+De landverhuizers.+
We bevinden ons te Rotterdam.
Wie van leven en beweging houdt, is hier aan het rechte kantoor.
Geen drukker plekje toch in ons geheele land dan Rotterdam aan den
Maaskant, aan de zoogenaamde Boompjes. Daar kent men geen rust; daar
wordt het nooit nacht! Een onafzienbare, twee-, driedubbele rij van
schepen strekt zich langs den oever uit, en zonder ophouden is men
er aan het laden en lossen. Een bijenzwerm gelijk, zoo woelt en
krioelt daar alles door elkander. Het geraas van honderden
voertuigen, vermengd met het gegons van duizenden schreeuwende en
zingende menschenstemmen en het onophoudelijk gegil der stoomfluiten
doet iemand hooren en zien vergaan. Ieder oogenblik komen en
vertrekken er stoomschepen en andere vaartuigen, en de rivier voor
de stad biedt een tooneel aan van leven en bedrijvigheid, zooals men
dat bijna nergens anders aantreft. Uit alle oorden der wereld komen
reusachtige zeekasteelen hier de schatten brengen, waarmee zij
bevracht zijn; naar alle hemelstreken vertrekken zij weer, voorzien
van niet minder kostbare lading, dan zij hebben aangebracht!
Ziet gij daar dat groote stoomschip met zijn rookende schoorsteenen
en vroolijk wapperende vlaggen aan den top der masten?
Honderden menschen verdringen zich in de nabijheid van dat vaartuig,
en gedurig ziet men enkelen uit de massa de loopplank betreden en
zich aan boord begeven.
Het is een passagiersboot, die tot vertrek gereed ligt!
Maar voor hun plezier schijnen de reizigers dan toch niet uit te
gaan; want het schreien staat den meesten nader dan het lachen.
Velen kunnen zelfs hun tranen niet bedwingen; terwijl enkelen, die
den voet reeds op de loopplank gezet hebben, nogmaals en nogmaals
terugkeeren, om afscheid te nemen van hen, die achterblijven en ze
tot hiertoe hebben uitgeleid.
Hier zien we een zoon, die zijn oude moeder om den hals valt; daar
een man, die vrouw en kinderen teeder omhelst en innig aan het hart
drukt; ginder weer een ander tooneel, dat aan afscheidnemen voor
langen, zeer langen tijd doet denken.
En te midden van dat alles worden kisten en koffers aangevoerd en in
het schip geladen, terwijl elke aankomende trein of boot het aantal
passagiers nog doet vermeerderen.
Ziet ge geen kennissen te midden van al die vreemde, meest treurige
gezichten?....
Neen?.... Ja toch, daar komt nog een klein gezelschap, dat we meer
moeten gezien hebben.
't Bestaat slechts uit drie personen: man, vrouw en kind.
Wie het dan zijn?
Niemand anders dan Jan Vroolijk en zijn vrouw met hun kleinen
Willem.
Begrijpt ge nu ook, wat de reden is van al die droefheid en
treurigheid om u heen?
Het stoomschip, dat ge daar voor u ziet liggen, is de "Maasdam" van
de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij en ligt gereed
om den Atlantischen Oceaan over te steken naar Amerika.
Drie maanden geleden was met een ander stoomschip van dezelfde
Maatschappij de brief verzonden, waarin zij oom Willem hun plan, om
over te komen, hadden medegedeeld, en nu stonden zij gereed, de
groote reis te aanvaarden.
Wat een drukte en beslommering was er evenwel aan dit oogenblik
voorafgegaan!
Verkooping van huis en schuit en 't overtollige huisraad,
afscheidsbezoeken aan familie en bekenden, te veel om te noemen.
Gelukkig, dat oom Willem het niet bij woorden had gelaten, maar "uit
voorzorg" zooals hij schreef, alvast maar een plaatsbillet, dat hun
vrijen overtocht op de boot verzekerde, had overgezonden; want toen
alles verkocht was en allen, die iets van Jan Vroolijk te vorderen
hadden, tot den laatsten cent waren afbetaald, schoot er waarlijk
niet veel over.
Waar de visscherij geheel verviel en dientengevolge reeds zooveel
woningen ledig stonden, kon de opbrengst van hun geringe bezittingen
natuurlijk slechts luttel zijn.
