+Een gewichtig besluit.+
Eierland, dat tegenwoordig een goed bebouwde en sterk bevolkte
polder is, en met Texel één geheel uitmaakt, was vroeger een
afzonderlijk en bijna onbewoond eiland.
Als ik zeg "onbewoond", dan bedoel ik daarmee echter alleen door
menschen, want vogels -- vooral watervogels -- huisden er in zulk
een ontzaglijke menigte, dat men volgens oude schrijvers in het
voorjaar bijna geen voet kon verzetten, zonder een twee- of drietal
nesten met eieren onder zijn bereik te hebben. De naam Eierland
wordt daaruit van zelf verklaard.
Het recht, om die eieren te zoeken, behoorde destijds aan den
"Kastelein" van het Eierlandsche huis, die daarvoor, benevens voor
het beweiden van het Eierland met schapen en runderen, een
jaarlijksche pachtsom aan het Rijk betaalde; want het geheele
Eierland was toen landseigendom of domeingrond.
Ook het Eierlandsche huis, bijna de eenige woning, welke er te
vinden was, en die reeds van het jaar 1650 dagteekent, was een
rijksgebouw. Op het noordelijkste deel van Eierland, aan den
binnenkant der duinen in een vallei gelegen, diende het
hoofdzakelijk tot onderhouding van de postgemeenschap met Vlieland;
maar het had toch ook nog een andere bestemming.
Voor den ingang van het Eierlandsche gat liggen namelijk, evenals
voor dien van de meeste onzer zeegaten, gevaarlijke zandbanken.
Hoeveel schepen hier in den loop des tijds wel gestrand zijn, is
zelfs niet bij benadering op te geven, en ontzettend groot is het
aantal schipbreukelingen, dat op deze verraderlijke kust zijn graf
in de golven gevonden heeft!
De noordelijkste uithoek van Eierland, welke sterk vooruitspringt,
draagt dan ook met recht den naam van "het Engelsche Kerkhof",
wegens de vele drenkelingen, die er begraven zijn.
Zij, die echter den dood ontkwamen, vonden in het Eierlandsche huis
steeds een beschermend dak, waar zij liefdevol werden opgenomen en
verpleegd.
Het groot aantal schipbreuken in de Eierlandsche gronden was
oorzaak, dat eindelijk op een der hoogste duintoppen een vuurtoren
werd geplaatst, waarvan het vèrschijnende en draaiende licht reeds
op mijlen afstands in zee de plaats aanwijst, waar gevaar dreigt.
Ten gevolge daarvan geraakt tegenwoordig niet dan bij uitzondering
een schip op deze gevaarlijke stranden verzeild. Gelukkig, niet
waar?
"Gelukkig!" zeggen ook de bewoners van het meer zuidelijk gelegen
dorpje De Cocksdorp, niettegenstaande zij met het wegblijven der
schepen een goed deel van hun bestaan zagen verdwijnen.
De Cocksdorp, aldus genoemd naar den Rotterdamschen koopman De Cock,
die in het jaar 1835 met enkele andere heeren de bedijking van
Eierland tot stand bracht, ligt een weinig benoorden de zoogenaamde
Roggesloot, een der talrijke kreekjes, die aan den duinvoet
ontspringen en den polder in oostelijke richting doorstroomen.
Het bergen van de lading der gestrande schepen bezorgde den De
Cocksdorpers soms belangrijke voordeelen. Voor het overige
verdienden zij grootendeels hun brood met de schelpenvisscherij op
de nabijgelegen zandbanken.
Ook het laatste bedrijf werd echter van jaar tot jaar minder, en het
weleer bloeiende plaatsje is tengevolge van dat alles zeer
achteruitgegaan, zoodat het tegenwoordig niet meer dan ongeveer de
helft van het vroegere aantal bewoners telt.
Vele van de voormalige ingezetenen hebben niet alleen het dorpje en
het eiland, maar ook het land zelf verlaten en in het verre Amerika
een nieuw vaderland en een nieuw bestaan gezocht.
Ook Jan Vroolijk, door zijn dorpsgenooten in den regel "Vroolijke
Jan" genoemd, omdat hij als jongen zulk een vroolijke snuiter was en
soms zoo aardig uit zijn huisje kon schieten, dacht er sterk over,
met de zijnen den wijden oceaan over te steken.
