VIERDE HOOFDSTUK.

+Gescheiden.+

Wij keeren nogmaals naar het tooneel der zeeramp terug. Zooals wij

zagen, had de dikke mist het zinkende wrak der Maasdam reeds op

geringen afstand aan het oog der schipbreukelingen onttrokken. Erger

evenwel was het, dat ten gevolge van de buitengewone verwarring en

drukte aan boord van de Columbus ook aan hun gehoor ontsnapte, wat

de nevel hun belette te zien. Anders toch hadden zij kunnen en

moeten hooren, hoe zich daar ginder nog leven bevond, dat op luide

en angstige wijze om hulp en redding vroeg. Wat kon dat zijn?...

Het vee had men, om den dieren een langen en smartelijken doodstrijd

te besparen, ten spoedigste gedood. Doch de hond, waar was die

beland? O, die zal wel een goed heenkomen gezocht hebben, zegt ge.

En toch.... klonk daar geen luid geblaf over het water? En hoor!....

waren dat niet de kreten van een kind? Zoo ja, van wien anders

konden die dan zijn, dan van het knaapje, dat, dood of erger

nog naar men meende, op het wrak was achtergebleven? En zoo was het

ook werkelijk. Het kind was op wonderlijke wijze door zijn trouwen

vriend "Ami" gered.

Toen Willems moeder bij het gegil der stoomfluit verschrikt naar

boven was gevlucht, lag Ami als gewoonlijk met den kop tusschen de

pooten voor de deur der hut. De openstaande deur was voor hem een

uitnoodiging om binnen te treden en zijn speelkameraad een visite te

brengen. Op hondenmanier gaf hij het knaapje een morgenkus, en toen

deze daardoor wakker werd, noodigde hij zijn harigen vriend uit, de

door moeder verlaten plaats te komen innemen.

Zoo lagen Willem en Ami rustig en wel bij elkander, toen de

verschrikkelijke botsing plaats had, die beiden uit de kooi deed

tuimelen en in het scheepslogies opsloot. De geheele bemanning

bevond zich aan dek, en er was dus niemand om hen te helpen.

Intusschen stroomde het water naar binnen, en weldra stond het zoo

hoog, dat niets het hulpelooze knaapje langer een veilige

schuilplaats aanbood. Nog een oogenblik -- daar dreef het kleine

ventje op het water. Zeker was hij verdronken, als Ami hem niet

beetgepakt en, al heen en weer zwemmende door de steeds enger

wordende ruimte, met het hoofdje boven water gehouden had.

Eindelijk echter kwam er beweging; de schepen geraakten van

elkander. Maar de vernielde trap en de op en door elkander geschoven

balken en planken beletten het wakkere dier spoedig genoeg een

uitweg te vinden. En toen hem dit eindelijk gelukt was.... hadden

allen het schip reeds lang verlaten en bevond de moedige redder

zich met het bewustelooze knaapje alleen op het zinkende wrak. Was

hij geheel alleen geweest, zeker had hij zich zonder dralen in zee

gestort, om de wegzeilenden na te zwemmen, maar nu...? Zorgvuldig

zocht hij dat deel van 't schip op, 't welk zich nog het meest boven

water verhief; hij legde zijn kostbare vracht daar voorzichtig neer,

om vervolgens een luid geblaf aan te heffen en zoo de opmerkzaamheid

tot zich te trekken. Dat geblaf bracht ook het knaapje weer tot

bewustzijn, wiens geroep om "Moeder! Moeder!" echter al evenmin

gehoord werd, als het blaffen van het edele, trouwe dier.

Langzamerhand was het geluid in de verte geheel weggestorven, en hoe

Ami de ooren ook spitste, geen geruisch zelfs anders dan van den

wind en het klokkende water drong meer tot hem door.

Het schreiensmoede knaapje was eindelijk in slaap gevallen. Maar de

hond bleef waken. Met de beide voorpooten lag hij over het jongske

heen, om het verkleumde kind te verwarmen, en met zijn schrandere

oogen keek hij in het rond. 't Was alsof het verstandige dier zag,

dat het gevaar met elk oogenblik grooter werd en of hij, voelende,

dat het steeds dieper wegzinkende schip weldra geheel zou

verdwijnen, naar een middel omkeek, om zich met zijn vriendje op de

beste wijze aan het nakende onheil te onttrekken.

