DERDE HOOFDSTUK.

+Op den Oceaan.+

Wie den volgenden dag in de courant de rubriek scheepstijdingen

naging, zou daar onder meer hebben kunnen lezen: "Vertrokken van

Rotterdam met bestemming naar New-York, het stoomschip "de Maasdam,"

met 70 kajuitspassagiers, t. w. Mijnheer A... Mevrouw B...

Mejuffrouw C... enz. enz. benevens 525 tusschendekspassagiers."

Voegen we daarbij nog de équipage van het schip, die uit ruim 50

koppen bestond, dan zien wij, dat ongeveer 650 menschen,

overeenkomende met de geheele bevolking van een flink dorp, aan

boord bijeen waren.

"Hoe is het mogelijk," zegt gij, "dat zulk een groot aantal menschen

binnen zoo'n beperkte ruimte plaats kan vinden? Ze mogen wel als

haringen in een ton gepakt zijn!" Nu, heel veel ruimte is er dan ook

voor ieder niet beschikbaar; daarin hebt gij gelijk. Maar de

schepen, waarmee landverhuizers naar de Nieuwe Wereld vervoerd

worden, zijn er bijzonder op ingericht, om een groot aantal

passagiers te kunnen bergen, en er is zooveel mogelijk van elke

beschikbare ruimte partij getrokken. Zoo vindt men o. a. in de

hutten voor de passagiers, die langs de zijden van het schip zijn

geplaatst, soms drie kooien boven elkander, waardoor een talrijk

gezin binnen een oppervlakte van slechts enkele vierkante Meters kan

gehuisvest worden.

De kajuit, die zich in het achterschip bevindt en een groot en

sierlijk gemeubeld vertrek vormt, strekt tot gezelschapszaal voor de

passagiers der eerste klasse, wier afzonderlijke hutten er alle op

uitkomen. Ook de kapitein en de stuurlieden hebben in dit gedeelte

van het schip hun verblijf.

De machinekamer, met haar reusachtige machines, welke het trotsche

zeegevaarte met groote kracht en snelheid over den Oceaan

voortstuwen, scheidt de kajuit van het tusschendek, waar de talrijke

tweede-klasse passagiers zich zoo goed mogelijk met de beschikbare

ruimte moeten behelpen.

Onder het tusschendek is het scheepsruim, waarin de lading geborgen

is, en nog verder naar voren heeft de equipage, zooals we trouwens

reeds zagen, haar gemeenschappelijk logies.

Ter weerszijden van het schip hangen, in zware ijzeren davids,

verscheidene booten, die in geval van nood in een oogenblik tijds te

water gelaten kunnen worden. Of zij echter voldoende zijn, om allen,

die zich aan boord bevinden, op te nemen, daaraan valt wel te

twijfelen. En toch -- maar laten we, na in hoofdzaken de inrichting

van het schip te hebben medegedeeld, tot ons verhaal terugkeeren.

Van de eerste dagen der reis valt niet veel belangrijks te zeggen.

Toen de Hoofden, waar Engeland en Frankrijk het hoofd bijna aan

elkander stooten, gepasseerd waren, had de loods zijn moeielijke

taak verricht. Aan den ingang van het Kanaal ging hij over op den

loodskotter, welke daar steeds kruisende is, om binnenvallende

schepen van loodsen te voorzien, of de loodsen van uitzeilende

schepen weer op te nemen. De man verliet het schip evenwel niet,

zonder belast te zijn met een heele bezending in haast geschreven

brieven, om de betrekkingen in het vaderland nog met eenige tijding

omtrent het aanvankelijk welslagen der reis te verrassen.

Jan Vroolijk bleef natuurlijk niet achter, om te vertellen welk een

onverwacht geluk hem en de zijnen te beurt gevallen was, door zijn

vroegeren kameraad, Piet Vlug, hier als bootsman op de Maasdam terug

te vinden. En wel mocht hij van geluk spreken; want tusschendeks,

waar zooveel menschen waren opeengehoopt, was het lang niet alles.

Zeeziekte, -- vooral onder degenen, die voor dezen nog nooit den

voet op een schip gezet hadden, -- gevoegd bij een benauwde en

drukkende warmte, maakte er het verblijf ver van benijdenswaardig.

