In de donkere en vroege tijden, nog vóórdat het licht in den
voor-historischen nacht begon te schijnen, waren in de oorspronkelijke
wouden de tweevoudige menschen elkaars gelijke; zij waren innige,
hartelijke vrienden, die in onberekend genot wild en vrij tezamen
leefden.
Vóórdat het verstand ontwaakte,--en bewustzijn kwam in die tijden
langzaam,--vóórdat het verstand ontwaakte in den man, maar ook in de
vrouw; nog vóór hij den Boom der Kennis vond, dien verschrikkelijken
doch heiligen boom, reeds vóór hij wist was hij gevallen en begreep
toen dat hij wist.
Toen sprak hij tot Smart: "Thans ben ik wijs en ken U! maar zoolang
macht en wijsheid duren, wil ik niet meer lijden!" En tot Genot sprak
hij: "Ik ben sterk en ik zal U bewijzen dat mijn mannenwil U in bezit
kan nemen,--o, en U vast houden ook!"
Voedsel at hij voor zijn genoegen en wijn dronk hij voor zijn
pleizier. En de vrouw? O, de vrouw, het toppunt van genot! Zij was
nu de zijne,--ja, hij wist het! En sterk als een krankzinnige werd
hij in de vroege schemering na den voor-historischen nacht.
Hem toebehooren,--de zijne voor eeuwig! welk een heerlijke, teedere
overwinning! O, wat zou hij haar liefhebben! En zij zou slechts
hem beminnen! Hij wilde werken en strijden voor haar, hij wilde
haar beschutten en beschermen.--En zij zou hem nooit meer verlaten,
vóórdat haar oogen door den dood gebroken werden.
Nauw, nauw sloot hij haar op, opdat zij hem nooit kon verlaten; zwak
hield hij haar, opdat zij de kracht zou missen hem te ontvluchten. En
de verdoovende vlam der passie hield hij steeds vlammend, door al de
kunstgrepen en krachten die aarde en hemel en zee hem boden.
Doch o, die lange tocht! Die langzame en verschrikkelijke jaren die
zij te zamen, blind en kreupel en ten laatste geheel verdwaald,
doorworsteld hebben! Welk een machtig boekdeel, met millioenen
schandelijke bladen, van de vrijheid der wouden tot in de gevangenissen
van heden!
Voedsel at hij voor zijn genoegen en het bracht hem ziekte aan! Wijn
dronk hij voor zijn pleizier en het baande hem den weg tot misdaad! En
de vrouw? Hij wilde haar vasthouden,--hij wilde haar hebben als
het hem behaagde,--En hij heeft haar nooit terug gezien, sedert den
voor-historischen tijd!
Verdwenen was de vriendin en makker uit den vroegeren levenstijd;
Zij die koesterde en troostte, zij die hulp en redding bracht. Hij
zoekt haar nog steeds met onstilbaren honger vergeefs; Alleen staat
hij thans, onder zijn tyrannen, alleen boven zijn slaven.
Zwoeger, gebogen en vermoeid door den zwaren last dien gij u zelf hebt
opgelegd! Gij, die treurig en eenzaam zijt, ofschoon slechts eenzaam
in schijn! Gij, die Genot hebt trachten te overwinnen om het steeds
voor het grijpen te hebben, Gij hebt ondervonden dat Genot slechts
was een andere naam voor Smart.
Natuur heeft uwe dwaling hersteld, uwe dwaasheid vergeven! God heeft
niet vergeten, indien de menschen het ook nog niet inzien. De geest
der vrouw verheft zich, in weerwil van uw schennis. Bevrijd haar nu
en vertrouw haar! Zij wil u nog liefhebben!
U liefhebben? Ja, zij zal u liefhebben met een liefde, zooals alleen
de vrijheid kweekt. U liefhebben? Ja, zij zal u liefhebben, omdat
alleen liefde doet leven! Vrees het hart der vrouw niet! Het zal
geen bitterheid toonen! Het eeuwenlange lijden heeft haar geleerd
te vergeven.
I
Sedert wij geleerd hebben de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch
evenals de overgangsvormen in het dierenrijk te bestudeeren, hebben
zich eenige bijzondere verschijnselen, die langen tijd den philosoof en
moralist op een dwaalspoor brachten, in een nieuw licht vertoond. Wij
beginnen te begrijpen dat vele bezwaren en moeilijkheden in ons leven,
in plaats van onoplosbare vraagstukken te zijn, die een ander leven
eischen om verklaard te kunnen worden, slechts het natuurlijk gevolg
van natuurlijke oorzaken zijn en dat er zoodra wij die oorzaken hebben
vastgesteld, veel kan gedaan worden om ze uit den weg te ruimen.
Niettegenstaande de individueele wil tegen invloeden kan strijden,
deze voor een tijd kan weerstaan en ze somtijds overwinnen, blijft het
toch waar dat de omgeving op den mensch, als op ieder ander levend
wezen, haren stempel drukt. De macht van den individueelen wil om
natuurwetten te weerstaan, is duidelijk bewezen door het leven en den
dood van den asceet. Bij enkele van deze zelfmoordende martelaren kan
men zien hoe de wil, door een ziekelijken geest misleid, het lichaam
dwingt elken natuurlijken prikkel weerstand te bieden,--tot zelfs
aan den rand van het graf en er in.
