Eenigen tijd later zat Redwood in een trein die zuidwaarts over den
Theems ging. Hij zag in het voorbijgaan even de rivier, die schitterde
onder de lichten, en de rook die nog opsteeg van de plaats op den
noordelijken oever waar de granaat neergekomen was, en waar een groote
menigte mannen aan het werk gezet was om de Herakleophorbia uit den
grond te branden.
De zuidelijke oever was duister, en om den een of anderen reden waren
de straten zelfs niet verlicht, en het eenige wat duidelijk zichtbaar
was, waren de omtrekken der hooge alarm-torens en de duistere massa's
van bovenverdiepingen en scholen, en na een minuut lang naar buiten
gegluurd te hebben ging hij met den rug naar het raampje zitten en
verzonk in gepeins. Er was niets meer te doen of te zien vóór hij de
zonen zag...
Hij was moe van de spanning der laatste twee dagen. Het leek hem
toe dat zijne emoties nu uitgeput moesten zijn, doch hij had zich
versterkt met sterke koffie voor hij op weg ging en nu dacht hij weder
helder. Hij dacht na over velerlei dingen. Hij ging nog eens na,--doch
nu in het licht van de gebeurtenissen die voorgevallen waren--, de
wijze waarop het Voedsel het eerst in de wereld was gekomen en hoe
het zich ontwikkeld had.
"Bensington meende, dat het een uitstekend Voedsel voor kleine kinderen
zou zijn," fluisterde hij bij zich zelven, flauwtjes glimlachend. En
toen kwam in zijn brein weder op, alsof hij nog onbeslist was, de
pijnigende twijfel nadat hij het Voedsel aan zijn eigen kind gegeven
had. En hierna, met een stagen, niet aarzelenden gang, niettegenstaande
elke poging der menschen om het te bevorderen of het tegen te houden,
had het Voedsel zich verspreid over de geheele menschenwereld. En nu?
"Al dooden zij hen allen," fluisterde Redwood, "dan is de zaak tòch
geschied."
Het geheim van het maken ervan, was nu heinde en ver bekend. Dit
was zìjn werk geweest. Planten, dieren, een menigte ontzettend-sterk
groeiende kinderen zouden onwederstaanbaar samenspannen om de wereld
te dwingen toch weder tot het Voedsel terug te keeren, wat er ook
uit den huidigen strijd mocht voortvloeien. "De zaak is niet meer
te veranderen," zei hij, terwijl zijn geest, niettegenstaande alle
pogingen om het te verhinderen, toch weder begon na te denken over
het tegenwoordige lot der Kinderen en dat van zijn zoon. Zou hij
hen uitgeput vinden van de vermoeienissen van den strijd, gewond,
omkomend van honger, op het punt verslagen te worden, of zou hij hen
nog krachtig en vol hoop vinden, gereed voor den nog meer verwoeden
strijd van morgen?... Zijn zoon was gewond! Doch hij had een boodschap
gezonden!
Hij begon weder te denken over zijn interview met Caterham.
Hij werd uit zijne overpeinzingen opgeschrikt door het stoppen van den
trein aan het station te Chislehurst. Hij herkende de plaats aan den
reusachtigen ratten-alarmtoren die op den top van den heuvel te Camden
stond, en de rij bloeiende reuzen-klavers die langs den weg groeiden.
Caterhams privaat-secretaris kwam naar hem toe uit het andere rijtuig
en zei hem, dat de lijn een half uur verder opgebroken was, en dat het
overige der reis afgelegd zou moeten worden in een auto. Redwood stapte
uit, op het perron, dat slechts verlicht werd door een handlantaarn
en waarover de nachtwind koel aanwoei. De stilte van deze verlaten,
met hout begroeide, en door onkruid overdekte buitenwijk--want al de
bewoners hadden den vorigen dag de wijk genomen naar Londen, zoodra
de strijd een aanvang nam--was indrukwekkend. Zijn geleider voerde
hem den trap af naar de plaats waar een automobiel stond te wachten
met helle lantaarns aan--de eenige lichten die te zien waren--beval
den chauffeur goed zorg voor hem te dragen en zei hem vaarwel.
"Zult u uw best voor ons doen?" zei hij, zijns meesters wijze van
optreden zoo getrouw mogelijk nabootsend, terwijl hij Redwood's hand
gevat hield.
Zoodra Redwood goed in het bont gestopt was, reden zij het nachtelijk
duister in. Een oogenblik stond de auto stil en toen vloog hij zacht
en snel het stationsplein af. Zij draaiden een hoek om en daarna nog
een, volgden de kronkelingen van een met villa's afgezette laan en
toen lag de weg voor hen. Het gesnor van den auto klonk al luider en
luider, tot hij zijn grootste snelheid bereikt had en de donkere nacht
vloog hen voorbij. De geheele omgeving lag zeer duister onder het
licht der sterren uitgespreid en het gansche drukke leven lag daar,
geheimzinnig stil, volkomen geluidloos. Er voer geen zuchtje door de
boomen en struiken waar zij langs vlogen; de verlaten, bleek-witte
villa's aan weerszijden, met hunne donkere vensters waarachter geen
licht brandde, deden hem denken aan het geruischlooze voorbijtrekken
van een processie skeletten. De chauffeur naast hem was een zwijgzaam
man, of misschien dat hij zich niet tot spreken geneigd voelde door
de omstandigheden van den tocht. Hij antwoordde op de korte vragen
van Redwood met monosyllaben en tamelijk barsch. Langs de zuiderlucht
schoten geruischloos zoeklichten; de eenige vreemde teekenen van leven
in die geheele verlaten wereld, die zich overal om de voortsnellende
machine uitstrekte.