Vroeger had hij er nooit van willen weten, hoe schoon de berichten
ook luidden, welke sommige zijner familieleden, die de groote reis
reeds achter den rug hadden, van tijd tot tijd overzonden; steeds
had hij gezegd:
"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kinderen den kost weet te
verdienen, blijf ik waar ik ben."
Tot zijn vrouw, die er ook zeer tegen opzag om zulk een groote
zeereis te doen, was zijn gewone zeggen altijd:
"'k Zeg maar altijd, lieve Keetje!
Wat je hebt, mijn kind, dat weet je,
Wat je krijgt, dat weet je niet!"
Nu, zij hadden het dan ook, vooral in den beginne, nog al zoo kwaad
niet gehad. Maar de omstandigheden waren, in den laatsten tijd
vooral, vrij wat en alles behalve in hun voordeel, veranderd.
Jan Vroolijk was schelpenvisscher. Acht jaar geleden -- hij telde nu
dertig jaar -- was hij met Keetje, een meisje van het dorp en van
zijn leeftijd, getrouwd. Drie kinderen hadden ze in dien tijd gehad.
De twee oudsten, beiden meisjes, waren echter al heel jong
gestorven. Alleen 't jongste, een allerliefst knaapje, was hun
overgebleven. De kleine krullebol was nu ruim drie jaar, en vader en
moeder waren, zooals licht te begrijpen is, allebei even gek met hun
ventje. Moeder noemde hem geregeld haar oogappel, en als hij maar
even klaagde, was de goede vrouw al beangst. Dan dacht zij dadelijk
aan haar beide gestorven lievelingen en bekroop haar de vrees, dat
zij ook haar Willem -- zoo heette het ventje -- wel eens zou kunnen
verliezen. De jongen groeide evenwel als kool en had een kleur als
een roos. Op en top zijn vader! Als deze thuis was, stond het huis
geregeld op stelten. Geen wonder, dat de kleine dreumes 's avonds,
als Jan Vroolijk met zijn schuit uit zee terugkwam, al op den
uitkijk stond.
Ook nu stond hij weer te turen naar de naderende vaartuigjes, en
spoedig hadden zijn heldere kijkers den man, naar wien hij zocht, in
't oog gekregen.
"Dag! dag!" riep de kleine broekeman, en hij zwaaide als naar
gewoonte met zijn mutsje zijn vadertje het welkom toe.
Zag vader hem niet, dat zijn groet dezen keer niet beantwoord werd?
"Dag! dag!" riep de kleine nog al eens en nog eens weer; maar Jan
Vroolijk scheen zijn jongen niet te bemerken of over 't hoofd te
zien.
Neen, toch! daar zwaaide ook hij met zijn pet, en over zijn gelaat,
dat er, zooals in de laatste dagen wel meer gebeurde, zeer ernstig
uitzag, kwam een gelukkige glimlach bij het terugzien van zijn
lieveling. 't Volgende oogenblik stond zijn gelaat echter weer net
zoo strak als even te voren.
Wat was er dan gebeurd, dat Vroolijke Jan zoo uit zijn humeur had
gebracht?
"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kind den kost kan winnen,
blijf ik waar ik ben," had hij altijd gezegd. In den laatsten tijd
scheen het echter, alsof hem dit met den besten wil en de grootste
krachtsinspanning niet langer mogelijk zou zijn. Sinds het voorjaar
was het met de schelpenvisscherij van week tot week achteruitgegaan,
en van daag was 't hem dan al bijzonder tegengeloopen! De schelpen
waren bij den jongsten storm geheel onder het zand bedolven geraakt,
en waar hij vroeger met het grootste gemak een rijke lading wist op
te visschen, gelukte het hem nu slechts met de grootste moeite en
den meesten ijver, een zeer mager vrachtje aan wal te brengen.
Daar kwam nog meer onheil bij, waardoor zijn gemoedsstemming er ook
al niet op verbeterde. Tusschen de schuitjes der visscherlieden
bewoog zich nu ook een stoomschip, dat van een stoomschelpenzuiger
voorzien was. Daarmede werden de schelpen tot op een diepte van 10 à
20 voet uit den zeebodem losgewoeld en naar boven gebracht, om
vervolgens, gewasschen en wel, in een op zijde liggend vaartuig
overgestort te worden. Het eene schip na het andere werd op deze
wijze soms in enkele uren met een volle lading bevracht. Dit had
natuurlijk weer een ongunstigen invloed op den prijs der schelpen,
waarvan in de kalkovens de metselkalk gebrand wordt en zoo kwam dus
het eene ongeluk bij het andere.