Mogen zulke uitzonderingen ook aantoonen wat de menschelijke
wil vermag, het leven der menschheid in het algemeen bewijst
daarentegen den onverbiddelijken invloed der omstandigheden. Van deze
omstandigheden deelen wij met andere levende wezens de invloeden van
het stoffelijk heelal. Wij ondergaan wijzigingen door het klimaat en
de plaatselijke gesteldheid, door physische, chemische, electrische
machten, zoo goed als alle dieren en planten. Met de dieren deelen wij
verder de gevolgen van onze eigen werkzaamheid, de terugwerkende kracht
van lichaamsbeweging. Wat wij doen, even goed als wat men ons doet,
maakt ons tot wat wij zijn. Maar buiten en behalve deze machten, staan
wij nog bloot aan de inwerking van een derde reeks invloeden, alleen de
menschheid eigen, namelijk die van de maatschappelijke toestanden. In
het organisch leven onzer maatschappij oefenen wij grooter invloed
op elkander uit dan ooit, zelfs bij de meest in kudden samenlevende
dieren, gevonden is. Deze derde factor, de maatschappelijke omgeving,
wijzigt met zeer groote macht het menschelijk leven. Uit al deze
ons omringende invloeden, veroorzaken degene welke onze economische
behoeften raken, de sterkste uitwerking.
Stellen wij den invloed der maatschappelijke toestanden ter zijde,
en beschouwen dus den mensch als een dierlijk wezen, dan ontdekken
wij dat de mensch evenals ieder ander dier de sterkste wijziging
ondergaat door zijn economische levensvoorwaarden. Mogen de dieren
ook verschillen in kleur en grootte, in kracht en spoed, in meerder
of minder aanpassingsvermogen aan slechter toestanden, toch hebben
alle grasetende en alle vleeschetende dieren onderscheidingsteekens
gemeen, zóó onderscheidend en zóó gemeen, dat zij door hun tanden,
door hun digestie-orgaan in het geheel, in klassen verdeeld worden,
in plaats van door hun verdedigings- of bewegingsmiddelen. De
behoefte aan voedsel is bij het dier de grootste passieve macht in
zijn ontwikkeling; de wijze waarop het in deze behoefte voorziet
is de grootste actieve macht in zijn ontwikkeling. Het zijn deze
werkzaamheden, de onophoudelijke herhaling van de krachtige pogingen
om zijn voedsel te verkrijgen, welke het meest zijn vorm wijzigen
en zijne functiën ontwikkelen. Het schaap, de koe, het rendier
verschillen in het vermogen om zich aan te passen aan het weder,
in de snelheid om zich voort te bewegen, in de verdedigingsmiddelen;
zij stemmen evenwel overeen in de voornaamste kenteekenen, omdat hun
voeding op gelijke wijze geschiedt.
De mensch als dier maakt op dezen regel geen uitzondering. Het
klimaat oefent invloed op hem uit, het weder oefent invloed op
hem uit, vijanden oefenen invloed op hem uit; de sterkste wijziging
ondergaat hij evenwel, evenals ieder ander levend wezen, door hetgeen
hij doet voor zijn levensonderhoud. Niettegenstaande het individu
allen invloed ondergaat van zijn later en breeder leven, al de
tegenwerkende macht van maatschappelijke instellingen, toch ondergaat
het onverbiddelijk wijzigingen door de middelen die het aanwendt om
in zijn levensonderhoud te voorzien: "aan de hand van den blauwverver
ziet men wat hij verwerkt." Als een zuiver, wereldbekend voorbeeld van
den invloed der economische omstandigheden op den mensch, voer ik de
duidelijke rasverandering der Joden aan, onder de gedwongen beperkingen
van de laatste 2000 jaren. Hier treedt een volk op den voorgrond,
eerst als een herdersvolk, dan als een landbouwende natie, alleen voor
een deel koophandel drijvende, voor zoover het in relatie stond met de
Phoeniciërs, de eerste kooplieden der wereld. Onder de sociale macht
van een vereenigd Christendom,--vereenigd ten minste in deze meest
onchristelijke daad--werden de Joden gedwongen hun levensonderhoud
voornamelijk in den handel te verwerven. Men kan aantoonen dat vele
hunner eigenschappen een gevolg zijn van den wreeden druk der sociale
omstandigheden waaraan zij onderworpen waren: de sterke familieband
van een volk zonder vaderland, zonder koning; zonder gelegenheid
voor ontspanning of tot voldoening aan hun eerzucht, behalve in het
familieleven; de verminderde lichaamsmaat en de verschrikkelijke
levensvatbaarheid en levensduur van de meedoogenloos uitverkoren
overblijvenden van het Ghetto; de herhaalde uitbarstingen van geniale
geesten zoo onmenschelijk onderdrukt. Maar kenmerkender nog is het
gevolg der economische omstandigheden;--de kunstmatige ontwikkeling
van een ras kooplieden en geldhandelaars, van het minste pandjeshuis
tot het huis van Rothschild; een bijzonder soort volk, uitgebroeid
door de economische omgeving waarin zij gedwongen waren te leven.
