VIJFDE HOOFDSTUK.

+Het gevonden spoor.+

Sidney in Australië en het stadje Holland in Noord-Amerika, welk een

afstand! En toch -- hoe ver beide plaatsen ook van elkander

verwijderd mogen zijn -- hebben wij onze kennissen, die wij tot

dusver gevolgd hebben, zoowel hier als daar terug te zoeken.

Langen tijd zweefde Jan Vroolijks vrouw tusschen leven en dood, en

dikwijls vreesde de arme man ook zijn Kee te moeten missen.

Hartverscheurend was het, de kranke soms in de koorts plotseling te

zien oprijzen en daarbij, wild en woest om zich heen grijpende, om

haar kind te hooren roepen, om eindelijk, afgemat en uitgeput, in

haar kussen terug te vallen.

Eindelijk echter was de crisis gekomen, en toen die voorbij was,

viel de zieke in een gerusten slaap. "Is er nog hoop?" vroeg Jan

Vroolijk telkens aan den geneesheer; maar deze had iederen keer de

schouders opgehaald en hem door dit ontwijkende antwoord meer te

vreezen dan te hopen gegeven. Nu echter drukte de man der

wetenschap hem de hand en sprak: "Dank God! Uw vrouw is gered!"

't Was Jan Vroolijk, of hem een centenaarslast van het hart werd

gewenteld. Zoo innig als hij gebeden had om het behoud van haar, die

hem boven alles ter wereld lief en dierbaar was, zoo vurig dankte

hij nu voor haar aanvankelijk herstel! En toen zijn vrouw kort

daarna de oogen opsloeg en hem met volle bewustzijn aanzag en de

hand toestak, was het hem, als had hij haar uit den dood

wedergekregen. Hij kuste haar vermagerde hand en besproeide ze met

zijn tranen, tranen van dankbaarheid en vreugde!

De zieke nam nu wel langzaam, maar toch gestadig in beterschap toe,

en eindelijk was ze in zooverre hersteld, dat men er in ernst over

kon denken, om de op zoo noodlottige wijze afgebroken reis te

hervatten.

Oom Willem, door Jan Vroolijk voortdurend op de hoogte gehouden van

den toestand zijner vrouw, spoedde zich op dit gunstige bericht

dadelijk weer naar New-York, om hen af te halen, en nadat hij alles

voor hen in orde gebracht had, namen ze samen den terugtocht aan.

"Komaan, daar ben je dan toch eindelijk!" zei tante Betje, oom

Willems vrouw, toen ze na de lange spoorreis haar gastvrije woning

binnentraden. "Goddank, dat ik je zie, kinderen!"

"Maar we komen met ons beidjes in plaats van met ons drieën, tante!"

sprak Jan op droeven toon, terwijl Keetje in snikken uitbarstte en

het nog altijd zwakke hoofd aan tantes borst verborg.

"Gelukkig, dat je nog met je tweeën komt!" troostte tante. "Hoezeer

hebben we niet in angst verkeerd, dat we ook Keetje niet terug

zouden zien!"

En toen de geschokte vrouw nog immer voortging met schreien en Jan

haar met zachte woorden tot bedaren trachtte te brengen, vervolgde

ze: "Laat haar maar eens goed uitschreien, dat zal haar goed doen."

"En weet je, wat ik nu gedacht heb, moeder?" sprak oom Willem tot

zijn vrouw.

"Nu, wat dan man?"

"Dat we onze gasten vooreerst maar hier bij ons moesten houden. Ons

huis is groot genoeg. Ze kunnen dus gemakkelijk bij ons inwonen. Dat

zal goed zijn voor jou en voor Keetje beiden, geloof ik. Ze kan dan

eerst weer een beetje op haar verhaal komen, en later kunnen we dan

altijd nog zien."

Hoezeer sprak de goede man naar het hart van zijn brave vrouw. Ook

zij had het zwaar beproefde ouderpaar reeds een plaatsje in haar

woning toegedacht, en daar Jan Vroolijk en zijn vrouw van hun kant

ook niets liever wenschten, was alles weldra in orde.

