregelde, ziekelijke handeling,
die de geslachts-verhouding der menschheid tot een vreeselijke bron
van ellende maakte. Deze ziekelijke handelingen met haar slechte
gevolgen drongen zoo op den voorgrond, dat oppervlakkige denkers ten
allen tijde gemeend hebben dat de geheele zaak slecht en onthouding
de hoogste deugd was. Zonder de macht van volkomen ontleding, zonder
kennis der sociologische tijdperken die het wezenlijke deel van zulk
een ontleding uitmaken, hebben wij het in zijn geheel zeer sterk
veroordeeld, omdat wij gemakkelijk inzagen dat het verbonden was met
zooveel pijn en verdriet. Maar evenals alle natuurlijke verschijnselen
moet ook de geslachts-verhouding bestudeerd worden, zoowel de normale
als de abnormale, de physiologische als de pathologische; dan zijn
wij volkomen in staat den slechten toestand waarin wij verkeeren te
begrijpen en uit te maken hoe wij betere toestanden kunnen verkrijgen.
Tot zoover heeft de studie van dit onderwerp berust op de
veronderstelling dat de mensch juist zoo moet zijn als wij hem vinden,
dat de mensch handelt zooals hij verkiest en, indien hij niet wenscht
te handelen zooals hij doet, hij het dan kan nalaten. Toen wij dan
ook ontdekten dat de menschelijke gedragslijn ten opzichte van de
geslachts-verhouding niet de juiste was en kwaad veroorzaakte, werd
de mensch vermaand die gedragslijn niet langer te volgen en deze
vermaning werd door verschillende geslachten heen herhaald. Door
wet en godsdienst, door opvoeding en gewoonte hebben wij getracht
het menschelijk individu te dwingen zich te gedragen als volgens ons
maatschappelijk gevoel noodzakelijk was.
Maar de ziekelijke daad bleef steeds bestaan. Wat ook de uiterlijke
vorm van de geslachts-vereeniging was waaraan wij maatschappelijke
sanctie gaven, of de Bijbel, de Koran en de Vedas ons wilden
onderwijzen, een geheime oorzaak heeft voortdurend gewerkt om den
waren loop van maatschappelijke ontwikkeling, tegen te gaan, om de
natuurlijke neiging naar een hoogere en betere geslachts-verhouding
in verkeerde richting te leiden en lager vormen en slechter toestanden
van zeer schadelijken aard te handhaven.
Ieder ander dier bezigt die wijze van geslachts-vereeniging die
het meest geschikt is voor de voortplanting van zijn soort en
brengt die vredig in toepassing. Wij brengen in toepassing wat
het best voor ons past, het best voor de betrokken personen, voor
het kind dat geboren wordt en voor de maatschappij in haar geheel;
maar wij doen dat niet langs vreedzamen weg. Dit is zoo'n tastbaar
feit dat wij gewoonlijk aannemen en voor uitgemaakt houden, dat de
geslachtsverhouding een aanhoudende bron van verdriet moet zijn. "Het
huwelijk is een loterij", is een gewoon gezegde. "Trouwe liefde
loopt nimmer over effen paden." En zalvend geven wij den raad van
"Punch" aan hen die trouwen willen: "Doe het niet." Die bijzondere
bijverhouding, welke ons gedurende den tijd dat de monogame huwelijken
in wording waren naar beneden trok en de aangenomen vorm voor onze
geslachts-vereeniging werd,--de prostitutie--hebben wij aanvaard en
een "sociale noodzakelijkheid" genoemd. Wij noemen haar tevens een
"sociaal kwaad." Wij hebben stilzwijgend toegestemd dat de sexueele
verhouding bij de menschen meer of minder onaangenaam en slecht moest
zijn, dat het in onzen aard ligt om het zoo te hebben.
Laat ons nu de zaak eens eerlijk en bedaard onderzoeken en zien of
zij zoo onnaspeurlijk en onveranderlijk is als tot op heden geloofd
werd. Hoe zijn de toestanden? Wat zijn de natuurlijke en wat de
onnatuurlijke kenmerken der kwestie? Om dit uit te maken, dient een
kleine studie van het voortplantingsproces vooraf te gaan.
