+Een geluk bij een ongeluk.+
Nadat de Franklin gelost was en de gezagvoerder eenigen tijd te
vergeefs op nieuwe lading gewacht had, besloot hij den steven naar
Indië te richten, in de hoop aldaar geschikte retourvracht voor zijn
bodem te vinden.
Doch te Soerabaja, waar men na eenige dagen aankwam, werd alleen
scheepsruimte gevraagd voor Europeesche havens, terwijl de kapitein,
ook met het oog op zijn kleinen passagier, gehoopt had naar Amerika
terug te kunnen keeren.
Met een leeg schip den Oceaan over te steken, was echter nog minder
gewenscht. Derhalve besloot kapitein Smartt eindelijk van den nood
een deugd te maken en zijn schip naar Europa, en wel naar Hamburg,
te bevrachten.
De reis zou zoodoende wel wat langer duren; maar hij mocht de
belangen zijner reeders toch niet aan die van het kind opofferen. En
bij nader inzien waren de laatste misschien aan deze zijde van
den Atlantische Oceaan nog beter gediend dan aan gene.
Van Hamburg naar Holland was toch slechts een uitstapje van
hoogstens een paar dagen, redeneerde de kapitein. Een onderzoek
aldaar bij de reederij van het verongelukte schip, waarvan Willem,
naar hij vermoedde, afkomstig was, zou misschien nog beter resultaat
opleveren, dan het zoeken naar zijn ouders in Amerika zelf. De
lading, die hoofdzakelijk uit koffie en suiker bestond, werd
derhalve ingenomen, en weldra verliet het schip met zijn kostbare
vracht de haven van Soerabaja, om zijn nieuwe bestemming te volgen.
Piet Vlug had "den Amerikaan", zooals hij de Franklin voortaan
noemde, intusschen goed in de gaten gehouden. Dag in, dag uit zat
hij in de courant te snuffelen, om te zien, werwaarts hij zijn koers
zou richten. Zoodoende droeg hij niet alleen kennis van de aankomst
der Franklin te Soerabaja, maar ook van haar vertrek en bestemming
naar Hamburg.
"Wel drommels, waarom niet liever naar Holland gekomen," pruttelde
hij bij het lezen van de laatste tijding. "Nu ben ik, zoo waar, nog
genoodzaakt naar Hamburg te reizen, als 't zoo laat is; wanneer ik
ten minste zekerheid omtrent het ventje wil hebben. Maar enfin, dat
is minder, als de moeite maar beloond wordt. Kon ik eerst nog maar
een reisje doen; want zoolang aan wal te blijven hangen.... Wacht,
laat me eens uitrekenen.... Het is vandaag de 23e April en de
Amerikaan is uitgezeild op den 15en April. Dat is, als alles goed
gaat, omstreeks 't begin van Juni aan de Kaap en zoo ongeveer half
Juli hier voor de kust.... Maar dan moet ook alles meeloopen en
broeder Jonathan al een snelle zeiler zijn.... Als wij dus over
veertien dagen uitzeilen, zijn we tegen dien tijd al lang en breed
weer in Holland terug.... Wel ja, dat lappen we hem met glans, als
er ten minste geen tweede Columbus in ons vaarwater komt. Maar dan
mag ik lijen, dat de baas zelf naar den kelder gaat!"
Onze bootsman had zijn berekening inderdaad niet slecht gemaakt.
Nu, daarvoor had hij dan ook in eigen persoon meer dan eens dezelfde
reis gedaan. Voor hij namelijk bij de Maatschappij, waarvoor hij
thans voer, in dienst kwam, was hij verscheidene malen naar Indië
geweest.
Hij wist er dus alles van en maakte zich dan ook volstrekt niet
ongerust, dat de Amerikaan hem tijdens zijne afwezigheid zou
ontsnappen.
Willem had zich intusschen van lieverlede zoodanig aan zijn goede
pleegouders gehecht, dat hij het verlies van vader en moeder geheel
vergeten scheen. En de kapitein en zijn vrouw? Als de kleine
praatjesmaker, die nu reeds aardig Engelsch had leeren babbelen, zoo
tusschen hen in zat, voelden zij meermalen den wensch bij zich
opkomen, dat het onderzoek, dat zij wilden instellen maar op niets
mocht uitloopen. Indien de ouders nog leefden, wisten zij immers
toch niet beter, dan dat hun kind dood was, en misschien hadden zij
zich reeds met dat denkbeeld verzoend. En zij daarentegen? Hoe
zouden zij hem missen! Vooral mevrouw Smartt kon er niet aan denken,
dat zij mogelijk spoedig weer afstand van haar Willy zou moeten
doen.
