+Gescheiden.+
Wij keeren nogmaals naar het tooneel der zeeramp terug. Zooals wij
zagen, had de dikke mist het zinkende wrak der Maasdam reeds op
geringen afstand aan het oog der schipbreukelingen onttrokken. Erger
evenwel was het, dat ten gevolge van de buitengewone verwarring en
drukte aan boord van de Columbus ook aan hun gehoor ontsnapte, wat
de nevel hun belette te zien. Anders toch hadden zij kunnen en
moeten hooren, hoe zich daar ginder nog leven bevond, dat op luide
en angstige wijze om hulp en redding vroeg. Wat kon dat zijn?...
Het vee had men, om den dieren een langen en smartelijken doodstrijd
te besparen, ten spoedigste gedood. Doch de hond, waar was die
beland? O, die zal wel een goed heenkomen gezocht hebben, zegt ge.
En toch.... klonk daar geen luid geblaf over het water? En hoor!....
waren dat niet de kreten van een kind? Zoo ja, van wien anders
konden die dan zijn, dan van het knaapje, dat, dood of erger
nog naar men meende, op het wrak was achtergebleven? En zoo was het
ook werkelijk. Het kind was op wonderlijke wijze door zijn trouwen
vriend "Ami" gered.
Toen Willems moeder bij het gegil der stoomfluit verschrikt naar
boven was gevlucht, lag Ami als gewoonlijk met den kop tusschen de
pooten voor de deur der hut. De openstaande deur was voor hem een
uitnoodiging om binnen te treden en zijn speelkameraad een visite te
brengen. Op hondenmanier gaf hij het knaapje een morgenkus, en toen
deze daardoor wakker werd, noodigde hij zijn harigen vriend uit, de
door moeder verlaten plaats te komen innemen.
Zoo lagen Willem en Ami rustig en wel bij elkander, toen de
verschrikkelijke botsing plaats had, die beiden uit de kooi deed
tuimelen en in het scheepslogies opsloot. De geheele bemanning
bevond zich aan dek, en er was dus niemand om hen te helpen.
Intusschen stroomde het water naar binnen, en weldra stond het zoo
hoog, dat niets het hulpelooze knaapje langer een veilige
schuilplaats aanbood. Nog een oogenblik -- daar dreef het kleine
ventje op het water. Zeker was hij verdronken, als Ami hem niet
beetgepakt en, al heen en weer zwemmende door de steeds enger
wordende ruimte, met het hoofdje boven water gehouden had.
Eindelijk echter kwam er beweging; de schepen geraakten van
elkander. Maar de vernielde trap en de op en door elkander geschoven
balken en planken beletten het wakkere dier spoedig genoeg een
uitweg te vinden. En toen hem dit eindelijk gelukt was.... hadden
allen het schip reeds lang verlaten en bevond de moedige redder
zich met het bewustelooze knaapje alleen op het zinkende wrak. Was
hij geheel alleen geweest, zeker had hij zich zonder dralen in zee
gestort, om de wegzeilenden na te zwemmen, maar nu...? Zorgvuldig
zocht hij dat deel van 't schip op, 't welk zich nog het meest boven
water verhief; hij legde zijn kostbare vracht daar voorzichtig neer,
om vervolgens een luid geblaf aan te heffen en zoo de opmerkzaamheid
tot zich te trekken. Dat geblaf bracht ook het knaapje weer tot
bewustzijn, wiens geroep om "Moeder! Moeder!" echter al evenmin
gehoord werd, als het blaffen van het edele, trouwe dier.
Langzamerhand was het geluid in de verte geheel weggestorven, en hoe
Ami de ooren ook spitste, geen geruisch zelfs anders dan van den
wind en het klokkende water drong meer tot hem door.
Het schreiensmoede knaapje was eindelijk in slaap gevallen. Maar de
hond bleef waken. Met de beide voorpooten lag hij over het jongske
heen, om het verkleumde kind te verwarmen, en met zijn schrandere
oogen keek hij in het rond. 't Was alsof het verstandige dier zag,
dat het gevaar met elk oogenblik grooter werd en of hij, voelende,
dat het steeds dieper wegzinkende schip weldra geheel zou
verdwijnen, naar een middel omkeek, om zich met zijn vriendje op de
beste wijze aan het nakende onheil te onttrekken.