In het voorschip daarentegen was het luchtig en frisch, en de

kapitein had het verzoek van den bootsman, om zijn logies met een

paar kennissen onder de passagiers te mogen deelen, gereedelijk

toegestaan.

Dezen wenschten natuurlijk niets liever en maakten het er zich zoo

gemakkelijk mogelijk.

Ook met de bemanning stonden zij weldra op een goeden voet. Jan

Vroolijk toch, die het luieren en niets doen volstrekt niet gewoon

was, en aan niets ter wereld meer hekel had dan aan stilzitten,

hielp den volgenden dag reeds een handje bij het scheepswerk en gaf

daarbij, nu zijn oude vroolijkheid te midden van zulk een opgewekte

omgeving langzamerhand terugkeerde, ook al eens een kwinkslag ten

beste. Zijn vrouw wist zich mede verdienstelijk te maken, door voor

dezen en genen eens een knoop aan een broek te zetten of een scheur

in een wambuis te herstellen.

En de kleine Willem?

Na twee dagen was hij de lieveling van de geheele bemanning. Hij

ging van knie op knie, of lag, tot groot vermaak van Janmaat, langs

het dek te rollen met den grooten scheepshond "Ami", een echte

New-Foundlander, die wat in zijn schik was met zulk een aardigen

speelkameraad!

Het goedige dier hechtte zich weldra zoo zeer aan het ventje, dat

hij geregeld voor de deur der hut op wacht lag en de kleine dus wèl

bewaakt zou geweest zijn, ook al had de moeder hem voor een

oogenblik alleen gelaten. Daarvoor was deze echter veel te bezorgd.

Als hem eens een ongeluk overkwam!....

Als.... Ze zou blij zijn, als ze eerst maar weer goed en wel aan wal

stonden, hoe best ze het overigens ook getroffen hadden. Daaraan was

evenwel nog in lang geen denken. Men bevond zich nog nauwelijks op

den Oceaan. De Scilly-eilanden, het laatste wat men van Europa ziet,

waren nog maar eenige uren uit het gezicht.

Ook zonder den minsten tegenspoed zou het dus nog minstens een dag

of acht duren, eer aan gene zijde van den onmetelijken waterplas,

waarop men zich thans bevond, het land weer voor hun oog verrijzen

zou, al beweerde Piet Vlug ook schertsende, dat hij den reuk van de

Amerikaansche kust al in den neus kreeg.

"Ja, de bootsman ruikt zelfs de spekpannekoeken al, die ze daar

bakken," sprak een ander tot Jan Vroolijk. "Hij heeft een echten

hondeneus!"

Onze gewezen schelpenvisscher bleef echter het antwoord niet

schuldig. Met een ondeugend glimlachje wees hij naar het topje van

den mast, en zei: "'k Dacht, dat een hond alleen vóór den wind af

rook. Maar wil ik je eens wat zeggen. Jelui schiet met spek. De geur

van de soep uit de kombuis zit je in den neus!"

't Was tegen schafttijd, moet ge weten. En zooals te denken is, had

de kok een aardig keteltje met dat heerlijke gerecht te vuur.

Nu, waar zooveel monden moesten eten, mocht dat ook wel!

Het voedsel aan boord liet inderdaad niets te wenschen over. Al

kwamen slager, bakker en melkboer hier ook niet aan de deur, zooals

thuis, toch had men elken morgen versch brood en evenzoo iederen

middag versch vleesch op tafel.

En melk bij de koffie ook?

Zonder twijfel. In gindsche stallen ziet ge eenige melkkoeien

geplaatst, benevens het noodige vette vee, dat bestemd is om

gedurende de reis geslacht te worden. Een slagerij ontbreekt dus

evenmin als een bakkerij, en elken dag heeft men zoowel versch

vleesch aan den haak, als nieuwe broodjes op de plaat.

De reis ging bij dat alles zeer naar wensch. De eene dag na den

anderen verliep onder het heerlijkste zomerweder, en een goede wind

en kalme zee maakten, dat ook zij, die in den beginne zeer aan

zeeziekte geleden hadden, spoedig weer op hun verhaal kwamen en

langzamerhand aller blikken hoopvol naar het verre Westen gericht

waren.