En toch, hoe meer de Franklin haar bestemming naderde, hoe meer dat
denkbeeld zich aan haar opdrong. Soms zelfs maakte zich een
gevoel als van een naderend onheil van haar meester, en als haar man
zich aan dek bevond, zat zij dikwijls met het knaapje op haar schoot
in stilte te schreien. Maar dan sloeg Willy zijn armpjes om haar
hals, en door zijne lieftalligheid wist hij haar sombere gedachten
te verdrijven.
Zoo bereikte de Franklin eindelijk den ingang van het Kanaal. Juist
acht dagen te voren was het stoomschip de Rotterdam, waarmee Piet
Vlug ditmaal de reis naar Amerika gemaakt had, Kaap Lizard
gepasseerd. En niettegenstaande de bootsman op zijn vingers kon
narekenen, dat de Amerikaan op dat tijdstip nog onmogelijk op
dezelfde hoogte, veel minder hem reeds vooruit kon zijn, nam hij
toch elk schip, dat den steven naar het Noorden gericht had, met
zijn kennersblik zorgvuldig op, om zich te vergewissen, of hij zich
soms ook in zijn berekening mocht vergist hebben.
"Je kunt nooit weten," dacht hij. "Dat volkje van den overkant is
zoo vlug als water. Als je meent, ze te hebben, glijden ze je nog
tusschen de vingers door."
Doch onder de massa schepen, die het Kanaal opvoeren, was geen enkel
Amerikaansch fregat te bekennen.
Onze bootsman zou dus al den tijd gehad hebben, om van de
vermoeienissen der reis uit te rusten, voor hij op zijn
ontdekkingstocht uitging, als geen onverwachte gebeurtenis tusschen
beide gekomen was, die al zijn plannen in duigen dreigde te werpen.
Nauwelijks een paar dagen aan wal ontving hij namelijk een brief van
De Cocksdorp op Texel, waarin hem dringend verzocht werd onverwijld
over te komen, daar zijn oude grootvader bedenkelijk ziek was.
"Als ge hem nog levend zien wilt, zult ge u moeten haasten," luidde
het droevig bericht.
"De oude man gaat van dag tot dag achteruit en heeft al verscheidene
malen naar u gevraagd. Misschien heeft hij u nog wat te zeggen of te
vragen...."
Geen tien minuten later stond de bootsman al met den brief in de
eene en de muts in de andere hand bij den kapitein in de kajuit.
"Wat heb je, bootsman?" vroeg deze, van zijn schrijfwerk opziende.
"Ik zou u wel om eenige dagen verlof willen vragen, kapitein,"
antwoordde de bootsman. "Zooeven ontving ik dezen brief. Als de
kapitein dien eens even wou inzien."
Zonder den toegestoken brief evenwel aan te nemen, vroeg de kapitein
weer: "Wat behelst de brief? Toch geen ziek volk, wil ik hopen?"
"Ja, kapitein," hernam Piet bewogen. "Mijn grootvader is stervende,
en naar 't schijnt wou de oude man, alvorens hij de groote reis gaat
doen, mij nog eens zien."
"Nu, maak dan maar gauw, dat je voort komt," sprak de kapitein
daarop. "Je hebt onbepaald verlof. Goeie reis!"
"Dank u, kapitein!" zei Piet. Maar terwijl hij zijn muts al heen en
weer draaide, scheen hem nog iets op de tong te liggen; althans hij
maakte nog geen haast om te vertrekken.
"Had je nog iets, bootsman?" vroeg de kapitein nu op nieuw.
"Ja, kapitein!" sprak Piet een weinig verlegen. "'k Zou u eigenlijk
nog wel iets willen vragen."
"En dat is?"
"Ik zie dagelijks in de scheepsberichten uit naar de aankomst
van het Amerikaansche fregat de Franklin. Dat schip moet vandaag of
morgen te Hamburg binnenvallen, en nu ik heel naar Texel ga, zou me
't bericht daarvan gemakkelijk kunnen ontgaan."