Reeds bedekten de golven het voorschip; nog een oogenblik, en ook de
plaats, waar hij zich met het knaapje bevond, zou niet meer veilig
zijn.
Niets ontging evenwel aan het oog van het waakzame dier. En zie,
daar richtte hij zich plotseling met een blijden kreet op, greep het
nog steeds slapende kind bij den schouder en was met één sprong
op de verschansing. Wat was er gebeurd?
De scheepsvlet of jol, die midden op het voordek stond, was driftig
geraakt en over de verschansing buiten boord geslagen. Dat had de
hond gezien en vandaar zijn blijdschap en haastige bewegingen.
De boot gleed rakelings langs de zijde van het schip naar achteren.
Daar bereikte zij de plek, waar de hond zich op post had gezet en
van het rechte oogenblik gebruik makende, sprong hij zoo behoedzaam
mogelijk in het ranke vaartuigje over.
Voor het oogenblik althans waren ze gered en gelukkig juist te
rechter tijd, want de jol kon nauwelijks honderd meter weggedreven
zijn, of het dek van de Maasdam barstte door de spanning van de
samengeperste lucht, welke zich in het hol van het schip bevond, met
een vreeselijken slag uit elkander, waarop het vaartuig in eenige
minuten vol water liep en in de diepte verdween.
Daar dobberde nu het kleine hulkje midden op den grooten Oceaan.
Gelukkig, dat de zee kalm was, anders zou het notedopje ongetwijfeld
spoedig omgeslagen zijn, en dan was alle kans op redding, zowel voor
den hond als voor het kind, verloren geweest.
Maar waarheen dreef het scheepje? Waarheen richtte het den steven,
zee- of landwaarts?....
Doch ook zelfs in het laatste geval zou het zeker nog minstens een
paar dagen duren, voor het de kust bereikt had, en wat zou er in
dien tijd van de beide vrienden worden, zonder voedsel, zonder een
enkelen druppel water zelfs?
Alleen van een voorbijzeilend schip was uitkomst voor hen te
wachten. En alsof de altijd wakkere Ami dat scheen te begrijpen,
richtte hij zich, met de voorpooten tegen den rand der boot geleund,
overeind, zoodat hem niets, wat redding kon aanbrengen, zou
ontsnappen. Daarbij vergat hij echter de zorg voor zijn jeugdig
vriendje niet. Bij de minste beweging van het ventje, dat op den
bodem der boot lag uitgestrekt, keerde hij zich om, om evenwel
dadelijk zijn vorige houding weer aan te nemen, als het bleek, dat
het kind rustig bleef doorslapen.
Eindelijk, daar week de nevel, en daarmee daagde ook hier de
redding! Een groot schip, dat tot op dat oogenblik onzichtbaar
geweest was, vertoonde zich op eenigen afstand en naderde meer en
meer de plek, waar het bootje ronddobberde. Zou het kleine hulkje
daarginds opgemerkt worden?... 't Leed geen twijfel; want zie, daar
draaide het schip reeds bij den wind! Een sloep werd te water
gelaten en het volgende oogenblik roeiden vier paar sterke armen met
krachtige slagen op de jol aan.
Kwispelstaartend en luid blaffend gaf de hond zijn blijdschap te
kennen. En daarbij schudde en likte het van vreugde uitgelaten dier
onzen Willem zoolang, dat deze eindelijk de oogen opende en, als
verbeeldde hij zich nog bij moeder in zijn bedje te liggen, de armen
om Ami heen sloeg.
Arme kleine! Wat was hij ver verwijderd van de arme vrouw, die in
haar ijlen ook niets anders deed dan roepen om haar lieveling! En
wat begon hij jammerlijk te schreien, toen hij zijn vergissing
bemerkte en zag, waar hij zich bevond.
Maar de redding was nabij. Het geluid van het schreiende kind, dat
nu ook zijn hoofdje boven de boot uitstak, werd reeds in de sloep
gehoord.
[Illustratie: Het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.]