Allerlei spelletjes werden bedacht, om zich den tijd te korten, en

vooral als de warmte van den dag voor een heerlijk avondkoeltje had

plaats gemaakt, heerschte er aan dek van de Maasdam een gezellige

drukte.

Overal zag men troepjes landgenooten bijeen, en uit elk gezelschapje

steeg bij wijlen een hartelijke lach op.

Hier vertelde men elkander van het oude vaderland; daar deelde men

elkaar zijn plannen en vooruitzichten voor de toekomst mee, en

ginder weer bracht de een of andere grappenmaker met zijn

aardigheden de lachspieren der luisteraars in beweging.

Als dat zoo eenigen tijd geduurd had, verstomden meestal de

gesprekken en richtte zich aller oog en oor naar een troepje jonge

Duitschers, die met volle en schoone stem een heerlijk avondlied

aanhieven en over den Oceaan deden weerklinken.

Soms ook klonken de tonen van het een of ander muziekinstrument, en

in een oogenblik was dan het dek van de Maasdam in een dansvloer

herschapen, waarop vroolijke en levenslustige knapen en meisjes op

de maat der muziek rondhuppelden.

Ten slotte echter zocht ieder zijn kooi weer op, om te gaan slapen

met de hoop, dat de volgende dag even schoon weer mocht brengen en

dat men spoedig behouden in het land zijner wenschen en droomen zou

mogen aanlanden.

Op soortgelijke wijze was ook de avond van den 29 Augustus, den

tienden dag der reis, in de meest opgewekte stemming voorbijgegaan.

Men had geschertst, gezongen en gedanst en zich eindelijk vol moed

ter ruste begeven, daar de onmiskenbare teekenen van het naderend

einde der reis reeds duidelijk zichtbaar begonnen te worden.

Zeevogels waren dien dag over het schip heengevlogen; en had men

midden op den oceaan slechts nu en dan in de verte een zeil ontdekt,

gedurende de laatste uren waren daarentegen verscheidene schepen

links en rechts de Maasdam gepasseerd, van welke men er zelfs enkele

gepraaid had.

Voor velen, die maar niet konden begrijpen, hoe met voorbijzeilende

schepen een buurpraatje kan gehouden worden, ook al is de afstand

tusschen beide vaartuigen zóó groot, dat men elkaar niet beroepen,

veel minder verstaan kan, was dit nog iets nieuws geweest.

Zij zagen nu, hoe verscheidene vlaggetjes van verschillenden vorm en

kleur omhoog geheschen, daarna weer omlaag gehaald en door andere

vervangen werden. Zij zagen ook, hoe daar ginds dezelfde bewegingen

werden verricht met vlaggen van andere kleur en vorm en waren niet

weinig verwonderd, als uitkomst van dat geheimzinnig gesprek te

vernemen, dat het gepraaide schip zus of zoo heette, van A. of B.

kwam en naar Y. of Z. bestemd was, dat men zooveel dagen reis had,

dat alles wel aan boord was, enz. enz.

Gij zult zonder twijfel begrepen hebben, dat de inhoud der

gesprekken, welke op deze wijze tusschen schepen op zee gewisseld

worden, vooruit vastgesteld en aan de zeelieden bekend moet zijn.

In het daartoe aangelegde "Seinboek" is alles, wat men elkaar op zee

al zoo te zeggen kan hebben, opgenomen en door vlaggen voorgesteld.

Met dit boek in de hand kan men dus omtrent vele dingen aan boord

inlichtingen geven en ontvangen en elkander belangrijke zaken, de

reis betreffende, mededeelen.

Een andere zaak, van het uiterste gewicht voor schepen, die den

oceaan bevaren, betreft de bepalingen, welke vastgesteld zijn voor

het varen gedurende den nacht en bij mistig weder. In het eerste

geval dienen lantaarns, die een verschillend gekleurd licht geven,

om de plaats waar zich het schip bevindt en de richting waarin het

zich beweegt, aan te wijzen; in het tweede dienen daartoe kortere of

langere stooten op den misthoorn of met de stoomfluit.

Hoe nuttig deze en dergelijke bepalingen zijn en hoe noodzakelijk

het is, dat ze zorgvuldig nageleefd worden, blijkt maar al te

dikwijls.