Eindelijk stonden zij aan den vooravond van hun vertrek. Van allen
hadden zij afscheid genomen, en den volgenden morgen vroeg zouden ze
in alle stilte afreizen.
Nog één bezoek slechts wenschten zij af te leggen, en dat zeker wel
niet het minst treffende: een bezoek aan het kerkhof.
Jan Vroolijk en zijn vrouw konden den vaderlandschen bodem niet
verlaten, konden niet van hun dorpje scheiden, zonder eerst nog
eenmaal de plek bezocht te hebben, waar hun twee gestorven
lievelingen begraven lagen. Dat daar heete tranen geschreid werden,
behoef ik u zeker niet te zeggen.
Maar gelukkig behoefden zij toch niet alles achter te laten, wat hun
lief en dierbaar was! Zij hadden immers hun ventje nog, hun
oogappel, zooals moeder hem noemde!
Hoe zacht en rustig sliep hij daar voor de laatste maal in zijn
bedje, onbewust van alles wat hem wachtte!
Konden vader en moeder ook slechts zoo slapen! Maar de herinneringen
aan het verleden en de gedachten aan de toekomst, die zij
tegengingen, waren hun te machtig.
Bijna slapeloos brachten zij den nacht door en de volgende morgen
vond hen al weer vroeg op de been.
't Was maar goed, dat moeder eenige afleiding vond in haar jongske,
dat wat in zijn schik was met het nieuwe pakje, 't welk voor deze
gelegenheid aangeschaft was en hem nu werd aangetrokken.
Eten?
Kom, een klein stukje toch! De reis naar Rotterdam is zoo lang!....
Maar de bete blijft in de keel steken.
Hoor! daar rolt een rijtuig door de stille dorpsstraat. Voor de deur
der woning houdt het stil.
"'t Is tijd, vrienden!" zoo klinkt de stem van den koetsier.
Werktuiglijk staan allen op.
Nog een kus, nog een handdruk, nog een laatste blik her- en
derwaarts, en zij zitten in het rijtuig.
"Dag! dag!" roept de kleine Willem boven alles uit, en hij klapt in
de handen van pret, dat hij mee uit rijden mag gaan.
"Ga met God en gelukkige reis!" is het laatste, wat zij hooren, en
daar gaat het.... het dorp uit en den weg op!....
Aan de boot, die ter afvaart gereed ligt en den achteraankomenden
door een schel en snijdend gefluit tot spoed aanmaant, vinden we hen
terug. Hun bagage, een groote kist, waarin 't beste en kostbaarste,
wat zij bezitten is geborgen, bevindt zich reeds aan boord en na
eenige oogenblikken zijn ook zij achter de hooge verschansing van
het vaartuig verdwenen.
Daar, op het dek van het groote stoomschip, heerscht intusschen niet
minder drukte dan aan den wal.
Het aantal passagiers bedraagt dan ook stellig eenige honderden. En
niet alleen Nederlanders treffen we hier aan, verscheidene volken
van Europa hebben hun deel geleverd aan het groot aantal van hen,
die het gemeenschappelijk doel "Amerika" binnen deze beperkte ruimte
bijeengebracht heeft.
Duitschers, Russen, Zwitsers,.... allen richten hun blik naar de
Nieuwe Wereld en keeren het oude, vergrijsde Europa den rug toe, in
de hoop, daar ginds bij een meer onbezorgd bestaan een minder
donkere toekomst te zullen tegengaan.
Toch valt het scheiden den meesten zwaar, en ons drietal ziet zich
dan ook door alles behalve vroolijke gezichten omringd.
In groepjes bijeengeschaard, naar gelang van den verschillenden
land- en volksaard, tracht men elkander te troosten en te
bemoedigen, wat evenwel niet belet, dat menig overkropt gemoed een
oogenblik later weer in tranen en snikken uitbarst.
Geen wonder, dat ook de pas bedwongen smart van Jan Vroolijk en zijn
vrouw zich, te midden van zooveel treurigheid, op nieuw deed gelden.
In een afgezonderd hoekje zette de moeder zich neer. Met haar
kleinen Willem, die het moede hoofdje tegen haar liet aanvallen en
weldra in slaap viel, op den schoot, zat zij in stilte te weenen, en
ook Jan kwam tot de ontdekking, dat de laatste loodjes niet het
minst zwaar wegen. "Waren we maar goed en wel in zee!" zuchtte hij
in zich zelf, toen een hand op zijn schouder gelegd werd en hij,
zich omkeerende, een ouden bekende voor zich zag staan.
