ZESDE HOOFDSTUK.

+Een geluk bij een ongeluk.+

Nadat de Franklin gelost was en de gezagvoerder eenigen tijd te

vergeefs op nieuwe lading gewacht had, besloot hij den steven naar

Indië te richten, in de hoop aldaar geschikte retourvracht voor zijn

bodem te vinden.

Doch te Soerabaja, waar men na eenige dagen aankwam, werd alleen

scheepsruimte gevraagd voor Europeesche havens, terwijl de kapitein,

ook met het oog op zijn kleinen passagier, gehoopt had naar Amerika

terug te kunnen keeren.

Met een leeg schip den Oceaan over te steken, was echter nog minder

gewenscht. Derhalve besloot kapitein Smartt eindelijk van den nood

een deugd te maken en zijn schip naar Europa, en wel naar Hamburg,

te bevrachten.

De reis zou zoodoende wel wat langer duren; maar hij mocht de

belangen zijner reeders toch niet aan die van het kind opofferen. En

bij nader inzien waren de laatste misschien aan deze zijde van

den Atlantische Oceaan nog beter gediend dan aan gene.

Van Hamburg naar Holland was toch slechts een uitstapje van

hoogstens een paar dagen, redeneerde de kapitein. Een onderzoek

aldaar bij de reederij van het verongelukte schip, waarvan Willem,

naar hij vermoedde, afkomstig was, zou misschien nog beter resultaat

opleveren, dan het zoeken naar zijn ouders in Amerika zelf. De

lading, die hoofdzakelijk uit koffie en suiker bestond, werd

derhalve ingenomen, en weldra verliet het schip met zijn kostbare

vracht de haven van Soerabaja, om zijn nieuwe bestemming te volgen.

Piet Vlug had "den Amerikaan", zooals hij de Franklin voortaan

noemde, intusschen goed in de gaten gehouden. Dag in, dag uit zat

hij in de courant te snuffelen, om te zien, werwaarts hij zijn koers

zou richten. Zoodoende droeg hij niet alleen kennis van de aankomst

der Franklin te Soerabaja, maar ook van haar vertrek en bestemming

naar Hamburg.

"Wel drommels, waarom niet liever naar Holland gekomen," pruttelde

hij bij het lezen van de laatste tijding. "Nu ben ik, zoo waar, nog

genoodzaakt naar Hamburg te reizen, als 't zoo laat is; wanneer ik

ten minste zekerheid omtrent het ventje wil hebben. Maar enfin, dat

is minder, als de moeite maar beloond wordt. Kon ik eerst nog maar

een reisje doen; want zoolang aan wal te blijven hangen.... Wacht,

laat me eens uitrekenen.... Het is vandaag de 23e April en de

Amerikaan is uitgezeild op den 15en April. Dat is, als alles goed

gaat, omstreeks 't begin van Juni aan de Kaap en zoo ongeveer half

Juli hier voor de kust.... Maar dan moet ook alles meeloopen en

broeder Jonathan al een snelle zeiler zijn.... Als wij dus over

veertien dagen uitzeilen, zijn we tegen dien tijd al lang en breed

weer in Holland terug.... Wel ja, dat lappen we hem met glans, als

er ten minste geen tweede Columbus in ons vaarwater komt. Maar dan

mag ik lijen, dat de baas zelf naar den kelder gaat!"

Onze bootsman had zijn berekening inderdaad niet slecht gemaakt.

Nu, daarvoor had hij dan ook in eigen persoon meer dan eens dezelfde

reis gedaan. Voor hij namelijk bij de Maatschappij, waarvoor hij

thans voer, in dienst kwam, was hij verscheidene malen naar Indië

geweest.

Hij wist er dus alles van en maakte zich dan ook volstrekt niet

ongerust, dat de Amerikaan hem tijdens zijne afwezigheid zou

ontsnappen.

Willem had zich intusschen van lieverlede zoodanig aan zijn goede

pleegouders gehecht, dat hij het verlies van vader en moeder geheel

vergeten scheen. En de kapitein en zijn vrouw? Als de kleine

praatjesmaker, die nu reeds aardig Engelsch had leeren babbelen, zoo

tusschen hen in zat, voelden zij meermalen den wensch bij zich

opkomen, dat het onderzoek, dat zij wilden instellen maar op niets

mocht uitloopen. Indien de ouders nog leefden, wisten zij immers

toch niet beter, dan dat hun kind dood was, en misschien hadden zij

zich reeds met dat denkbeeld verzoend. En zij daarentegen? Hoe

zouden zij hem missen! Vooral mevrouw Smartt kon er niet aan denken,

dat zij mogelijk spoedig weer afstand van haar Willy zou moeten

doen.

