Zesendertig uur lang bleef Redwood opgesloten in zijn kamer en
afgesloten van het groote drama der Twee Dagen, waarop de kleine
menschenkinderen, in den dageraad der grootheid, tegen de Kinderen van
het Voedsel streden. En toen ging plotseling het ijzeren gordijn weder
op en bevond hij zich dichtbij het centrum van den strijd. Laat in den
middag werd hij naar het venster getrokken door het rollen van een
huurrijtuig dat buiten stilhield. Een jonge man sprong eruit en een
oogenblik later stond er voor hem in de kamer, een tenger gebouwde
jonge man van misschien dertig jaren, gladgeschoren, goed gekleed
en welgemanierd.
"Mijnheer Redwood, mijnheer," begon hij, "zoudt u genegen zijn bij
mijnheer Caterham te komen? Hij verzoekt u zeer dringend bij hem
te komen."
"Verzoekt mij dringend!"... Er kwam plotseling een vraag in Redwood's
hoofd op, die hij niet kon uiten. Hij aarzelde. En toen vroeg hij
met bevende stem: "Wat heeft hij met mijn zoon gedaan?" en wachtte
ademloos op het antwoord.
"Uw zoon, mijnheer? Uw zoon maakt het goed. Ten minste dat vertrouwen
wij."
"Maakt hij het goed?"
"Hij werd gisteren gewond, mijnheer. Hebt u dat dan niet gehoord?"
Redwood wierp deze huichelarijen omver door te zeggen, met een stem
waarin nu niet langer vrees, doch toorn klonk: "U weet heel goed dat
ik dit niet vernomen heb. U weet heel goed dat ik niets vernomen heb."
"Mijnheer Caterham was bang, mijnheer--Het was een tijd van
opstand. Iedereen--overrompeld. Hij arresteerde u om uwe veiligheid
te verzekeren, Mijnheer."
"Hij arresteerde mij om te voorkomen, dat ik mijn zoon zou waarschuwen
of hem raadgeven. Maar ga voort. Vertel mij wat er gebeurd is. Zijn
uwe pogingen geslaagd? Hebt gij ze allen gedood?"
De jonge man deed een schrede in de richting van het venster en wendde
zich toen om.
"Neen, mijnheer," zei hij kortaf.
"Waarvoor komt u hier?"
"Het is ons bewijs, mijnheer, dat wij dit gevecht niet begonnen
zijn. Zij vonden ons--geheel onvoorbereid.
"U bedoelt?"
"Ik bedoel, mijnheer, dat de reuzen zich tot op zekere hoogte
hebben--staande gehouden."
Redwood zag nu alles in een ander licht. Een oogenblik leek het alsof
eene zenuwaandoening de spieren van Redwood's gelaat en keel deed
schokken. Toen uitte hij een diep "Ah!" En zijn hart sprong in hem
op van vreugde. "De reuzen hebben zich staande gehouden."
"Er is vreeselijk gevochten--en er zijn vreeselijke verwoestingen
aangericht. Alles komt voort uit een afgrijselijk misverstand... In het
Noorden en in het midden van het land zijn er Reuzen gedood... Overal."
"Wordt er nù nòg gevochten?"
"Neen, mijnheer. Er werd een wapenstilstand gevraagd."
"Door hen?"
"Neen, mijnheer. Mijnheer Caterham zond een witte vlag en vroeg
een wapenstilstand aan. Alles komt voort uit een vreeselijk
misverstand. Daarom wenscht hij met u te spreken, en u zijn geval
voor te leggen. Zij staan erop, dat u als bemiddelaar zult optreden--"
Redwood viel hem in de rede. "Weet u ook wat er met mijn zoon gebeurd
is," vroeg hij.
"Hij werd gewond!"
"Vertel het mij, vertel het mij!"
"Hij en de Prinses stuitten--nog vóór de beweging om het kamp der
Cossar's--de groeve der Cossar's te Chislehurst--te omsingelen geheel
uitgevoerd was, plotseling op een colonne infanterie toen zij door
een dicht kreupelbosch van reuzen-haver kwamen breken... De soldaten
waren den heelen dag al erg zenuwachtig geweest en dit veroorzaakte
een paniek."
"Hebben ze hem doodgeschoten?"