Een ruw doch bekend voorbeeld, waarbij wij gelijke oorzaak met gelijk
gevolg kunnen opmerken, is het opvallend verschil van een veeteelend,
een landbouwend, en een fabrieksvolk in dezelfde natie, waarbij al
de andere omstandigheden dus gelijk zijn.
Uit dezelfde zuivere redeneering dat functiën en organen door het
gebruik zich ontwikkelen, dat de organen die het meest gebruikt worden
ook het meest zich ontwikkelen, en dat het dagelijks moeten voorzien
in onze economische behoeften deze functiën tot de meest gebruikte
maakt, volgt, dat waar wij een bijzondere volksklasse vinden onder
bijzondere economische omstandigheden, wij dan mogen uitzien naar
bijzondere gevolgen en die ook zullen vinden.
Met het oog op deze feiten wordt thans de aandacht gevestigd op een
zeer in het oog loopenden en eigenaardigen economischen toestand waarin
het menschengeslacht verkeert en die in de organische wereld geen
tegenhanger vindt. Wij zijn de eenige diersoort waarbij het vrouwtje
van het mannetje afhankelijk is voor haar voedsel, de eenige diersoort
waarbij de geslachts-verhouding tevens een economische verhouding
is. Bij ons leeft een geheele sekse in economische afhankelijkheid
van de andere sekse en de economische verhouding is vereenigd met de
geslachts-verhouding. De economische staat van de vrouw houdt verband
met de geslachts-verhouding.
Dikwijls wordt aangenomen dat deze toestand ook voorkomt bij andere
diersoorten, maar dit is niet het geval. Er zijn verschillende
vogels, waar het mannetje het vrouwtje gedurende den broeitijd helpt
de jongen te voeden en dan gedeeltelijk ook haar voedt, en ook bij
sommige hooger ontwikkelde carnivoren helpt het mannetje de jongen
voeden en voedt dan gedeeltelijk ook het vrouwtje. In geen geval is
"zij" evenwel uitsluitend afhankelijk van "hem", zelfs niet in den
broeitijd. Alleen de hoornvogel maakt hierop een uitzondering. Zoodra
zijn vrouwtje in een hollen boom op het gemaakte nest is gaan
zitten omringt hij haar met een muur van klei, zoodat alleen haar
snavel vrij blijft en dan voedt hij haar tot de eieren uitgebroeid
zijn. Maar zelfs het hoornvogelvrouwtje verwacht niet dat zij op eenig
ander tijdstip gevoed zal worden. Het vrouwtje van bij en mier zijn
economisch afhankelijk, maar niet van het mannetje. De arbeiders zijn
ook vrouwtjes, tot economische werkzaamheden bepaald aangewezen. En
bij de vleesch-etende dieren kunnen de jongen, indien zij één van
de ouders moeten missen, beter den vader dan de moeder verliezen,
want de moeder is volkomen in staat alleen de zorg voor hen op zich
te nemen. Bij vele diersoorten, zooals bijv. bij de kat, voedt het
vrouwtje niet alleen zich zelf en de jongen, doch zij moet tevens de
jongen verdedigen tegen het mannetje. In geen enkel geval wordt het
vrouwtje gedurende haar geheele leven door het mannetje onderhouden.
Bij de menschen is deze toestand algemeen en aanhoudend, al zijn er
ook uitzonderingen en al is deze eeuw ook getuige van een groote
verandering ten goede. Toch zijn we nog niet gewend dit feit te
beschouwen buiten de grens van eenige losse algemeenheden, wij meenen
dat de oude toestand «natuurlijk» is en dat andere dieren ook zoo doen.
Velen zal dit inzicht niet dadelijk helder voor den geest staan en
zij zullen werkende boerinnen of vrouwen uit wilde volksstammen en
vooral de huishoudelijke werkzaamheden der vrouw als voorbeelden
daartegenover stellen. Eenige met zorg gekozen voorbeelden zijn
noodig om voor ons zelf het essentieele der feitelijke verhouding,
ook in deze gevallen duidelijk te maken. Het paard, in zijn vrijen
natuurstaat, is economisch onafhankelijk. Het verkrijgt zijn voedsel
door eigen inspanning, zonder hulp van een ander schepsel. Het paard,
in zijn tegenwoordigen slaventoestand, is economisch afhankelijk. Het
ontvangt het voedsel uit de hand van zijn meester; zijn inspanning,
hoe krachtig ook, staat niet in onmiddellijk verband tot zijn
levensbehoeften. Integendeel, de paarden die het best gevoed en
verzorgd worden zijn niet de paarden die het hardst werken. Het paard
werkt, dat is waar; maar wat hij te eten krijgt hangt af van de macht
en den wil van zijn meester. Zijn levensbenoodigdheden verkrijgt
het door een ander. Het paard is economisch afhankelijk. Zoo ook de
hardwerkende wilde of de boerin. Hun arbeid is het eigendom van een
ander, zij werken onder den wil van een ander en wat zij ontvangen
hangt niet af van hun werk, maar van de macht en den wil van een
ander. Zij zijn economisch afhankelijk. Dit geldt voor de vrouw zoowel
individueel als collectief.
