+Bij vader en moeder terug.+
Toen het weerglas zoo snel daalde en kapitein Smartt voorzag, dat er
slecht weer in aantocht was, dacht hij het Gat van Texel binnen te
loopen en te Nieuwediep gunstiger gelegenheid af te wachten om de
reis voort te zetten. De storm overviel hem echter met zulk een
snelheid, dat hij weldra genoodzaakt was, weer van de kust af te
houden, wilde hij zijn vaartuig niet op de gevaarlijke Haaksgronden
zien verbrijzelen.
Met elk oogenblik werd de storm heviger, en het duurde niet lang, of
hij was tot een vliegenden orkaan aangegroeid. Eenmaal op de kust,
was het de Franklin niet meer mogelijk in volle zee terug te komen.
Wel ging het aanvankelijk nog om den Noord, doch tevens werd het
schip meer en meer naar de kust heengetrokken. De zeilen scheurden
tot flarden, en tot overmaat van ramp begon ook het roer zijn dienst
te weigeren. Nu was het lot van het schoone vaartuig spoedig
beslist.
Geheel prijsgegeven aan de woede van wind en golven, liep het
ontredderde schip met ontzettende snelheid regelrecht op de kust aan
en werd een oogenblik later in de kokende branding geworpen. Een
geweldige stoot volgde -- de masten kraakten en vielen over boord,
en de matrozen, die in het want gevlucht waren, vonden hun dood in
de golven! Een nieuwe waterberg, die het schip nogmaals opnam en met
zich omhoog voerde, om het eenige honderden meters verder op nieuw
in de branding te slingeren, voltooide het vernielingswerk.
De verschansing sloeg weg en allen, die zich nog dan boord bevonden,
ook de kapitein en zijn vrouw, benevens de kleine Willem en Ami, de
hond, werden van het dek weggeveegd.
Eén hartverscheurende kreet, en alles was gedaan! De zee is een
steeds geopend graf, een doodenakker met talrijker bevolking dan het
grootste kerkhof!
Willem uitgezonderd, ontkwam dan ook niemand aan haar doodelijke
omarming. En ook deze had het behoud van zijn leven slechts aan zijn
trouwen en altijd wakkeren kameraad te danken.
Door dezelfde golf op het strand geworpen, waar echter niemand
aanwezig was om den kleinen drenkeling te redden, had Ami hem met
inspanning van alle krachten zoover bij het duin weten op te
sleepen, dat de zee zich althans deze prooi ontnomen zag. Maar
niettemin zou het arme kind, dat den dood reeds nabij was, stellig
omgekomen zijn, als het niet nog juist te rechter tijd door den
bootsman en zijn neef Klaas gevonden en opgenomen was. Den geheelen
nacht was de eerste verder in de hut gebleven, en 's morgens droeg
hij Willem, na hem, bezorgd als hij was, goed ingepakt te
hebben, op zijn armen naar het dorp, waar men, inmiddels door Klaas
ingelicht, den wonderdadig geredden schipbreukeling met open armen
ontving en opnam.
Het bericht van de schipbreuk had de dorpsbewoners intusschen reeds
vroeg op de been gebracht, en ieder spoedde zich nu naar het strand
om te zien, of er nog iets te helpen of te redden viel.
Helaas! er bleef niets te helpen of te redden over. De storm had
zijn werk niet ten halve gedaan!
Welk een verwoesting had hij in enkele uren tijds aangericht! 't
Geheele strand lag met de overblijfselen van schip en lading als
bezaaid. Hier en elders vond men ook het lijk van een ongelukkigen
zeeman, en daar ginder, tusschen den Grooten en Kleinen Slufter
(twee diepe geulen in het strand, die tot den duinvoet doorloopen)
vertoonde zich het wrak van het gestrande vaartuig. Straks -- als de
eb was ingevallen -- zou men het misschien te voet kunnen bereiken
en er droogvoets om heen kunnen loopen. Nu echter stond er nog
eenige voeten water omheen, en verscheidene visschersschuitjes lagen
het reeds op zij, om van de lading nog zooveel mogelijk te redden en
daarmee een eerlijk bergloon te verdienen.
Ook de scheepspapieren, waaruit de naam van schip en gezagvoerder,
alsmede de plaats van herkomst en bestemming kon blijken, werden uit
het wrak gehaald en aan wal gebracht. Onder die papieren bevond zich
o. a. ook de indertijd door kapitein Smartt opgemaakte en door de
geheele equipage der Franklin onderteekende verklaring omtrent het
op de Amerikaansche kust opgevischte tweetal, welke verklaring den
bootsman zeer te stade kwam, om de afkomst der nu op nieuw
geredden voldingend te bewijzen.