Niet zelden toch hebben er aanvaringen op zee plaats, die soms aan

honderden menschen het leven kosten en doorgaans hun oorzaak hebben

in gebrekkige naleving of verwaarloozing van de bestaande

voorschriften.

Op de Maasdam werden deze echter ten strengste gehandhaafd. De

kapitein gevoelde te zeer de groote verantwoordelijkheid, welke op

hem rustte, om ook slechts een enkelen maatregel te verwaarloozen,

welke de veiligheid van zijn schip en van hen, die zich daarop

bevonden, kon bevorderen. Nauwelijks was dus de zon onder, of de

lichten werden ontstoken, en den uitkijk voor op den boeg werd

verdubbelde oplettendheid aanbevolen.

Ook den avond van den 29 Augustus, waarop zooveel onbezorgde

vroolijkheid aan dek van de Maasdam heerschte, waren de noodige

voorzorgsmaatregelen genomen, te meer noodig, nu men zich bij het

naderen der kust langzamerhand te midden van drukker scheepvaart

bevond. De nacht ging dan ook, zonder dat er iets bijzonders plaats

had, voorbij; maar toen de dag aanbrak, hing er een zware, dichte

mist over het water, die het uitzicht geheel belemmerde.

De kapitein liet dadelijk de vaart van het schip aanmerkelijk

verminderen en gaf bevel tot het stipt uitvoeren der voorgeschreven

signalen.

Daar weerklonk het eerste langgerekte gegil der stoomfluit, weldra

door verscheidene korte stooten gevolgd.

De passagiers ontwaakten verschrikt uit hun slaap, en velen spoedden

zich half gekleed naar boven, om te zien, wat er aan de hand was.

Tot de laatsten behoorde ook de vrouw van Jan Vroolijk. Door het

ongewone leven ontwaakt, stond zij stilletjes op, om haar zoontje

niet te wekken. En toen zij noch haar man, noch den bootsman in de

kooi vond, snelde zij naar het dek, om daar van hen te vernemen, wat

er aan de hand was.

De nevel was echter zoo dicht, dat het zelfs onmogelijk was, de

lengte van het schip geheel te overzien en zij, naar wie de beangste

vrouw zocht, schenen nergens te vinden.

Zij bevonden zich op het achterdek, waar de bootsman, voorzichtig

als hij was, in alle stilte de sloepen zorgvuldig een voor een

inspecteerde, om zich te overtuigen, dat alles in orde was.

"Beter bij tijds gezorgd, dan te laat geklaagd," merkte hij op. "Je

kunt nooit weten...." Verder kwam hij niet. "Maak dat je bij je

vrouw en kind komt, Jan!" riep hij op eens ten hoogste verschrikt

uit. "Zoo aanstonds gebeurt er een ongeluk!..."

Op 't zelfde oogenblik, dat de kapitein, die met het horloge in de

hand op de brug stond, bevel gaf tot herhaling van het signaal,

doemde voor zijn zeemansoog, dat den nevel trachtte te doorboren,

een zwarte massa op, die met onheilspellende vaart op de Maasdam

scheen aan te vallen....

"Schip te loevert uit!" schreeuwde de uitkijk op den boeg. "Roer aan

lij!.... Stoppen!.... Met volle kracht achteruit!" klonk het

vastberaden uit den mond van den kapitein. "Passagiers aan dek en

achteruit!"

Hij meende door een snelle wending van het schip een botsing nog te

kunnen voorkomen; doch hoe spoedig de gegeven bevelen ook werden

opgevolgd, 't was reeds te laat. Een oogenblik nog... en daar

stootten de twee schepen met volle kracht op elkander!

Dit alles was in zoo korten tijd gebeurd, dat Jan Vroolijk, die zich

met ontzettende moeite door de gillende en naar achteren vluchtende

passagiers heendrong, het voorschip nog niet bereikt had, toen de

noodlottige aanvaring reeds had plaats gehad.

Daar zag hij zijn vrouw handenwringend over het dek heen en weer

loopen en in minder dan geen tijd was hij bij haar.

"Ons kind!" riep hij in doodsangst, toen hij zijn Willem miste,

"waar is ons kind?"