"En nu zou je dus willen....?"
"Dat u eens voor me woudt uitkijken naar dien sinjeur, als het ten
minste niet te veel moeite is, kapitein!" sprak Jan. En als vreesde
hij, dat zijn verzoek eigenlijk wel wat misplaatst was, voegde hij
er bij: "Ziet u, kapitein, 'k zou het ook wel aan een ander kunnen
vragen; maar er is mij zooveel aan gelegen, dat ik het waarlijk
niemand anders durf toevertrouwen."
"Wel zoo, bootsman!" sprak de kapitein lachend, "dan sta ik zeker
goed bij je aangeschreven. Nu, ik zal zorgen, dat ik je vertrouwen
in mij niet beschaam. Zoodra ik het bericht lees, stuur ik je een
telegram! Maar mag ik, zonder nieuwsgierig te zijn, nu ook vragen,
wat het is, dat je zooveel belang in dat schip doet stellen?"
"Zeker, kapitein!" antwoordde Jan, die deze vraag verwacht had.
Daarom had hij dan ook al de couranten en aanteekeningen, welke hij
had verzameld, bij zich gestoken. Terwijl hij deze nu uit den
binnenzak van zijn pijjekker te voorschijn haalde, ging hij voort:
"Gij herinnert u zeker nog wel, kapitein, dat we verleden jaar, bij
het ongeluk met de Maasdam een kleinen passagier, benevens onze Ami,
kwijtgeraakt zijn?"
De kapitein knikte bevestigend.
"Nu dan," vervolgde de bootsman, "'t wou er van den beginne af
eigenlijk niet goed bij mij in, dat die twee werkelijk om zeep
gegaan zijn. En nu meen ik de bewijzen te hebben, die mijn vermoeden
wettigen. Zie slechts!" Hierbij toonde hij den kapitein de
berichten in de nieuwsbladen, benevens de verschillende door hem
gemaakte aanteekeningen. "Eén ding slechts begrijp ik niet," zei hij
ten slotte, "hoe ze namelijk in die boot gekomen zijn, daar we alle
sloepen meegenomen hebben."
"Dat begrijp ik wel," sprak de kapitein, die met klimmende
belangstelling des bootsmans mededeelingen had aangehoord. "De jol
stond immers op den bak!"
"Stommerik, die ik ben! dat ik daar niet aan gedacht heb," zei Jan,
zich voor het hoofd slaande.
"Hoor eens," sprak nu de kapitein, opstaande en hem de hand op den
schouder leggende, "je bent integendeel een wakkere, flinke kerel!
Ga nu maar gerust je grootvader opzoeken. Ik stel er een eer in niet
alleen, maar acht me ook ten zeerste verplicht je zooveel mogelijk
bij te staan. Zoodra de Franklin te Hamburg is gearriveerd, zal ik
per telegraaf informatiën inwinnen, en is je vermoeden juist,
waaraan ik intusschen niet twijfel, dan reis ik er zelf heen, om het
kind en den hond af te halen. Als je dan terugkomt, stel ik ze je
hier weer ter hand."
"God geve het, kapitein:" sprak Piet aangedaan. "O, wat zou die
ongelukkige moeder weer opleven, als ze haar jongen, dien ze dood
waant, gezond en wel weer terugzag!.... Maar die papieren?"
"Jongen ja, laat me die houden," zei de kapitein. "Ik mocht ze nog
noodig hebben."
Met een hartelijken groet liet hij nu den bootsman vertrekken, die
zich daarop in der haast wat aankleedde en een en ander bij elkaar
zocht.
Een paar uren later zat hij dan ook al in den sneltrein van
Rotterdam naar Amsterdam, en nog denzelfden avond stond hij
voor de deur van grootvaders woning. Het laatste gedeelte der reis,
van de hoofdplaats van Texel tot de Cocksdorp -- een afstand van
ongeveer drie uren -- had hij geheel te voet moeten afleggen.
Doodmoe lichtte hij de klink op. Als grootvader nu nog slechts
leefde en hem herkende!.... Helaas! hoe hij zich ook gehaast had,
hij kwam nogtans te laat. De zieke had een half uurtje te voren den
laatsten adem uitgeblazen. Zacht en kalm had de oude man den geest
gegeven, nog een laatsten groet voor zijn kleinkind achterlatende.