Overigens was ons Willempje er zelf om daaromtrent te overtuigen.
Door het hem bijgebleven gezicht van oom Piet toch leefden ook zijn
sluimerende herinneringen omtrent moetje en vader weer op, en toen
het nu onafscheidelijke drietal eenmaal de straat opkwam en de
voormalige woning van Jan Vroolijk passeerde, liet de kleine op eens
de hand van oom Piet los en holde onder den uitroep: "Moetje toe!
Moetje toe!" de openstaande deur binnen.
Moetje was er echter niet! Wel had de familie enkele dagen te voren
nog een brief van haar ontvangen, waarin de arme vrouw -- hoe goed
ze 't overigens ook had in de Nieuwe Wereld, -- op hartroerende
wijze over haar verloren lieveling klaagde.
"Kom maar, mijn jongen!" had de bootsman toen met een kwalijk
weerhouden traan gezegd, "je gaat spoedig met oom Piet naar je
moetje toe, hoor! We zullen haar eens foppen, hé?"
Foppen, verrassen, heerlijk verrassen! Ja, dat wilde hij de nog
immer treurende ouders.
Daarom had hij met de familie afgesproken, om alles aan hem over te
laten.
"Men sterft wel niet van blijdschap," zei hij, "maar het is toch
goed, ze een weinig op hun onverwacht geluk voor te bereiden. Ik heb
al een plannetje bedacht." En het genot, dat hij zich van de
verwezenlijking daarvan voorstelde, maakte, dat hij zich van
genoegen in de handen wreef. "Maar," liet hij er ernstig op volgen,
"laten we ons maar niet te spoedig verheugen. Een ongeluk ligt
soms in zoo'n klein hoekje. En tusschen hier en daar ginds is de
afstand nog zoo groot! 'k Zal blij zijn, als we eerst den overkant
alvast maar te pakken hebben; want op zee is geen heil voor den
jongen, al heeft hij er ook tot nog toe het leven afgebracht!"
Een week later bracht hetzelfde rijtuigje, dat nu ongeveer een jaar
geleden Jan Vroolijk, met vrouw en kind naar de havenplaats van het
eiland had gereden, den kleinen Willem op nieuw daarheen, nu echter
van twee andere begeleiders vergezeld.
"Zal je vooral goed op hem passen, Piet?" riepen twee, drie stemmen
tegelijk, die het ventje slechts met hartzeer weer zagen vertrekken.
"Daar zal niets aan mankeeren, hoor!" antwoordde de bootsman; "reken
daar gerust op!"
En van het achterbankje, waarop Ami naast Willem had plaats genomen,
om zich -- misschien voor de eerste maal in zijn leven -- ook eens
gemakkelijk te laten rijden, klonk het: "Waf! Waf!" alsof het
wakkere dier zeggen wilde: "Anders ben ik er ook nog!"
"Nu, vaarwel dan!".... "Dag Willem!".... "Dag beste jongen!"....
klonk het verward dooreen, en.... voort rolde het rijtuig, tot groot
vermaak van het kleine ventje, dat nog evenveel schik in het rijden
had als een jaar te voren.
Aan boord van de nieuwe Maasdam, die door de Maatschappij ter
vervanging van het verongelukte stoomschip in de vaart was gebracht
en gereed lag om over een paar dagen haar eerste reis te doen, werd
het drietal met een luid "hoezee" verwelkomd. Iedereen schudde den
wakkeren, braven bootsman even hartelijk de hand; niet het
minst de kapitein, die hem bovendien zijn bijzondere tevredenheid te
kennen gaf. Piet Vlug had zich namelijk gehaast, om direct na de
schipbreuk der Franklin zijn kapitein per telegram een korte en
daags daarna per brief een uitvoerige mededeeling van het gebeurde
te doen.
"En zou je den kleinen zwerveling nu maar niet bij mij achteruit
brengen, bootsman!" vroeg de kapitein. "Hij mocht anders nog eens
weer zoek raken!"
"Als de kapitein 't mij toestaan wou, zou ik toch maar liever zelf
op hem passen," antwoordde Piet beleefd. "'k Ben wel niet voor
kindermeid in de wieg gelegd, maar Ami zal me wel een handje
helpen."
