III.

Zesendertig uur lang bleef Redwood opgesloten in zijn kamer en

afgesloten van het groote drama der Twee Dagen, waarop de kleine

menschenkinderen, in den dageraad der grootheid, tegen de Kinderen van

het Voedsel streden. En toen ging plotseling het ijzeren gordijn weder

op en bevond hij zich dichtbij het centrum van den strijd. Laat in den

middag werd hij naar het venster getrokken door het rollen van een

huurrijtuig dat buiten stilhield. Een jonge man sprong eruit en een

oogenblik later stond er voor hem in de kamer, een tenger gebouwde

jonge man van misschien dertig jaren, gladgeschoren, goed gekleed

en welgemanierd.

"Mijnheer Redwood, mijnheer," begon hij, "zoudt u genegen zijn bij

mijnheer Caterham te komen? Hij verzoekt u zeer dringend bij hem

te komen."

"Verzoekt mij dringend!"... Er kwam plotseling een vraag in Redwood's

hoofd op, die hij niet kon uiten. Hij aarzelde. En toen vroeg hij

met bevende stem: "Wat heeft hij met mijn zoon gedaan?" en wachtte

ademloos op het antwoord.

"Uw zoon, mijnheer? Uw zoon maakt het goed. Ten minste dat vertrouwen

wij."

"Maakt hij het goed?"

"Hij werd gisteren gewond, mijnheer. Hebt u dat dan niet gehoord?"

Redwood wierp deze huichelarijen omver door te zeggen, met een stem

waarin nu niet langer vrees, doch toorn klonk: "U weet heel goed dat

ik dit niet vernomen heb. U weet heel goed dat ik niets vernomen heb."

"Mijnheer Caterham was bang, mijnheer--Het was een tijd van

opstand. Iedereen--overrompeld. Hij arresteerde u om uwe veiligheid

te verzekeren, Mijnheer."

"Hij arresteerde mij om te voorkomen, dat ik mijn zoon zou waarschuwen

of hem raadgeven. Maar ga voort. Vertel mij wat er gebeurd is. Zijn

uwe pogingen geslaagd? Hebt gij ze allen gedood?"

De jonge man deed een schrede in de richting van het venster en wendde

zich toen om.

"Neen, mijnheer," zei hij kortaf.

"Waarvoor komt u hier?"

"Het is ons bewijs, mijnheer, dat wij dit gevecht niet begonnen

zijn. Zij vonden ons--geheel onvoorbereid.

"U bedoelt?"

"Ik bedoel, mijnheer, dat de reuzen zich tot op zekere hoogte

hebben--staande gehouden."

Redwood zag nu alles in een ander licht. Een oogenblik leek het alsof

eene zenuwaandoening de spieren van Redwood's gelaat en keel deed

schokken. Toen uitte hij een diep "Ah!" En zijn hart sprong in hem

op van vreugde. "De reuzen hebben zich staande gehouden."

"Er is vreeselijk gevochten--en er zijn vreeselijke verwoestingen

aangericht. Alles komt voort uit een afgrijselijk misverstand... In het

Noorden en in het midden van het land zijn er Reuzen gedood... Overal."

"Wordt er nù nòg gevochten?"

"Neen, mijnheer. Er werd een wapenstilstand gevraagd."

"Door hen?"

"Neen, mijnheer. Mijnheer Caterham zond een witte vlag en vroeg

een wapenstilstand aan. Alles komt voort uit een vreeselijk

misverstand. Daarom wenscht hij met u te spreken, en u zijn geval

voor te leggen. Zij staan erop, dat u als bemiddelaar zult optreden--"

Redwood viel hem in de rede. "Weet u ook wat er met mijn zoon gebeurd

is," vroeg hij.

"Hij werd gewond!"

"Vertel het mij, vertel het mij!"

"Hij en de Prinses stuitten--nog vóór de beweging om het kamp der

Cossar's--de groeve der Cossar's te Chislehurst--te omsingelen geheel

uitgevoerd was, plotseling op een colonne infanterie toen zij door

een dicht kreupelbosch van reuzen-haver kwamen breken... De soldaten

waren den heelen dag al erg zenuwachtig geweest en dit veroorzaakte

een paniek."

"Hebben ze hem doodgeschoten?"

"Neen, mijnheer. Zij vluchtten. De een of ander schoot in het wilde

op hem--tegen de bevelen in."