Door den economischen toestand van de seksen in hun geheel te
bestudeeren komt het verschil het sterkst uit. Als maatschappelijk
dier berust de economische staat van den mensch op de gezamenlijke
en uitgewisselde diensten van groote getallen op den voorgrond
tredende bijzondere individuen. De economische vooruitgang van een
ras, zijn bestaan op zeker tijdstip, zijn bestendige vooruitgang
sluit in zich de gezamenlijke werkzaamheden van al de ambachten,
beroepen, kunsten, fabrieken, handel, uitvindingen, ontdekkingen en
al de burgerlijke en militaire instellingen, waarvan het volk zich
onderhoudt. De economische staat van eenig ras op eenig tijdstip,
met zijn daarin opgesloten gevolgen op al de bestaande individuen,
hangt af van hun over de geheele wereld zich uitbreidenden arbeid
en hun vrij onderling verkeer. Economische vooruitgang is evenwel
bijna uitsluitend mannenwerk. De economische werkzaamheden die de
vrouwen mochten verrichten zijn van den vroegsten tijd en van de
eenvoudigste soort. Indien mannen geen andere economische diensten
bewezen hadden, dan die ook thans nog door vrouwen worden verricht,
de staat van ons ras zou in economisch opzicht tot de pijnlijkste
grenzen teruggebracht worden.
Wanneer men uit een gemeenschap al de mannen-werkers verwijderde
zou dit in economisch opzicht veel verlammender werken dan wanneer
daaruit al de vrouwen-werkers verwijderd werden. Het werk dat nu gedaan
wordt door vrouwen, kan door mannen verricht worden, het vereischt
alleen de terugzetting van goede werkkrachten tot een vroegeren vorm
van voortbrenging; doch het werk nu door de mannen verricht, zou
niet door de vrouwen verricht kunnen worden, zonder geslachten van
inspanning en aanpassing. Mannen kunnen koken, reinigen, naaien, zoo
goed als de vrouwen; maar het maken en besturen van de groote machines
der moderne industrie; het doorbanen van land en zee met uitgebreide
stelsels van vervoer, de behandeling van onze saamgestelde beroeps-,
handels-, en regeeringsinstellingen, deze zaken kunnen door vrouwen
in haar tegenwoordigen staat van economische ontwikkeling niet zoo
goed gedaan worden.
Dit is niet te wijten aan gebrek aan de essentieele menschelijke
bekwaamheden die voor zulke handelingen noodzakelijk zijn, noch aan
een aangeboren ongeschiktheid van het geslacht, maar zij is een gevolg
van de tegenwoordige positie der vrouw, waardoor zij verhinderd wordt
zich tot dien graad van economische bekwaamheid te ontwikkelen. Bij
den mensch is de man in economischen staat de vrouw duizenden jaren
vooruit. In het algemeen gesproken kan men zeggen dat mannen goederen
voortbrengen en zorgen voor de verdeeling en dat vrouwen die van hen
ontvangen. Als mannen jagen, visschen, veehoeden of het land bebouwen,
dan eten de vrouwen wild, visch, biefstuk of koren. Als mannen over de
zee gaan en koffie, specerijen, zijde en edelgesteenten medebrengen
uit verre landen, dan krijgen de vrouwen haar deel van de koffie en
specerijen en zijde en edelgesteenten, die de mannen gebracht hebben.
De economische staat van het menschelijk ras in eenig volk op zeker
tijdstip is in hoofdzaak afhankelijk van de werkzaamheden van den man;
de vrouw verkrijgt haar aandeel in den vooruitgang enkel en alleen
door hem.
Deze feiten zijn zelfs nog duidelijker merkbaar, meer algemeen bekend,
indien men ze individueel bestudeert. Van de vrouw van den dagwerker
tot die van den millionnair, spreekt het versleten kleed of schitterend
edelgesteente, de hut of het kasteel, de vermoeide voet of de rijke
equipage, van de economische bekwaamheid van den echtgenoot. De
comfort, de weelde, de noodzakelijkste levensbehoeften zelfs, welke
de vrouw ontvangt, zijn door den man aangebracht en haar door hem
gegeven. En zoodra de vrouw aan haar zelf overgelaten, zonder man om
haar te "onderhouden", in haar eigen economische behoeften tracht te
voorzien, dan bewijzen de moeilijkheden die zij ondervindt voldoende
wat in het algemeen de economische staat van de vrouw is. Niemand kan
deze duidelijke feiten ontkennen,--de economische staat der vrouwen
individueel hangt af van de mannen individueel, van de mannen tot
welke zij in betrekking staan.