Nu, de kapitein had er niets tegen, en een beter oppasser dan Ami
was bezwaarlijk te vinden. Het trouwe dier was nu weer recht op zijn
gemak en speelde en stoeide met Willem, dat het een aard had. Soms
zetten de matrozen den krullebol zelfs op zijn rug en lieten hem zoo
langs het dek rondrijden. Dan zong de kleine ruiter:
"Hop, hop! Tra-ra! Hop, hop! Tra-ra!
"Wij rijden naar Amerika,"
tot groot vermaak van de passagiers, die zijn geschiedenis al
spoedig te weten waren gekomen en hem tengevolge daarvan allen even
hartelijk gezind waren. De eerste reis van het nieuwe stoomschip was
al bijzonder voorspoedig. Van mist of nevel, die de oude Maasdam zoo
noodlottig waren geweest, was ditmaal volstrekt geen sprake. Zonnige
dagen en heldere, vriendelijke nachten wisselden elkander af.
Daarbij was de zee zoo kalm en rustig en speelden de golfjes zoo
vroolijk om den boeg van het schoone vaartuig, dat zelfs de
vreesachtigste voor zijn plezier zulk een tochtje naar de Nieuwe
Wereld zou hebben gemaakt.
's Avonds vóór den verwachten dag van aankomst vertoonde zich dan
ook reeds het reusachtige vrijheidsbeeld aan den ingang van de haven
van New-York, dat met zijn schitterend electrisch licht den
landverhuizers als 't ware het welkom na volbrachte reize toeriep.
Nog één nacht -- en de bevolking van Amerika telde weer een
vijfhonderdtal zielen meer.
Veel geluk, gij allen, die in een nieuw vaderland hoopt te vinden,
wat het oude u niet meer of slechts in onvoldoende mate kon
aanbieden, -- werk en brood! Dat gij al uw wenschen en verwachtingen
moogt bevredigd zien!
Ginds dampt al het stoompaard, dat gereed staat de emigranten naar
de plaats hunner bestemming heen te voeren; want slechts weinigen
blijven in New-York, de meesten gaan landwaarts naar het Westen,
honderden uren ver!
Wie komen daar nog op het laatste oogenblik aansnellen, om een
plaatsje in den trein te nemen?
Een luid geblaf, dat over het perron weerklinkt, zegt het ons reeds.
Piet Vlug staat gereed, om zich van het laatste gedeelte der op zich
opgenomen taak te kwijten en den kleinen zwerveling, dien hij op den
arm draagt, in den kring der zijnen terug te voeren.
Reeds te Cocksdorp had hij een plannetje bedacht; nu komt het er nog
slechts op aan, dit naar behooren ten uitvoer te brengen.
Daartoe had hij zich eerst naar het telegraafbureau begeven en daar
aan oom Willem -- of liever aan den heer Willem Vroolijk te Holland
in den Staat Michigan -- het volgende telegram verzonden:
"Vertrek heden met trein 8 uur van New-York naar
Holland. Kom mij bij aankomst aldaar afhalen. Kom
vooral alleen. Zeg niemand iets. Breng blijde tijding
mee." P. VLUG.
"Hier, bootsman! hier is nog ruimte," hoort hij zich toeroepen uit
een waggon, waarin verscheidene landgenooten hebben plaats genomen.
Hulpvaardige handen worden uitgestoken en nemen het kind van hem
over. Ami wipt er achteraan, en ten slotte stapt ook Piet Vlug in,
waarop het portier wordt dichtgeslagen.
Nog een oogenblik en de trein vertrekt!....
"Een telegram uit New-York!.... Van wien mag dat zijn?" zegt oom
Willem met verklaarbare nieuwsgierigheid, terwijl hij zijn bril op
den neus zet en daarna het couvert haastig verbreekt.... En nu leest
hij -- hardop, zooals hij steeds gewoon is -- wat Piet Vlug hem
tegelijk met zijn vertrek heeft overgeseind. Gelukkig dus, dat zich
niemand in het vertrek bevond; anders zou hij het geheim van den
inhoud stellig verraden hebben.
"Kom vooral alleen.... Zeg niemand iets.... Breng blijde tijding
mee!" herhaalt hij nog eens, met het papier in de hand het vertrek
op en neer loopende.... "Dat is me zoowaar een raadsel, naar welks
oplossing ik dol nieuwsgierig ben!"
"Blijde tijding!".... "Nu, die mogen we hier wel eens hebben; want
wat er van die arme Kee nog terecht moet komen, weet de Hemel!"