Redwood gaf te kennen dat hij dit niet geloofde.

"Het is zoo, mijnheer. Ik wil niet beweren dat 't om uw zoon was,

maar terwille van de prinses."

"Juist, dàt is het."

"De twee reuzen renden schreeuwend naar het kamp. De soldaten liepen

wild door elkaar en toen vuurde er een. Men zegt, dat ze hem zagen

wankelen--"

"Hu!"

"Ja, mijnheer. Maar wij weten ook dat hij niet ernstig gewond is."

"Hoè weet u dat?"

"Hij zond bericht, mijnheer, dat hij wel was!"

"Aan mij?"

"Aan wien anders, mijnheer?"

Redwood stond bijna een minuut lang met over elkaar geslagen armen

om dit alles te omvatten. En toen gaf de verontwaardiging hem zijn

stem weder.

"Omdat jelui krankzinnig waren dit alles te doen, omdat jelui je

misrekend en een stomme fout gemaakt hebt, zou je mij willen doen

gelooven, dat jelui geen moordenaars in voorbedachten rade zijt. En

bovendien--Hoe is het met de anderen?"

De jonge man keek hem vragend aan.

"De andere Reuzen?"

De jonge man wendde niet langer voor hem niet te begrijpen. Zijn

stem daalde.

"Er zijn er dertien gesneuveld, mijnheer."

"En nog anderen gewond?"

"Ja, mijnheer."

"En Caterham," hijgde hij, "wil hebben, dat ik hem ga opzoeken!... Waar

zijn de anderen?"

"Enkelen bereikten het kamp onder het gevecht, mijnheer.... Zij

schijnen geweten te hebben dat--"

"Natuurlijk wisten ze dat. Als Cossar er niet geweest was--Is Cossar

daar ook?"

"Jawel, mijnheer. En al de nog overgebleven reuzen bevinden zich

daar--die welke het kamp niet konden bereiken onder het gevecht,

zijn verdwenen, of zijn nu veilig onder de vlag der wapenstilstand."

"Dat wil dus zooveel zeggen, als dat jelui verslagen zijt," zei

Redwood.

"Wij zijn nièt verslagen, mijnheer. Neen, mijnheer. Dàt kunt

u niet zeggen. Maar uwe zonen hebben tegen de krijgsgebruiken

gehandeld. Eenmaal gisterenavond en vandaag wèder. Nadat onze

aanvallende colonnes zich teruggetrokken hadden. Vanmiddag begonnen

zij Londen te bombardeeren--"

"Dat is volkomen gewettigd!"

"Zij vuurden bommen af, gevuld met--vergif."

"Vergif?"

"Ja. Vergif. Het Voedsel--"

"Herakleophorbia?"

"Ja, mijnheer. Mijnheer Caterham, mijnheer--"

"U zijt verslagen! Natúúrlijk kunnen jelui dáár niet tegen op. Dat

is het werk van Cossar! En wat rest jullie nu nog? Wat geeft het of

je de hemel weet wat ook begint? Jelui zult het inademen met het

stof van de straten. Waarom zouden jelui nog dóórvechten? Jawel,

krijgsregelen! En nu wil Caterham mij zoover overduvelen dat ik hem

zal helpen onderhandelen. Goeie God, man? Waarom zou ik meegaan

naar jelui uitelkaar gespatte zak met wind? Hij heeft zijn kaart

uitgespeeld... gemoord en de boel wanhopig in de war gestuurd. Waarom

zou ik nù nog meegaan?"

De jonge man stond daar in een houding van eerbiedige waakzaamheid.

"Mijnheer, het is zooals ik u zei," viel hij Redwood in de rede;

"de reuzen staan er op u te zien. Zij willen geen anderen bemiddelaar

dan u. Ik vrees dat, zoo u niet naar hen toegaat, er nog meer bloed

zal vloeien."

"Aan úw kant misschien."

"Néén, mijnheer--aan beide zijden. De wereld heeft vast besloten,

dat er een einde aan moet komen."

Redwood keek zijn studeervertrek rond. Zijn oog bleef een oogenblik

rusten op de foto van zijn zoon. Hij wendde zich om en antwoordde

den in spanning verkeerenden jongen man:

"Ja, ik zal meegaan."

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 93 / 103 题