TWEEDE HOOFDSTUK.

+De landverhuizers.+

We bevinden ons te Rotterdam.

Wie van leven en beweging houdt, is hier aan het rechte kantoor.

Geen drukker plekje toch in ons geheele land dan Rotterdam aan den

Maaskant, aan de zoogenaamde Boompjes. Daar kent men geen rust; daar

wordt het nooit nacht! Een onafzienbare, twee-, driedubbele rij van

schepen strekt zich langs den oever uit, en zonder ophouden is men

er aan het laden en lossen. Een bijenzwerm gelijk, zoo woelt en

krioelt daar alles door elkander. Het geraas van honderden

voertuigen, vermengd met het gegons van duizenden schreeuwende en

zingende menschenstemmen en het onophoudelijk gegil der stoomfluiten

doet iemand hooren en zien vergaan. Ieder oogenblik komen en

vertrekken er stoomschepen en andere vaartuigen, en de rivier voor

de stad biedt een tooneel aan van leven en bedrijvigheid, zooals men

dat bijna nergens anders aantreft. Uit alle oorden der wereld komen

reusachtige zeekasteelen hier de schatten brengen, waarmee zij

bevracht zijn; naar alle hemelstreken vertrekken zij weer, voorzien

van niet minder kostbare lading, dan zij hebben aangebracht!

Ziet gij daar dat groote stoomschip met zijn rookende schoorsteenen

en vroolijk wapperende vlaggen aan den top der masten?

Honderden menschen verdringen zich in de nabijheid van dat vaartuig,

en gedurig ziet men enkelen uit de massa de loopplank betreden en

zich aan boord begeven.

Het is een passagiersboot, die tot vertrek gereed ligt!

Maar voor hun plezier schijnen de reizigers dan toch niet uit te

gaan; want het schreien staat den meesten nader dan het lachen.

Velen kunnen zelfs hun tranen niet bedwingen; terwijl enkelen, die

den voet reeds op de loopplank gezet hebben, nogmaals en nogmaals

terugkeeren, om afscheid te nemen van hen, die achterblijven en ze

tot hiertoe hebben uitgeleid.

Hier zien we een zoon, die zijn oude moeder om den hals valt; daar

een man, die vrouw en kinderen teeder omhelst en innig aan het hart

drukt; ginder weer een ander tooneel, dat aan afscheidnemen voor

langen, zeer langen tijd doet denken.

En te midden van dat alles worden kisten en koffers aangevoerd en in

het schip geladen, terwijl elke aankomende trein of boot het aantal

passagiers nog doet vermeerderen.

Ziet ge geen kennissen te midden van al die vreemde, meest treurige

gezichten?....

Neen?.... Ja toch, daar komt nog een klein gezelschap, dat we meer

moeten gezien hebben.

't Bestaat slechts uit drie personen: man, vrouw en kind.

Wie het dan zijn?

Niemand anders dan Jan Vroolijk en zijn vrouw met hun kleinen

Willem.

Begrijpt ge nu ook, wat de reden is van al die droefheid en

treurigheid om u heen?

Het stoomschip, dat ge daar voor u ziet liggen, is de "Maasdam" van

de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij en ligt gereed

om den Atlantischen Oceaan over te steken naar Amerika.

Drie maanden geleden was met een ander stoomschip van dezelfde

Maatschappij de brief verzonden, waarin zij oom Willem hun plan, om

over te komen, hadden medegedeeld, en nu stonden zij gereed, de

groote reis te aanvaarden.

Wat een drukte en beslommering was er evenwel aan dit oogenblik

voorafgegaan!

Verkooping van huis en schuit en 't overtollige huisraad,

afscheidsbezoeken aan familie en bekenden, te veel om te noemen.

Gelukkig, dat oom Willem het niet bij woorden had gelaten, maar "uit

voorzorg" zooals hij schreef, alvast maar een plaatsbillet, dat hun

vrijen overtocht op de boot verzekerde, had overgezonden; want toen

alles verkocht was en allen, die iets van Jan Vroolijk te vorderen

hadden, tot den laatsten cent waren afbetaald, schoot er waarlijk

niet veel over.

Waar de visscherij geheel verviel en dientengevolge reeds zooveel

woningen ledig stonden, kon de opbrengst van hun geringe bezittingen

natuurlijk slechts luttel zijn.