Werk was spoedig gevonden en voor Keetje was het dagelijksch bijzijn

van tante Betje, die innig deelnam in het ongeluk van haar zusters

eenig kind, een ware troost.

Omstreeks denzelfden tijd, dat de onder den zwaren slag gebukt

gaande ouders in oom Willems vriendelijke en gastvrije woning zoo

hartelijk werden verwelkomd en opgenomen, zeilde "de Franklin", na

een voorspoedige en gelukkige reis, de haven van Sidney binnen. En

zooals het allen kleinen kinderen gaat, wanneer zij in een andere

omgeving worden overgeplaatst, waar zij het zeer naar hun zin

hebben, n.l.: "uit het oog, uit het hart," zoo was het ook onzen

Willem gegaan. Praatte hij in den beginne nog al eens over moetje en

vader of van oom Piet -- zooals hij Piet Vlug altijd noemde --

spoedig scheen de kleine het verleden geheel vergeten en

gevoelde hij zich in den tegenwoordigen toestand en omgeving recht

tevreden en gelukkig. Mevrouw Smartt was dan ook als een ware moeder

voor hem. Moest haar man gedurende de eerste dagen nog al eens als

tolk dienst doen, weldra had zij zich de nog geringe woordenschat

van den aardigen babbelaar zoo goed eigen gemaakt, dat deze hulp

geheel overbodig was, te meer, daar ook Willem op zijn beurt van

lieverlede de Hollandsche woorden door Engelsche ging vervangen. Zoo

konden zij dus binnen korten tijd naar hartelust met elkander praten

en babbelen, en de aanvalligheid van het knaapje, aan wien de edele

vrouw zich van het eerste oogenblik zoo gehecht had, verhoogde nog

van dag tot dag haar genegenheid. Ook kapitein Smartt begon hoe

langer hoe meer behagen in den vluggen en vroolijken krullebol te

scheppen, en ten slotte was het moeilijk te zeggen, wie van beiden

wel het meest van hem hield.

De een zoowel als de ander zou het knaapje dus wel altijd bij zich

hebben willen houden. Niettemin achtte de gezagvoerder van "de

Franklin" zich verplicht, dadelijk bij zijn aankomst te Sidney een

onderzoek naar de herkomst van het kind in te stellen. Ook naar

dezen verren uithoek der wereld zou toch wel eenige tijding omtrent

het vergaan van een schip op de Amerikaansche kust en het lot der

opvarenden overgewaaid zijn, meende hij. En zoo was het ook

werkelijk. Evenals op de meeste voorname zeeplaatsen werd ook te

Sidney een "Zeepost" uitgegeven, d. i. een nieuwsblad, waarin

scheepstijdingen uit alle oorden der wereld worden opgenomen,

tijdingen omtrent aankomst en vertrek der schepen en van plaats

gehad hebbende zeerampen. Door een aandachtig nagaan van de laatste

rubriek in de bladen, welke omstreeks den tijd, dat het ongeluk

moest plaats gehad hebben, waren uitgegeven, kwam kapitein Smartt al

spoedig tot de ontdekking, dat werkelijk in den vroegen morgen van

den 30sten Augustus -- dus juist op den datum der opname van Willem

en Ami aan boord van "de Franklin" -- bij dikken mist niet ver van

de Amerikaansche kust een aanvaring had plaats gehad tusschen de

stoomschepen de Maasdam en de Columbus, waarbij het eerste zoo

beschadigd was geraakt, dat het na verloop van een paar uur in de

diepte was verdwenen. Tevens werd in het bericht vermeld, dat de

bemanning van het gezonken schip, zoomede de passagiers, aan boord

van de Columbus overgegaan en behouden te New-York waren

aangebracht. Alleen van de laatsten was slechts één, en wel een

kind, bij de ramp omgekomen.

"Daar kan niemand anders mee bedoeld zijn dan Willy" sprak de

kapitein. "Het kind, dat men dood waant, is door den hond gered!"

