+Op den Oceaan.+
Wie den volgenden dag in de courant de rubriek scheepstijdingen
naging, zou daar onder meer hebben kunnen lezen: "Vertrokken van
Rotterdam met bestemming naar New-York, het stoomschip "de Maasdam,"
met 70 kajuitspassagiers, t. w. Mijnheer A... Mevrouw B...
Mejuffrouw C... enz. enz. benevens 525 tusschendekspassagiers."
Voegen we daarbij nog de équipage van het schip, die uit ruim 50
koppen bestond, dan zien wij, dat ongeveer 650 menschen,
overeenkomende met de geheele bevolking van een flink dorp, aan
boord bijeen waren.
"Hoe is het mogelijk," zegt gij, "dat zulk een groot aantal menschen
binnen zoo'n beperkte ruimte plaats kan vinden? Ze mogen wel als
haringen in een ton gepakt zijn!" Nu, heel veel ruimte is er dan ook
voor ieder niet beschikbaar; daarin hebt gij gelijk. Maar de
schepen, waarmee landverhuizers naar de Nieuwe Wereld vervoerd
worden, zijn er bijzonder op ingericht, om een groot aantal
passagiers te kunnen bergen, en er is zooveel mogelijk van elke
beschikbare ruimte partij getrokken. Zoo vindt men o. a. in de
hutten voor de passagiers, die langs de zijden van het schip zijn
geplaatst, soms drie kooien boven elkander, waardoor een talrijk
gezin binnen een oppervlakte van slechts enkele vierkante Meters kan
gehuisvest worden.
De kajuit, die zich in het achterschip bevindt en een groot en
sierlijk gemeubeld vertrek vormt, strekt tot gezelschapszaal voor de
passagiers der eerste klasse, wier afzonderlijke hutten er alle op
uitkomen. Ook de kapitein en de stuurlieden hebben in dit gedeelte
van het schip hun verblijf.
De machinekamer, met haar reusachtige machines, welke het trotsche
zeegevaarte met groote kracht en snelheid over den Oceaan
voortstuwen, scheidt de kajuit van het tusschendek, waar de talrijke
tweede-klasse passagiers zich zoo goed mogelijk met de beschikbare
ruimte moeten behelpen.
Onder het tusschendek is het scheepsruim, waarin de lading geborgen
is, en nog verder naar voren heeft de equipage, zooals we trouwens
reeds zagen, haar gemeenschappelijk logies.
Ter weerszijden van het schip hangen, in zware ijzeren davids,
verscheidene booten, die in geval van nood in een oogenblik tijds te
water gelaten kunnen worden. Of zij echter voldoende zijn, om allen,
die zich aan boord bevinden, op te nemen, daaraan valt wel te
twijfelen. En toch -- maar laten we, na in hoofdzaken de inrichting
van het schip te hebben medegedeeld, tot ons verhaal terugkeeren.
Van de eerste dagen der reis valt niet veel belangrijks te zeggen.
Toen de Hoofden, waar Engeland en Frankrijk het hoofd bijna aan
elkander stooten, gepasseerd waren, had de loods zijn moeielijke
taak verricht. Aan den ingang van het Kanaal ging hij over op den
loodskotter, welke daar steeds kruisende is, om binnenvallende
schepen van loodsen te voorzien, of de loodsen van uitzeilende
schepen weer op te nemen. De man verliet het schip evenwel niet,
zonder belast te zijn met een heele bezending in haast geschreven
brieven, om de betrekkingen in het vaderland nog met eenige tijding
omtrent het aanvankelijk welslagen der reis te verrassen.
Jan Vroolijk bleef natuurlijk niet achter, om te vertellen welk een
onverwacht geluk hem en de zijnen te beurt gevallen was, door zijn
vroegeren kameraad, Piet Vlug, hier als bootsman op de Maasdam terug
te vinden. En wel mocht hij van geluk spreken; want tusschendeks,
waar zooveel menschen waren opeengehoopt, was het lang niet alles.
Zeeziekte, -- vooral onder degenen, die voor dezen nog nooit den
voet op een schip gezet hadden, -- gevoegd bij een benauwde en
drukkende warmte, maakte er het verblijf ver van benijdenswaardig.