Maar onmiddellijk wordt daar tegenover geplaatst de algemeen
gehuldigde meening dat, ofschoon moet worden toegegeven dat de mannen
de economische goederen voortbrengen en verdeelen, toch de vrouwen hun
aandeel daarin verdienen als echtgenooten. Dit veronderstelt òf dat
de echtgenoot in de positie verkeert van werkgever en de echtgenoote
van werknemer, òf dat het huwelijk een vennootschap is en de vrouw
een gelijk aandeel neemt in de voortbrenging als de man.
Economische onafhankelijkheid is ten slotte een betrekkelijke
toestand. In ruimen zin opgevat zijn alle levende wezens van elkander
economisch afhankelijk, de dieren van de planten en de menschen
van beide. In engeren zin is het geheele maatschappelijke leven
economisch onderling afhankelijk; de mensch brengt collectief voort
wat hij onmogelijk afzonderlijk kan voortbrengen. Maar vat men dit
begrip zoo eng mogelijk op, dan veronderstelt individueele economische
onafhankelijkheid, dat het individu betaalt voor hetgeen het ontvangt,
werkt voor wat het krijgt, aan een ander een gelijke waarde geeft voor
hetgeen de ander hem geeft. Ik ben afhankelijk van den schoenmaker
voor schoenen en van den kleermaker voor kleederen, maar geef ik den
schoenmaker en kleermaker genoeg van mijn arbeid als timmerman om de
schoenen en kleeren die zij mij geven te betalen, dan behoud ik mijne
persoonlijke onafhankelijkheid. Ik heb hun arbeid niet genomen zonder
daarvoor iets van mijn arbeid te geven. Zoolang hetgeen ik ontvang
betaald is door hetgeen ik geef, ben ik economisch onafhankelijk.
Vrouwen verbruiken economische goederen. Welk economisch product geven
zij in ruil voor wat zij verbruiken? De bewering dat het huwelijk een
vennootschap is, waarin de twee gehuwde personen zooveel voortbrengen
als geen van beiden afzonderlijk kan voortbrengen, kan den toets der
kritiek niet doorstaan. Een man die gelukkig is en zonder zorgen,
kan meer voortbrengen dan een die ongelukkig en vol zorgen is,
maar dit geldt evenzeer van een vader of een zoon als van een
echtgenoot. Ontneemt men een man eenige van de voorwaarden waardoor
hij gelukkig en zonder zorg is, dan verlamt men, in het algemeen
gesproken, zijn ijver. Maar die verwanten die hem gelukkig maken
zijn daarom niet zijn arbeids-vennooten en worden niet geacht deel
te nemen aan de vermeerdering van zijn inkomen.
Een dankbare belooning voor aangebracht geluk is geen ruilmiddel
in een vennootschap. Het gemak dat een man door een vrouw heeft
ligt, evenmin als haar zuinigheid en werkzaamheid, in den aard der
bedrijfs-vennootschap. Een huishoudster in haar plaats kan even zuinig
en even werkzaam zijn, maar zou daarom toch geen deelgenoot zijn. Man
en vrouw zijn ware vennooten in hunne onderlinge verplichting tegenover
hunne kinderen,--hun gemeenschappelijke liefde, plicht en hulp. Maar
een fabrikant die huwt, of een geneesheer, of een advokaat neemt geen
deelnemer in zijn zaak, wanneer hij een deelgenoot in zijn ouderschap
neemt, tenzij zijne vrouw ook een fabrikant, doctor of advocaat
is. Zij kan hem zelfs nog geen goeden raad in zijne zaken geven,
zonder oefening en ondervinding. Dat zij haar man, den componist,
liefheeft, maakt haar niet bekwaam tot componeeren. Als een man zijn
vrouw verliest, dan mag zijn hart breken, maar het bedrijf lijdt
er niet onder, tenzij zijn geest ziek wordt door verdriet. Zij
is in geen opzicht een arbeids-vennoot, of zij moet kapitaal of
ondervinding of arbeid aanbrengen, evenals een man zou doen in dezelfde
betrekking. Vele mannen zullen zich eerst zeer ernstig bedenken,
voordat zij in een bedrijfs-vennootschap treden met een of andere
vrouw, echtgenoote of niet.
Indien dus de vrouw geen werkelijke deelgenoot in zaken is, op
welke wijze verdient zij dan van haar man het voedsel, de kleeding,
de huisvesting, die zij uit zijn handen ontvangt? Door huiselijke
bezigheden, zal onmiddellijk geantwoord worden. Dit is het algemeen
vage begrip van deze zaak,--dat vrouwen alles verdienen wat zij
ontvangen, en meer zelfs, door huiselijke diensten. Hier komen wij op
een zeer praktisch en ten slotte economisch terrein. Ofschoon geen
voortbrengers van goederen, dienen zij in het eindproces, bij de
bereiding en verdeeling daarvan. Haar arbeid in het huisgezin heeft
werkelijk economische waarde.