"Wat drommel, vroolijke Jan, zet eens een ander gezicht, opdat ik
zien kan, of ik den rechten wel voor heb! Je lip hangt zoowaar op 't
derde knoopsgat." Aldus schertsende stak Piet Vlug, een
schoolkameraad van Jan Vroolijk en nu als bootsman op de Maasdam in
dienst, den toegesprokene de hand toe, die Jan, aangenaam verrast,
met warmte drukte.
"En jij, Keetje, ken jij me niet meer?" ging Piet Vlug in één adem
voort. "We hebben mekaar ook in zoo lang niet gezien. Maar je
herinnert je toch immers Vlugge Piet nog wel, al noemde je hem ook
meestal: 'Nare Piet', omdat hij je altijd zoo'n beetje voor den gek
hield! Komaan, meid, droog je tranen en ga jelui maar met mij mee,
dan zal ik je wel zoo'n beetje terecht helpen. Ik onderstel toch,
dat je hier niet per abuis verzeild bent, maar plan hebt, om met ons
naar den overkant te gaan!"
"O, wat treffen we dat, Jan!" zei Keetje, die zich een hart onder de
riem gestoken voelde bij deze onverwachte ontmoeting. "Zeker ken ik
je nog, Piet!.... En vaar jij hier op dit schip?".....
Zij was inmiddels opgestaan met het kleine ventje, dat zijn hoofdje
tegen haar had aangevlijd en onder alle aandoeningen zijner ouders
rustig doorsliep. "Lag je maar goed en wel in je bedje, mijn
jongen!" zuchtte zij, voorzichtig een kus op zijn voorhoofdje
drukkend.
"Wacht, daar is raad voor!" sprak Piet Vlug, haar op zijde komende.
"Geef dien kleinen kleuter maar hier en volg mij dan maar. Ik zal
jelui in mijn logies brengen, dan kan je daar alvast een beetje van
den schrik bekomen."
Zij gingen nu naar het voorschip, waar zich het logies van de
bemanning bevindt en waar Piet Vlug als bootsman zijn afzonderlijke
hut met kooi had. Daar aangekomen, lei de goedhartige zeeman het
kleine mannetje voorzichtig onder de dekens, bood vervolgens zijn
oude kennissen elk een vouwstoeltje aan en spoedde zich toen met de
woorden: "Zie zoo, kom nu eerst maar een beetje tot je zelf", naar
de kombuis, om aan den kok een keteltje koffie te vragen.
Belast en beladen kwam hij een oogenblik later weer terug, zette een
en ander op een klein kleptafeltje, dat aan den wand hing en nu op-
en vastgezet werd en sprak toen: "Zie zoo, dat is beter, dan daar
boven aan dek te midden van al die narigheid! Als ik je nu een
goeien raad mag geven, eet en drink dan eens wat; want daar zal
zeker vandaag nog niet veel van gekomen zijn; dan kom je van zelf
weer wat op je verhaal. Als ik dan strakjes, wanneer we in 't ruime
sop zijn, eens een slippertje kan maken, kom ik een half uurtje bij
jelui praten. Je hebt immers je papieren en staat op de
scheepsrol?.... Mooi! blijf dan maar rustig bij mekaar, en doe of je
thuis waart, net als die daar in mijn kooi! Als de rol afgelezen
wordt, zal ik je wel even waarschuwen. Tot straks!".... Met wipte
hij de hut uit en was in een ommezien weer aan dek, waar men reeds
druk in de weer was, om de kettingen en trossen, waaraan het schip
gemeerd lag, los te maken en binnen boord te halen, daar het
oogenblik van vertrek -- op de minuut af bepaald -- met rassche
schreden naderde.
De kapitein en de loods bevonden zich op de brug; de officieren
liepen heen en weer op het dek en deelden hun bevelen uit; het
scheepsvolk trok onder het aanheffen van een vroolijk matrozenliedje
aan de touwen; de machinisten beneden brachten de machine in
beweging, zoodat het schip door al zijn leden trilde, evenals de
passagiers, die begrepen, dat nu het beslissende oogenblik gekomen
was.