Reeds bedekten de golven het voorschip; nog een oogenblik, en ook de

plaats, waar hij zich met het knaapje bevond, zou niet meer veilig

zijn.

Niets ontging evenwel aan het oog van het waakzame dier. En zie,

daar richtte hij zich plotseling met een blijden kreet op, greep het

nog steeds slapende kind bij den schouder en was met één sprong

op de verschansing. Wat was er gebeurd?

De scheepsvlet of jol, die midden op het voordek stond, was driftig

geraakt en over de verschansing buiten boord geslagen. Dat had de

hond gezien en vandaar zijn blijdschap en haastige bewegingen.

De boot gleed rakelings langs de zijde van het schip naar achteren.

Daar bereikte zij de plek, waar de hond zich op post had gezet en

van het rechte oogenblik gebruik makende, sprong hij zoo behoedzaam

mogelijk in het ranke vaartuigje over.

Voor het oogenblik althans waren ze gered en gelukkig juist te

rechter tijd, want de jol kon nauwelijks honderd meter weggedreven

zijn, of het dek van de Maasdam barstte door de spanning van de

samengeperste lucht, welke zich in het hol van het schip bevond, met

een vreeselijken slag uit elkander, waarop het vaartuig in eenige

minuten vol water liep en in de diepte verdween.

Daar dobberde nu het kleine hulkje midden op den grooten Oceaan.

Gelukkig, dat de zee kalm was, anders zou het notedopje ongetwijfeld

spoedig omgeslagen zijn, en dan was alle kans op redding, zowel voor

den hond als voor het kind, verloren geweest.

Maar waarheen dreef het scheepje? Waarheen richtte het den steven,

zee- of landwaarts?....

Doch ook zelfs in het laatste geval zou het zeker nog minstens een

paar dagen duren, voor het de kust bereikt had, en wat zou er in

dien tijd van de beide vrienden worden, zonder voedsel, zonder een

enkelen druppel water zelfs?

Alleen van een voorbijzeilend schip was uitkomst voor hen te

wachten. En alsof de altijd wakkere Ami dat scheen te begrijpen,

richtte hij zich, met de voorpooten tegen den rand der boot geleund,

overeind, zoodat hem niets, wat redding kon aanbrengen, zou

ontsnappen. Daarbij vergat hij echter de zorg voor zijn jeugdig

vriendje niet. Bij de minste beweging van het ventje, dat op den

bodem der boot lag uitgestrekt, keerde hij zich om, om evenwel

dadelijk zijn vorige houding weer aan te nemen, als het bleek, dat

het kind rustig bleef doorslapen.

Eindelijk, daar week de nevel, en daarmee daagde ook hier de

redding! Een groot schip, dat tot op dat oogenblik onzichtbaar

geweest was, vertoonde zich op eenigen afstand en naderde meer en

meer de plek, waar het bootje ronddobberde. Zou het kleine hulkje

daarginds opgemerkt worden?... 't Leed geen twijfel; want zie, daar

draaide het schip reeds bij den wind! Een sloep werd te water

gelaten en het volgende oogenblik roeiden vier paar sterke armen met

krachtige slagen op de jol aan.

Kwispelstaartend en luid blaffend gaf de hond zijn blijdschap te

kennen. En daarbij schudde en likte het van vreugde uitgelaten dier

onzen Willem zoolang, dat deze eindelijk de oogen opende en, als

verbeeldde hij zich nog bij moeder in zijn bedje te liggen, de armen

om Ami heen sloeg.

Arme kleine! Wat was hij ver verwijderd van de arme vrouw, die in

haar ijlen ook niets anders deed dan roepen om haar lieveling! En

wat begon hij jammerlijk te schreien, toen hij zijn vergissing

bemerkte en zag, waar hij zich bevond.

Maar de redding was nabij. Het geluid van het schreiende kind, dat

nu ook zijn hoofdje boven de boot uitstak, werd reeds in de sloep

gehoord.

[Illustratie: Het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.]