Eindelijk stonden zij aan den vooravond van hun vertrek. Van allen

hadden zij afscheid genomen, en den volgenden morgen vroeg zouden ze

in alle stilte afreizen.

Nog één bezoek slechts wenschten zij af te leggen, en dat zeker wel

niet het minst treffende: een bezoek aan het kerkhof.

Jan Vroolijk en zijn vrouw konden den vaderlandschen bodem niet

verlaten, konden niet van hun dorpje scheiden, zonder eerst nog

eenmaal de plek bezocht te hebben, waar hun twee gestorven

lievelingen begraven lagen. Dat daar heete tranen geschreid werden,

behoef ik u zeker niet te zeggen.

Maar gelukkig behoefden zij toch niet alles achter te laten, wat hun

lief en dierbaar was! Zij hadden immers hun ventje nog, hun

oogappel, zooals moeder hem noemde!

Hoe zacht en rustig sliep hij daar voor de laatste maal in zijn

bedje, onbewust van alles wat hem wachtte!

Konden vader en moeder ook slechts zoo slapen! Maar de herinneringen

aan het verleden en de gedachten aan de toekomst, die zij

tegengingen, waren hun te machtig.

Bijna slapeloos brachten zij den nacht door en de volgende morgen

vond hen al weer vroeg op de been.

't Was maar goed, dat moeder eenige afleiding vond in haar jongske,

dat wat in zijn schik was met het nieuwe pakje, 't welk voor deze

gelegenheid aangeschaft was en hem nu werd aangetrokken.

Eten?

Kom, een klein stukje toch! De reis naar Rotterdam is zoo lang!....

Maar de bete blijft in de keel steken.

Hoor! daar rolt een rijtuig door de stille dorpsstraat. Voor de deur

der woning houdt het stil.

"'t Is tijd, vrienden!" zoo klinkt de stem van den koetsier.

Werktuiglijk staan allen op.

Nog een kus, nog een handdruk, nog een laatste blik her- en

derwaarts, en zij zitten in het rijtuig.

"Dag! dag!" roept de kleine Willem boven alles uit, en hij klapt in

de handen van pret, dat hij mee uit rijden mag gaan.

"Ga met God en gelukkige reis!" is het laatste, wat zij hooren, en

daar gaat het.... het dorp uit en den weg op!....

Aan de boot, die ter afvaart gereed ligt en den achteraankomenden

door een schel en snijdend gefluit tot spoed aanmaant, vinden we hen

terug. Hun bagage, een groote kist, waarin 't beste en kostbaarste,

wat zij bezitten is geborgen, bevindt zich reeds aan boord en na

eenige oogenblikken zijn ook zij achter de hooge verschansing van

het vaartuig verdwenen.

Daar, op het dek van het groote stoomschip, heerscht intusschen niet

minder drukte dan aan den wal.

Het aantal passagiers bedraagt dan ook stellig eenige honderden. En

niet alleen Nederlanders treffen we hier aan, verscheidene volken

van Europa hebben hun deel geleverd aan het groot aantal van hen,

die het gemeenschappelijk doel "Amerika" binnen deze beperkte ruimte

bijeengebracht heeft.

Duitschers, Russen, Zwitsers,.... allen richten hun blik naar de

Nieuwe Wereld en keeren het oude, vergrijsde Europa den rug toe, in

de hoop, daar ginds bij een meer onbezorgd bestaan een minder

donkere toekomst te zullen tegengaan.

Toch valt het scheiden den meesten zwaar, en ons drietal ziet zich

dan ook door alles behalve vroolijke gezichten omringd.

In groepjes bijeengeschaard, naar gelang van den verschillenden

land- en volksaard, tracht men elkander te troosten en te

bemoedigen, wat evenwel niet belet, dat menig overkropt gemoed een

oogenblik later weer in tranen en snikken uitbarst.

Geen wonder, dat ook de pas bedwongen smart van Jan Vroolijk en zijn

vrouw zich, te midden van zooveel treurigheid, op nieuw deed gelden.

In een afgezonderd hoekje zette de moeder zich neer. Met haar

kleinen Willem, die het moede hoofdje tegen haar liet aanvallen en

weldra in slaap viel, op den schoot, zat zij in stilte te weenen, en

ook Jan kwam tot de ontdekking, dat de laatste loodjes niet het

minst zwaar wegen. "Waren we maar goed en wel in zee!" zuchtte hij

in zich zelf, toen een hand op zijn schouder gelegd werd en hij,

zich omkeerende, een ouden bekende voor zich zag staan.