Juist werd de deur geopend en zij, over wie oom Willem zich zoo
bezorgd maakte, trad de kamer binnen.
Haastig verstopte de goede man nu het telegram en zich daarop
tot haar wendende en haar betraande oogen ziende, zei hij zachtjes:
"Al weer gehuild, mijn kind? Kom, verzet je toch eens, en wees niet
altijd zoo bedroefd!"
"Och, oom!" antwoordde de arme vrouw, die er nog altijd bleek en
lijdend uitzag, "herinnert ge u niet, dat het morgen net een jaar
geleden is met onzen lieveling?"
"'t Is waar ook," zuchtte oom Willem deelnemend; maar tevens dacht
hij aan de "blijde tijding", welke Piet Vlug kwam brengen, en
nogmaals vroeg hij zich af, wat dat toch wel zijn kon. Als hij
eens....
't Was, of de gedachte hem zoo in eens werd ingegeven. "God, als dat
eens mogelijk was!.... Juist een jaar geleden!.... Maar hoe kom ik
er aan?" ging hij een oogenblik later voort, "de dooden worden
immers niet weer levend!"
Oom Willem was den geheelen dag zeer onrustig, en 's nachts kon hij
zoowaar geen oog toedoen! Hij legde zich van de eene zij op de
andere, doch kon den slaap maar niet vatten.
"Wat scheelt je toch, beste man!" vroeg zijn vrouw gedurig; maar
ofschoon 't geheim van het telegram hem op de lippen brandde, toch
hield hij zich goed, en toen hij zich den volgenden morgen naar 't
station begaf, had niemand van de huisgenooten ook maar het minste
vermoeden van 't geen er bij hem omging.
Jan Vroolijk ging dien dag niet naar de fabriek. Ook hem was de
herinnering aan 't geen vandaag voor een jaar gebeurd was, te
machtig. In elkanders bijzijn herdachten de wreed getroffen ouders
hun lieveling, en met heete tranen beweenden zij zijn droef verlies.
Oom Willem stond intusschen reeds langer dan een uur op het
perron van het station, om de aankomst van den trein af te wachten.
Vreeselijk, wat duurde dat lang! Was hij dan zoo vroeg, of was de
trein zoo laat?....
Al wel tienmaal had hij zijn horloge voor den dag gehaald, dan het
telegram weer ingezien, en vervolgens zijn spoorbiljet nog eens
geraadpleegd. Wachten is altijd onplezierig, en de goede man, die
zich hoe langer hoe meer opwond, gevoelde al het onaangename er van.
Had hij slechts even de stationsklok geraadpleegd, dan zou hij
gezien hebben, dat alleen zijn horloge, dat bijna een uur vóórliep,
hem zulke leelijke parten speelde.
Precies op de minuut af stoomde de trein het station binnen. De
portieren werden geopend, de reizigers stapten uit, en voor oom
Willem nog den tijd gehad had, om te midden van al het gedrang den
man te herkennen, naar wien hij met zooveel ongeduld zocht, stond
deze reeds in levenden lijve voor hem met Willem en Ami naast zich.
"Ziezoo, daar ben ik!" zei hij opgeruimd, terwijl hij den verbaasden
man hartelijk de hand drukte. "En wie denk je nu wel, dat ik hier
meebreng?"
Oom Willem behoefde niet lang te raden. Wel had hij de gedachte, die
zijn medelijdend hart hem gisteren had ingegeven, dadelijk als
onzinnig weer verworpen; doch niettemin was ze telkens en telkens
weer teruggekeerd. Ze had hem gedurende den nacht den slaap benomen
en 's morgens reeds een paar uur voor de aankomst van den trein naar
het station gedreven.
En nu?.... De gelaatstrekken van den kleine, die de vriendelijke
blauwe kijkers naar hem opsloeg, waren te sprekend die zijns vaders,
dan dat twijfel mogelijk zou geweest zijn.
"Wel man, je komt, of je van onzen Lieven Heer gestuurd bent," sprak
de oude man, tot schreiens toe aangedaan. "We zitten hier zoo in de
treurigheid. Die goeie Kee heeft het er nog altijd te kwaad mee....
Ze doet niet anders dan huilen.... 't Is immers vandaag net een
jaar?.... Maar nu is alle leed gelukkig ten einde!"
En terwijl hij het knaapje van den grond beurde en innig geroerd een
kus op het voorhoofd drukte, vroeg hij: "Wat voor wonder is er toch
met jou gebeurd, kleine krullebol?"