De roeiers verdubbelden daarop nog hun krachtsinspanning, en met

eenige snelle slagen hadden zij de jol bereikt. Daar zat het

knaapje, midden op den bodem van het kleine vaartuig in zijn hemd

bijna en strekte de handjes uit naar zijn redders, die het tooneel

met bewogen oogen aanzagen.

"Moetje toe! moetje toe!" snikte hij, terwijl men hem met Ami in de

sloep opnam.

"De stumper roept om zijn moeder," zei de matroos, die hem

overtilde; want hoewel geen Hollandsch, maar Engelsch sprekend

verstond hij toch de woorden van den kleine zeer goed, daar de

moedernaam in de meeste talen al vrijwel dezelfden klank heeft.

"Nu, dan vrees ik zeer, dat hij die niet weer zal zien," merkte een

ander op. "Er is vast een ongeluk gebeurd met den mist. Zie maar

eens in het rond: daar drijven verschillende dingen, die van een

schip afkomstig zijn."

Werkelijk waren, tegelijk met de boot, nog verschillende andere

losse deelen van de Maasdam in dezelfde richting komen afdrijven.

De hond week intusschen niet van Willems zijde, maar keek daarbij

den spreker van zoo even met zijn groote, goedige oogen zoo

verstandig aan, alsof hij diens bewering bevestigen wilde.

"Jij bent een beste, brave hond, hoor!" zei deze daarop, het goede

dier vertrouwelijk op den rug kloppend. "'t Heeft je zeker vrij wat

moeite gekost, om je kleinen meester tot zoover te behouden. Nu, je

zult het goed bij ons hebben, hoor!"

De jol was middelerwijl aan de sloep vastgemaakt, daar men het zonde

achtte, ze op nieuw te laten drijven, en nu gingen de riemen

handig weer te water, om met spoed naar het wachtende schip terug te

keeren.

De "Franklin" -- dit was de naam van het vaartuig -- was een groote

Amerikaansche driemaster en met een lading petroleum naar Sidney in

Australië bestemd. Het schip had reeds voor twee dagen de haven van

New-York verlaten, maar was, door den zwaren mist opgehouden, nog

weinig gevorderd. De equipage bestond, met inbegrip van den

gezagvoerder, kapitein Smartt en de stuurlieden, uit vijf en twintig

koppen, en passagiers bevonden zich niet aan boord, één

uitgezonderd, welke men evenwel moeielijk als zoodanig kon

beschouwen, daar het de vrouw van den kapitein was.

Deze vergezelde haar man liever op zijn tochten over den oceaan, dan

geheel alleen, aan allerlei angst en onrust ten prooi, achter te

blijven, als hij naar zee ging. Kinderen, die haar dit belet zouden

hebben, bezaten zij niet, of liever bezaten zij niet meer; want hun

eenig zoontje, een knaapje van ongeveer gelijken leeftijd als

Willem, was voor een paar jaar gestorven.

Ge begrijpt dus, hoe de vrouw ontroerde, toen de matrozen met het

geredde kind uit de sloep bij den valreep opklauterden en niets

beter wisten te doen, dan haar het schreiende knaapje in de armen te

leggen.

Met tranen in de oogen snelde zij met Willem naar de kajuit, op den

voet gevolgd door Ami, die zijn plaats dáar achtte, waar zijn kleine

beschermeling bleef.

De kapitein zag met innige voldoening, hoe zijn vrouw zich dadelijk

het lot van het kind aantrok, en hij wreef zich in de handen van

genoegen toen zij zich verwijderde. "Nu wordt ze weer dezelfde van

vroeger," dacht hij bij zich zelf. "'t Is een geschenk der

Voorzienigheid, dat ons daar is toegezonden!"

Onderwijl was er een flinke bries komen opzetten, en toen nu de

sloep weer in de davids hing en ook de kleine jol binnen boord

geheschen was, werd het roer opnieuw gewend, waarop het schip door

den wind ging en zijn vorigen koers hernam.

In de kajuit had de kapiteinsvrouw het intusschen heel druk. Haar

eerste zorg was, Willem en Ami, hongerig en dorstig als ze waren,

wat te eten en te drinken te geven, wat beiden zich uitmuntend

lieten smaken. Ami had al in lang zulke lekkere hapjes niet

geproefd, als hij hier te bikken kreeg. Nu, die had hij ook wel

verdiend!