Een zeker percentgehalte personen die anderen dienen, zoodat die
anderen meer kunnen voortbrengen, leveren inderdaad een bijdrage die
niet over het hoofd mag gezien worden. Het werk dat de vrouwen in
huis doen stelt de mannen zeer zeker in staat, meer goederen voort
te brengen dan zij anders konden doen; en in zoo ver zijn vrouwen
economische factoren in de maatschappij. Maar aldus ook de paarden. Het
werk van de paarden stelt de menschen in staat meer goederen voort te
brengen dan zij anders konden doen. Het paard is een economische factor
in de maatschappij. Maar het paard is niet economisch onafhankelijk,
evenmin als de vrouw. Indien een man met een knecht meer nuttig werk
kan verrichten dan zonder knecht, dan doet de knecht nuttig werk. Maar
indien de knecht het eigendom van den man is, verplicht wordt dat
werk te doen zonder betaling, dan is hij niet economisch onafhankelijk.
Het werk dat de vrouw in het huisgezin verricht, geeft zij als een
deel van haar functioneele taak, niet als beroepsbezigheid.
De vrouw van een arm man die in haar klein huisje hard werkt, alles
alleen doet voor het huisgezin, of de vrouw van den rijkaard die
aardig en bevallig haar paleis bestuurt en de werkzaamheden leidt,
beiden hebben aanspraak op behoorlijke betaling voor bewezen diensten.
Als men dezen grondslag aanneemt en daaraan consequent vasthoudt,
dan maken huisvrouwen, die door huishoudelijke werkzaamheden haar
levensonderhoud verdienen, aanspraak op de loonen van keukenmeiden,
werkmeiden, kindermeiden, naaisters of huishoudsters en niets meer. Dit
zou natuurlijk de uitgaven van de rijke huisvrouwen verminderen en
het voor den armen man onmogelijk maken om een vrouw "te onderhouden",
tenzij dat die arme man de onderlinge verhouding goed inzag, zijn vrouw
betaalde als dienstbode, en zij hun gezamenlijke inkomsten bij elkaar
voegden om daarvan hun kinderen op te voeden. Hij zou dan een meid
houden en zij zou haar aandeel betalen in de huishouding. Maar dan zou
er op de geheele wereld geen "rijke vrouw" te vinden zijn. Zelfs de
beste huishoudster, hoe nuttig ook haar diensten mogen zijn, brengt
geen fortuin bij elkaar. Zoo iemand koopt geen juweelen en parelen,
of houdt equipage. Zulke dingen verdient men niet door huiselijke
bezigheden.
Maar wat het merkwaardige in deze bespreking is, hoe groot ook
de economische waarde van de huiselijke bezigheden mogen zijn, de
vrouwen krijgen ze niet uitbetaald. De vrouwen die het hardst werken,
ontvangen het minst en de vrouwen die het meest verteren werken het
minst. Haar arbeid is noch gegeven noch genomen als een factor in den
economischen ruil. Men gaat uit van de meening dat het haar plicht
als vrouw is om dit werk te doen, en er bestaat geen verhouding
tusschen de hoeveelheid van dit werk en haar economischen staat,
tenzij een omgekeerde. Doch bovendien, als de vrouwen aldus eerlijk
betaald werden en men haar gaf wat zij verdienen en niets meer, dan
zouden alle vrouwen die dezen arbeid verrichten teruggebracht worden
tot den economischen staat van dienstboden. Er zijn niet veel vrouwen,
mannen ook niet, die deze voorwaarden aandurven.
De basis dat vrouwen haar levensonderhoud verdienen door huiselijk
werk wordt dan ook onmiddellijk los gelaten en de bewering volgt,
dat zij haar onderhoud verdienen als moeders. Dit is een eigenaardige
toestand. Wij spreken genoeg hierover en dikwijls met diep gevoel,
zonder dit echter voldoende te ontleden.
Wanneer men het als een economischen ruil behandelt en men vraagt,
wat geven de vrouwen in goederen of arbeid terug voor de goederen
en arbeid die haar gegeven worden,--hetzij aan het geheele ras of
aan haar echtgenooten individueel,--wat betalen de vrouwen voor haar
kleederen en schoenen en meubelen en voedsel en huisvesting, dan zal
men antwoorden dat de plichten en diensten van de moeder haar het
recht geven op onderhoud.
Indien dit waar is, indien het moederschap een wisselbaar
handelsartikel is, dat vrouwen in ruil geven voor kleederen en
voedsel, dan moeten wij natuurlijk eenige betrekking vinden tusschen
de kwantiteit en kwaliteit van het moederschap en de kwantiteit en
kwaliteit van de betaling. Dan zouden de vrouwen die geen kinderen
hebben in 't geheel geen economischen staat bezitten en van de moeders
zou moeten kunnen aangetoond worden dat haar economische staat in
verhouding staat tot haar moederschap. Dit is klaarblijkelijk onzin. De
kinderlooze echtgenoote heeft even veel geld te verteren als de moeder
van veel kinderen,--meer, want de kinderen van de laatste verteren
nog, wat anders het hare zou zijn, en de zwakke moeder ontvangt niet
minder dan de krachtige.