In het voorschip daarentegen was het luchtig en frisch, en de
kapitein had het verzoek van den bootsman, om zijn logies met een
paar kennissen onder de passagiers te mogen deelen, gereedelijk
toegestaan.
Dezen wenschten natuurlijk niets liever en maakten het er zich zoo
gemakkelijk mogelijk.
Ook met de bemanning stonden zij weldra op een goeden voet. Jan
Vroolijk toch, die het luieren en niets doen volstrekt niet gewoon
was, en aan niets ter wereld meer hekel had dan aan stilzitten,
hielp den volgenden dag reeds een handje bij het scheepswerk en gaf
daarbij, nu zijn oude vroolijkheid te midden van zulk een opgewekte
omgeving langzamerhand terugkeerde, ook al eens een kwinkslag ten
beste. Zijn vrouw wist zich mede verdienstelijk te maken, door voor
dezen en genen eens een knoop aan een broek te zetten of een scheur
in een wambuis te herstellen.
En de kleine Willem?
Na twee dagen was hij de lieveling van de geheele bemanning. Hij
ging van knie op knie, of lag, tot groot vermaak van Janmaat, langs
het dek te rollen met den grooten scheepshond "Ami", een echte
New-Foundlander, die wat in zijn schik was met zulk een aardigen
speelkameraad!
Het goedige dier hechtte zich weldra zoo zeer aan het ventje, dat
hij geregeld voor de deur der hut op wacht lag en de kleine dus wèl
bewaakt zou geweest zijn, ook al had de moeder hem voor een
oogenblik alleen gelaten. Daarvoor was deze echter veel te bezorgd.
Als hem eens een ongeluk overkwam!....
Als.... Ze zou blij zijn, als ze eerst maar weer goed en wel aan wal
stonden, hoe best ze het overigens ook getroffen hadden. Daaraan was
evenwel nog in lang geen denken. Men bevond zich nog nauwelijks op
den Oceaan. De Scilly-eilanden, het laatste wat men van Europa ziet,
waren nog maar eenige uren uit het gezicht.
Ook zonder den minsten tegenspoed zou het dus nog minstens een dag
of acht duren, eer aan gene zijde van den onmetelijken waterplas,
waarop men zich thans bevond, het land weer voor hun oog verrijzen
zou, al beweerde Piet Vlug ook schertsende, dat hij den reuk van de
Amerikaansche kust al in den neus kreeg.
"Ja, de bootsman ruikt zelfs de spekpannekoeken al, die ze daar
bakken," sprak een ander tot Jan Vroolijk. "Hij heeft een echten
hondeneus!"
Onze gewezen schelpenvisscher bleef echter het antwoord niet
schuldig. Met een ondeugend glimlachje wees hij naar het topje van
den mast, en zei: "'k Dacht, dat een hond alleen vóór den wind af
rook. Maar wil ik je eens wat zeggen. Jelui schiet met spek. De geur
van de soep uit de kombuis zit je in den neus!"
't Was tegen schafttijd, moet ge weten. En zooals te denken is, had
de kok een aardig keteltje met dat heerlijke gerecht te vuur.
Nu, waar zooveel monden moesten eten, mocht dat ook wel!
Het voedsel aan boord liet inderdaad niets te wenschen over. Al
kwamen slager, bakker en melkboer hier ook niet aan de deur, zooals
thuis, toch had men elken morgen versch brood en evenzoo iederen
middag versch vleesch op tafel.
En melk bij de koffie ook?
Zonder twijfel. In gindsche stallen ziet ge eenige melkkoeien
geplaatst, benevens het noodige vette vee, dat bestemd is om
gedurende de reis geslacht te worden. Een slagerij ontbreekt dus
evenmin als een bakkerij, en elken dag heeft men zoowel versch
vleesch aan den haak, als nieuwe broodjes op de plaat.
De reis ging bij dat alles zeer naar wensch. De eene dag na den
anderen verliep onder het heerlijkste zomerweder, en een goede wind
en kalme zee maakten, dat ook zij, die in den beginne zeer aan
zeeziekte geleden hadden, spoedig weer op hun verhaal kwamen en
langzamerhand aller blikken hoopvol naar het verre Westen gericht
waren.