Verzadigd legde hij zich eindelijk in een hoekje neder en keek met

welgevallen in het rond. En alsof hij zijn kleinen beschermeling nu

volkomen veilig achtte, lei hij ten slotte den kop tusschen de

vooruitgestoken pooten, om van de welverdiende rust te genieten en

op zijn gemak een dutje te doen.

Onze Willem gevoelde zich ook al heel spoedig op zijn gemak met de

vriendelijke dame. Hij zat zeer vertrouwelijk op haar schoot en liet

zich, als was zij zijn moedertje, zeer gewillig door haar wasschen

en kleeden. De kleertjes van haar jongetje, die zij nog steeds

bewaarde, kwamen haar daarbij uitnemend te pas, en het ventje zag

met glinsterende oogjes, hoe mooi hij werd in het vreemde pakje, dat

hem werd aangetrokken.

"Mooi! mooi! Wimpje mooi worden!" riep hij aanhoudend, en mevrouw

Smartt, die wel begreep, wat de dreumes bedoelde, al verstond zij

ook zijn woorden niet, begon hoe langer hoe meer schrik in hem te

krijgen. De blonde krullebol zag er dan ook wezenlijk uit om te

stelen! "Precies ons ventje," dacht ze, toen hij geheel aangekleed

was. Schreiend en lachend tegelijk nam ze hem op en gaf hem een

hartelijken kus op de blozende wangen. En toen Willem, aanvallig als

hij was, daarop beide armpjes om haar hals sloeg, had hij haar hart

geheel gestolen!

Juist wilde ze haar man gaan opzoeken, toen deze, die haar met opzet

zoolang alleen gelaten had, de kajuit inkwam. En ziedaar, het was

alles gekomen, zooals kapitein Smartt zoo hartelijk hoopte! Zijn

vrouw, die na den dood van haar kind steeds droevig en in zich zelf

gekeerd was geweest, kwam hem met het knaapje op den arm en een

glimlach op de lippen tegemoet.

Onwillekeurig deed hij echter een stap achteruit. Waarom? In het hem

welbekende pakje gestoken, geleek onze krullebol zoozeer op het

overleden jongetje van den kapitein, dat deze er ten zeerste door

getroffen werd. En dat zijn vrouw het hierin met hem eens was,

bewezen al dadelijk haar woorden: "Nu, wat zeg je van den jongen? Ik

heb hem al vast maar wat aangekleed. Vind je niet, dat hij op onzen

Willy gelijkt?"

"Zoozeer," sprak de kapitein met bewogen stem, "dat ik bij 't

inkomen van de kajuit inderdaad een oogenblik meende, dat je ons

ventje op den arm hadt. Je hebt de gelijkenis dan ook wel zeer doen

uitkomen met dat pakje!" En met een zucht voegde hij er bij: "Och,

dat de schijn werkelijkheid ware!"

"Maar wat belet ons," hernam nu zijn vrouw teeder, "het arm wurm,

wiens ouders waarschijnlijk beiden omgekomen zijn, als kind aan te

nemen. Ik gevoel, dat ik als een moeder voor hem zal kunnen zijn, en

ik twijfel er niet aan, of gij zelf zult ook van het kind

beginnen te houden."

Ze waren aldus sprekende, bij elkander aan tafel gaan zitten, en de

kapitein zag met vreugde, hoe het op zulk een wonderbare wijze

geredde kind plotseling weer een blosje op de wangen zijner schoone,

doch bleeke vrouw scheen teruggetooverd te hebben.

"Toch moeten we ons niet te zeer aan het ventje hechten," bracht hij

voorzichtig in het midden; "want het zou kunnen wezen, dat zijn

ouders nog wel degelijk leven, en 't is natuurlijk onze plicht, zoo

spoedig mogelijk onderzoek daarnaar te doen. En als ze dan

teruggevonden mochten worden....."

"Zal ik het knaapje met liefde aan zijn moeder teruggeven," viel

zijn vrouw hem in de rede. "We weten immers beiden wat het zegt, een

bemind kind te verliezen!"

"Nu, dan is 't goed," sprak kapitein Smartt gerustgesteld. "Maar zou

't jongske zelf ons misschien niet iets kunnen zeggen of beduiden,

waaruit het een of ander is op te maken?"