Geen wonder waarlijk, dat Jan Vroolijk alles behalve prettig gestemd
was.
Terwijl hij daar aan het roer zat en zijn schuitje landwaarts
stuurde, was hij er in ernst over begonnen na te denken, of het toch
maar niet beter zou zijn, bij tijds dit sober bestaantje op te geven
en iets anders te beginnen, waarmee een beter loon te verdienen
viel.
Maar wat zou hij aanvangen?
Hij was een uitstekend schipper en had een paar ferme handen aan het
lijf; maar een ambacht verstond hij niet.
Onwillekeurig dwaalden zijn gedachten zoodoende af naar het verre
Westen, waarheen reeds zoo vele zijner vroegere dorpsgenooten hem
waren voorgegaan.
"Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld te
verdienen," schreef men steeds uit de nieuwe wereld. Nu, werken
wilde en kon hij zoo goed als de beste, als het slechts brood gaf!
Zooals de zaken nu stonden, ging hij echter van week tot week
achteruit.
Aldus in zich zelf redeneerende, kwam hij eindelijk tot de slotsom,
dat het beste was, er thuis eens ernstig met moeder de vrouw over te
spreken, wat hun in deze omstandigheden te doen stond. Zóó kon het
in allen gevalle niet blijven, dat stond als een paal boven water.
Aan wal gekomen, nam hij, zooals hij altijd gewoon was, zijn zoontje
op den arm, om zich met hem naar huis te begeven. Maar hoe druk die
twee het anders gewoonlijk ook hadden, dezen keer sprak Jan Vroolijk
al bijzonder weinig, en ook Willempje scheen, onder den indruk van
vaders ongewoon gezicht en weinige spraakzaamheid, van den weerstuit
het babbelen en snappen geheel verleerd te hebben.
Moeder, die haar kleintje geen oogenblik uit het oog verloren had,
stond hen reeds aan de deur op te wachten. Ook haar viel het
dadelijk in het oog, dat Jan niet was zooals anders. Bezorgd liep ze
hem tegemoet, om te vragen of hem ook iets scheelde. "We hebben een
brief van oom Willem uit Amerika!" riep ze er in één adem bij.
"Alles gezond volk, hoor!"
"Een brief van oom Willem!" En dat juist nu! 't Kon waarlijk niet
beter treffen! De gelegenheid om met zijn vrouw te spreken over 't
geen hem door 't hoofd maalde, bood zich nu als van zelf aan; want
om de waarheid te zeggen, zag hij daar wel een beetje tegen op. Zijn
gelaat klaarde dan ook vrij wat op, nu zulk een onverwachte
bondgenoot hem als 't ware te hulp kwam. Oom Willem zou toch, even
als altijd, wel weer heel veel moois te vertellen hebben.
"En wat schrijft hij?" vroeg Jan onder het naar binnen gaan, terwijl
moeder den kleinen Willem van hem overnam.
"Zeg mij liever eerst eens, wat er aan hapert," antwoordde zijn
vrouw. "Je bent zoo stil...."
"'t Is ook wel, om er stil onder te worden," viel Jan haar in de
rede. "Er valt langer geen droog brood te verdienen. De schelpen
zitten meest allemaal onder 't zand, en die er nog zijn, worden ons
door die verwenschte machine voor den neus weggepikt! Als 't langer
zoo moet, kunnen we onze matten wel oprollen, vrouwtje! Wist ik maar
wat anders te bedenken, dan zette ik geen voet meer aan boord; want
mijn zin is er glad af."
"Nu, lees dan maar eens wat oom Willem schrijft," zeide zijn vrouw,
terwijl zij een dikken brief, met verscheidene poststempels er op,
uit de kast te voorschijn haalde, en hem haar man overreikte.
Jan greep begeerig naar den brief en een oogenblik daarna was hij
geheel in de lezing er van verdiept.
Wat oom Willem schreef?