"Dat vertel ik je zoo meteen wel," zei Piet Vlug. "'t Komt er nu
slechts op aan, dat we met een beetje behoedzaamheid te werk gaan en
niet te plotseling met de deur in huis komen vallen."
"Als ik dan alvast maar vooruitging en ze een weinig op je komst
voorbereidde?" stelde oom Willem voor.
Maar dat lag niet in het plan, dat onze bootsman opgemaakt en tot nu
toe gevolgd had.
"O, laat dat maar aan mij over! Ik zal dat zaakje wel naar behooren
opknappen," zei hij met zekere geheimzinnigheid.
Middelerwijl hadden ze het perron verlaten, en daar de afstand naar
oom Willems woning voor den kleinen naamgenoot wel wat ver was, om
dien wandelend af te leggen, stapten zij in een der gereedstaande
rijtuigen.
"Moet die hond ook mee?" vroeg oom Willem niet weinig ontsteld, toen
het groote dier, dat tot nu toe minder zijn opmerkzaamheid getrokken
had, mee in het rijtuig sprong. "Wel wis en zeker! Die hoort bij
ons," antwoordde Piet Vlug, het goede dier lachend op den
schranderen kop tikkend. "Wat zeg jij, Ami? Zonder jou zouden
we waarlijk niet hier zitten, hé?"
Daarop vertelde hij oom Willem in korte woorden de gansche
geschiedenis van het tweetal. De man kon zijn ooren nauwelijks
gelooven bij 't geen hij hoorde, en gedurig sloeg hij de handen vol
verbazing in elkander.
"Nu, mijn jongen!" zei hij eindelijk met vochtige oogen, "onze Lieve
Heer heeft je wel wonderlijk gespaard, dat moet ik zeggen!..... Wat
zal dat een verandering geven, als we zoo aanstonds thuis komen,
Piet! Ik zie er zoowaar tegen op!"
"Zijn we er haast?" vroeg Piet Vlug.
"Met een paar minuten," antwoordde oom Willem.
"Zie, daar tusschen die boomen ligt ons huisje! Hoe zullen we het nu
aanleggen?"
"Dat zal ik je zeggen," hernam Piet Vlug. "Ik stap er hier uit en
neem Ami mee, terwijl gij een oogenblik met den kleine achterblijft.
Het terugzien van den hond, dien zij zeker zullen herkennen, zal hen
ongetwijfeld op het denkbeeld brengen, dat ook hun kind...."
"Uitmuntend! uitmuntend!" viel oom Willem hem in de rede. "Dat is
kostelijk overlegd! Beter kon het niet!"
"Komaan, Ami! Uitgestapt dan maar!" zei de bootsman. "Nu zal het er
op aan komen, jongen!"
Ami sprong blaffend op den weg, door Piet Vlug gevolgd, terwijl oom
Willem met het knaapje in het rijtuig bleef zitten, dat langzaam
achter de wandelaars aanreed.
"Waar mijn man toch den geheelen morgen zitten mag," pruttelde tante
Betje zoo wat binnensmonds, toen plotseling de deur geopend werd
en... onze bootsman voor haar stond.
"Wel heere mijn tijd! Daar heb je zoowaar Piet Vlug!" riep ze nu,
van verwondering de handen in elkaar slaande.
"In eigen persoon, moedertje!" lachte de bootsman, terwijl hij haar
de beide handen toestak. "Hoe gaat het je? En hoe is het met de
familie?"
"Och, niet al te best," zuchtte tante. "Onze jongelui zijn den slag
nog niet te boven, en vooral vandaag..."
"Ja, ja, dat begrijp ik," viel Piet Vlug haar in de rede. "Daarom
ben ik juist eens over komen waaien. Dat geeft misschien eens wat
afleiding. Maar waar zitten de lui? Geen mensch thuis misschien?"
"Toch wel," sprak tante, naar de deur van het aangrenzende vertrek
wijzend. "Ze hebben zich daar met hun beidjes teruggetrokken."
"Zoo, zoo!.... Is het er zoo mee gesteld," zei de bootsman daarop.
"Kom, Ami! ga jij ze dan eens een beetje troosten, mijn jongen! Dat
komt jou toe!"
En nu haalde hij een papier uit den zak, dat hij den hond in den bek
gaf, waarop hij het gewillige dier, dat het gewicht zijner zending
scheen te begrijpen, zachtjes de aangewezen kamer wist binnen te
smokkelen.