"En intusschen wordt hij door de arme ouders als een doode beweend,"

antwoordde zijn vrouw bewogen. "Wie weet, wat heete tranen er om

zijn verlies geschreid worden! Misschien was hij ook wel een eenig

kindje, evenals onze eigen Willy."

Verstond Ami hun gesprek, dat hij zoo met alle aandacht naar hen zat

te luisteren en nu den een, dan den ander met zijn verstandige oogen

aankeek?

Kapitein Smartt scheen er werkelijk zoo over te denken; want terwijl

hij het goede dier streelde, zeide hij: "Kon jij maar praten, hé!

dan zouden we zeker heel gauw op de hoogte zijn." En zich daarop

weer tot zijn vrouw wendende, vroeg hij: "Maar wat zullen we nu

beginnen?"

"Het kind blijven liefhebben en als we weer behouden in Amerika

terug mogen keeren, nauwkeurig onderzoek doen naar zijn ouders,"

antwoordde deze; "dat is alles wat we kunnen doen."

"Je hebt gelijk, vrouw," hernam de kapitein. "Intusschen zal ik

aangifte doen van het geval, opdat het naar Holland en New-York

overgeseind en in de nieuwsbladen opgenomen kan worden. Allicht komt

het bericht dan onder de oogen van den een of ander, die met de zaak

bekend is, of iets omtrent de ouders van het kind en hun

verblijfplaats weet en ons het onderzoek alzoo gemakkelijk kan

maken. Met de wetenschap toch, dat zijn ouders nog leven, kunnen we

ons het knaapje onmogelijk toeeigenen, hoe 't mij ook aan mijn hart

gaat, hem weer te moeten missen."

De zucht, die mevrouw Smartt ontsnapte, was wel het sprekendste

bewijs, hoe noode ook zij het kind weer zou afstaan.

We moeten nu in gedachten eenige weken teruggaan en weer naar

New-York, waar de schipbreukelingen der Maasdam door de Columbus

waren aangebracht, terugkeeren.

In de verwarring van het oogenblik had niemand er aan gedacht, dat

behalve de kleine passagier nog iemand anders ontbrak, toen aan

boord van de Columbus appèl voor de geredden werd gehouden. Eerst

bij de ontscheping te New-York trok het de aandacht van den

bootsman, dat de hond zich niet onder hen bevond.

"Waar mag Ami toch zijn?" vroeg hij, overal rond kijkende.

Niemand had iets van het dier gezien,

"Dan is hij bepaald bij Willem in de hut geweest en op de Maasdam

gebleven," dacht Piet vlug. "Het arme dier! Wat hield hij veel

van het ventje! Zouden ze samen in de diepte zijn verdwenen?....

Maar als het Ami eens gelukt was, zich met het kind te redden! Als

hij eens..... dat zou ontzettend zijn! En toch, hoe meer ik er over

denk, hoe waarschijnlijker 't mij voorkomt. Wie weet, hoe lang het

wrak nog is blijven drijven! Maar dan moeten ze ten slotte toch

omgekomen zijn, of een ander schip moest ze opgenomen hebben. Wacht,

ik ga zoodra mogelijk op verkenning uit! Als ik de vermisten eens

terugvond! Maar laat ik er vooral Jan niets van zeggen en geen

nieuwe hoop opwekken, die misschien toch ijdel zou blijken te zijn."

Vol van deze gedachten spoedde de wakkere zeeman zich -- eigen

verlies vergetende -- zoodra hij kon voort, om inlichtingen in te

winnen aangaande de schepen, welke dien dag de haven waren

binnengekomen. Zijn onderzoek liep echter op teleurstelling uit. Ook

de scheepstijdingen van elders gaven hem niet, wat hij zocht. En

toch liet het eens opgevatte denkbeeld hem niet los. Integendeel,

hoe langer hij nadacht en de zaak van alle kanten overwoog, hoe meer

het bij hem vaststond, dat Ami wel een middel zou gevonden hebben,

om zich met zijn makker aan het dreigende gevaar te ontworstelen, en

daarna op de een of andere wijze gered zou zijn.