Allerlei spelletjes werden bedacht, om zich den tijd te korten, en
vooral als de warmte van den dag voor een heerlijk avondkoeltje had
plaats gemaakt, heerschte er aan dek van de Maasdam een gezellige
drukte.
Overal zag men troepjes landgenooten bijeen, en uit elk gezelschapje
steeg bij wijlen een hartelijke lach op.
Hier vertelde men elkander van het oude vaderland; daar deelde men
elkaar zijn plannen en vooruitzichten voor de toekomst mee, en
ginder weer bracht de een of andere grappenmaker met zijn
aardigheden de lachspieren der luisteraars in beweging.
Als dat zoo eenigen tijd geduurd had, verstomden meestal de
gesprekken en richtte zich aller oog en oor naar een troepje jonge
Duitschers, die met volle en schoone stem een heerlijk avondlied
aanhieven en over den Oceaan deden weerklinken.
Soms ook klonken de tonen van het een of ander muziekinstrument, en
in een oogenblik was dan het dek van de Maasdam in een dansvloer
herschapen, waarop vroolijke en levenslustige knapen en meisjes op
de maat der muziek rondhuppelden.
Ten slotte echter zocht ieder zijn kooi weer op, om te gaan slapen
met de hoop, dat de volgende dag even schoon weer mocht brengen en
dat men spoedig behouden in het land zijner wenschen en droomen zou
mogen aanlanden.
Op soortgelijke wijze was ook de avond van den 29 Augustus, den
tienden dag der reis, in de meest opgewekte stemming voorbijgegaan.
Men had geschertst, gezongen en gedanst en zich eindelijk vol moed
ter ruste begeven, daar de onmiskenbare teekenen van het naderend
einde der reis reeds duidelijk zichtbaar begonnen te worden.
Zeevogels waren dien dag over het schip heengevlogen; en had men
midden op den oceaan slechts nu en dan in de verte een zeil ontdekt,
gedurende de laatste uren waren daarentegen verscheidene schepen
links en rechts de Maasdam gepasseerd, van welke men er zelfs enkele
gepraaid had.
Voor velen, die maar niet konden begrijpen, hoe met voorbijzeilende
schepen een buurpraatje kan gehouden worden, ook al is de afstand
tusschen beide vaartuigen zóó groot, dat men elkaar niet beroepen,
veel minder verstaan kan, was dit nog iets nieuws geweest.
Zij zagen nu, hoe verscheidene vlaggetjes van verschillenden vorm en
kleur omhoog geheschen, daarna weer omlaag gehaald en door andere
vervangen werden. Zij zagen ook, hoe daar ginds dezelfde bewegingen
werden verricht met vlaggen van andere kleur en vorm en waren niet
weinig verwonderd, als uitkomst van dat geheimzinnig gesprek te
vernemen, dat het gepraaide schip zus of zoo heette, van A. of B.
kwam en naar Y. of Z. bestemd was, dat men zooveel dagen reis had,
dat alles wel aan boord was, enz. enz.
Gij zult zonder twijfel begrepen hebben, dat de inhoud der
gesprekken, welke op deze wijze tusschen schepen op zee gewisseld
worden, vooruit vastgesteld en aan de zeelieden bekend moet zijn.
In het daartoe aangelegde "Seinboek" is alles, wat men elkaar op zee
al zoo te zeggen kan hebben, opgenomen en door vlaggen voorgesteld.
Met dit boek in de hand kan men dus omtrent vele dingen aan boord
inlichtingen geven en ontvangen en elkander belangrijke zaken, de
reis betreffende, mededeelen.
Een andere zaak, van het uiterste gewicht voor schepen, die den
oceaan bevaren, betreft de bepalingen, welke vastgesteld zijn voor
het varen gedurende den nacht en bij mistig weder. In het eerste
geval dienen lantaarns, die een verschillend gekleurd licht geven,
om de plaats waar zich het schip bevindt en de richting waarin het
zich beweegt, aan te wijzen; in het tweede dienen daartoe kortere of
langere stooten op den misthoorn of met de stoomfluit.
Hoe nuttig deze en dergelijke bepalingen zijn en hoe noodzakelijk
het is, dat ze zorgvuldig nageleefd worden, blijkt maar al te
dikwijls.