Door de langzame, doch zekere proeven der natuur was het reeds zeer
vroeg in de ontwikkeling der diersoorten bewezen dat het in haar
belang was, dat de twee geslachten in twee afzonderlijke organismen
zetelden en van elkaar verschilden. Te dien einde groeiden door het
gebruik uit de min of meer protoplasma massa's de drijvende cellen,
de vroege amorphe levensvormen, het onderscheid in de geslachten,--de
trapsgewijze ontwikkeling van mannelijke en vrouwelijke organen en
functiën in twee verschillende lichamen. Door het gebruik ontwikkeld en
toegenomen, nam ook bij de evolutie der diersoorten het onderscheid
in geslacht toe. Hoe meer het verschil in geslacht toenam, hoe
meer ook de onderlinge aantrekking toenam, tot wij in al de hooger
ontwikkelde rassen twee duidelijk verschillende seksen hebben, die
zich sterk tot elkaar voelen aangetrokken en in de voortplanting van
de soort hun plicht vervullen. Dit zijn de natuurlijke kenmerken van
geslachts-onderscheid en geslachts-vereeniging, die zoowel in het ras
der menschen als in dat van andere diersoorten gevonden worden. Het
onnatuurlijke kenmerk waardoor ons ras zich niet benijdenswaardig
onderscheidt, bestaat in een ziekelijke buitensporigheid in de
uitoefening van deze functie.
Deze buitensporigheid is het, hetzij in het huwelijk of daarbuiten,
die de gezondheid en het geluk der menschen in dezen zoo hoogst
onzeker maakt. Het is deze buitensporigheid, die altijd gemakkelijk
waar te nemen was, die wet en godsdienst gepoogd hebben te
beteugelen. Buitensporige geslachts-bevrediging is kenmerkend voor
de menschheid.
Het is niet moeilijk te bepalen wat "buitensporigheid" in dezen wil
zeggen. Alle natuurlijke functiën die voor hare vervulling onze bewuste
medewerking vereischen, dringen zich door een gebiedende begeerte
aan onze aandacht op. Wij behoeven niet te wenschen te ademen of
het bloed te laten circuleeren, want dat geschiedt zonder onzen wil;
maar wij moeten wenschen te eten of te drinken, omdat de maag anders
het noodige niet verschaffen kan zonder op de eene of andere wijze
het geheele organisme in de war te brengen. Daarom beschouwen wij het
gevoel van honger als een voornamen factor in het voedingsproces. Op
dezelfde wijze is geslachts-aantrekking een voorname factor in de
vervulling van het voortplantings-proces. In normalen toestand is de
hoeveelheid honger die wij voelen in volkomen overeenstemming met de
hoeveelheid voedsel die wij noodig hebben. De honger waarschuwt ons
wanneer wij eten moeten en wanneer wij bevredigd zijn. In sommige
ziekelijke toestanden treedt "een onnatuurlijke eetlust" op, dan
worden wij als 't ware gedreven om meer te eten dan de maag verteren
of het lichaam opnemen kan. Dit is een buitensporige honger.
Wij toonen als ras een buitensporigen geslachtslust te bezitten, die
gevolgd wordt door een buitensporige bevrediging en de onvermijdelijke
slechte gevolgen daarvan. Hij drijft ons tot een graad van bevrediging
welke niet in verhouding staat tot de oorspronkelijke behoeften van
het menschelijk organisme en die even bespottelijk overdreven is
als dat hij ongunstig terugwerkt op het toevallig bijkomend genot;
een buitensporigheid die zoowel strekt om de begeerte uit te dooven
en op verkeerde wegen te leiden als om de geheele voortplanting
te benadeelen.
Het menschelijk dier openbaart een overdrevenheid in den geslachtslust,
die niet alleen het ras benadeelt door hare ziekelijke werking op
het natuurlijk verloop der voortplanting, maar die ook het geluk van
het individu in den weg staat door hare ziekelijke terugwerking op
eigen begeerten.