"Maar 't kan ook evengoed een uitzeilend als een binnenvallend schip

geweest zijn, dat hen heeft opgenomen," redeneerde hij bij zich

zelf. En nu volgde een vernieuwd onderzoek naar alle schepen, welke

omstreeks den tijd van het ongeluk ter hoogte van de aanvaring

konden geweest zijn. Nauwkeurig teekende hij aan, welke schepen de

laatste twee dagen de haven van New-York en die van andere plaatsen

hadden verlaten en waarheen ze bestemd waren, om later, bij 't

bericht van hun aankomst, te kunnen nagaan, of ook de een of andere

bijzonderheid vermeld werd, welke hem eenige zekerheid omtrent zijn

vermoeden kon verschaffen.

Met deze gegevens voor zich doorsnuffelde hij nu van dag tot dag

alle mogelijke scheepstijdingen; doch ontmoette hij ook al eens een

bericht over de aankomst van een door hem aangeteekend schip,

nergens was sprake van datgene, waarnaar hij met zooveel verlangen

en ongeduld zocht. En intusschen naderde meer en meer de dag, waarop

de bemanning der Maasdam met een ander stoomschip der Maatschappij

de terugreis naar het vaderland zou aanvaarden.

Eindelijk was die dag daar.

Maar toen Piet Vlug zijn aanteekeningen voor de laatste maal inzag,

was daarop ook bijna alles doorgehaald, waarop hij zijn hoop

gevestigd had. Deze was dan ook langzamerhand vrij wat verminderd en

eindelijk zoo goed als vernietigd.

Nog slechts de namen van twee schepen en daaronder die van "de

Franklin" van New-York naar Sidney stonden daar, zonder dat het

potlood er de noodlottige streep doorheen getrokken had, die van

zijn teleurgestelde verwachting getuigenis aflegde. Op deze beide

namen was dus het restje van zijn hoop gebouwd. Maar Sidney was zoo

ver. Nog weken zou het duren, voor "de Franklin" aan het einde der

reis was. En intusschen had hij Amerika verlaten, en daarmee was de

kans om vooreerst iets omtrent de aankomst van het schip te

vernemen, zoo goed als vervlogen! Wat het andere schip aangaat,

daarmede was het ook al niet beter gesteld.

Zou hij dus zijn vrienden nog iets mededeelen van zijn vermoeden,

voor hij naar Holland terugkeerde?

Maar dat vermoeden was al zoo dikwijls op teleurstelling

uitgeloopen, dat hij ze er niet aan mocht of durfde wagen.

Na een hartelijk afscheid vertrok hij dus met het stellige

voornemen, om bij aankomst in Holland direct zijn onderzoek voort te

zetten. Want dat Willem en Ami verdronken zouden zijn, wilde er --

ten spijt van alles -- nog maar niet bij hem in.

"Wat men hoopt, gelooft men," zegt een spreekwoord, en zoo was het

met den bootsman ook.

Het proces, ten gevolge van de aanvaring ontstaan, was middelerwijl

afgeloopen en ten voordeele van de Maasdam beslist, daar uit de

verklaringen, zoo van gezagvoerder en stuurlieden als van bemanning

en passagiers, ten duidelijkste bleek, dat men zich aan boord van

dit schip in alle opzichten aan de bepalingen, voor het verkeer ter

zee vastgesteld, gehouden had, terwijl die voorschriften van de

andere zijde schromelijk bleken verwaarloosd te zijn.

De reederij der Columbus werd dus tot geheele schadevergoeding van

schip en lading veroordeeld, en de kapitein van de Maasdam kon,

zonder dat op zijn zeemansnaam zelfs de minste blaam bleef rusten,

met zijn equipage naar het vaderland terugkeeren.

Eenigen tijd later vinden we onzen bootsman dus te Rotterdam terug.