Droevig staarde Piet Vlug den ontslapene aan. Hij was de oudste
kleinzoon, en grootvader had van hem altijd zoo bijzonder veel
gehouden, al waren er later ook meer kleinkinderen gekomen.
Nu schoot hem niets anders over, dan den geliefden doode de laatste
eer te bewijzen.
Drie dagen later zien we hem dan ook te midden zijner familieleden
het kleine dorpskerkhof betreden, achter de zwarte baar, waarop
grootvaders lijk grafwaarts gedragen wordt.
't Was een sombere begrafenisdag. De lucht zag er al haast even
treurig uit als de gezichten van hen, die om de groeve geschaard
stonden, waarin de lijkkist werd neergelaten. Het zonnetje bleef den
geheelen dag achter dichte, grauwe wolken verborgen, die met
onheilspellende vaart door het luchtruim werden voortgejaagd. De
wind begon al meer en meer op te steken en deed het zand der duinen
dwarrelend omhoog stuiven. Menigeen richtte het oog bezorgd naar
boven en vroeg zich af, waar dat op uitloopen zou. Veel goeds scheen
het in allen gevalle niet te voorspellen. Het weerglas begon snel te
dalen. Weldra stond het op storm en nog steeds ging het
achteruit. Tegen den avond wees het zelfs orkaan aan. En 's
nachts?... Daar begon het! Vreeselijk, wat raasde de wind! Wat
huilde hij door de toppen der boomen, wat floot hij door reten en
scheuren! De huizen schudden, schoorsteenen waggelden en vielen naar
beneden, pannen werden van de daken geslingerd! De menschen waren
zelfs bang in huis! En daarbuiten, aan het strand en op zee?
Huizenhoog rezen de golven En met donderend geraas vielen zij
schuimend en bruisend op de kust, als wilden ze het geheele eiland
in hun gapenden muil verzwelgen! 't Was of de zee overeind stond!
Golven van wit schuim stoven tot over de hoogste duintoppen en een
regen van zout water viel daarbinnen op het land.
"Arme zeelui!" zuchtte men in de huizen. "Wie weet, hoe velen op dit
oogenblik in nood verkeeren!"
"Ja, wie weet!" zuchtte ook Piet Vlug, die aan niets anders dacht,
dan aan het schip, dat hij reeds weken en maanden in gedachten
gevolgd had en dat nu ongetwijfeld hier of elders voor de kust moest
zijn! "Als het nu eens juist..."
Ontzettend, wat een hevige windstoot!.... Hij kon het in huis niet
langer uithouden.
"Ik moet er uit!" riep hij eensklaps, van zijn stoel opspringende.
"Waar wil je heen?" vroeg zijn neef Klaas, de zoon van oom Hein, bij
wien grootvader had ingewoond.
"Naar 't strand!" antwoordde Piet kortaf.
"Dan gaan we samen!" zei Klaas besloten.
Elk in een oliepak gestoken, met den zuidwester vast op het hoofd
gebonden en een stevigen knuppel in de hand tot steun, zoo verlieten
zij een oogenblik later de woning.
Verschrikkelijk! wat was het donker buiten. Zwarte nacht
heerschte in het rond. Geen hand voor oogen kon men zien. En 't
scheen wel, of de storm met elk oogenblik nog heviger werd. De wind
stond vlak op de kust.
Meer kruipend dan loopend gingen de twee neven voort. Aan spreken
was geen denken. Elke vijf minuten moesten zij zich omkeeren, om
adem te scheppen. Eindelijk toch bereikten zij het duin. Hier waren
zij althans eenigszins beschut tegen den storm.
"Dat 's een heele haal geweest, neef!" zei Klaas hijgend toen zij
even uitrustten, alvorens het duin te beklimmen.
"Nu, of het!" antwoordde Piet. "Waren we nu ook maar goed en wel aan
den anderen kant!" En een oogenblik later vervolgde hij: "Zouden we
't nu maar eens probeeren?"
"Eerst nog even uitblazen," sprak Klaas. "'k Ben nog geheel buiten
adem."
En terwijl zij daar aan den binnenvoet van het beschermende duin
nieuwe krachten verzamelden voor den verderen tocht, woedde de storm
daarbuiten met onverminderde kracht voort, bergen van wit schuim
over hun hoofden heen slingerend.