En toch, hoe meer de Franklin haar bestemming naderde, hoe meer dat

denkbeeld zich aan haar opdrong. Soms zelfs maakte zich een

gevoel als van een naderend onheil van haar meester, en als haar man

zich aan dek bevond, zat zij dikwijls met het knaapje op haar schoot

in stilte te schreien. Maar dan sloeg Willy zijn armpjes om haar

hals, en door zijne lieftalligheid wist hij haar sombere gedachten

te verdrijven.

Zoo bereikte de Franklin eindelijk den ingang van het Kanaal. Juist

acht dagen te voren was het stoomschip de Rotterdam, waarmee Piet

Vlug ditmaal de reis naar Amerika gemaakt had, Kaap Lizard

gepasseerd. En niettegenstaande de bootsman op zijn vingers kon

narekenen, dat de Amerikaan op dat tijdstip nog onmogelijk op

dezelfde hoogte, veel minder hem reeds vooruit kon zijn, nam hij

toch elk schip, dat den steven naar het Noorden gericht had, met

zijn kennersblik zorgvuldig op, om zich te vergewissen, of hij zich

soms ook in zijn berekening mocht vergist hebben.

"Je kunt nooit weten," dacht hij. "Dat volkje van den overkant is

zoo vlug als water. Als je meent, ze te hebben, glijden ze je nog

tusschen de vingers door."

Doch onder de massa schepen, die het Kanaal opvoeren, was geen enkel

Amerikaansch fregat te bekennen.

Onze bootsman zou dus al den tijd gehad hebben, om van de

vermoeienissen der reis uit te rusten, voor hij op zijn

ontdekkingstocht uitging, als geen onverwachte gebeurtenis tusschen

beide gekomen was, die al zijn plannen in duigen dreigde te werpen.

Nauwelijks een paar dagen aan wal ontving hij namelijk een brief van

De Cocksdorp op Texel, waarin hem dringend verzocht werd onverwijld

over te komen, daar zijn oude grootvader bedenkelijk ziek was.

"Als ge hem nog levend zien wilt, zult ge u moeten haasten," luidde

het droevig bericht.

"De oude man gaat van dag tot dag achteruit en heeft al verscheidene

malen naar u gevraagd. Misschien heeft hij u nog wat te zeggen of te

vragen...."

Geen tien minuten later stond de bootsman al met den brief in de

eene en de muts in de andere hand bij den kapitein in de kajuit.

"Wat heb je, bootsman?" vroeg deze, van zijn schrijfwerk opziende.

"Ik zou u wel om eenige dagen verlof willen vragen, kapitein,"

antwoordde de bootsman. "Zooeven ontving ik dezen brief. Als de

kapitein dien eens even wou inzien."

Zonder den toegestoken brief evenwel aan te nemen, vroeg de kapitein

weer: "Wat behelst de brief? Toch geen ziek volk, wil ik hopen?"

"Ja, kapitein," hernam Piet bewogen. "Mijn grootvader is stervende,

en naar 't schijnt wou de oude man, alvorens hij de groote reis gaat

doen, mij nog eens zien."

"Nu, maak dan maar gauw, dat je voort komt," sprak de kapitein

daarop. "Je hebt onbepaald verlof. Goeie reis!"

"Dank u, kapitein!" zei Piet. Maar terwijl hij zijn muts al heen en

weer draaide, scheen hem nog iets op de tong te liggen; althans hij

maakte nog geen haast om te vertrekken.

"Had je nog iets, bootsman?" vroeg de kapitein nu op nieuw.

"Ja, kapitein!" sprak Piet een weinig verlegen. "'k Zou u eigenlijk

nog wel iets willen vragen."

"En dat is?"

"Ik zie dagelijks in de scheepsberichten uit naar de aankomst

van het Amerikaansche fregat de Franklin. Dat schip moet vandaag of

morgen te Hamburg binnenvallen, en nu ik heel naar Texel ga, zou me

't bericht daarvan gemakkelijk kunnen ontgaan."