Zij, die familieleden aan den wal hadden staan, rekten zich nogmaals
over de verschansing van het zwaaiende schip heen, om nog een
laatsten groet -- een allerlaatst vaarwel -- op te kunnen vangen, en
dan zoolang naar dezelfde plek te staren, tot alles zich voor hun
beneveld oog in een grauwe, golvende massa oploste, waaruit zij
echter toch nog altijd de gelaatstrekken der hunnen meenden te
kunnen herkennen.
Jan Vroolijk en zijn vrouw bleven, den raad van hun vriend
opvolgende, stilletjes beneden in de hut; maar de eerste slagen der
machine deden niettemin ook hen geweldig schokken. Willem bleef
echter, ten spijt van alle geweld en geraas, rustig doorslapen, en
als zoo iets in staat was, hen weer tot kalmte te brengen, dan was
het zeker wel het gezicht van hun slapenden lieveling!
Na een poosje lag de Maasdam op stroom, met den steven naar den
Oceaan gekeerd, zachtjes dansend op de kabbelende golfjes, die
krijgertje speelden om den boeg en het schoone vaartuig hun welkom
op de baren toezongen.
Nog enkele formaliteiten slechts en de reis zou beginnen. Het schip
moest namelijk nog "uitgeklaard" worden, m. a. w. door daartoe van
wege het Rijk aangestelde ambtenaren moesten de scheepspapieren
worden onderzocht. Toen deze echter in orde waren bevonden, en toen
zoowel de bemanning als de ingeschreven passagiers allen aanwezig
bleken te zijn -- onze bootsman had volgens belofte zijn kennissen
bijtijds van het aflezen der scheepsrol verwittigd -- en eindelijk
ook de laatste boot het schip had verlaten, om naar den wal terug te
roeien, belette niets meer, het anker te lichten en zee te kiezen.
Daar rammelt de zware ijzeren ketting in de kluisgaten bij het
draaien aan het spil en -- de laatste boei is verbroken.
"Vooruit!" klinkt het bevelend van de brug, en het schip zet zich in
beweging. Een dikke rookwolk stijgt uit beide schoorsteenen omhoog,
en met de vlag aan den top van den grooten mast wordt driemaal
gesalueerd, welken groet het op stroom liggende wachtschip der
Marine op gelijke wijze beantwoordt.
Langzaam en statig beweegt zich nu het trotsche stoomgevaarte
tusschen allerlei op- en afzeilende vaartuigen, en hoewel aller blik
nog achterwaarts gericht is, gaat het toch steeds onverbiddelijk
voorwaarts. Weldra heeft men de Nieuwe Maas achter zich; nog een
uur, en ook de Nieuwe Waterweg is ten einde gestoomd. Reeds rollen
de golven der Noordzee schuimend en bruisend op het vaartuig aan, om
het welkom van daar straks luide en krachtig te herhalen.
Daar dreunt een kanonschot over het water, een oogenblik later nog
een en nog een, en als tegengroet zendt ook het vaderland den
vertrekkenden landverhuizers uit de stalen vuurmonden van het fort
in de duinen een tot driemaal herhaald vaarwel toe!
Nauwelijks is het geluid weggestorven, of het schip bevindt zich in
zee.
"Met volle kracht vooruit!" beveelt nu de kapitein, die zijn post op
de brug nog niet verlaten heeft, en daar gaat het den oceaan op!
't Is omstreeks acht uur in den avond. Het Augustuszonnetje neigt
ten ondergang en haar laatste stralen verlichten de toppen der
duinen, de laatste punten van het steeds dieper wegzinkende land,
waarop nogtans zoo velen weemoedige blikken onafgebroken gericht
zijn. Daar gaat de zon onder, en ook de laatste oneffenheid aan den
horizon is verdwenen. Water, niets dan water breidt zich rondom hen
uit!
Wie schetst, wat daar omgaat in zoo menig hart, als het vochtig oog
zich eindelijk van de verdwenen kust afwendt!
"Komaan, nu eens te loevert uitgekeken! Er valt aan lij toch niets
meer te zien, al kijk je je oogen ook blind!" Met deze woorden
voegde onze bootsman zich eindelijk weer bij zijn vrienden. Dezen
waren, toen de kleine Willem door de geloste schoten wakker geworden
was, weer aan dek verschenen en stonden nu, in gedachten verzonken,
nog altijd de plek na te staren, waar het meest vooruitspringende
deel der vaderlandsche kust zoo even in zee was weggedoken.