"Wat drommel, vroolijke Jan, zet eens een ander gezicht, opdat ik

zien kan, of ik den rechten wel voor heb! Je lip hangt zoowaar op 't

derde knoopsgat." Aldus schertsende stak Piet Vlug, een

schoolkameraad van Jan Vroolijk en nu als bootsman op de Maasdam in

dienst, den toegesprokene de hand toe, die Jan, aangenaam verrast,

met warmte drukte.

"En jij, Keetje, ken jij me niet meer?" ging Piet Vlug in één adem

voort. "We hebben mekaar ook in zoo lang niet gezien. Maar je

herinnert je toch immers Vlugge Piet nog wel, al noemde je hem ook

meestal: 'Nare Piet', omdat hij je altijd zoo'n beetje voor den gek

hield! Komaan, meid, droog je tranen en ga jelui maar met mij mee,

dan zal ik je wel zoo'n beetje terecht helpen. Ik onderstel toch,

dat je hier niet per abuis verzeild bent, maar plan hebt, om met ons

naar den overkant te gaan!"

"O, wat treffen we dat, Jan!" zei Keetje, die zich een hart onder de

riem gestoken voelde bij deze onverwachte ontmoeting. "Zeker ken ik

je nog, Piet!.... En vaar jij hier op dit schip?".....

Zij was inmiddels opgestaan met het kleine ventje, dat zijn hoofdje

tegen haar had aangevlijd en onder alle aandoeningen zijner ouders

rustig doorsliep. "Lag je maar goed en wel in je bedje, mijn

jongen!" zuchtte zij, voorzichtig een kus op zijn voorhoofdje

drukkend.

"Wacht, daar is raad voor!" sprak Piet Vlug, haar op zijde komende.

"Geef dien kleinen kleuter maar hier en volg mij dan maar. Ik zal

jelui in mijn logies brengen, dan kan je daar alvast een beetje van

den schrik bekomen."

Zij gingen nu naar het voorschip, waar zich het logies van de

bemanning bevindt en waar Piet Vlug als bootsman zijn afzonderlijke

hut met kooi had. Daar aangekomen, lei de goedhartige zeeman het

kleine mannetje voorzichtig onder de dekens, bood vervolgens zijn

oude kennissen elk een vouwstoeltje aan en spoedde zich toen met de

woorden: "Zie zoo, kom nu eerst maar een beetje tot je zelf", naar

de kombuis, om aan den kok een keteltje koffie te vragen.

Belast en beladen kwam hij een oogenblik later weer terug, zette een

en ander op een klein kleptafeltje, dat aan den wand hing en nu op-

en vastgezet werd en sprak toen: "Zie zoo, dat is beter, dan daar

boven aan dek te midden van al die narigheid! Als ik je nu een

goeien raad mag geven, eet en drink dan eens wat; want daar zal

zeker vandaag nog niet veel van gekomen zijn; dan kom je van zelf

weer wat op je verhaal. Als ik dan strakjes, wanneer we in 't ruime

sop zijn, eens een slippertje kan maken, kom ik een half uurtje bij

jelui praten. Je hebt immers je papieren en staat op de

scheepsrol?.... Mooi! blijf dan maar rustig bij mekaar, en doe of je

thuis waart, net als die daar in mijn kooi! Als de rol afgelezen

wordt, zal ik je wel even waarschuwen. Tot straks!".... Met wipte

hij de hut uit en was in een ommezien weer aan dek, waar men reeds

druk in de weer was, om de kettingen en trossen, waaraan het schip

gemeerd lag, los te maken en binnen boord te halen, daar het

oogenblik van vertrek -- op de minuut af bepaald -- met rassche

schreden naderde.

De kapitein en de loods bevonden zich op de brug; de officieren

liepen heen en weer op het dek en deelden hun bevelen uit; het

scheepsvolk trok onder het aanheffen van een vroolijk matrozenliedje

aan de touwen; de machinisten beneden brachten de machine in

beweging, zoodat het schip door al zijn leden trilde, evenals de

passagiers, die begrepen, dat nu het beslissende oogenblik gekomen

was.