"Neen, mijnheer. Zij vluchtten. De een of ander schoot in het wilde
op hem--tegen de bevelen in."
Redwood gaf te kennen dat hij dit niet geloofde.
"Het is zoo, mijnheer. Ik wil niet beweren dat 't om uw zoon was,
maar terwille van de prinses."
"Juist, dàt is het."
"De twee reuzen renden schreeuwend naar het kamp. De soldaten liepen
wild door elkaar en toen vuurde er een. Men zegt, dat ze hem zagen
wankelen--"
"Hu!"
"Ja, mijnheer. Maar wij weten ook dat hij niet ernstig gewond is."
"Hoè weet u dat?"
"Hij zond bericht, mijnheer, dat hij wel was!"
"Aan mij?"
"Aan wien anders, mijnheer?"
Redwood stond bijna een minuut lang met over elkaar geslagen armen
om dit alles te omvatten. En toen gaf de verontwaardiging hem zijn
stem weder.
"Omdat jelui krankzinnig waren dit alles te doen, omdat jelui je
misrekend en een stomme fout gemaakt hebt, zou je mij willen doen
gelooven, dat jelui geen moordenaars in voorbedachten rade zijt. En
bovendien--Hoe is het met de anderen?"
De jonge man keek hem vragend aan.
"De andere Reuzen?"
De jonge man wendde niet langer voor hem niet te begrijpen. Zijn
stem daalde.
"Er zijn er dertien gesneuveld, mijnheer."
"En nog anderen gewond?"
"Ja, mijnheer."
"En Caterham," hijgde hij, "wil hebben, dat ik hem ga opzoeken!... Waar
zijn de anderen?"
"Enkelen bereikten het kamp onder het gevecht, mijnheer.... Zij
schijnen geweten te hebben dat--"
"Natuurlijk wisten ze dat. Als Cossar er niet geweest was--Is Cossar
daar ook?"
"Jawel, mijnheer. En al de nog overgebleven reuzen bevinden zich
daar--die welke het kamp niet konden bereiken onder het gevecht,
zijn verdwenen, of zijn nu veilig onder de vlag der wapenstilstand."
"Dat wil dus zooveel zeggen, als dat jelui verslagen zijt," zei
Redwood.
"Wij zijn nièt verslagen, mijnheer. Neen, mijnheer. Dàt kunt
u niet zeggen. Maar uwe zonen hebben tegen de krijgsgebruiken
gehandeld. Eenmaal gisterenavond en vandaag wèder. Nadat onze
aanvallende colonnes zich teruggetrokken hadden. Vanmiddag begonnen
zij Londen te bombardeeren--"
"Dat is volkomen gewettigd!"
"Zij vuurden bommen af, gevuld met--vergif."
"Vergif?"
"Ja. Vergif. Het Voedsel--"
"Herakleophorbia?"
"Ja, mijnheer. Mijnheer Caterham, mijnheer--"
"U zijt verslagen! Natúúrlijk kunnen jelui dáár niet tegen op. Dat
is het werk van Cossar! En wat rest jullie nu nog? Wat geeft het of
je de hemel weet wat ook begint? Jelui zult het inademen met het
stof van de straten. Waarom zouden jelui nog dóórvechten? Jawel,
krijgsregelen! En nu wil Caterham mij zoover overduvelen dat ik hem
zal helpen onderhandelen. Goeie God, man? Waarom zou ik meegaan
naar jelui uitelkaar gespatte zak met wind? Hij heeft zijn kaart
uitgespeeld... gemoord en de boel wanhopig in de war gestuurd. Waarom
zou ik nù nog meegaan?"
De jonge man stond daar in een houding van eerbiedige waakzaamheid.
"Mijnheer, het is zooals ik u zei," viel hij Redwood in de rede;
"de reuzen staan er op u te zien. Zij willen geen anderen bemiddelaar
dan u. Ik vrees dat, zoo u niet naar hen toegaat, er nog meer bloed
zal vloeien."
"Aan úw kant misschien."
"Néén, mijnheer--aan beide zijden. De wereld heeft vast besloten,
dat er een einde aan moet komen."
Redwood keek zijn studeervertrek rond. Zijn oog bleef een oogenblik
rusten op de foto van zijn zoon. Hij wendde zich om en antwoordde
den in spanning verkeerenden jongen man:
"Ja, ik zal meegaan."