"Ja, hij heeft al genoeg gebabbeld; maar ik versta hem niet."

"Komaan, laat mij 't dan eens probeeren. Misschien, dat het mij

gelukt, uit zijn gekeuvel wijs te worden."

De kapitein, die verscheidene talen sprak, nam nu onzen Willem op

zijn knie en deze, die op de Maasdam al zooveel vreemde gezichten

gezien en op zoo menige knie geschommeld had, toonde zich ook

tegenover hem volstrekt niet schuw. Maar of hij Willem in 't

Engelsch of Fransch of Duitsch aansprak, de kleine verstond titel

noch jota van 't geen hem gevraagd werd.

"Moetje weg, vader weg, allemaal weg! Schip ook weg!" riep hij op 't

laatst in zijn onnoozelheid.

"O, nu zijn we er!" riep de kapitein verrast, maar tevens vol

ontzetting uit bij het hooren van zooveel ongeluk. "'t Is een

Hollandsch kind, en wat hij daar vertelt, is inderdaad

allertreurigst. Vader weg, moeder weg, schip weg! Er moet dus

bepaald een aanvaring plaats gehad hebben; want slecht weer is het

de laatste dagen niet geweest, en lang heeft het ventje ook bepaald

niet rondgezwalkt." En zich daarop weer tot Willem wendende, vroeg

hij -- maar nu in 't Hollandsch -- naar alles, wat den kleinen

schipbreukeling wedervaren was. Veel wijzer werd hij echter niet. 't

Ventje kon hem slechts weinig en gebrekkig inlichten. Vader en

moeder heetten bij hem, als bij de meeste kleine kinderen eenvoudig

"vader en moeder," en hij zelf was "Willem," zonder meer.

"Dus de kleine heeft tot zelfs den naam met onzen jongen gemeen,"

merkte de kapitein met zichtbare ontroering op.

"O, dat is heerlijk! Die naam is mij zoo lief!" antwoordde zijn

vrouw levendig. "'k Wilde je juist voorstellen om hem William te

noemen." En het knaapje, daarop beide handen toestekend, vervolgde

zij: "Willy, we zullen elkaar wel spoedig leeren verstaan!"

"Begrijpen doet hij je ten minste nu al," sprak de kapitein lachend,

toen Willem dadelijk de toegestoken handen greep en op haar schoot

plaats nam. "En voor de rest zal ik wel zoo'n beetje voor tolk

spelen. Maar nu ga ik het gebeurde in het scheepsjournaal boeken.

Bovendien zal ik er een acte van opmaken en die door de geheele

equipage laten onderteekenen. Misschien kan dat stuk den knaap

nog eenmaal dienen om iets omtrent zijn ouders of

familiebetrekkingen te vernemen, als dat ons niet gelukken mocht."

Terwijl de kapitein nu een uitvoerig relaas van 't gebeurde

opstelde, begaf mevrouw Smartt zich met Willem aan dek, gevolgd door

Ami, die door het gesprek der beide echtgenooten uit zijn dutje

ontwaakt was en nu bedaard achter haar kwam aanstappen, alsof hij er

bij behoorde en hier al zijn leven thuis geweest was.

De geheele bemanning van "de Franklin" was opgetogen over den

aardigen, blozenden krullebol, en Ami werd om zijn moedig gedrag

door ieder om 't zeerst aangehaald en geprezen.

Eenige oogenblikken later verscheen ook kapitein Smartt weer aan

dek. Hij had de bewuste acte reeds in de hand en gaf nu bevel, dat

allen achter den grooten mast op het halfdek zouden verschijnen, om

het stuk te hooren voorlezen en van hun naamteekening te voorzien.

De lange zomerdag spoedde intusschen ten einde, en voor onzen

Willem, over wiens jeugdig hoofdje gedurende de laatste

vier-en-twintig uren zooveel gevaren waren heengegaan, was het meer

dan bedtijd geworden. Dit begreep mevrouw Smartt ook, en als een

echte moeder spreidde zij het verweesde kind een zacht en mollig

bedje, waarop hij weldra zoo gerust en heerlijk insliep, alsof zijn

eigen moetje hem zooeven den nachtkus gegeven had.

De kleine Zwerveling · 第 11 / 15 题