"Zij zullen vechten," zei de jonge Redwood. "Als wij deze voorwaarden
niet aannemen, twijfel ik er niet aan of zij zullen vechten. Ik hoop
werkelijk, dat zij er open en rond mee voor den dag zullen komen en ons
bevechten. Als zij ons bij slot van rekening vrede aanbieden, zal hun
dit des te beter in staat stellen ons onverhoeds aan te vallen. Begaat
geen fout, Broeders; op de een of andere wijze bestrijden zij ons
tòch. De strijd is begonnen en wij moeten strijden tot het einde. Als
wij niet wijs zijn, zullen wij nog bevinden, dat wij slechts geleefd
hebben om hun beter wapenen tegen onze kinderen en ons geslacht
in handen te geven. Tot nu toe hebben wij slechts den dageraad van
den strijd gezien. Ons geheele leven zal één strijd zijn. Eenigen
van ons zullen gedood worden in den strijd, anderen zullen belaagd
worden. Er zal geen gemakkelijke overwinning volgen--geen overwinning,
die niet half een nederlaag voor ons is. Weest daar zeker van. Doch
waarom zou ons dit afschrikken? Als wij ons slechts staande houden,
zoo wij slechts achterlaten een groeiende menigte, om den strijd
voort te zetten als wij heengegaan zijn!"
"En morgen?"
"Zullen wij het Voedsel overal verspreiden; wij zullen de wereld
verzadigen van het Voedsel."
"En als zij eens nieuwe en meer aannemelijke voorwaarden mochten
stellen?"
"Onze voorwaarden zijn het Voedsel. Nooit kunnen klein en groot naast
elkander leven in een duurzamen vrede. Of het één, of het ànder. Met
welk recht zouden onze ouders zeggen: "Mijn kind zal geen ander licht
hebben dan ik gehad heb, zal niet grooter worden dan ik geworden
ben." Zijt gij het met mij eens, Broeders."
Een goedkeurend gemompel antwoordde hem.
"En voor de kinderen die vrouwen zullen worden, zoowel als voor de
kinderen die mannen zullen worden," zeide een stem uit het duister.
"Méér nog--die moeders zullen worden van een nieuw geslacht..."
"Doch voor het volgend geslacht moet er nog groot en klein zijn,"
zei Redwood met de oogen op het gelaat van zijn zoon gevestigd.
"Nog vele geslachten lang. En het kleine zal het groote steeds in
den weg staan en het groote zal het kleine onderdrukken. Dit mòèt
zoo zijn, vader.
"Er zal strijd heerschen.
"Strijd zonder einde. Eindeloos misverstand. Het geheele leven is
zoo. Groot en klein kunnen elkaar niet begrijpen. Doch in elk kind
dat uit menschen geboren wordt, Vader Redwood, schuilt een zaadje
grootheid--dat op het Voedsel wacht."
"Dan zal ik naar Caterham moeten gaan en hem zeggen, dat--"
"Gij blijft bij ons, Vader Redwood. Bij het aanbreken van den dageraad
gaat ons antwoord naar Caterham."
"Hij zegt, dat hij jullie zal bevechten tot...."
"Zoo zij het," zei de jonge Redwood, en zijne broederen mompelden
goedkeurend.
"Het ijzer wacht," mompelde een stem, en de twee reuzen die in den
hoek aan het werk waren, begonnen rythmisch te hameren, wat bij dit
tooneel klonk als een begeleiding van een machtige muziek. Het metaal
gloeide heller dan het tevoren had gedaan, en liet Redwood het kamp
duidelijker zien dan hij het tot nu toe had kunnen waarnemen.
Om hem heen stonden de jonge reuzen, torenhoog en schoon, glanzend in
hun maliën, temidden der toebereidselen voor den dag van morgen. Zijn
hart sprong op van vreugde toen hij hen zoo zag. Hun kracht kwam
zoo gemakkelijk! Zij waren zoo groot en gracelijk! Hunne bewegingen
waren zoo vast! En daar stond zijn zoon tusschen hen, met de eerste
van alle reuzen-vrouwen, de Prinses naast zich....
In zijn hoofd kwam plotseling een allervreemdst contrast op, het
terugdenken aan Bensington, heel levendig en klein--Bensington met
zijn hand in het zachte borstdons van dat eerste groote kuiken,
staande in zijn conventioneel gemeubileerde kamer, en weifelend over
zijn bril heenkijkend naar Nicht Jane, die de deur dichtsmeet...
Het was alles gebeurd in een gisteren van een en twintig jaren.