Dit o.a.:
"We zijn nu ongeveer vier jaar hier en hebben al een aardig
spaarpotje. Het huisje, dat wij bewonen en dat geheel ons eigendom
is, ziet er heel aardig uit. Daarbij bezitten wij een flinken tuin
en ongeveer 3 H.A. weiland. Wij hebben vier beste koeien op stal en
een varken van ongeveer 150 K.G. op het hok. Dat moet over eenige
weken in de kuip. Spek en vleesch eten wij zooveel wij lusten.
Terwijl ik zelf thuis volop werk heb, gaan onze Gerrit en Klaas alle
dagen naar de fabriek. Zij verdienen nu al een dollar daags en
krijgen binnen kort weer opslag...."
Toen Jan tot zoover met de lezing van den brief gevorderd was, hield
hij zuchtend eenige oogenblikken op. 't Schemerde hem voor de oogen
bij de opsomming van al dat schoons, en als van zelf begon hij
daarmee zijn eigen sober bestaantje te vergelijken.
"Hadden we vier jaar geleden ook maar besloten om mee te gaan, Kee,"
zei hij, zijn vrouw, die tegenover hem zat, aanziende; "wie weet,
hoe goed ook wij het dan nu hadden. Wat oom Willem daar schrijft, is
om van te watertanden. Al werk ik hier ook van 's morgens vroeg tot
's avonds laat, dan kom ik nog geen steek vooruit."
"Och kom, tob daar nu maar niet over," antwoordde de toegesprokene,
die inmiddels den kleinen Willem in haar schoot liet dansen. "Bedenk
maar liever eens, wat kapitaal wij hier hebben!"
Dat kapitaal -- hun jongske -- scheen zich bij moeder schadeloos te
willen stellen, voor 't geen hij straks bij vader te kort gekomen
was, en het kereltje had een pret van belang. Vader deed zijn naam
echter alles behalve eer aan. "Daar koopen we toch voor 't oogenblik
geen brood voor," sprak hij gemelijk en jaloersch op ooms voorspoed.
"Waarom lees je dan niet, wat er verder staat? Misschien brengt je
dat wel weer een beetje in je humeur!..."
Jan las nu verder, en Keetje merkte op, dat zijn gezicht al spoedig
een geheel andere uitdrukking aannam. Geen wonder ook. Wat daar
stond te lezen, was wel in staat, hem weer in een betere stemming te
brengen.
"... Ik begrijp niet," zoo stond er, "wat je er nog langer tegen
hebt, om tot ons te komen. Je meeste familie woont hier, en allen
hebben het even goed, veel beter, dan ze het in Nederland ooit zouden
gekregen hebben. Ik weet wel, men verlaat niet voor zijn plezier het
vaderland, om het misschien nooit weer te zien; maar toch zeg ik:
wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Denk er dus met je
vrouw nog eens rijpelijk over na, en hapert het je soms aan de
noodige middelen om over te komen, schrijf het dan maar gerust; want
daar weten we hier wel raad voor. En als je eenmaal bij ons bent,
zullen we wel zorgen, dat je onder dak komt en dat er wat voor je te
doen valt. Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld
te verdienen. Er komen hier nog steeds handen te kort...."
't Was, of Jan voelde, dat zijn vrouw, terwijl hij las, de oogen op
hem gevestigd hield. Toen hij dan ook opkeek, ontmoetten hun blikken
elkander, en met een vragende uitdrukking op het gelaat zag de een
den ander aan, alsof ze zeggen wilden: "Nu, hoe denk je er over?"
"Dus zou je me aanraden, er toe over te gaan?" vroeg Jan eindelijk,
met eenigszins trillende stem. "Ik dacht anders.... Ik vreesde...."
"Ja, ik zou er ook wel erg tegen opzien, lieve man," viel zijn vrouw
hem in de rede, "maar 't is, zooals oom schrijft: wat het zwaarste
is, moet het zwaarste wegen. Als we hier langer geen brood hebben en
't daar zoo goed kunnen krijgen, zou het dan niet het beste zijn, er
maar in tijds toe te besluiten, liever dan hier nog langer te
blijven? Als 't er toch toe komen moet, dan maar hoe eer hoe beter,
dunkt me."
"Weet je wat, vrouw, we zullen er ons eerst beiden nog eens ernstig
op bedenken; want de zaak is te gewichtig, om zoo maar één, twee,
drie een besluit te nemen, vind je ook niet?"