De arme moeder, die zoo bezorgd was geweest voor haar lieveling en

hem voor het noodlottig oogenblik geen stonde uit het oog verloren

had, kon geen woord spreken. In haar radeloosheid wees zij naar

beneden en Jan, die geen woord noodig had, om haar te begrijpen,

ijlde naar de trap....

Maar vol ontzetting bleef hij op eenmaal staan.

De toegang tot het scheepslogies was geheel versperd. Het vreemde

stoomschip was met vreeselijk gekraak midden in het voorschip van de

Maasdam geloopen, had het dek opengespleten en verbrijzeld en stak er

met zijn steven hoog boven uit.

Arme ouders! Wat was er van hun jongske geworden? Verpletterd

wellicht tusschen de verbrijzelde planken en balken, of omgekomen in

het water, dat met geweld het schip binnenstroomde en den kop van 't

vaartuig reeds aanmerkelijk deed zinken! Redding was dus onmogelijk,

en toch zou het niet in hen opgekomen zijn, deze gevaarlijke plaats

te verlaten, als Piet Vlug hen niet met geweld van daar verwijderd

en naar het achterschip gebracht had.

Daar waren intusschen alle sloepen reeds te water gelaten en met

passagiers gevuld. Door de kalmte en vastberadenheid van den

kapitein en de stuurlieden en, dank zij het zorgvuldig onderzoek van

den bootsman, zoo te juister tijd ingesteld, was alles in de beste

orde afgeloopen en had men allen kunnen opnemen, daar velen, aan

niets anders denkende dan aan 't behoud van hun leven, reeds direct

na de aanvaring op 't vreemde schip waren overgesprongen.

Ook hier was men evenwel ver van veilig.

De "Columbus" -- zoo heette 't stoomschip, dat den weg van de

Maasdam zoo ongelukkig gekruist had -- deed wel alle mogelijke

moeite om zich van 't zinkende schip te bevrijden, doch hoe krachtig

zij haar machines ook deed werken en achteruit liet slaan, niets

mocht baten, en 't scheen wel, dat de beide zeegevaarten gedoemd

waren in hun vreeselijke omarming samen in de diepte te verdwijnen.

Juist echter toen de laatste man de Maasdam verlaten en ook de

wakkere kapitein in de boot plaats genomen had, ontworstelde de

Columbus zich met inspanning van alle krachten aan de doodelijke

omhelzing harer zuster en stoomde met volle kracht achteruit.

Met groote golven stroomde nu het water door de gapende wonde naar

binnen, en de stoere zeeman, die liever met zijn schip te gronde

gegaan zou zijn, dan het te verlaten, zoolang zich nog iemand aan

boord bevond, zag, met een traan in het mannelijk oog, zijn schoon

vaartuig hoe langer hoe meer in de diepte wegzinken.

En toch -- had hij geweten, wat die radelooze vrouw in de groote

boot, die de beide handen hartstochtelijk naar het wrak uitstak en

door twee mannen nauwelijks tegengehouden kon worden, om zich in de

golven te storten -- had hij geweten, wat die vrouw bewoog, zich zoo

wanhopend aan te stellen, hij zou stellig teruggekeerd zijn en,

eigen leven geringschattend getracht hebben, de gefolterde moeder

haar kind, 't zij levend, 't zij dood, terug te geven.

Nu evenwel bleef hem niets anders over, dan de arme, voor het

grootste deel halfgekleede schipbreukelingen, die niets dan het

leven hadden kunnen redden, aan boord van de Columbus in veiligheid

te brengen. Wel had ook deze belangrijke schade bekomen; doch bij

een haastig ingesteld onderzoek bleek, dat de averij zich hier meer

boven dan onder de waterlijn bevond en men dus met behulp der

dadelijk in het werk gestelde pompen het schip waarschijnlijk boven

water zou kunnen houden.

Dat de beide kapiteins elkander met alles behalve opgewekte

gezichten begroetten, valt gemakkelijk te begrijpen. Zonder evenwel

voor 't oogenblik te twisten over de vraag, wie van beiden de

schuldige was -- een later onderzoek zou dat van zelf aan 't licht

brengen -- werd besloten, dat de Columbus, die van Charleston naar

Boston bestemd en als vrachtboot volstrekt niet ingericht was om

zooveel menschen te herbergen, New-York zou aandoen, om de

passagiers en bemanning der Maasdam zoo spoedig mogelijk op de

plaats hunner bestemming te brengen.