Niet zelden toch hebben er aanvaringen op zee plaats, die soms aan
honderden menschen het leven kosten en doorgaans hun oorzaak hebben
in gebrekkige naleving of verwaarloozing van de bestaande
voorschriften.
Op de Maasdam werden deze echter ten strengste gehandhaafd. De
kapitein gevoelde te zeer de groote verantwoordelijkheid, welke op
hem rustte, om ook slechts een enkelen maatregel te verwaarloozen,
welke de veiligheid van zijn schip en van hen, die zich daarop
bevonden, kon bevorderen. Nauwelijks was dus de zon onder, of de
lichten werden ontstoken, en den uitkijk voor op den boeg werd
verdubbelde oplettendheid aanbevolen.
Ook den avond van den 29 Augustus, waarop zooveel onbezorgde
vroolijkheid aan dek van de Maasdam heerschte, waren de noodige
voorzorgsmaatregelen genomen, te meer noodig, nu men zich bij het
naderen der kust langzamerhand te midden van drukker scheepvaart
bevond. De nacht ging dan ook, zonder dat er iets bijzonders plaats
had, voorbij; maar toen de dag aanbrak, hing er een zware, dichte
mist over het water, die het uitzicht geheel belemmerde.
De kapitein liet dadelijk de vaart van het schip aanmerkelijk
verminderen en gaf bevel tot het stipt uitvoeren der voorgeschreven
signalen.
Daar weerklonk het eerste langgerekte gegil der stoomfluit, weldra
door verscheidene korte stooten gevolgd.
De passagiers ontwaakten verschrikt uit hun slaap, en velen spoedden
zich half gekleed naar boven, om te zien, wat er aan de hand was.
Tot de laatsten behoorde ook de vrouw van Jan Vroolijk. Door het
ongewone leven ontwaakt, stond zij stilletjes op, om haar zoontje
niet te wekken. En toen zij noch haar man, noch den bootsman in de
kooi vond, snelde zij naar het dek, om daar van hen te vernemen, wat
er aan de hand was.
De nevel was echter zoo dicht, dat het zelfs onmogelijk was, de
lengte van het schip geheel te overzien en zij, naar wie de beangste
vrouw zocht, schenen nergens te vinden.
Zij bevonden zich op het achterdek, waar de bootsman, voorzichtig
als hij was, in alle stilte de sloepen zorgvuldig een voor een
inspecteerde, om zich te overtuigen, dat alles in orde was.
"Beter bij tijds gezorgd, dan te laat geklaagd," merkte hij op. "Je
kunt nooit weten...." Verder kwam hij niet. "Maak dat je bij je
vrouw en kind komt, Jan!" riep hij op eens ten hoogste verschrikt
uit. "Zoo aanstonds gebeurt er een ongeluk!..."
Op 't zelfde oogenblik, dat de kapitein, die met het horloge in de
hand op de brug stond, bevel gaf tot herhaling van het signaal,
doemde voor zijn zeemansoog, dat den nevel trachtte te doorboren,
een zwarte massa op, die met onheilspellende vaart op de Maasdam
scheen aan te vallen....
"Schip te loevert uit!" schreeuwde de uitkijk op den boeg. "Roer aan
lij!.... Stoppen!.... Met volle kracht achteruit!" klonk het
vastberaden uit den mond van den kapitein. "Passagiers aan dek en
achteruit!"
Hij meende door een snelle wending van het schip een botsing nog te
kunnen voorkomen; doch hoe spoedig de gegeven bevelen ook werden
opgevolgd, 't was reeds te laat. Een oogenblik nog... en daar
stootten de twee schepen met volle kracht op elkander!
Dit alles was in zoo korten tijd gebeurd, dat Jan Vroolijk, die zich
met ontzettende moeite door de gillende en naar achteren vluchtende
passagiers heendrong, het voorschip nog niet bereikt had, toen de
noodlottige aanvaring reeds had plaats gehad.
Daar zag hij zijn vrouw handenwringend over het dek heen en weer
loopen en in minder dan geen tijd was hij bij haar.