De roeiers verdubbelden daarop nog hun krachtsinspanning, en met
eenige snelle slagen hadden zij de jol bereikt. Daar zat het
knaapje, midden op den bodem van het kleine vaartuig in zijn hemd
bijna en strekte de handjes uit naar zijn redders, die het tooneel
met bewogen oogen aanzagen.
"Moetje toe! moetje toe!" snikte hij, terwijl men hem met Ami in de
sloep opnam.
"De stumper roept om zijn moeder," zei de matroos, die hem
overtilde; want hoewel geen Hollandsch, maar Engelsch sprekend
verstond hij toch de woorden van den kleine zeer goed, daar de
moedernaam in de meeste talen al vrijwel dezelfden klank heeft.
"Nu, dan vrees ik zeer, dat hij die niet weer zal zien," merkte een
ander op. "Er is vast een ongeluk gebeurd met den mist. Zie maar
eens in het rond: daar drijven verschillende dingen, die van een
schip afkomstig zijn."
Werkelijk waren, tegelijk met de boot, nog verschillende andere
losse deelen van de Maasdam in dezelfde richting komen afdrijven.
De hond week intusschen niet van Willems zijde, maar keek daarbij
den spreker van zoo even met zijn groote, goedige oogen zoo
verstandig aan, alsof hij diens bewering bevestigen wilde.
"Jij bent een beste, brave hond, hoor!" zei deze daarop, het goede
dier vertrouwelijk op den rug kloppend. "'t Heeft je zeker vrij wat
moeite gekost, om je kleinen meester tot zoover te behouden. Nu, je
zult het goed bij ons hebben, hoor!"
De jol was middelerwijl aan de sloep vastgemaakt, daar men het zonde
achtte, ze op nieuw te laten drijven, en nu gingen de riemen
handig weer te water, om met spoed naar het wachtende schip terug te
keeren.
De "Franklin" -- dit was de naam van het vaartuig -- was een groote
Amerikaansche driemaster en met een lading petroleum naar Sidney in
Australië bestemd. Het schip had reeds voor twee dagen de haven van
New-York verlaten, maar was, door den zwaren mist opgehouden, nog
weinig gevorderd. De equipage bestond, met inbegrip van den
gezagvoerder, kapitein Smartt en de stuurlieden, uit vijf en twintig
koppen, en passagiers bevonden zich niet aan boord, één
uitgezonderd, welke men evenwel moeielijk als zoodanig kon
beschouwen, daar het de vrouw van den kapitein was.
Deze vergezelde haar man liever op zijn tochten over den oceaan, dan
geheel alleen, aan allerlei angst en onrust ten prooi, achter te
blijven, als hij naar zee ging. Kinderen, die haar dit belet zouden
hebben, bezaten zij niet, of liever bezaten zij niet meer; want hun
eenig zoontje, een knaapje van ongeveer gelijken leeftijd als
Willem, was voor een paar jaar gestorven.
Ge begrijpt dus, hoe de vrouw ontroerde, toen de matrozen met het
geredde kind uit de sloep bij den valreep opklauterden en niets
beter wisten te doen, dan haar het schreiende knaapje in de armen te
leggen.
Met tranen in de oogen snelde zij met Willem naar de kajuit, op den
voet gevolgd door Ami, die zijn plaats dáar achtte, waar zijn kleine
beschermeling bleef.
De kapitein zag met innige voldoening, hoe zijn vrouw zich dadelijk
het lot van het kind aantrok, en hij wreef zich in de handen van
genoegen toen zij zich verwijderde. "Nu wordt ze weer dezelfde van
vroeger," dacht hij bij zich zelf. "'t Is een geschenk der
Voorzienigheid, dat ons daar is toegezonden!"
Onderwijl was er een flinke bries komen opzetten, en toen nu de
sloep weer in de davids hing en ook de kleine jol binnen boord
geheschen was, werd het roer opnieuw gewend, waarop het schip door
den wind ging en zijn vorigen koers hernam.
In de kajuit had de kapiteinsvrouw het intusschen heel druk. Haar
eerste zorg was, Willem en Ami, hongerig en dorstig als ze waren,
wat te eten en te drinken te geven, wat beiden zich uitmuntend
lieten smaken. Ami had al in lang zulke lekkere hapjes niet
geproefd, als hij hier te bikken kreeg. Nu, die had hij ook wel
verdiend!