"Dat is zeer verstandig van je bedacht, Jan. Je kunt er dan nog eens
met den een en ander over spreken ook en zien, wat men je aanraadt."
De goede vrouw, die natuurlijk ook van week tot week ontdekte,
hoezeer de verdiensten van haar man verminderden, en wel gezien had,
hoe zijn vroegere opgeruimdheid daarbij geheel verloren ging, had
den geheelen dag reeds nagedacht over den inhoud van den gewichtigen
brief, en haar besluit stond reeds vast. Zij was een verstandige
vrouw en had terecht begrepen, dat van "liever" in de tegenwoordige
omstandigheden geen sprake kon zijn. Wel was de plek, waar haar twee
gestorven lievelingen begraven lagen, haar dierbaar en zou zij
bovendien veel en velen, die haar lief waren, moeten vaarwel zeggen;
maar zij zou ook weer anderen terugvinden, die zij hier miste; en
wie haar boven alles en allen aan het hart lagen, had zij immers
overal bij zich. Wat kwam het er, wel beschouwd, dan ook op aan,
waar zij in de wereld was. De reis was het ergste; maar daar zou ze
ook wel overheen komen, nu ze al met het denkbeeld verzoend was.
Niettemin wilde ze haar besluit niet opdringen. 't Moest met Jans
eigen vollen zin en wil gebeuren. En besloot hij tóch te blijven,
welnu, ze hadden tot heden lief en leed samen gedeeld, en dat zou
ook verder zoo zijn.
Een brief uit Amerika was op het dorp altijd een gewichtige
gebeurtenis. Dan kwamen buren en kennissen toesnellen, om van den
inhoud kennis te nemen en de groeten te ontvangen van hun verre
vrienden. In de meeste gevallen ging zoo'n brief van hand tot hand
of werd hij aan belangstellenden voorgelezen. En bevatte hij goede
tijding, dan gaf dit dikwijls aanleiding, dat de een of ander, die
het met zich zelf nog niet eens was, daardoor tot het vaste besluit
kwam, om ook eerlang het Oosten met het Westen te verwisselen. Dat
Jan Vroolijk nieuws had van oom Willem, ging dan ook al spoedig als
een loopend vuurtje door het dorp rond, en nog denzelfden avond had
hij bezoek van Jan, Piet en Klaas, die allen nieuwsgierig of
belangstellend waren naar de ontvangen tijdingen.
"Goede raad is duur," zegt het spreekwoord; doch als alle
raadgevingen, welke Jan Vroolijk en zijn vrouw ontvingen, goed waren
-- goed gemeend waren ze in elk geval -- dan waren ze dien avond
integendeel al zeer goedkoop.
"Als ik in je plaats was, Jan, dan aarzelde ik geen oogenblik," zei
de een; "je zoudt dwaas zijn, als je de gelegenheid niet met beide
handen aangreept," beweerde weer een ander. "'k Wou, dat het mij zoo
mooi aangeboden werd; wat zou ik gauw toeslaan!" voegde een derde
hem toe.
En Jan Vroolijk zelf?
Hij kon maar niet tot een besluit komen. Hoezeer hij ook naar
verandering en verbetering wenschte, -- nu hij slechts had te
schrijven: "Wij komen," om bijna zeker te zijn van verbetering, nu
zag hij er bepaald tegen op. Vooral de vrees, dat zijn vrouw alleen
ter wille van hem haar mindere ingenomenheid van vroeger had laten
varen, maakte hem huiverig. Als zij eens ziek werd of berouw kreeg,
of als zijn jongen eens niet bestand bleek tegen de verre zeereis,
of als.... Kortom, een berg van bezwaren rees voor hem op! Het
duurde dan ook een heelen tijd, voor die alle uit den weg geruimd
waren.
Toen hem echter duidelijk bleek, dat zijn vrouw volkomen met het
denkbeeld verzoend was en er op geen andere wijze verbetering van
bestaan te verwachten was, werd op zekeren dag oom Willems brief
beantwoord met de mededeeling, dat men na lang en goed beraad
besloten had tot hem te komen. Die brief werd wel is waar onder
tranen geschreven, maar toch, hij werd geschreven en op de post
gedaan ook! En weldra verspreidde zich over het dorp het nieuws, dat
Jan Vroolijk en de zijnen ook naar Amerika gingen.