"Ons kind!" riep hij in doodsangst, toen hij zijn Willem miste,
"waar is ons kind?"
De arme moeder, die zoo bezorgd was geweest voor haar lieveling en
hem voor het noodlottig oogenblik geen stonde uit het oog verloren
had, kon geen woord spreken. In haar radeloosheid wees zij naar
beneden en Jan, die geen woord noodig had, om haar te begrijpen,
ijlde naar de trap....
Maar vol ontzetting bleef hij op eenmaal staan.
De toegang tot het scheepslogies was geheel versperd. Het vreemde
stoomschip was met vreeselijk gekraak midden in het voorschip van de
Maasdam geloopen, had het dek opengespleten en verbrijzeld en stak er
met zijn steven hoog boven uit.
Arme ouders! Wat was er van hun jongske geworden? Verpletterd
wellicht tusschen de verbrijzelde planken en balken, of omgekomen in
het water, dat met geweld het schip binnenstroomde en den kop van 't
vaartuig reeds aanmerkelijk deed zinken! Redding was dus onmogelijk,
en toch zou het niet in hen opgekomen zijn, deze gevaarlijke plaats
te verlaten, als Piet Vlug hen niet met geweld van daar verwijderd
en naar het achterschip gebracht had.
Daar waren intusschen alle sloepen reeds te water gelaten en met
passagiers gevuld. Door de kalmte en vastberadenheid van den
kapitein en de stuurlieden en, dank zij het zorgvuldig onderzoek van
den bootsman, zoo te juister tijd ingesteld, was alles in de beste
orde afgeloopen en had men allen kunnen opnemen, daar velen, aan
niets anders denkende dan aan 't behoud van hun leven, reeds direct
na de aanvaring op 't vreemde schip waren overgesprongen.
Ook hier was men evenwel ver van veilig.
De "Columbus" -- zoo heette 't stoomschip, dat den weg van de
Maasdam zoo ongelukkig gekruist had -- deed wel alle mogelijke
moeite om zich van 't zinkende schip te bevrijden, doch hoe krachtig
zij haar machines ook deed werken en achteruit liet slaan, niets
mocht baten, en 't scheen wel, dat de beide zeegevaarten gedoemd
waren in hun vreeselijke omarming samen in de diepte te verdwijnen.
Juist echter toen de laatste man de Maasdam verlaten en ook de
wakkere kapitein in de boot plaats genomen had, ontworstelde de
Columbus zich met inspanning van alle krachten aan de doodelijke
omhelzing harer zuster en stoomde met volle kracht achteruit.
Met groote golven stroomde nu het water door de gapende wonde naar
binnen, en de stoere zeeman, die liever met zijn schip te gronde
gegaan zou zijn, dan het te verlaten, zoolang zich nog iemand aan
boord bevond, zag, met een traan in het mannelijk oog, zijn schoon
vaartuig hoe langer hoe meer in de diepte wegzinken.
En toch -- had hij geweten, wat die radelooze vrouw in de groote
boot, die de beide handen hartstochtelijk naar het wrak uitstak en
door twee mannen nauwelijks tegengehouden kon worden, om zich in de
golven te storten -- had hij geweten, wat die vrouw bewoog, zich zoo
wanhopend aan te stellen, hij zou stellig teruggekeerd zijn en,
eigen leven geringschattend getracht hebben, de gefolterde moeder
haar kind, 't zij levend, 't zij dood, terug te geven.
Nu evenwel bleef hem niets anders over, dan de arme, voor het
grootste deel halfgekleede schipbreukelingen, die niets dan het
leven hadden kunnen redden, aan boord van de Columbus in veiligheid
te brengen. Wel had ook deze belangrijke schade bekomen; doch bij
een haastig ingesteld onderzoek bleek, dat de averij zich hier meer
boven dan onder de waterlijn bevond en men dus met behulp der
dadelijk in het werk gestelde pompen het schip waarschijnlijk boven
water zou kunnen houden.