Zij, die familieleden aan den wal hadden staan, rekten zich nogmaals

over de verschansing van het zwaaiende schip heen, om nog een

laatsten groet -- een allerlaatst vaarwel -- op te kunnen vangen, en

dan zoolang naar dezelfde plek te staren, tot alles zich voor hun

beneveld oog in een grauwe, golvende massa oploste, waaruit zij

echter toch nog altijd de gelaatstrekken der hunnen meenden te

kunnen herkennen.

Jan Vroolijk en zijn vrouw bleven, den raad van hun vriend

opvolgende, stilletjes beneden in de hut; maar de eerste slagen der

machine deden niettemin ook hen geweldig schokken. Willem bleef

echter, ten spijt van alle geweld en geraas, rustig doorslapen, en

als zoo iets in staat was, hen weer tot kalmte te brengen, dan was

het zeker wel het gezicht van hun slapenden lieveling!

Na een poosje lag de Maasdam op stroom, met den steven naar den

Oceaan gekeerd, zachtjes dansend op de kabbelende golfjes, die

krijgertje speelden om den boeg en het schoone vaartuig hun welkom

op de baren toezongen.

Nog enkele formaliteiten slechts en de reis zou beginnen. Het schip

moest namelijk nog "uitgeklaard" worden, m. a. w. door daartoe van

wege het Rijk aangestelde ambtenaren moesten de scheepspapieren

worden onderzocht. Toen deze echter in orde waren bevonden, en toen

zoowel de bemanning als de ingeschreven passagiers allen aanwezig

bleken te zijn -- onze bootsman had volgens belofte zijn kennissen

bijtijds van het aflezen der scheepsrol verwittigd -- en eindelijk

ook de laatste boot het schip had verlaten, om naar den wal terug te

roeien, belette niets meer, het anker te lichten en zee te kiezen.

Daar rammelt de zware ijzeren ketting in de kluisgaten bij het

draaien aan het spil en -- de laatste boei is verbroken.

"Vooruit!" klinkt het bevelend van de brug, en het schip zet zich in

beweging. Een dikke rookwolk stijgt uit beide schoorsteenen omhoog,

en met de vlag aan den top van den grooten mast wordt driemaal

gesalueerd, welken groet het op stroom liggende wachtschip der

Marine op gelijke wijze beantwoordt.

Langzaam en statig beweegt zich nu het trotsche stoomgevaarte

tusschen allerlei op- en afzeilende vaartuigen, en hoewel aller blik

nog achterwaarts gericht is, gaat het toch steeds onverbiddelijk

voorwaarts. Weldra heeft men de Nieuwe Maas achter zich; nog een

uur, en ook de Nieuwe Waterweg is ten einde gestoomd. Reeds rollen

de golven der Noordzee schuimend en bruisend op het vaartuig aan, om

het welkom van daar straks luide en krachtig te herhalen.

Daar dreunt een kanonschot over het water, een oogenblik later nog

een en nog een, en als tegengroet zendt ook het vaderland den

vertrekkenden landverhuizers uit de stalen vuurmonden van het fort

in de duinen een tot driemaal herhaald vaarwel toe!

Nauwelijks is het geluid weggestorven, of het schip bevindt zich in

zee.

"Met volle kracht vooruit!" beveelt nu de kapitein, die zijn post op

de brug nog niet verlaten heeft, en daar gaat het den oceaan op!

't Is omstreeks acht uur in den avond. Het Augustuszonnetje neigt

ten ondergang en haar laatste stralen verlichten de toppen der

duinen, de laatste punten van het steeds dieper wegzinkende land,

waarop nogtans zoo velen weemoedige blikken onafgebroken gericht

zijn. Daar gaat de zon onder, en ook de laatste oneffenheid aan den

horizon is verdwenen. Water, niets dan water breidt zich rondom hen

uit!

Wie schetst, wat daar omgaat in zoo menig hart, als het vochtig oog

zich eindelijk van de verdwenen kust afwendt!

"Komaan, nu eens te loevert uitgekeken! Er valt aan lij toch niets

meer te zien, al kijk je je oogen ook blind!" Met deze woorden

voegde onze bootsman zich eindelijk weer bij zijn vrienden. Dezen

waren, toen de kleine Willem door de geloste schoten wakker geworden

was, weer aan dek verschenen en stonden nu, in gedachten verzonken,

nog altijd de plek na te staren, waar het meest vooruitspringende

deel der vaderlandsche kust zoo even in zee was weggedoken.