Een oogenblik later stonden er overal langs den kant van den weg
reusachtige sleedoorn-twijgen die het erg donker maakten, en dan
stonden er nog hoog gras en pijpkruid, reusachtige doove netels,
zoo hoog als boomen, wier duistere silhouetten boven hunne hoofden
voorbijschoten. Toen zij Keston voorbij waren, kwamen zij aan een
heuvelhelling en reed de chauffeur langzamer. Toen hij den top bereikt
had, stopte hij. De machine dreunde en zweeg. "Daar," zei hij, en
zijn groote gehandschoende hand schoof al wijzend, als een zwarte
vormlooze massa voor Redwood's oogen.
Hij meende in de verte de groote schans, gekroond door den gloed
waaruit de zoeklichten schoten, tegen de lucht te zien afsteken. Deze
stralen kwamen en gingen tusschen de wolken en het heuvelland om hen
heen alsof zij geheimzinnige tooverformules trokken.
"Verder weet ik niet," zei de chauffeur eindelijk en het was duidelijk
dat hij bang was verder te gaan.
Daar schoot een zoeklicht uit de lucht naar hen neer, bleef plotseling,
als met schrik, staan, bekeek hen nauwkeurig, een verblindende
blik die nog eerder verscherpt dan verzacht werd door den stengel
van het een of ander reuzen-onkruid, dat zich tusschen hen en dit
licht plaatste. Zij zaten daar met hunne handschoenen voor de oogen,
trachtende er onderdoor te kijken, tegen het licht in.
"Rij door," zei Redwood na eenigen tijd.
De chauffeur aarzelde nog steeds; hij trachtte zijn aarzeling onder
woorden te brengen, doch het eenige wat hij zeggen kon was: "verder
weet ik niet."
Eindelijk waagde hij het verder te gaan. "Nou, vooruit dan maar,"
zei hij, en bracht weder leven in zijn machine, zorgvuldig gevolgd
door dat groote helle oog.
Het leek Redwood geruimen tijd toe dat zij niet langer op aarde waren,
doch in een toestand van zenuwachtigen haast door een lichtende wolk
schoten. Tuf, tuf, tuf, tuf, ging de machine en telkens--gehoorzamend,
ik weet niet aan welke zenuwachtige aandrift--liet de chauffeur zijn
hoorn toeteren.
Zij schoten de welkome duisternis eener met hooge schuttingen
afgezette laan in, een vallei binnen, en zoo voorbij eenige huizen
weder in dat verblindende licht. Toen liep de weg een tijdlang over een
onbegroeiden heuvel, en zij schenen dreunend in de oneindige ruimte
te hangen. Toen vertoonde zich weder reuzen-onkruid om hen heen en
schoot langs hen. En toen stond er plotseling vlak voor hen de gestalte
van een reus, helder blinkend waar liet zoeklicht van onderen op hem
viel en donker afstekend tegen de lucht daarboven. "Hallo daar!" riep
hij. "Stop! verder gaat de weg niet... Is dat Vader Redwood?"
Redwood stond op en schreeuwde flauwtjes ten antwoord, en toen stond
Cossar plotseling naast hem op den weg, zijne beide handen stevig
drukkend en hem uit den auto trekkend.
"Hoe is 't met mijn zoon?" vroeg Redwood.
"O, goed," zei Cossar. "Hèm hebben ze niet erg geraakt."
"En jouw eìgen jongens?"
"Goed in orde, allemaal. Maar 't is een warm dagje geweest gisteren."
De reus zei iets tot den chauffeur. Redwood ging op zij toen de auto
omdraaide en toen verdween Cossar plotseling, alles verdween, en hij
stond een tijd lang in absolute duisternis. Het zoeklicht volgde
den auto weder terwijl deze terugreed naar den top van den heuvel
van Keston. Hij zag het kleine rijtuig zich verwijderen temidden
van dien witten stralenkrans. En het eigenaardige van de zaak was
dat het net was alsof het voertuig zelf stilstond en de stralenkrans
zich voortbewoog. Een groep, door den krijg gehavende, reuzen-elzen
werd plotseling zichtbaar met hunne grillige verkoolde takken, en werd
weder verzwolgen door de duisternis... Redwood wendde zich weder naar
de duidelijk-zichtbare gestalte van Cossar en drukte hem de hand:
"Ze hebben me opgesloten en van alles totaal onwetend gehouden,
twee volle dagen lang," zei hij.
"Wij vuurden het Voedsel op hen af," zei Cossar. "Ligt voor de
hand! Dertig schoten. Hè!"
"Ik kom van Caterham."
"Dat weet ik." Hij lachte en er klonk iets bitters in dien lach. "Ik
vertrouw dat hij bezig is 't op te vegen, he?"