"En nu zou je dus willen....?"

"Dat u eens voor me woudt uitkijken naar dien sinjeur, als het ten

minste niet te veel moeite is, kapitein!" sprak Jan. En als vreesde

hij, dat zijn verzoek eigenlijk wel wat misplaatst was, voegde hij

er bij: "Ziet u, kapitein, 'k zou het ook wel aan een ander kunnen

vragen; maar er is mij zooveel aan gelegen, dat ik het waarlijk

niemand anders durf toevertrouwen."

"Wel zoo, bootsman!" sprak de kapitein lachend, "dan sta ik zeker

goed bij je aangeschreven. Nu, ik zal zorgen, dat ik je vertrouwen

in mij niet beschaam. Zoodra ik het bericht lees, stuur ik je een

telegram! Maar mag ik, zonder nieuwsgierig te zijn, nu ook vragen,

wat het is, dat je zooveel belang in dat schip doet stellen?"

"Zeker, kapitein!" antwoordde Jan, die deze vraag verwacht had.

Daarom had hij dan ook al de couranten en aanteekeningen, welke hij

had verzameld, bij zich gestoken. Terwijl hij deze nu uit den

binnenzak van zijn pijjekker te voorschijn haalde, ging hij voort:

"Gij herinnert u zeker nog wel, kapitein, dat we verleden jaar, bij

het ongeluk met de Maasdam een kleinen passagier, benevens onze Ami,

kwijtgeraakt zijn?"

De kapitein knikte bevestigend.

"Nu dan," vervolgde de bootsman, "'t wou er van den beginne af

eigenlijk niet goed bij mij in, dat die twee werkelijk om zeep

gegaan zijn. En nu meen ik de bewijzen te hebben, die mijn vermoeden

wettigen. Zie slechts!" Hierbij toonde hij den kapitein de

berichten in de nieuwsbladen, benevens de verschillende door hem

gemaakte aanteekeningen. "Eén ding slechts begrijp ik niet," zei hij

ten slotte, "hoe ze namelijk in die boot gekomen zijn, daar we alle

sloepen meegenomen hebben."

"Dat begrijp ik wel," sprak de kapitein, die met klimmende

belangstelling des bootsmans mededeelingen had aangehoord. "De jol

stond immers op den bak!"

"Stommerik, die ik ben! dat ik daar niet aan gedacht heb," zei Jan,

zich voor het hoofd slaande.

"Hoor eens," sprak nu de kapitein, opstaande en hem de hand op den

schouder leggende, "je bent integendeel een wakkere, flinke kerel!

Ga nu maar gerust je grootvader opzoeken. Ik stel er een eer in niet

alleen, maar acht me ook ten zeerste verplicht je zooveel mogelijk

bij te staan. Zoodra de Franklin te Hamburg is gearriveerd, zal ik

per telegraaf informatiën inwinnen, en is je vermoeden juist,

waaraan ik intusschen niet twijfel, dan reis ik er zelf heen, om het

kind en den hond af te halen. Als je dan terugkomt, stel ik ze je

hier weer ter hand."

"God geve het, kapitein:" sprak Piet aangedaan. "O, wat zou die

ongelukkige moeder weer opleven, als ze haar jongen, dien ze dood

waant, gezond en wel weer terugzag!.... Maar die papieren?"

"Jongen ja, laat me die houden," zei de kapitein. "Ik mocht ze nog

noodig hebben."

Met een hartelijken groet liet hij nu den bootsman vertrekken, die

zich daarop in der haast wat aankleedde en een en ander bij elkaar

zocht.

Een paar uren later zat hij dan ook al in den sneltrein van

Rotterdam naar Amsterdam, en nog denzelfden avond stond hij

voor de deur van grootvaders woning. Het laatste gedeelte der reis,

van de hoofdplaats van Texel tot de Cocksdorp -- een afstand van

ongeveer drie uren -- had hij geheel te voet moeten afleggen.

Doodmoe lichtte hij de klink op. Als grootvader nu nog slechts

leefde en hem herkende!.... Helaas! hoe hij zich ook gehaast had,

hij kwam nogtans te laat. De zieke had een half uurtje te voren den

laatsten adem uitgeblazen. Zacht en kalm had de oude man den geest

gegeven, nog een laatsten groet voor zijn kleinkind achterlatende.