Wat is de oorzaak van dezen buitensporigen geslachtslust bij den
mensch? De onmiddellijke oorzaak van geslachts-aantrekking is
geslachts-verschil. Hoe meer de geslachten uiteenloopen, des te
krachtiger voelen zij zich tot elkaar aangetrokken. Hoe hooger het
geslachts-verschil zich in ieder organisme ontwikkelt, hoe sterker
de aantrekking van het eene geslacht tot het andere wordt. In het
menschenras vinden wij het geslachts-onderscheid tot een buitensporige
hoogte ontwikkeld. Geslachts-onderscheid komt zoo sterk uit bij de
menschen, dat het ras-onderscheid er door op den achtergrond treedt,
de individueele onderscheiding er door belemmerd en het ras ernstig
benadeeld wordt. Gewend als wij zijn om het leven maar steeds te
nemen zooals wij het vinden, de menschen te beschouwen als vaste
typen, in plaats van hen te zien als een heel ras dat aanhoudend
verandert, naarmate verschillende machten daarop inwerken, schijnt het
ons eerst vreemd om onderscheid te maken tusschen bekende uitingen
van geslachts-onderscheid en te zeggen: "dit is normaal en mag niet
tegengegaan worden; dit is abnormaal en moet verwijderd worden." Maar
dat is juist hetgeen gebeuren moet.
Het normale geslachts-kenmerk openbaart zich bij alle diersoorten
in wat wij noemen, primaire en secondaire kenteekenen. Onder
primaire geslachts-kenteekenen vatten wij al die organen en
functiën samen, die voor de voortteling wezenlijk noodig zijn. De
secondaire geslachts-kenteekenen daarentegen zijn de verschillen in
vorm en functie van de organen die bij de voortteling slechts een
ondergeschikten rol spelen en daarbij geen directe diensten bewijzen;
bijv. de horens van het hert zijn secondaire geslachts-kenteekenen,
omdat zij alleen van dienst zijn in den geslachts-strijd;
evenzoo de veerentooi van den pauw-haan, die in den onderlingen
geslachts-wedijver der pauw-hanen van nut is. Zoo zijn ook al
de ondergeschikte kenteekenen, zooals baard, manen, kam, sporen,
schitterende kleuren of meerdere grootte, waardoor het mannetje zich
van het vrouwtje onderscheidt, secondaire geslachts-kenmerken. Zij
zijn bij de verschillende diersoorten alleen voor de voortplanting van
nut in de processen van ras-behoud. Voor het proces van zelf-behoud
hebben zij geen waarde. Geen schepsel heeft persoonlijk voordeel van
zijn manen, zijn kam of zijn staartveeren; zij zullen hem zijn diner
niet verschaffen noch zijn vijanden dooden.
Integendeel, zij zijn in zijn persoonlijk nadeel, indien zij bijv. door
te groote ontwikkeling zijn werkkracht verminderen of hem een in 't
oogloopende prooi voor zijne vijanden maken. Zulk een ontwikkeling
zou een overdreven geslachts-kenmerk zijn, en dezen toestand treffen
wij juist bij de menschen aan. Onze geslachts-kenmerken zijn tot
zulk een hoogte ontwikkeld, dat zij op den vooruitgang der individuen
zoowel als op dien van het ras een nadeeligen invloed uitoefenen. In
onze diersoort verschillen de geslachten niet alleen genoeg om hun
primaire functiën te kunnen uitoefenen, of genoeg om alle secondaire
geslachts-kenteekenen voldoende te openbaren en aan hun doel te doen
beantwoorden door genoegzame geslachtsaantrekking tot stand te brengen,
maar ze zijn zoo sterk dat zij ernstig het proces tot zelf-behoud
belemmeren, en erger nog, zelfs op het proces van ras-behoud, dat zij
verondersteld worden te dienen, een ongunstigen invloed uitoefenen. Ons
buitensporig geslachts-onderscheid, waardoor de eigenaardigheden
van het geslacht tot een buitengewone hoogte zijn opgevoerd, heeft
tot zulk een groote aantrekking der geslachten aanleiding gegeven,
dat het een geslachtsbevrediging ten gevolge heeft, waardoor het
moederschap en het vaderschap rechtstreeks worden benadeeld. Wij
zijn geen beter ouders, noch beter menschen, omdat onze geslachten
zoo sterk verschillen, maar blijkbaar slechter. Waar moeten wij de
oorzaak voor deze verschijnselen zoeken?