Het is immers duidelijk dat de economische welvaart van een vrouw
geen verband houdt met haar moederschap. Onder de oorspronkelijke
volkeren, in het patriarchale tijdperk bijvoorbeeld, was er iets
waars in. De vrouwen bezaten toen geen andere waarde dan alleen om
kinderen te baren en de voorrechten en gunsten die zij ontvingen
stonden in direct verband tot het moederschap; de vrouwen hadden
toen meer dan één reden om te juichen wanneer zij een zoon ter wereld
brachten. Heden ten dage is evenwel het onderhoud van de vrouw daarop
niet meer gebaseerd. Een man heeft geen recht zijn vrouw te verstooten
op grond dat zij geen kinderen krijgt. De aanspraak van het moederschap
om beschouwd te worden als een factor voor economischen ruil is heden
ten dage ongerijmd. Maar veronderstel eens dat het waar was. Zijn
wij bereid dezen grondslag, zelfs in theorie, aan te nemen? Zijn wij
bereid toe te stemmen dat het moeder-zijn een bedrijf is, een vorm
van ruilhandel? Zijn de zorgen en plichten van de moeder, haar werk
en haar liefde, handelsartikelen die voor brood te koop zijn?
Zulke overwegingen zijn stuitend. Indien wij onze gedachten durven
volgen en ze doorvoeren tot een logische gevolgtrekking, dan zullen wij
zien dat er niets terugstootender voor het menschelijk gevoel kan zijn,
of meer maatschappelijk en individueel beleedigend, dan het moederschap
te maken tot een bedrijf. Weg daarom met deze aangevoerde reden van
de economische onafhankelijkheid der vrouwen! Er is aangetoond dat
vrouwen als een klasse geen goederen voortbrengen, noch verdeelen;
dat vrouwen als individuen hoofdzakelijk werken als dienstboden,
niet als zoodanig betaald worden en niet tevreden zouden zijn met
haar economischen staat, indien zij wel als zoodanig betaald werden;
dat vrouwen geen bedrijfs-vennooten of mede-voortbrengers van goederen
met haar mannen zijn, tenzij zij werkelijk hetzelfde vak uitoefenen;
dat zij niet als moeders gesalarieerd worden en dat, indien dit het
geval was, dit onuitsprekelijk vernederend zou zijn,--wat hebben
nu degenen nog in te brengen die niet willen toegeven dat vrouwen
onderhouden worden door mannen? Dit (en dit is een zeer vermakelijke
toestand), dat de functie van het moederschap een vrouw ongeschikt
maakt voor economische voortbrenging en dat het daarom billijk is
dat zij door haar man onderhouden wordt.
Wij zijn begonnen met de stelling dat bij de menschen de vrouw
economisch afhankelijk is, dat zij gevoed wordt door den man. Om dit
te loochenen heeft men eerst beweerd dat zij economisch onafhankelijk
is, doordat zij zich onderhoudt door haar werkzaamheden in de
huishouding. Daarop werd aangetoond dat er geen verband bestond
tusschen den economischen staat der vrouw en den arbeid dien zij
in het huisgezin verricht, toen werd aangevoerd dat zij niet als
dienstbode, maar als moeder haar levensonderhoud verdient. Nadat
aangetoond was dat de economische staat der vrouw geen verband houdt
tot haar moederschap, noch in de kwantiteit, noch in de kwaliteit,
toen werd beweerd dat het moederschap de vrouw ongeschikt maakt voor
economische productie en dat het daarom rechtvaardig is dat de vrouw
door haar man onderhouden wordt. Voordat wij verder gaan, kunnen wij
dus vaststellen,--dat de vrouw wordt onderhouden door haar echtgenoot.
Zonder thans in zedelijkheids- of in noodzakelijkheidsbeschouwingen
te treden, hebben wij ten minste dezen vasten grond onder den voet:
Het wijfje van het geslacht mensch wordt onderhouden door het
mannetje. Terwijl bij andere diersoorten het mannetje en vrouwtje
gelijkelijk grazen en weiden, jagen en dooden, klimmen en zwemmen,
graven, rennen of vliegen voor hun levensbehoeften, zoekt in onze soort
het vrouwtje haar eigen levensonderhoud niet, door de gebruikelijke
werkzaamheden van ons geslacht, maar wordt gevoed door het mannetje.
Nu kan de aangevoerde noodzakelijkheid nagegaan worden. Het
wijfje-mensch zou door haar moederplichten onbekwaam zijn om in
haar eigen onderhoud te voorzien. Aangezien de moederplichten van
andere wijfjes deze niet ongeschikt maken om in eigen onderhoud en
dikwijls ook in het onderhoud der jongen te voorzien, schijnt het dat
de moederplichten van den mensch eischen dat de totale krachten van
de moeder in dienst worden gesteld van het kind en dat wel gedurende
geheel haar volwassen leeftijd, of dat er zoo'n groot gedeelte van
noodig is dat er niet genoeg overblijft om de individueele belangen
der moeder te behartigen.