Droevig staarde Piet Vlug den ontslapene aan. Hij was de oudste

kleinzoon, en grootvader had van hem altijd zoo bijzonder veel

gehouden, al waren er later ook meer kleinkinderen gekomen.

Nu schoot hem niets anders over, dan den geliefden doode de laatste

eer te bewijzen.

Drie dagen later zien we hem dan ook te midden zijner familieleden

het kleine dorpskerkhof betreden, achter de zwarte baar, waarop

grootvaders lijk grafwaarts gedragen wordt.

't Was een sombere begrafenisdag. De lucht zag er al haast even

treurig uit als de gezichten van hen, die om de groeve geschaard

stonden, waarin de lijkkist werd neergelaten. Het zonnetje bleef den

geheelen dag achter dichte, grauwe wolken verborgen, die met

onheilspellende vaart door het luchtruim werden voortgejaagd. De

wind begon al meer en meer op te steken en deed het zand der duinen

dwarrelend omhoog stuiven. Menigeen richtte het oog bezorgd naar

boven en vroeg zich af, waar dat op uitloopen zou. Veel goeds scheen

het in allen gevalle niet te voorspellen. Het weerglas begon snel te

dalen. Weldra stond het op storm en nog steeds ging het

achteruit. Tegen den avond wees het zelfs orkaan aan. En 's

nachts?... Daar begon het! Vreeselijk, wat raasde de wind! Wat

huilde hij door de toppen der boomen, wat floot hij door reten en

scheuren! De huizen schudden, schoorsteenen waggelden en vielen naar

beneden, pannen werden van de daken geslingerd! De menschen waren

zelfs bang in huis! En daarbuiten, aan het strand en op zee?

Huizenhoog rezen de golven En met donderend geraas vielen zij

schuimend en bruisend op de kust, als wilden ze het geheele eiland

in hun gapenden muil verzwelgen! 't Was of de zee overeind stond!

Golven van wit schuim stoven tot over de hoogste duintoppen en een

regen van zout water viel daarbinnen op het land.

"Arme zeelui!" zuchtte men in de huizen. "Wie weet, hoe velen op dit

oogenblik in nood verkeeren!"

"Ja, wie weet!" zuchtte ook Piet Vlug, die aan niets anders dacht,

dan aan het schip, dat hij reeds weken en maanden in gedachten

gevolgd had en dat nu ongetwijfeld hier of elders voor de kust moest

zijn! "Als het nu eens juist..."

Ontzettend, wat een hevige windstoot!.... Hij kon het in huis niet

langer uithouden.

"Ik moet er uit!" riep hij eensklaps, van zijn stoel opspringende.

"Waar wil je heen?" vroeg zijn neef Klaas, de zoon van oom Hein, bij

wien grootvader had ingewoond.

"Naar 't strand!" antwoordde Piet kortaf.

"Dan gaan we samen!" zei Klaas besloten.

Elk in een oliepak gestoken, met den zuidwester vast op het hoofd

gebonden en een stevigen knuppel in de hand tot steun, zoo verlieten

zij een oogenblik later de woning.

Verschrikkelijk! wat was het donker buiten. Zwarte nacht

heerschte in het rond. Geen hand voor oogen kon men zien. En 't

scheen wel, of de storm met elk oogenblik nog heviger werd. De wind

stond vlak op de kust.

Meer kruipend dan loopend gingen de twee neven voort. Aan spreken

was geen denken. Elke vijf minuten moesten zij zich omkeeren, om

adem te scheppen. Eindelijk toch bereikten zij het duin. Hier waren

zij althans eenigszins beschut tegen den storm.

"Dat 's een heele haal geweest, neef!" zei Klaas hijgend toen zij

even uitrustten, alvorens het duin te beklimmen.

"Nu, of het!" antwoordde Piet. "Waren we nu ook maar goed en wel aan

den anderen kant!" En een oogenblik later vervolgde hij: "Zouden we

't nu maar eens probeeren?"

"Eerst nog even uitblazen," sprak Klaas. "'k Ben nog geheel buiten

adem."

En terwijl zij daar aan den binnenvoet van het beschermende duin

nieuwe krachten verzamelden voor den verderen tocht, woedde de storm

daarbuiten met onverminderde kracht voort, bergen van wit schuim

over hun hoofden heen slingerend.