Verzadigd legde hij zich eindelijk in een hoekje neder en keek met
welgevallen in het rond. En alsof hij zijn kleinen beschermeling nu
volkomen veilig achtte, lei hij ten slotte den kop tusschen de
vooruitgestoken pooten, om van de welverdiende rust te genieten en
op zijn gemak een dutje te doen.
Onze Willem gevoelde zich ook al heel spoedig op zijn gemak met de
vriendelijke dame. Hij zat zeer vertrouwelijk op haar schoot en liet
zich, als was zij zijn moedertje, zeer gewillig door haar wasschen
en kleeden. De kleertjes van haar jongetje, die zij nog steeds
bewaarde, kwamen haar daarbij uitnemend te pas, en het ventje zag
met glinsterende oogjes, hoe mooi hij werd in het vreemde pakje, dat
hem werd aangetrokken.
"Mooi! mooi! Wimpje mooi worden!" riep hij aanhoudend, en mevrouw
Smartt, die wel begreep, wat de dreumes bedoelde, al verstond zij
ook zijn woorden niet, begon hoe langer hoe meer schrik in hem te
krijgen. De blonde krullebol zag er dan ook wezenlijk uit om te
stelen! "Precies ons ventje," dacht ze, toen hij geheel aangekleed
was. Schreiend en lachend tegelijk nam ze hem op en gaf hem een
hartelijken kus op de blozende wangen. En toen Willem, aanvallig als
hij was, daarop beide armpjes om haar hals sloeg, had hij haar hart
geheel gestolen!
Juist wilde ze haar man gaan opzoeken, toen deze, die haar met opzet
zoolang alleen gelaten had, de kajuit inkwam. En ziedaar, het was
alles gekomen, zooals kapitein Smartt zoo hartelijk hoopte! Zijn
vrouw, die na den dood van haar kind steeds droevig en in zich zelf
gekeerd was geweest, kwam hem met het knaapje op den arm en een
glimlach op de lippen tegemoet.
Onwillekeurig deed hij echter een stap achteruit. Waarom? In het hem
welbekende pakje gestoken, geleek onze krullebol zoozeer op het
overleden jongetje van den kapitein, dat deze er ten zeerste door
getroffen werd. En dat zijn vrouw het hierin met hem eens was,
bewezen al dadelijk haar woorden: "Nu, wat zeg je van den jongen? Ik
heb hem al vast maar wat aangekleed. Vind je niet, dat hij op onzen
Willy gelijkt?"
"Zoozeer," sprak de kapitein met bewogen stem, "dat ik bij 't
inkomen van de kajuit inderdaad een oogenblik meende, dat je ons
ventje op den arm hadt. Je hebt de gelijkenis dan ook wel zeer doen
uitkomen met dat pakje!" En met een zucht voegde hij er bij: "Och,
dat de schijn werkelijkheid ware!"
"Maar wat belet ons," hernam nu zijn vrouw teeder, "het arm wurm,
wiens ouders waarschijnlijk beiden omgekomen zijn, als kind aan te
nemen. Ik gevoel, dat ik als een moeder voor hem zal kunnen zijn, en
ik twijfel er niet aan, of gij zelf zult ook van het kind
beginnen te houden."
Ze waren aldus sprekende, bij elkander aan tafel gaan zitten, en de
kapitein zag met vreugde, hoe het op zulk een wonderbare wijze
geredde kind plotseling weer een blosje op de wangen zijner schoone,
doch bleeke vrouw scheen teruggetooverd te hebben.
"Toch moeten we ons niet te zeer aan het ventje hechten," bracht hij
voorzichtig in het midden; "want het zou kunnen wezen, dat zijn
ouders nog wel degelijk leven, en 't is natuurlijk onze plicht, zoo
spoedig mogelijk onderzoek daarnaar te doen. En als ze dan
teruggevonden mochten worden....."
"Zal ik het knaapje met liefde aan zijn moeder teruggeven," viel
zijn vrouw hem in de rede. "We weten immers beiden wat het zegt, een
bemind kind te verliezen!"
"Nu, dan is 't goed," sprak kapitein Smartt gerustgesteld. "Maar zou
't jongske zelf ons misschien niet iets kunnen zeggen of beduiden,
waaruit het een of ander is op te maken?"