Toen werd hij plotseling bevangen door een vreemden twijfel: dat
deze plaats en al de grootheid die hij om zich zag, slechts een
droomweefsel was; dat hij zelf droomde en straks zou ontwaken,
en zich weder in zijn studeerkamer bevinden, de Reuzen vermoord,
het Voedsel geheel vernietigd en hij zelf gevangen en opgesloten.
Als je daar op neer kwam; wat was het leven dan anders dan een
voortdurende gevangenschap! Dit was het hoogtepunt en het einde van
zijn droom. Hij zou ontwaken temidden van bloedvergieten en strijd,
en zijn Voedsel het dwaaste aller hersenschimmen bevinden, en zijn hoop
op en geloof aan een beter wereld zouden evenmin verwezenlijkt worden
als het kleurige vliesje op een poel vol rottende stoffen. Onverwinbare
kleinheid!...
En zoo hevig en diep was deze neerslachtigheid, deze vrees voor
ontnuchtering, dat hij opsprong; Hij stond daar en drukte de gebalde
vuisten tegen zijne oogen en bleef zoo een oogenblik staan, bang, als
hij ze opende, te zien, dat de droom reeds in het niet vergaan was.....
De stemmen der reuzenkinderen spraken tot elkaar, als een
zachteren klank door de galmende melodie der smeden. Zijn twijfel
verminderde. Hij hoorde de reuzenstemmen; hij hoorde hunne
bewegingen nog om zich heen. Het was werkelijk, ongetwijfeld was
het werkelijkheid--even werkelijk als spijtige daden! Inderdaad méér
werkelijk, want mogelijk zijn deze groote dingen, de dingen die komen
zullen; en de kleinheid, bestialiteit, en de zwakheid der menschen
zijn dingen die voorbijgaan. Hij opende de oogen.
"Klaar!" riep een der twee smeden, en zij wierpen hunne hamers neer.
Er klonk een stem hoog boven Redwood. De zoon van Cossar, die op de
groote aarden wal stond, had zich omgewend en sprak hun nu allen toe.
"Het is niet ons opzet om het kleine volk de wereld uit te dringen,"
zei hij, "opdat wij die slechts één stap verder zijn van hun
kleinheid, de wereld voor altijd zouden kunnen bezitten. Het is de trap
waarlangs wij moeten opklimmen, waarvoor wij strijden, en niet voor
onszelven.... Hier zijn wij, Broeders, en met welk doel? Om getrouw te
zijn aan het leven en het Doel waarvoor wij geboren zijn. Wij strijden
niet voor onszelven--want wij zijn slechts de handen en oogen van het
Leven der wereld. Dit hebt gij, Vader Redwood, ons geleerd. Uit ons,
zoowel als uit het kleine volk, spreekt de Geest. En van ons moet hij,
door woord, geboorte en daad overgaan--op nòg gróótere levens. Deze
aarde is geen rustplaats, deze aarde is geen speelplaats; als dit
zoo was, ja, dan zouden wij onze keel het mes van het kleine volkje
kunnen voorhouden, daar wij dan niet méér recht om te leven zouden
hebben dan zij. En dan zouden zij op hun beurt moeten onderdoen voor
mieren en ongedierte. Wij strijden niet voor onszelven, doch voor
den Groei--groei die steeds dóórgaat. Morgen, hetzij wij blijven
leven of sterven, zal de Groei door ons overwinnen. Dat is de wet van
den Geest voor altijd. Te groeien zooals God het wil! Deze spleten
en holen, schaduwen en duisternis te ontgroeien, naar grootheid
en licht! Grooter," zei hij, het woord langzaam en met nadruk
uitsprekend,--"steeds grooter. Al maar te groeien--. Groeien tot
wij eindelijk groot genoeg zijn om bij God te leven. Groeien... tot
de aarde niet meer is dan een voetbank onzer voeten... Tot de geest
de vrees geheel zal verdreven hebben en zich over alles zal hebben
verspreid"... Hij zwaaide zijn arm hemelwaarts:--"Daar!"
Zijn stem zweeg. De witte gloed van een der zoeklichten straalde
neer, en viel een oogenblik op hem, en hij stond daar, reusachtig,
met één hand ten hemel geheven.
Eén oogenblik straalde hij, en keek onbevreesd in de met sterren
bezaaide hemeldiepten; gekleed in maliën, jong en sterk, vastberaden
en kalm. Toen gleed het licht heen en was hij nog slechts een groote
donkere omtrek, die tegen den sterrenhemel afstak,-- een groote
zwarte omtrek, die met een machtig gebaar het firmament en al die
sterrenscharen bedreigde.