"Ja, jij hebt goed praten, Piet!" zei Jan Vroolijk bewogen, "jij

keert over een week drie, vier terug; maar wij zien het vaderland

hoogst waarschijnlijk nimmer weer."

"Och kom, kwel je daar nu niet langer mee! Je bent nu toch eenmaal

in het schuitje en -- wie in het schuitje zit, moet meevaren. Wie

weet, hoe spoedig je voor je plezier eens een uitstapje naar Holland

terug maakt!... Maar wordt het niet te koud aan dek voor dien

kleinen landverhuizer, Kee?.... 't Ventje ziet zoo bleek!.... Zou

hij misschien al last beginnen te krijgen van...?"

"Van zeeziekte, bedoel je?" vroeg Keetje, haar knaapje bezorgd

aanziende.

"Wees wijzer, vrouw!" sprak de vader; "met die gekheid houden we ons

niet op. Maar de jongen krijgt slaap. We moesten met hem naar

beneden gaan, dunkt je niet?"

"Wel ja, laten we van de gelegenheid profiteeren," zei Piet Vlug.

"Ik heb de hondenwacht en zou het heel prettig vinden, samen nog een

uurtje te keuvelen. 't Is toch nog te vroeg om naar kooi te gaan."

"Maar waar belanden we dan straks?" vroegen man en vrouw tegelijk.

"Heb daarvoor geen zorg," Was het antwoord. "Je logies is besteld,

en straks breng ik je zelf naar je logement!"

Een oogenblik daarna zaten ze samen heel gezellig in het appartement

van den bootsman bij elkaar, en ontbrak het den bezoekers in den

beginne ook al aan de noodige opgewektheid om veel te spreken, Piet

Vlug had zooveel te vertellen en te vragen naar alles, wat op het

dorpje achter de duinen van Eierland en zijn bewoners betrekking

had, dat de tongen van lieverlede loskwamen en zij hun leed weldra

voor een wijle konden vergeten.

Willem zat overeind in de kooi van den bootsman en liet zich bij het

regelmatig op- en neergaan van het schip, waarin de jeugdige zeeman

veel schik scheen te hebben, telkens met een "plof" achterover

vallen. Eindelijk echter zou hij toch afgezakt zijn, waarom moeder

voorstelde nu het nachtkwartier op te zoeken.

"Weet je, wat ik daar zoo dacht?" zei de bootsman daarop.

"Welnu?"

"Dat je hier maar stilletjes bij je ventje in mijn kooi moest gaan

liggen. 't Is tusschendeks op 't oogenblik zoo'n verschrikkelijke

herrie, dat ik er tegen opzie, om je er naar toe te brengen. Daar

zijn er nu zeker minstens een paar honderd, die hun tol aan Neptunus

betalen en dat is waarlijk geen aangenaam gezelschap. We hebben hier

vlak bij wel een paar hangmatten in voorraad, waarin je man en ik

den nacht kunnen doorbrengen. Je kunt dan morgen altijd zien. Bevalt

het je hier goed, en staat de kapitein het toe, dan sta ik je met

plezier gedurende de reis mijn hut af. Ik slaap toch ook eigenlijk

veel liever tusschen de touwen dan op de planken."

Ge begrijpt, hoe het aanbod van den bootsman met blijdschap

aangenomen en met dankbaarheid aanvaard werd.

"We konden het toch waarlijk niet beter getroffen hebben," herhaalde

Keetje nog eens.

"Nu, maak het je dan maar zoo gemakkelijk mogelijk, en zorg, dat je

gauw onder de wol en in slaap komt. Ik ga al vast afbrassen en zie

een paar kooien op te duiken."

Met deze woorden liet hij het echtpaar alleen, stak zijn neus nog

even in den wind en begaf zich daarop naar het kooienhok, vanwaar

hij weldra, met bed en bulster beladen, terugkeerde.

Spoedig lag hij zeer behagelijk in zijn matje te schommelen, door

Jan gevolgd, die als oud Marine-milicien het ongewone slapen in een

hangmat ook nog niet verleerd was.

En terwijl de Maasdam haar reis geregeld vervolgde en, begunstigd

door schoon weder, met een twaalfmijlsvaart koers zette naar "De

Hoofden," zochten en vonden onze vermoeide vrienden eindelijk in den

slaap de zoo noodige en gewenschte rust.

De kleine Zwerveling · 第 9 / 15 题