't Was inderdaad een vreeselijke nacht. 't Geweld der brekende
golven, vermengd met het dof gedreun en gerommel der kokende
branding in de "Gronden" en het bulderen van den orkaan, vormden
samen een orkest, zooals alleen de natuur kan scheppen, als de
elementen het verstoorde evenwicht in den dampkring zoeken te
herstellen.
"Komaan, laten we 't nu maar eens beproeven," zei Klaas eindelijk,
en daarop stapten zij het duin in. Al op- en afklimmende bereikten
zij ten laatste de buitenste duinenrij. Aan den anderen kant
daarvan beukte de zee. 't Was of de zandmassa onder 't gewicht der
slagen trilde. Toch waagden zij het, ook dit laatste bolwerk te
beklimmen, om daarna, plat op den grond liggende, en met het hoofd
vooruitgestoken over de golven te staren.
"Als er nu eens een schip in nood verkeerde, Klaas!" zei Piet Vlug.
"Dat verhoede God!" antwoordde de toegesprokene, "want aan redding
is op 't oogenblik geen denken. Als er met dit weer een schip in 'de
Gronden' verzeilt, is het binnen een kwartier tot splinters
geslagen."
"Hoor! wat is dat?!" sprak Piet op eens weer, na een oogenblik
zwijgens. Beiden hielden den adem in. Maar zij vernamen niets dan
het loeien van den wind en het geraas der golven.
Ja, toch, daar was het weer!....
"Hoor je het nu, Klaas?" vroeg Piet.
Een langgerekt gehuil, dat boven wind en golven uitklonk, drong hem
in de ooren.
"Dat is hier dichtbij," zei Klaas, en zonder verder een woord te
wisselen, kropen beiden zij aan zij op handen en voeten langs de
duinhelling naar beneden.
Nogmaals hetzelfde gehuil, maar nu veel dichter bij dan een
oogenblik te voren.
"'t Is een hond, die tegen het duin tracht op te klauteren,"
schreeuwde Klaas aan het oor van den bootsman, en een luid geblaf in
de diepte bewees, dat hij zich niet vergist had en tevens dat zij
door het dier waren opgemerkt.
"Groote God! Als 't Ami eens was," dacht Piet Vlug, en zonder te
bedenken, aan welk gevaar hij zich blootstelde, liet hij zich op
eens naar omlaag glijden.
"Ami! Ami!" schreeuwde hij met beide handen aan den mond, toen hij
beneden was; maar meteen werd hij door een met groots kracht en
snelheid bij het strand oploopende golf aangegrepen en
omvergeworpen.
Op het punt om door het afloopende water in de diepte mee gesleurd
te worden, voelde hij zich echter plotseling stevig beetgepakt en
tegengehouden.
De hond had hem van een wissen dood gered.
Vlug sprong Piet overeind en betastte zijn harigen redder, die,
druipnat als hij was, tegen den bootsman opsprong en zijn handen en
gelaat besnuffelde.
"O Hemel! hij is het!" riep Piet Vlug uit.
Een schier menschelijke kreet was het antwoord van den hond. Beiden
hadden elkaar herkend.
"De Franklin gestrand!.... Met man en muis vergaan wellicht!... En
de kleine jongen!?".... Bliksemsnel doorkruisten al deze gedachten
het hoofd van den bootsman. Veel tijd om na te denken over 't geen
er gebeurd moest zijn, had hij evenwel niet.
"Maak, dat je hier komt!" schreeuwde Klaas zoo luid mogelijk, want
een ontzettende golf, wier dof gebrom met elk oogenblik sterker
werd, kwam met alles omverwerpend en vernielend geweld op de kust
aanrollen. Op lijfsbehoud bedacht, klauterde Piet Vlug dan ook, zoo
spoedig hij kon, weer bij het duin op.
De hond ging hem vooruit.
Plotseling evenwel bleef het dier achter een eenigszins
vooruitstekende zandrug staan en begon op nieuw hevig te blaffen.
"Ja, ik kom bij je, ouwe jongen!" riep de bootsman, wien een
voorgevoel nieuwe kracht gaf, hoezeer de storm hem ook bijna tegen
't duin aandrukte.
[Illustratie: Zijn hand gleed over iets nats, dat op den grond lag
uitgestrekt.]