't Was inderdaad een vreeselijke nacht. 't Geweld der brekende

golven, vermengd met het dof gedreun en gerommel der kokende

branding in de "Gronden" en het bulderen van den orkaan, vormden

samen een orkest, zooals alleen de natuur kan scheppen, als de

elementen het verstoorde evenwicht in den dampkring zoeken te

herstellen.

"Komaan, laten we 't nu maar eens beproeven," zei Klaas eindelijk,

en daarop stapten zij het duin in. Al op- en afklimmende bereikten

zij ten laatste de buitenste duinenrij. Aan den anderen kant

daarvan beukte de zee. 't Was of de zandmassa onder 't gewicht der

slagen trilde. Toch waagden zij het, ook dit laatste bolwerk te

beklimmen, om daarna, plat op den grond liggende, en met het hoofd

vooruitgestoken over de golven te staren.

"Als er nu eens een schip in nood verkeerde, Klaas!" zei Piet Vlug.

"Dat verhoede God!" antwoordde de toegesprokene, "want aan redding

is op 't oogenblik geen denken. Als er met dit weer een schip in 'de

Gronden' verzeilt, is het binnen een kwartier tot splinters

geslagen."

"Hoor! wat is dat?!" sprak Piet op eens weer, na een oogenblik

zwijgens. Beiden hielden den adem in. Maar zij vernamen niets dan

het loeien van den wind en het geraas der golven.

Ja, toch, daar was het weer!....

"Hoor je het nu, Klaas?" vroeg Piet.

Een langgerekt gehuil, dat boven wind en golven uitklonk, drong hem

in de ooren.

"Dat is hier dichtbij," zei Klaas, en zonder verder een woord te

wisselen, kropen beiden zij aan zij op handen en voeten langs de

duinhelling naar beneden.

Nogmaals hetzelfde gehuil, maar nu veel dichter bij dan een

oogenblik te voren.

"'t Is een hond, die tegen het duin tracht op te klauteren,"

schreeuwde Klaas aan het oor van den bootsman, en een luid geblaf in

de diepte bewees, dat hij zich niet vergist had en tevens dat zij

door het dier waren opgemerkt.

"Groote God! Als 't Ami eens was," dacht Piet Vlug, en zonder te

bedenken, aan welk gevaar hij zich blootstelde, liet hij zich op

eens naar omlaag glijden.

"Ami! Ami!" schreeuwde hij met beide handen aan den mond, toen hij

beneden was; maar meteen werd hij door een met groots kracht en

snelheid bij het strand oploopende golf aangegrepen en

omvergeworpen.

Op het punt om door het afloopende water in de diepte mee gesleurd

te worden, voelde hij zich echter plotseling stevig beetgepakt en

tegengehouden.

De hond had hem van een wissen dood gered.

Vlug sprong Piet overeind en betastte zijn harigen redder, die,

druipnat als hij was, tegen den bootsman opsprong en zijn handen en

gelaat besnuffelde.

"O Hemel! hij is het!" riep Piet Vlug uit.

Een schier menschelijke kreet was het antwoord van den hond. Beiden

hadden elkaar herkend.

"De Franklin gestrand!.... Met man en muis vergaan wellicht!... En

de kleine jongen!?".... Bliksemsnel doorkruisten al deze gedachten

het hoofd van den bootsman. Veel tijd om na te denken over 't geen

er gebeurd moest zijn, had hij evenwel niet.

"Maak, dat je hier komt!" schreeuwde Klaas zoo luid mogelijk, want

een ontzettende golf, wier dof gebrom met elk oogenblik sterker

werd, kwam met alles omverwerpend en vernielend geweld op de kust

aanrollen. Op lijfsbehoud bedacht, klauterde Piet Vlug dan ook, zoo

spoedig hij kon, weer bij het duin op.

De hond ging hem vooruit.

Plotseling evenwel bleef het dier achter een eenigszins

vooruitstekende zandrug staan en begon op nieuw hevig te blaffen.

"Ja, ik kom bij je, ouwe jongen!" riep de bootsman, wien een

voorgevoel nieuwe kracht gaf, hoezeer de storm hem ook bijna tegen

't duin aandrukte.

[Illustratie: Zijn hand gleed over iets nats, dat op den grond lag

uitgestrekt.]