"Ja, hij heeft al genoeg gebabbeld; maar ik versta hem niet."
"Komaan, laat mij 't dan eens probeeren. Misschien, dat het mij
gelukt, uit zijn gekeuvel wijs te worden."
De kapitein, die verscheidene talen sprak, nam nu onzen Willem op
zijn knie en deze, die op de Maasdam al zooveel vreemde gezichten
gezien en op zoo menige knie geschommeld had, toonde zich ook
tegenover hem volstrekt niet schuw. Maar of hij Willem in 't
Engelsch of Fransch of Duitsch aansprak, de kleine verstond titel
noch jota van 't geen hem gevraagd werd.
"Moetje weg, vader weg, allemaal weg! Schip ook weg!" riep hij op 't
laatst in zijn onnoozelheid.
"O, nu zijn we er!" riep de kapitein verrast, maar tevens vol
ontzetting uit bij het hooren van zooveel ongeluk. "'t Is een
Hollandsch kind, en wat hij daar vertelt, is inderdaad
allertreurigst. Vader weg, moeder weg, schip weg! Er moet dus
bepaald een aanvaring plaats gehad hebben; want slecht weer is het
de laatste dagen niet geweest, en lang heeft het ventje ook bepaald
niet rondgezwalkt." En zich daarop weer tot Willem wendende, vroeg
hij -- maar nu in 't Hollandsch -- naar alles, wat den kleinen
schipbreukeling wedervaren was. Veel wijzer werd hij echter niet. 't
Ventje kon hem slechts weinig en gebrekkig inlichten. Vader en
moeder heetten bij hem, als bij de meeste kleine kinderen eenvoudig
"vader en moeder," en hij zelf was "Willem," zonder meer.
"Dus de kleine heeft tot zelfs den naam met onzen jongen gemeen,"
merkte de kapitein met zichtbare ontroering op.
"O, dat is heerlijk! Die naam is mij zoo lief!" antwoordde zijn
vrouw levendig. "'k Wilde je juist voorstellen om hem William te
noemen." En het knaapje, daarop beide handen toestekend, vervolgde
zij: "Willy, we zullen elkaar wel spoedig leeren verstaan!"
"Begrijpen doet hij je ten minste nu al," sprak de kapitein lachend,
toen Willem dadelijk de toegestoken handen greep en op haar schoot
plaats nam. "En voor de rest zal ik wel zoo'n beetje voor tolk
spelen. Maar nu ga ik het gebeurde in het scheepsjournaal boeken.
Bovendien zal ik er een acte van opmaken en die door de geheele
equipage laten onderteekenen. Misschien kan dat stuk den knaap
nog eenmaal dienen om iets omtrent zijn ouders of
familiebetrekkingen te vernemen, als dat ons niet gelukken mocht."
Terwijl de kapitein nu een uitvoerig relaas van 't gebeurde
opstelde, begaf mevrouw Smartt zich met Willem aan dek, gevolgd door
Ami, die door het gesprek der beide echtgenooten uit zijn dutje
ontwaakt was en nu bedaard achter haar kwam aanstappen, alsof hij er
bij behoorde en hier al zijn leven thuis geweest was.
De geheele bemanning van "de Franklin" was opgetogen over den
aardigen, blozenden krullebol, en Ami werd om zijn moedig gedrag
door ieder om 't zeerst aangehaald en geprezen.
Eenige oogenblikken later verscheen ook kapitein Smartt weer aan
dek. Hij had de bewuste acte reeds in de hand en gaf nu bevel, dat
allen achter den grooten mast op het halfdek zouden verschijnen, om
het stuk te hooren voorlezen en van hun naamteekening te voorzien.
De lange zomerdag spoedde intusschen ten einde, en voor onzen
Willem, over wiens jeugdig hoofdje gedurende de laatste
vier-en-twintig uren zooveel gevaren waren heengegaan, was het meer
dan bedtijd geworden. Dit begreep mevrouw Smartt ook, en als een
echte moeder spreidde zij het verweesde kind een zacht en mollig
bedje, waarop hij weldra zoo gerust en heerlijk insliep, alsof zijn
eigen moetje hem zooeven den nachtkus gegeven had.