Laat ons eerst onderzoeken, waardoor deze twee groote
processen--zelf-behoud en ras-behoud--in de wereld in evenwicht
worden gehouden. Zelf-behoud sluit in het verbruik van energie in
die handelingen, en de daaruit voortvloeiende wijzigingen van bouw en
functie, die strekken tot behoud van het individueele leven. Ras-behoud
sluit in het verbruik van energie in die handelingen en de daaruit
voortvloeiende wijzigingen van bouw en functie, die strekken tot behoud
van het ras-leven, zelfs indien het individueele leven daarbij geheel
moet worden opgeofferd. Dit op den voorgrond tredend verschil moet
duidelijk in het oog worden gehouden. De processen die tot zelf-behoud
en tot ras-behoud leiden zijn in geen enkel opzicht gelijk, dikwijls
staan zij lijnrecht tegenover elkander. De natuurkeus, in het proces
van zelf-behoud op het individu inwerkende, brengt die bijzonderheden
tot ontwikkeling, waardoor het individu "den strijd om het bestaan"
beter kan voeren, door die organen en functiën door gebruik het
sterkst te doen toenemen waarbij het rechtstreeks voordeel heeft. De
teeltkeus, in het proces van ras-behoud op het individu inwerkende,
brengt die bijzonderheden tot ontwikkeling, waardoor het individu, wat
Drummond genoemd heeft "de strijd om het bestaan van anderen" beter
kan voeren, door die organen en functiën door gebruik het sterkst
te doen toenemen, waarbij de jongen direct of indirect voordeel
hebben. Het individu wijzigt zich niet alleen, onder de inwerking
der natuurkeus naar zijn omgeving, maar onder de inwerking van de
teeltkeus wijzigt het zich ook naar zijn makker. Wanneer men de keuze
eenvoudig vrij laat, dan ontwikkelt elk geslacht die eigenschappen
die door den ander begeerd worden, en doordat de individuen met de
beste geslachts-eigenschappen dan het eerst gekozen worden, brengt
geslachts-ontwikkeling ras-ontwikkeling voort.
De orde der zoogdieren is ontstaan doordat een primair
geslachts-kenmerk zich door de natuurkeus ontwikkeld heeft; maar de
prachtige staart van den pauwhaan is het gevolg van de ontwikkeling van
een secondair geslachts-kenmerk door teeltkeus. Nam de pauwenstaart
echter zoo sterk in grootte en pracht toe, dat hij een akker gronds
bedekte en schitterde als de zon,--laat ons veronderstellen dat hij een
neiging vertoonde om zoo toe te nemen,--dan zou zulk een overdreven
geslachts-kenmerk het persoonlijk belang van den pauwhaan zoodanig
in den weg staan, dat hij ten slotte zou uitsterven en zijn staart
met hem. Ook omgekeerd, indien de pauw-hen, wier geslachts-kenmerk
in tegenovergestelde richting aantrekt door niet groot te zijn noch
te schitteren, maar klein en stemmig,--indien zij zoo klein en zoo
stemmig werd dat zij zich zelf en haar jongen niet meer kon voeden en
verdedigen, dan zou zij sterven, en er zou op andere wijze belemmering
door een overdreven geslachts-onderscheid zijn. In kudden van rendieren
en runderen is het mannetje grooter en sterker, het wijfje kleiner en
zwakker; maar het wijfje blijft altijd groot en sterk genoeg om met het
mannetje haar voedsel te zoeken of te kunnen vluchten voor vijanden,
want anders zou zij eenvoudig sterven, het mannetje bleef dan alleen
over en daarmede zou de diersoort geheel verdwijnen. Hoezeer zij ook
in geslacht mogen verschillen, in soort moeten zij gelijk blijven,
elkaar's gelijke in ras-ontwikkeling, anders gaan zij te gronde. De
kracht der natuurkeus, die slechts dezelfde ras-eigenschappen vraagt
en voortbrengt, werkt belemmerend op de teeltkeus, die juist het
ontstaan van verschil in ras-eigenschappen bevordert. Als seksen
vervullen zij verschillende functiën en neigen daardoor tot verschil
in ontwikkeling. Als diersoort vervullen zij dezelfde functiën en
neigen daardoor tot gelijke ontwikkeling.
Aangezien geslachts-functiën slechts nu en dan en ras-functiën geregeld
uitgeoefend worden, omdat paren slechts eens in het jaar of eens in
de drie maanden en eten dagelijks en zelfs elk uur geschiedt, werken
de processen om voedsel te verkrijgen of om geregeld vijanden af te
weren aanhoudender dan de voortplantings-processen en veroorzaken
daardoor een grooter uitwerking.