"Ben je daar?" riep nu ook Klaas, toesnellende. De bootsman evenwel

antwoordde niet, maar tastte gejaagd om zich heen in de nabijheid

van het blaffende dier.

Ha! daar vond hij wat. Zijn hand gleed over iets nats, dat op den

grond lag uitgestrekt. Daar voelde hij.... de hand en het gelaat van

een kind!.... IJskoud.... Dood?!.... Geen teeken van leven althans

was meer te bespeuren.

"Heb ik je dan daarvoor zoo lang nagegaan, om hier slechts je lijkje

te vinden?" zuchtte de bootsman. "Arme jongen! Arme, arme moeder!"

"Maar misschien is het slechts bewusteloosheid en kunnen de

levensgeesten van het kind nog weer worden opgewekt," zei Klaas, die

intusschen ook naderbij was gekomen. "Doch dan moet er gehandeld

worden en spoedig ook."

Dat begreep ook de bootsman. Vlug pakte hij derhalve het knaapje op

en snelde er mee voort, het eene duin op, het andere af. 't Was of

de storm hem vleugels gaf, zoo haastte hij zich, om met zijn last

onder dak te komen.

Aan den binnenkant van het duin stond een kleine hut. Daarheen

richtte het tweetal zijn schreden, op den voet gevolgd door den

hond, die luide zijn blijdschap te kennen gaf.

Het noodweer had ook de bewoners der hut van het bed gehouden,

zoodat Piet en Klaas een open deur en behulpzame handen vonden. Het

kind werd nu op de tafel uitgestrekt en uitgekleed, waarop men alles

in het werk stelde, om het leven, zoo het nog niet geheel geweken

was, weer op te wekken. De bootsman kende dat werk. Meer dan eens

was hij er getuige van geweest, hoe door kunstmatige

ademhalingsverrichtingen, alsmede door wrijven en borstelen een

drenkeling weer tot het leven teruggebracht werd. De hond zat

het werk bedaard aan te kijken en liet alles geduldig toe. Doch hoe

Piet Vlug zich ook inspande, al zijn moeite scheen tevergeefs. Reeds

had hij de hoop opgegeven, hoewel hij nog steeds voortging de

armpjes van het knaapje op en neer te bewegen.

Maar daar op eens.... Vergiste hij zich niet?.... Was dat geen

zucht, dien hij hoorde?.... Ademloos legde hij het oor tegen het

ontbloote borstje en.... Ja, daar begon het van binnen weer te

kloppen, daar stroomde het bloed op nieuw door de aderen!

"Hij leeft! hij leeft!" juichte de bootsman, alsof hij zijn eigen

kind uit den dood had weergekregen!

Nu ontspanden zich ook de strakke gelaatstrekken van den kleine; de

ademhaling werd al dieper, en eindelijk, daar openden zich de oogen,

eventjes, heel eventjes maar, doch lang genoeg voor Piet Vlug, om

hem ook het laatste greintje twijfel, of hij werkelijk het zoontje

van zijn vrienden voor zich had, te ontnemen.

"Zie zoo, nu onder de dekens met hem, als 't kan!" zei hij

eindelijk. En toen Willem nu goed en wel in het bed, dat hem

bereidwillig was afgestaan, onder de wol lag en zijn rustige

ademhaling bewees, dat hij een verkwikkenden slaap genoot, kon de

bootsman niet nalaten zijn vol gemoed door eenige mededeelingen

omtrent het gebeurde uit te storten.

"Zoo is er dus altijd nog een geluk bij een ongeluk," zei hij ten

slotte. "Was grootvader niet gestorven, dan was ik niet hier

geweest, en het ventje zou, na overal de wereld rondgezworven te

hebben, hier in de nabijheid van zijn geboorteplaats waarschijnlijk

den dood gevonden hebben in het duin!"

Terwijl hij dit zeide, sloop Ami voorzichtig naar de bedstede en

ging op de achterpooten staan, om naar den slapende te kijken.

De bootsman volgde hem.

Juist sloeg het kind de oogen op en blikte in het gelaat van den

zeeman.

"Ken je me nog, mijn jongen?" vroeg hij zacht.

Plotseling verhelderde een gelukkige glimlach het bleeke

kindergelaat. "Oom Piet! Oom Piet!" kreet de kleine, en meteen

strekte hij als vroeger de beide handjes naar hem uit.

De kleine Zwerveling · 第 13 / 15 题