"Waar is mijn zoon?" zei Redwood.
"O, daar is alles mee in orde, hoor. De Reuzen wachten op je
boodschap."
"Jawel, maar mijn jongen--"
Hij ging met Cossar een lange, hellende tunnel af die een oogenblik
rood verlicht en toen weder duister werd, en uitkwam op de groote
veilige groeve die de reuzen gemaakt hadden.
Redwood's eerste indruk was die van een enorme arena, die omzet was
met heel hooge rotsen, en welker vloer bestrooid was met allerlei
dingen. Het eenige licht dat dit alles deed zien was het schijnsel
der zoeklichten die voortdurend hoog over de groeve heenschoten, en
een gloed die nu eens aanlaaide dan weder verflauwde, vanuit een hoek,
waar twee reuzen samen werkten temidden van metaal-geklank. Toen deze
gloed weder oplaaide zag hij tegen de lucht de bekende omlijningen
der oude werkloodsen en speelgebouwen die daar gemaakt waren voor
de jongens van Cossar. Zij hingen nu, als het ware, aan den rand
van een rots, en waren eigenaardig vervormd en gehavend door het
bombardement van Caterham's geschut. Hij zag daar boven iets dat op
stellingen voor reusachtig geschut geleek, en dichter bij lagen groote
pyramiden kolossale cylinders opgestapeld die misschien ammunitie
voorstelden. Over de geheele ruime uitgestrektheid beneden lagen groote
machinerieën en massa's, waarvan hij het gebruik niet kon gissen, in
wanorde door elkaar. De reuzen verschenen en verdwenen weder tusschen
deze massa's en in het onzekere licht; allen groote gestalten doch niet
buiten verhouding met de dingen waartusschen zij zich bewogen. Enkelen
waren druk bezig, anderen zaten en lagen alsof zij den slaap zochten,
en een, die zich vlak bij Redwood bevond en wiens lichaam verbonden
was, lag op een ruw leger van dennetakken en sliep vast.
Redwood keek verbaasd naar deze nauwelijks te onderscheiden gedaanten;
zijn oogen dwaalden van den eenen bewegenden omtrek naar den anderen.
"Waar is mijn jongen, Cossar?"
En toen zag hij hem.
Zijn zoon zat in de schaduw van een grooten stalen muur. Hij was niet
anders dan een groote zwarte gedaante, slechts te herkennen aan zijn
houding--zijn gelaat was onzichtbaar. Hij zat met de kin in de hand,
alsof hij moê of in gedachten verdiept was. Naast hem ontdekte Redwood
de gestalte der Prinses, of liever, hij meende uit de donkere gestalte
die naast zijn zoon stond, te kunnen opmaken dat zij het was, en toen,
toen de gloed van het ijzer, een eind verder, weder oplichtte, zag
hij een oogenblik haar rood-verlichte zachte gezicht. Zij keek op
haren minnaar neer, terwijl haar hand tegen het staal van den muur
rustte. Het scheen dat zij tot hem fluisterde.
Redwood wilde naar hen toe gaan.
"Straks," zei Cossar. "Eerst je boodschap."
"Ja," zei Redwood, "maar--"
Hij hield plotseling op. Zijn zoon keek nu op en zei wat tot de
Prinses, doch te zacht om het te verstaan. De jonge Redwood hief zijn
gezicht op en zij boog zich tot hem over, en wendde haar gelaat af
voor zij begon te spreken.
"Maar als wij nu eens verslagen worden," hoorde hij de stem van zijn
zoon fluisteren.
Zij zweeg even, en de roode gloed liet haar oogen zien die glansden
van ongestorte tranen. Zij boog zich nog meer naar hem over en sprak
nog zachter. Er was iets zóó intiems en innigs in hun houding, in
hun fluisteren, dat Redwood--Redwood die twee dagen lang aan niets
anders dan zijn zoon gedacht had--zich hier te veel voelde. Hij bleef
plotseling staan. Voor het eerst in zijn leven misschien besefte hij,
hoeveel méér een vader zijn zoon kan liefhebben dan een zoon ooit
zijn vader; hij besefte ten volle de heerschappij der toekomst over
het verleden. Tusschen deze twee was geen plaats voor hem. Hij had
zijn rol gespeeld. Hij wendde zich tot Cossar, terwijl dit besef hem
nog vasthield. Hunne oogen ontmoetten elkaar. Zijn stem klonk nu heel
anders met een toon van kleurlooze vastbeslotenheid erin.