En de Maasdam zelf?

Evenals een lijkkist in de groeve wordt neergelaten en na een

oogenblik voor 't gezicht der schreiende omstanders verdwijnt, zoo

zonk ook zij al dieper en dieper in den Oceaan, die haar zoo lang en

zoo dikwijls had gedragen, om zich eindelijk over haar te sluiten en

haar graf met zijn rustelooze golven te bedekken. De nog altijd

hangende nevel en de afstand, welke gaandeweg tusschen beide schepen

ontstaan was, maakte evenwel, dat de laatste doodstrijd van het

schoone vaartuig aan het oog der geredden onttrokken werd.

Zoo snel, als de toestand, waarin het schip verkeerde en het

beperkte uitzicht slechts toelieten, werd nu recht op de

Amerikaansche kust aangehouden, om zoo mogelijk, voor den avond

New-York nog te bereiken.

Eindelijk, daar week de nevel, en evenals de matrozen van Columbus

bij de ontdekking van Amerika den kreet: "Land! land!" hadden

aangeheven, toen het onbekende werelddeel zich eindelijk aan hun oog

vertoonde, juichten ook de landverhuizers aan boord van het naar hem

genoemde vaartuig, toen zij eensklaps de kust uit de zee zagen

oprijzen.

"Land! land!" jubelden honderden stemmen tegelijk, en alle leed

scheen op eens vergeten en voor blijde hoop plaats te hebben

gemaakt.

Wie er echter niet jubelden, dat waren Jan Vroolijk en zijn vrouw,

die zonder hun kind in het verre, vreemde land zouden aankomen!

De ongelukkige moeder lag in een ijlende koorts, en de vader zat in

stomme smart bij haar, bevreesd, dat het verlies van hun jongske,

ook den dood van zijn vrouw ten gevolge zou hebben!....

Aan den landingssteiger, waar de stoomschepen der Maatschappij hun

ligplaats hadden, heerschte intusschen al geruimen tijd een

buitengewone drukte. De Maasdam werd reeds den geheelen dag

verwacht. Eindelijk, daar meende men haar te zien naderen. Maar

neen, dat was de Maasdam, niet. Toch richtte het schip den steven

naar de gewone aanlegplaats om er zijn ongewone lading af te zetten,

en weldra ging het nieuws van de plaats gehad hebbende ramp van mond

tot mond.

Wie drong daar zoo ontstuimig naar voren, alsof hij kennissen of

bloedverwanten zocht onder de aangekomenen?

Niemand anders dan oom Willem, die reeds den vorigen dag uit

Holland, een meest door Nederlanders bewoond stadje in den staat

Michigan dicht bij Chicago, te New-York was aangekomen, om zijn

familieleden af te halen.

"Allen behouden?" vroeg hij gejaagd bij het vernemen van de ramp.

"Allen, op een jongetje na," was het antwoord, en op 't zelfde

oogenblik stond Piet Vlug naast hem.

"Komaan, daar zie ik al vast een bekend gezicht," riep hij nu

verheugd uit. "En waar zijn Jan en zijn vrouw, met hun jongen?"

Piet Vlug vertelde hem nu van het droeve ongeluk en den wreeden

slag, die juist hen zoo noodlottig getroffen had.

"Maar dat is ontzettend!" riep de man diep getroffen uit, terwijl

hij zich naar de bedroefde ouders liet brengen.

Dat was een heel andere ontmoeting, dan hij gehoopt en verwacht had!

Sprakeloos drukten de mannen elkander de hand en de kranke vrouw

herkende hem zelfs niet!

Van meegaan was natuurlijk geen sprake. De zieke moest in het

hospitaal worden opgenomen, en daar 't niet in Jan opkwam, zijn

vrouw alleen te laten, nam oom Willem den volgenden dag de terugreis

weer aan, om aan de zijnen het treurige nieuws mede te deelen.

De kleine Zwerveling · 第 10 / 15 题