Indien zulk een toestand bestond, zou hij natuurlijk de
beklagenswaardige afhankelijkheid van het wijfje-mensch en haar
onderhoud door het mannetje verontschuldigen en rechtvaardigen. Evenals
de koningin-bij, geheel voor het moederschap bestemd, onderhouden
wordt--niet door het mannetje, wees daarvan overtuigd--door haar
medewerksters, de "oude vrijsters" de onvruchtbare werkbijen, die
geduldig en lief op hare wijze arbeiden voor de moederplichten van den
bijenzwerm, zoo zou ook het wijfje-mensch, dat geheel bestemd werd
voor het moederschap, ongeschikt worden voor elke andere inspanning
en hulpeloos afhankelijk zijn.
Is dit de toestand van het menschelijk moederschap? Verliest de vrouw
door haar moederschap de macht over haar geest en haar lichaam,
verliest zij de gave, de geschiktheid, den lust en de kracht voor
elk ander werk? Zien wij het menschelijk geslacht voor ons met
al de wijfjes, alleen bestemd voor het moederschap, zich wijden,
afzonderen, bijzonder ontwikkelen en elke gave der natuur besteden
in dienst hunner kinderen?
Neen. Wij zien de mensch-moeder harder werken dan een merrie,
levenslang werken in dienst, niet alleen van haar kinderen, maar
ook van vele menschen, echtgenooten, broeders en vaders en verdere
mannelijke verwanten; ook voor moeders; voor de kerk een beetje, als
het haar veroorloofd wordt; voor de maatschappij, indien zij daartoe
in staat is; voor liefdadigheid en opvoeding en hervormingen; werken
in verschillende richtingen, die niet speciaal de richting van het
moederschap zijn.
Het is niet het moederschap dat de huisvrouw van den vroegen morgen
tot den laten avond op de been houdt, het is huishoudwerk, geen werk
in dienst van het kind. Vrouwen werken langer en harder dan de meeste
mannen, doch niet enkel in dienst van het moederschap. Bij de wilde
volksstammen draagt de moeder zware lasten en doet al de werkzaamheden
voor den stam. De boerin-moeder werkt op het land en de werkmansvrouw
in de fabriek of te huis. Vele moeders verdienen zelfs nu geld voor
het gezin, dat zij tegelijkertijd onderhouden en besturen. Vindt men
misschien bij de vrouwen die niet zoo veel doen, vrouwen die rijken
mannen toebehooren, een volledige toewijding aan het moederschap,
waardoor de economische afhankelijkheid der vrouw gerechtvaardigd
en geduld zou moeten worden? Wij vinden haar zelfs daar niet. Rijke,
in weelde levende vrouwen laten dikwijls meer zorg aan haar kinderen
besteden dan de arme moeder kan doen, doch zij zelf wijden aan hen
niet meer tijd, noch meer liefde en toewijding. Zij hebben andere
bezigheden.
Ondanks haar veronderstelde bestemming voor het moederschap, werkt
de mensch-moeder over de geheele wereld dagelijks uren lang aan
werk dat met het moederschap niets te maken heeft, lang genoeg om
haar een onafhankelijk levensbestaan te verschaffen en toch wordt de
onafhankelijkheid onmogelijk verklaard op grond dat het moederschap
haar het werken verhindert!
Als deze grond houdbaar was, dan zouden wij een wereld vol vrouwen
vinden die nooit een vinger verroerden dan alleen ten dienste harer
kinderen, en een wereld vol mannen die al het overige werk deden en
bovendien de vrouwen bedienden, omdat dezen door het moederschap
verhinderd waren zich zelf te bedienen. Dit is niet het geval. De
gezonde, flinke vrouw heeft 25 levensjaren alvorens zij moeder
is en zal over 25 jaren te beschikken hebben na de periode waarin
zulke moederdiensten van haar verwacht worden. De plichten van het
grootmoederschap zullen toch zeker haar economische onafhankelijkheid
niet in den weg staan?
De werkkracht van de moeder is altijd een voorname factor in het
menschelijk leven geweest. Zij is de werker "bij uitnemendheid"; maar
haar werk oefent geen invloed uit op haar economischen staat. Haar
levensonderhoud, dat is alles wat zij noodig heeft:--voedsel, kleeding,
sieraden, weelde, amusementen, staat niet in verhouding tot haar
productievermogen, haar huiselijke diensten of haar moederschap. Deze
dingen staan alleen in verband tot den man dien zij huwt, den man
waarvan zij afhankelijk wordt; namelijk van hoeveel hij bezit en
hoeveel hij bereid is haar te geven.
De vrouwen wier opvallende levenswijze de wereld verblindt, die de
grootste weelde genieten, zijn dikwijls geen huisvrouwen, noch moeders,
maar eenvoudig de vrouwen die de grootste macht uitoefenen over mannen
die het meeste geld hebben.
Het wijfje van het geslacht mensch is afhankelijk van het mannetje. Hij
voorziet haar van voedsel.