"Ik wil mijn boodschap nù afleveren," zei hij. "Daarna--....Dan kan
't altijd nog wel."
De groeve was zoo enorm en lag zoo bezaaid met allerlei, dat de weg
naar de plaats vanwaar Redwood de Reuzen kon toespreken, lang en
kronkelig was,
Hij en Cossar volgden een steil afgaanden weg die onder een boog van
inelkaar sluitende machinerieën doorliep, en kwamen zoo in een groote
diepe verschansing die dwars over den bodem der groeve liep. Deze
verschansing, breed en ledig, en toch betrekkelijk smal, droeg er,
met al het verdere om hem heen, toe bij om Redwood's gevoel van eigen
kleinheid nog te verhoogen. Het begon hem als het ware een uitgegraven
keel toe te lijken. Hoog boven zijn hoofd, van hem gescheiden door
duistere rotsen, flikkerden en schenen hel de zoeklichten en de
blinkende gedaanten gingen af en aan. Reuzen-stemmen riepen elkander
daar boven toe, riepen de Reuzen ten Krijgsraad, om de voorwaarden te
hooren die Caterham gesteld had. De verschansing helde steeds verder
naar donkere ruimten, naar schaduwen en mysteriën en niet te begrijpen
dingen, waarin Redwood langzaam afdaalde met aarzelende schreden en
Cossar met vastberaden tred als van een, die dit alles reeds kende...
Redwood's gedachten gingen over allerlei dingen.
De beide mannen waren nu in de diepste duisternis gekomen, en Cossar
vatte zijn metgezel bij den pols. Zij waren nu wel gedwongen langzaam
voort te gaan.
Redwood voelde zich gedrongen te spreken.
"Dit alles is heel vreemd om te zien," zei hij.
"Groot," zei Cossar.
"Vreemd. En het is vréémd dat het mij vreemd toeschijnt--mij, die,
tot op zekere hoogte, de schepper van dit alles ben. Het is--"
Hij zweeg, trachtende zijn bedoeling duidelijk te maken, en maakte
een gebaar naar de klip boven, dat de ander door de duisternis niet
kon zien.
"Ik heb er nooit zoo aan gedacht. Ik heb het druk gehad en de jaren
zijn omgevlogen. Maar hier zie ik--Het is een nieuw geslacht, Cossar,
met nieuwe aandoeningen en nieuwe behoeften. Dit alles, Cossar--"
Cossar zag nu zijn onduidelijk gebaar naar de dingen om hen heen.
"Dit alles is de Jeugd."
Cossar gaf geen antwoord, en zijn onregelmatige schreden gingen voort.
"Maar ònze jeugd is het niet, Cossar. Zij hebben alles overgenomen. Zij
vangen nu aan met eigen aandoeningen, eigen ondervinding en eigen
levenswijze. Wij hebben een nieuwe wereld gemaakt, die de onze niet
meer is. Zij is mij zelfs niet--sympathiek. Deze groote ruimte--"
"Die heb ik ontworpen," zei Cossar, met strak gezicht.
"Maar nù?"
"Ah, ik heb haar aan mijn jongens gegeven."
Redwood kon den lossen zwaai van den arm dien hij niet zien kon,
voelen.
"Juist, zoo is het. Wij hebben onzen tijd uitgediend--of tenminste
bijnà."
"Je boodschap!"
"Ja. En dan--"
"Is 't gedaan met ons."
"Nu--? Natuurlijk staan wij buiten dit alles, wij twee oudjes," zei
Cossar, met den welbekenden klank van plotselingen toorn in zijn
stem. "Natuurlijk. Ligt voor de hand. Een ieder op zijn tijd. En
nu--is het hùn tijd om te beginnen. Natuurlijk. Wij doen wat we
doen moeten en dan gaan we heen. Snap je? Daar is de dood voor. Wij
verwerken ons kleine verstand en onze kleine emoties en dan beginnen
die na ons komen opnieuw. Met frisschen moed! Heel eenvoudig, niet
waar? En wat is daar niet goed in?"
Hij zweeg even om Redwood naar een trap te leiden.
"Ja," zei Redwood, "maar ik voel toch--"
Hij voltooide den zin niet.
"Daar is de Dood voor." Hij hoorde 't Cossar beneden zich nogmaals met
overtuiging zeggen: "Hoe zou 't ànders met de wereld moeten gaan? Dààr
is de Dood voor."