Nauwelijks aan wal, richt hij zijn schreden naar het

zeemanskoffiehuis, waar hij weldra met een stapel couranten voor

zich zit. Doch ook hier loopt zijn onderzoek op niets uit. Het eene

blad na het andere wordt door hem op zij gelegd, tot hij eindelijk,

mismoedig over zooveel teleurstelling, ook het laatste weer toevouwt

en zich gereed maakt om heen te gaan. Op 't zelfde oogenblik

echter verschijnt de courantenjongen aan de deur, om 't laatste

nieuws af te geven. Dadelijk heeft Piet Vlug het nieuwsblad in

handen.

"'t Zal wel vergeefsche moeite zijn," mompelt hij, "maar enfin! 'k

Moet toch even kijken." En nu leest hij: "Aangekomen te Bombay....

Calcutta.... Singapore... Batavia.... Sidney...." Plotseling

verheldert zijn gelaat en met den blijden uitroep: "Eindelijk toch

gevonden!" werpt hij het blad op de tafel.

"Kastelein!" roept hij vervolgens, terwijl hij weer plaats neemt --

"breng mij nog een half fleschje Beiersch!" en dan tot zich zelf:

"Daar kan een extra glas op staan!.... Waar stond het ook?... O ja,

hier is 't!...." En nu leest hij half overluid: "Sidney....

Aangekomen 'de Franklin' van New-York. Onder de Amerikaansche kust

in zee drijvende gevonden een boot, waarin een kind van ongeveer

vier jaar en een hond.".... "Maar hoe blikslager is dat mogelijk,"

zegt hij na eenigen tijd nadenkens met de hand aan het hoofd. "We

hadden toch alle booten meegenomen!.... En toch -- 't kan niet

anders zijn.... Haal ze den drommel! dat ze er den naam van 't kind

en van den hond niet bijgezet hebben. Dan was alle twijfel dadelijk

opgeheven!.... Doch" -- en hij begon hartelijk te lachen -- "hoe kan

ik ook zoo dom zijn!.... Ze zullen den kleuter met zijn gebroken

Hollandsch niet verstaan hebben!.... of" -- en op eens nam zijn

gelaat een geheel andere uitdrukking aan -- "of zou de stumperd

misschien al dood geweest zijn?.... Maar," -- en weer keek hij het

korte telegrafische bericht na -- "dan zou er toch gestaan hebben:

het lijkje van een kind, -- dunkt me.... 't Is waarachtig om dol te

worden!.... Wat heb ik nu eigenlijk aan zoo'n bericht?....

Zijn ze 't, of zijn ze 't niet?... En zoo ja, leven ze nog, of zijn

ze dood?.... 'k Dacht die arme stakkers daar ginder zoo heerlijk te

verrassen!.... Maar zoo gaat het niet.... 'k Moet eerst meer

zekerheid hebben. Er zit niets anders op dan nog wat geduld te

oefenen en intusschen 'de Franklin' in de gaten te houden, want

gelooven doe ik het toch! Wacht, ik moest die courant in mijn zak

steken!.... Kastelein!"

"Asjeblieft, mijnheer!"

"Als ik je een gulden geef voor dit blad, mag ik het dan houden?"

"Met alle plezier," zegt de kastelein lachend, "als ge er zooveel

belang in stelt. Maar aan het bureau en op straat koopt ge er

anders een voor een stuiver."

"Dat doet er niet toe!" antwoordt Jan, een rijksdaalder uit zijn

vollen buidel op tafel werpend en meteen de courant in den zak van

zijn jekker stekend. "Ik verkies nu juist dit blad te hebben en geen

ander!"

"Nu, zooals ge wilt," herneemt de kastelein, terwijl hij den

rijksdaalder aanneemt en eenig klein geld terug geeft, dat de

bootsman achteloos op zak steekt. "Veel luk er mee!.... Zeker een

prijs uit de loterij, niet waar?"

"Als 't waar is, wat hierin staat," zegt Jan, op zijn jekker

slaande, "dan kon je dat wel zoo mis niet hebben. Adjuus!"

En met de gewichtige tijding op zak, verliet hij het

zeemanskoffiehuis.

De kleine Zwerveling · 第 12 / 15 题