Dientengevolge vinden wij bij de orde der zoogdieren, die hunne
jongen op gelijke wijze voortbrengen en zogen, toch een groote
verscheidenheid van diersoorten, die op verschillende wijzen in hun
levensonderhoud voorzien. Het kalf, het veulen, de welp, het katje
worden op dezelfde wijze geboren; maar de koe en het paard, de beer
en de kat worden op verschillende wijze groot gebracht. En mogen
koe en bul, merrie en hengst ook in geslacht verschillen, in soort
zijn zij toch gelijk, terwijl de gelijkheid in soort het verschil
in geslacht overtreft. Koe, merrie en kat zijn allen wijfjes uit de
orde der zoogdieren en in zoover gelijk, maar toch is hun verschil
veel grooter dan hun overeenkomst.
Door natuurkeus ontwikkelt zich het ras. Door teeltkeus ontwikkelt
zich het geslacht. Geslachts-ontwikkeling is in al zijn verschillende
vormen hetzelfde, zij strekt alleen om voort te planten wat reeds
bestaat. Maar ras-ontwikkeling stijgt steeds in hooger en hoogere
uiting van energie. Ons verschil in geslacht deelen wij, nagenoeg
van den oorsprong van leven af, met het dierenrijk en zelfs met de
plantenwereld. Maar de rassen verschillen in opklimmenden graad en
het menschenras heeft daarbij het hoogste standpunt ingenomen.
Wanneer het nu kan aangetoond worden dat het geslachts-verschil in het
menschenras zoo buitensporig groot is, dat daardoor niet alleen zijn
eigen optreden wordt bemoeilijkt, maar dat daardoor ook de vooruitgang
van het ras wordt tegengehouden of in verkeerde banen geleid, dan
wordt het een zaak die ernstige overweging verdient. Onder onze
sexueel-economische verhouding is het echter onvermijdelijk. Doordat
in het menschengeslacht de vrouw economisch afhankelijk is van den
man, is het evenwicht der krachten verbroken. Natuurkeus beteugelt
hier niet langer de teeltkeus, maar werkt met haar samen. Waar beide
seksen hun voedsel verkrijgen door gelijke inspanning, uit dezelfde
bronnen, onder dezelfde voorwaarden, daar werken op beide dezelfde
invloeden en worden beide door hun omgeving gelijk ontwikkeld. Doch
waar beide seksen hun voedsel verkrijgen op verschillende wijze en
dat verschil beteekent dat een van beide gevoed wordt door den ander,
daar wordt het voedende geslacht de omgeving van het gevoede. De man
wordt, door de vrouw te onderhouden, haar economische omgeving. Door de
natuurkeus wordt ieder schepsel naar zijn omgeving gewijzigd, doordat
het noodzakelijkerwijze die hoedanigheden moet ontwikkelen die het
noodig heeft om in zijn levensonderhoud in die omgeving te kunnen
voorzien. De man als voeder der vrouw wordt de sterkst wijzigende
macht van haar economischen toestand. Door de teeltkeus wijzigt het
menschelijk wezen zich natuurlijk evenals alle schepselen naar zijn
makker. Wordt de makker tegelijkertijd de meester, zoodat economische
noodzakelijkheid gevoegd wordt bij geslachts-aantrekking, dan werken
de twee groote evolutionaire krachten samen voor denzelfden uitslag,
om namelijk in de vrouw het geslachts-onderscheid tot ontwikkeling
te brengen. Want in haar positie van economische afhankelijkheid
in de geslachts-verhouding is het geslachts-onderscheid voor haar
niet alleen het middel om te kunnen paren, zooals bij alle andere
schepselen, maar het is voor haar tevens het middel om in haar
levensonderhoud te voorzien, hetgeen bij geen ander wezen op aarde
gevonden wordt. Door haar economische afhankelijkheid van den man
wordt de vrouw in een buitensporig geslachts-wezen veranderd. Deze
overdreven verandering brengt zij op haar kinderen over en zoo wordt in
het menschelijk lichaam aanhoudend de ziekelijke neiging tot excessen
in deze verhouding voortgeplant, welke, ondanks al onze pogingen om
die tegen te gaan, steeds zoo sterk op ons allen heeft ingewerkt. Het
is geen normale geslachts-neiging, die alle schepselen eigen is,
maar eene abnormale geslachts-lust, opgewekt en onderhouden door de
abnormale economische verhouding, waarbij het eene geslacht gevoed
wordt door het andere en dat nog wel ter vergoeding voor de uitoefening
harer geslachts-functiën. Dat is het rechtstreeksche gevolg van de
bijzondere sexueel-economische verhouding die onder ons bestaat.