"Ben je daar?" riep nu ook Klaas, toesnellende. De bootsman evenwel
antwoordde niet, maar tastte gejaagd om zich heen in de nabijheid
van het blaffende dier.
Ha! daar vond hij wat. Zijn hand gleed over iets nats, dat op den
grond lag uitgestrekt. Daar voelde hij.... de hand en het gelaat van
een kind!.... IJskoud.... Dood?!.... Geen teeken van leven althans
was meer te bespeuren.
"Heb ik je dan daarvoor zoo lang nagegaan, om hier slechts je lijkje
te vinden?" zuchtte de bootsman. "Arme jongen! Arme, arme moeder!"
"Maar misschien is het slechts bewusteloosheid en kunnen de
levensgeesten van het kind nog weer worden opgewekt," zei Klaas, die
intusschen ook naderbij was gekomen. "Doch dan moet er gehandeld
worden en spoedig ook."
Dat begreep ook de bootsman. Vlug pakte hij derhalve het knaapje op
en snelde er mee voort, het eene duin op, het andere af. 't Was of
de storm hem vleugels gaf, zoo haastte hij zich, om met zijn last
onder dak te komen.
Aan den binnenkant van het duin stond een kleine hut. Daarheen
richtte het tweetal zijn schreden, op den voet gevolgd door den
hond, die luide zijn blijdschap te kennen gaf.
Het noodweer had ook de bewoners der hut van het bed gehouden,
zoodat Piet en Klaas een open deur en behulpzame handen vonden. Het
kind werd nu op de tafel uitgestrekt en uitgekleed, waarop men alles
in het werk stelde, om het leven, zoo het nog niet geheel geweken
was, weer op te wekken. De bootsman kende dat werk. Meer dan eens
was hij er getuige van geweest, hoe door kunstmatige
ademhalingsverrichtingen, alsmede door wrijven en borstelen een
drenkeling weer tot het leven teruggebracht werd. De hond zat
het werk bedaard aan te kijken en liet alles geduldig toe. Doch hoe
Piet Vlug zich ook inspande, al zijn moeite scheen tevergeefs. Reeds
had hij de hoop opgegeven, hoewel hij nog steeds voortging de
armpjes van het knaapje op en neer te bewegen.
Maar daar op eens.... Vergiste hij zich niet?.... Was dat geen
zucht, dien hij hoorde?.... Ademloos legde hij het oor tegen het
ontbloote borstje en.... Ja, daar begon het van binnen weer te
kloppen, daar stroomde het bloed op nieuw door de aderen!
"Hij leeft! hij leeft!" juichte de bootsman, alsof hij zijn eigen
kind uit den dood had weergekregen!
Nu ontspanden zich ook de strakke gelaatstrekken van den kleine; de
ademhaling werd al dieper, en eindelijk, daar openden zich de oogen,
eventjes, heel eventjes maar, doch lang genoeg voor Piet Vlug, om
hem ook het laatste greintje twijfel, of hij werkelijk het zoontje
van zijn vrienden voor zich had, te ontnemen.
"Zie zoo, nu onder de dekens met hem, als 't kan!" zei hij
eindelijk. En toen Willem nu goed en wel in het bed, dat hem
bereidwillig was afgestaan, onder de wol lag en zijn rustige
ademhaling bewees, dat hij een verkwikkenden slaap genoot, kon de
bootsman niet nalaten zijn vol gemoed door eenige mededeelingen
omtrent het gebeurde uit te storten.
"Zoo is er dus altijd nog een geluk bij een ongeluk," zei hij ten
slotte. "Was grootvader niet gestorven, dan was ik niet hier
geweest, en het ventje zou, na overal de wereld rondgezworven te
hebben, hier in de nabijheid van zijn geboorteplaats waarschijnlijk
den dood gevonden hebben in het duin!"
Terwijl hij dit zeide, sloop Ami voorzichtig naar de bedstede en
ging op de achterpooten staan, om naar den slapende te kijken.
De bootsman volgde hem.
Juist sloeg het kind de oogen op en blikte in het gelaat van den
zeeman.
"Ken je me nog, mijn jongen?" vroeg hij zacht.
Plotseling verhelderde een gelukkige glimlach het bleeke
kindergelaat. "Oom Piet! Oom Piet!" kreet de kleine, en meteen
strekte hij als vroeger de beide handjes naar hem uit.