"Ja, jij hebt goed praten, Piet!" zei Jan Vroolijk bewogen, "jij
keert over een week drie, vier terug; maar wij zien het vaderland
hoogst waarschijnlijk nimmer weer."
"Och kom, kwel je daar nu niet langer mee! Je bent nu toch eenmaal
in het schuitje en -- wie in het schuitje zit, moet meevaren. Wie
weet, hoe spoedig je voor je plezier eens een uitstapje naar Holland
terug maakt!... Maar wordt het niet te koud aan dek voor dien
kleinen landverhuizer, Kee?.... 't Ventje ziet zoo bleek!.... Zou
hij misschien al last beginnen te krijgen van...?"
"Van zeeziekte, bedoel je?" vroeg Keetje, haar knaapje bezorgd
aanziende.
"Wees wijzer, vrouw!" sprak de vader; "met die gekheid houden we ons
niet op. Maar de jongen krijgt slaap. We moesten met hem naar
beneden gaan, dunkt je niet?"
"Wel ja, laten we van de gelegenheid profiteeren," zei Piet Vlug.
"Ik heb de hondenwacht en zou het heel prettig vinden, samen nog een
uurtje te keuvelen. 't Is toch nog te vroeg om naar kooi te gaan."
"Maar waar belanden we dan straks?" vroegen man en vrouw tegelijk.
"Heb daarvoor geen zorg," Was het antwoord. "Je logies is besteld,
en straks breng ik je zelf naar je logement!"
Een oogenblik daarna zaten ze samen heel gezellig in het appartement
van den bootsman bij elkaar, en ontbrak het den bezoekers in den
beginne ook al aan de noodige opgewektheid om veel te spreken, Piet
Vlug had zooveel te vertellen en te vragen naar alles, wat op het
dorpje achter de duinen van Eierland en zijn bewoners betrekking
had, dat de tongen van lieverlede loskwamen en zij hun leed weldra
voor een wijle konden vergeten.
Willem zat overeind in de kooi van den bootsman en liet zich bij het
regelmatig op- en neergaan van het schip, waarin de jeugdige zeeman
veel schik scheen te hebben, telkens met een "plof" achterover
vallen. Eindelijk echter zou hij toch afgezakt zijn, waarom moeder
voorstelde nu het nachtkwartier op te zoeken.
"Weet je, wat ik daar zoo dacht?" zei de bootsman daarop.
"Welnu?"
"Dat je hier maar stilletjes bij je ventje in mijn kooi moest gaan
liggen. 't Is tusschendeks op 't oogenblik zoo'n verschrikkelijke
herrie, dat ik er tegen opzie, om je er naar toe te brengen. Daar
zijn er nu zeker minstens een paar honderd, die hun tol aan Neptunus
betalen en dat is waarlijk geen aangenaam gezelschap. We hebben hier
vlak bij wel een paar hangmatten in voorraad, waarin je man en ik
den nacht kunnen doorbrengen. Je kunt dan morgen altijd zien. Bevalt
het je hier goed, en staat de kapitein het toe, dan sta ik je met
plezier gedurende de reis mijn hut af. Ik slaap toch ook eigenlijk
veel liever tusschen de touwen dan op de planken."
Ge begrijpt, hoe het aanbod van den bootsman met blijdschap
aangenomen en met dankbaarheid aanvaard werd.
"We konden het toch waarlijk niet beter getroffen hebben," herhaalde
Keetje nog eens.
"Nu, maak het je dan maar zoo gemakkelijk mogelijk, en zorg, dat je
gauw onder de wol en in slaap komt. Ik ga al vast afbrassen en zie
een paar kooien op te duiken."
Met deze woorden liet hij het echtpaar alleen, stak zijn neus nog
even in den wind en begaf zich daarop naar het kooienhok, vanwaar
hij weldra, met bed en bulster beladen, terugkeerde.
Spoedig lag hij zeer behagelijk in zijn matje te schommelen, door
Jan gevolgd, die als oud Marine-milicien het ongewone slapen in een
hangmat ook nog niet verleerd was.
En terwijl de Maasdam haar reis geregeld vervolgde en, begunstigd
door schoon weder, met een twaalfmijlsvaart koers zette naar "De
Hoofden," zochten en vonden onze vermoeide vrienden eindelijk in den
slaap de zoo noodige en gewenschte rust.