"En het antwoord, Broeders?"
"Aan Caterham?"
"Is "Neen!"
"En dan?"
Er volgde een stilte van eenige seconden.
Toen zei een stem: "Deze menschen hebben gelijk. Dat wil zeggen, van
hùn standpunt en naar het verstand dat zij gekregen hebben. Zij hadden
gelijk alles te dooden wat grooter was dan zijzelven--dier en plant,
en alle groote dingen die opschoten. Zij hadden gelijk, toen zij ons
trachtten om te brengen. En ook nù hebben zij gelijk als zij zeggen,
dat wij niet mogen huwen met anderen die even groot zijn als wij. Zij
beseffen--en het wordt tijd, dat wij dit ook inzien--dat reuzen en
dwergen niet tezamen in één samenleving passen. Caterham heeft dat
telkens en telkens weder herhaald--heel duidelijk--òf aan hun of aan
òns de wereld."
"Maar wij zijn geen vijftig man sterk," zei een ander, "en zij
tallooze millioenen."
"Dat is mogelijk. Maar het is zooals ik gezegd heb."
Toen volgde er weder een lange stilte.
"En moeten wij dan sterven?"
"God beware ons daarvoor!"
"Zij dan?"
"Neen."
"Maar dàt zegt Caterham! Hij wil hebben, dat wij ons leven uitleven,
éen voor éen sterven, totdat er slechts één over is, en die eene
zal eindelijk ook sterven, en zij zullen alle reuzen-planten en
onkruid omhakken, de lager-staande reuzen-dierenwereld uitroeien, alle
sporen van het Voedsel uitbranden--ook aan ons en aan het Voedsel een
einde maken voor altijd. Dan eerst zal de dwergen-wereld weer veilig
zijn. Zij zullen voortgaan--voor altijd veilig,--hun kleine leventjes
te leven, dwergen-vriendelijkheidjes bewijzend, en dwergen-wreedheidjes
begaand tegenover elkaar; ze zouden het misschien zelfs wel tot een
dwergen-heilstaat kunnen brengen, een eind maken aan allen krijg, een
eind maken aan overbevolking, en zich neerzetten in een de geheele
wereld omvattende stad om aan dwerg-kunst te doen, elkaar vereerend
tot de wereld begint te bevriezen...."
In den hoek viel een ijzeren plaat met donderend geraas op den grond.
"Broeders, wij weten wat wij willen."
Bij een plotseling flikkeren der zoeklichten, zag Redwood ernstige
jeugdige gezichten zich naar zijn zoon wenden.
"Het is nu gemakkelijk het Voedsel te maken. Wij zouden gemakkelijk
Voedsel voor de geheele wereld kumnen fabriceeren."
"Je bedoelt, Broeder Redwood," zei een stem uit de duisternis,
"dat de kleine menschjes het Voedsel moeten eten."
"Wat valt er anders te doen?"
"Maar wij zijn geen vijftig man sterk en zij vele millioenen."
"Maar wij hebben ons staande gehouden.''
"Tot nu toe, ja."
"Als God het wil, kunnen wij dit nògmaals."
"Ja, maar denk eens aan de dooden!"
Toen vervolgde een andere stem: "De dooden. Denk aan de nog niet
geborenen...."
"Broeders," zei de stem van den jongen Redwood, "wat rest ons nog,
dan hen te bevechten, en àls wij hen verslaan, hen te dwingen om
van het Voedsel te eten? Zij moèten het nu wel nemen. Veronderstel,
dat wij ons erfdeel zouden afstaan en dezen nonsens die Caterham ons
aanbiedt, aannemen! Gesteld dat wij dit kònden! Gesteld dat wij al dit
groote opgeven dat in ons leeft, en al wat onze vaders voor ons gedaan
hebben,--dat gìj vader--voor ons gedaan hebt--en als onze tijd daar
is, in het niet verzinken en rotten! Wat dan? Zal deze kleine wereld
dan zijn zooals zij tevoren was? Zij mogen kampen tegen grootheid
in ons die menschenkinderen zijn, maar zullen zij overwinnen? Zelfs
al doodden zij ons een voor een, wat zou dit dan nog? Zou dit hen
redden? Neen! Want er is Grootheid opgestaan, niet alleen in ons,
niet alleen in het Voedsel, maar in het willen van alle dingen. Het
uit zich in den aard van alles; het is een deel geworden van tijd en
ruimte. Te groeien, al maar te groeien, dit is het doel--dit is de
Levenswet. Welke andere wet kan daarnaast nog bestaan?"
"Om anderen te helpen?"
"Te groeien. Anderen te helpen is óók groei. Tenzij wij hen helpen
te falen...."
"Zij zullen hun uiterste best doen om ons te verslaan," zei een stem.