Tante Betje begreep er niets van. "Wat geeft dat allemaal?" riep ze,
ver van gerust over het groote, vreemde dier, dat Piet Vlug haar
woning had binnengeleid. Maar deze suste haar en zei lachend: "Stel
je maar gerust, hoor! 't Zal alles wel goed afloopen. Luister maar
eens!...."
De deur stond op een kier, zoodat zij alles, wat daarbinnen
gebeurde, konden hooren en zien.
Jan Vroolijk en zijn vrouw zaten aan de tafel. Voor hen stond een
kinderportret, dat zij met vochtige oogen beschouwden. 't Was de
beeltenis van hun lieveling!
[Illustratie: Hij legde het papier dat hij in den bek hield op
Keetjes schoot.]
"O God, Jan!" riep Keetje op eens uit. "Zie eens! Daar heb je....!"
"Mijn Hemel! dat lijkt.... dat is.... Maar dat kan immers niet?"
sprak de ontroerde man.
"Waf! Waf!" blafte de hond en meteen sprong hij kwispelstaartend
tegen zijn oude vrienden op en legde het papier, dat hij in den bek
hield, op Keetjes schoot.
"Lees! lees!" kreet zij met luid kloppend hart.
Daar stond Jan met de verklaring van kapitein Smartt in de handen.
Het blad trilde hem tusschen zijn bevende vingers.... Hij kon den
inhoud nog slechts moeielijk ontcijferen. Eindelijk echter.... daar
was hij er!.... Zijn gelaat straalde van blijdschap.
"Hij leeft!.... Hij leeft!" borst Keetje uit, die haar blikken in
ademlooze spanning op hem gevestigd hield. "O, mijn kind!.... Mijn
lieveling!...."
"Nu is het mijn tijd," zei Piet Vlug, het vertrek binnentredend....
Juist hield het rijtuig voor de deur stil.
"Welnu, vrienden, heeft Ami de boodschap goed overgebracht?" vroeg
hij, zoo kalm mogelijk.
Beiden tegelijk vlogen ze op den bootsman toe.
"Piet!.... Beste Piet!.... Waar is hij?.... Heb je hem niet
meegebracht?".... klonk het verward dooreen, terwijl elk een zijner
handen vasthield.
"Ja, ja, houdt je maar bedaard!" sprak Piet Vlug aangedaan. "Waar de
redder is" -- en hij wees op Ami -- "zal de geredde ook wel niet ver
af zijn."
"Daar is hij al! Daar is hij al!" riep tante Betje, die nu eerst
recht begreep, wat er aan de hand was. Oom Willem had namelijk op
een teeken van den bootsman de deur geopend en stond nu, met
den kleine aan de hand, op den drempel.
Een kreet van verrassing ontsnapte de gelukkige moeder. Snikkend van
vreugde breidde zij de armen naar haren lieveling uit, die haar
onder den uitroep: "Moetje! Moetje!! Daar is mijn moetje!" om den
hals viel.
Naast hen knielde de niet minder gelukkige vader, die moeder en kind
beiden met zijn stevige armen omvatte en aan het kloppend hart
drukte. En daaromheen stonden Piet Vlug met Ami en oom Willem met
tante Betje het heerlijke tooneel met tranen in de oogen gade te
slaan. De kleine zwerveling was eindelijk in behouden haven
aangeland....
Drie dagen bleef Piet Vlug de gast van zijn gelukkige vrienden. Wat
had hij hen veel te vertellen! En met hoeveel schrik en ontzetting
luisterden zij naar het verhaal van de gevaren, waaraan hun
lieveling had blootgestaan. Moeder drukte hem nog vaster tegen zich
aan, als vreesde zij, dat ze hem nogmaals verliezen zou!
En Ami?.... Toen de bootsman na een allerhartelijkst afscheid weer
naar boord terugkeerde, vervuld van blijdschap over het geluk, dat
hij zijn vrienden mocht bereiden, bleef Ami stilletjes waar hij was.
Waar Willem zich bevond, was voortaan ook zijn tehuis, en van alle
zijden gestreeld en geliefkoosd, had hij er een leven als een prins.
Op het Engelsche kerkhof te Eierland werden omstreeks denzelfden
tijd twee drenkelingen aan den schoot der aarde toevertrouwd! Het
waren Kapitein Smartt en zijn vrouw, wier lijken hier naast elkander
in één graf werden bijgezet.