Dat de beide kapiteins elkander met alles behalve opgewekte
gezichten begroetten, valt gemakkelijk te begrijpen. Zonder evenwel
voor 't oogenblik te twisten over de vraag, wie van beiden de
schuldige was -- een later onderzoek zou dat van zelf aan 't licht
brengen -- werd besloten, dat de Columbus, die van Charleston naar
Boston bestemd en als vrachtboot volstrekt niet ingericht was om
zooveel menschen te herbergen, New-York zou aandoen, om de
passagiers en bemanning der Maasdam zoo spoedig mogelijk op de
plaats hunner bestemming te brengen.
En de Maasdam zelf?
Evenals een lijkkist in de groeve wordt neergelaten en na een
oogenblik voor 't gezicht der schreiende omstanders verdwijnt, zoo
zonk ook zij al dieper en dieper in den Oceaan, die haar zoo lang en
zoo dikwijls had gedragen, om zich eindelijk over haar te sluiten en
haar graf met zijn rustelooze golven te bedekken. De nog altijd
hangende nevel en de afstand, welke gaandeweg tusschen beide schepen
ontstaan was, maakte evenwel, dat de laatste doodstrijd van het
schoone vaartuig aan het oog der geredden onttrokken werd.
Zoo snel, als de toestand, waarin het schip verkeerde en het
beperkte uitzicht slechts toelieten, werd nu recht op de
Amerikaansche kust aangehouden, om zoo mogelijk, voor den avond
New-York nog te bereiken.
Eindelijk, daar week de nevel, en evenals de matrozen van Columbus
bij de ontdekking van Amerika den kreet: "Land! land!" hadden
aangeheven, toen het onbekende werelddeel zich eindelijk aan hun oog
vertoonde, juichten ook de landverhuizers aan boord van het naar hem
genoemde vaartuig, toen zij eensklaps de kust uit de zee zagen
oprijzen.
"Land! land!" jubelden honderden stemmen tegelijk, en alle leed
scheen op eens vergeten en voor blijde hoop plaats te hebben
gemaakt.
Wie er echter niet jubelden, dat waren Jan Vroolijk en zijn vrouw,
die zonder hun kind in het verre, vreemde land zouden aankomen!
De ongelukkige moeder lag in een ijlende koorts, en de vader zat in
stomme smart bij haar, bevreesd, dat het verlies van hun jongske,
ook den dood van zijn vrouw ten gevolge zou hebben!....
Aan den landingssteiger, waar de stoomschepen der Maatschappij hun
ligplaats hadden, heerschte intusschen al geruimen tijd een
buitengewone drukte. De Maasdam werd reeds den geheelen dag
verwacht. Eindelijk, daar meende men haar te zien naderen. Maar
neen, dat was de Maasdam, niet. Toch richtte het schip den steven
naar de gewone aanlegplaats om er zijn ongewone lading af te zetten,
en weldra ging het nieuws van de plaats gehad hebbende ramp van mond
tot mond.
Wie drong daar zoo ontstuimig naar voren, alsof hij kennissen of
bloedverwanten zocht onder de aangekomenen?
Niemand anders dan oom Willem, die reeds den vorigen dag uit
Holland, een meest door Nederlanders bewoond stadje in den staat
Michigan dicht bij Chicago, te New-York was aangekomen, om zijn
familieleden af te halen.
"Allen behouden?" vroeg hij gejaagd bij het vernemen van de ramp.
"Allen, op een jongetje na," was het antwoord, en op 't zelfde
oogenblik stond Piet Vlug naast hem.
"Komaan, daar zie ik al vast een bekend gezicht," riep hij nu
verheugd uit. "En waar zijn Jan en zijn vrouw, met hun jongen?"
Piet Vlug vertelde hem nu van het droeve ongeluk en den wreeden
slag, die juist hen zoo noodlottig getroffen had.
"Maar dat is ontzettend!" riep de man diep getroffen uit, terwijl
hij zich naar de bedroefde ouders liet brengen.
Dat was een heel andere ontmoeting, dan hij gehoopt en verwacht had!
Sprakeloos drukten de mannen elkander de hand en de kranke vrouw
herkende hem zelfs niet!
Van meegaan was natuurlijk geen sprake. De zieke moest in het
hospitaal worden opgenomen, en daar 't niet in Jan opkwam, zijn
vrouw alleen te laten, nam oom Willem den volgenden dag de terugreis
weer aan, om aan de zijnen het treurige nieuws mede te deelen.