II.

Hierna bracht Redwood een groot gedeelte van zijn tijd aan de

vensters door.

Doch de vensters lieten hem heel weinig zien van den gang der zaken

buiten. Het was altijd al een stille straat geweest en dien dag was

zij buitengewoon stil. Men zag er bijna geen enkel huurrijtuig,

en dien geheelen morgen ging er bijna niets anders voorbij dan

een winkeliers-karretje nu en dan. Af en toe gingen er menschen

voorbij--zonder dat er iets bijzonders aan hen te zien was,--nu en dan

een troepje kinderen, een kindermeisje en een vrouw die ging winkelen,

en zoo voort. Ze kwamen de straat af links of rechts, met een tergenden

schijn van onverschilligheid voor alles wat grooter en ruimer van

zin was dan zijzelven, zij kregen het door de politie bewaakte huis

met verbazing in het oog en verwijderden zich in tegenovergestelde

richting, waar de groote ranken van een reuzen hydrangea over de

straat hingen, en keken dan nog eens om en wezen.... Nu en dan ging

er een man naar een van de agenten toe om dezen iets te vragen en

kreeg dan een kort antwoord...

Aan den overkant schenen de huizen uitgestorven te zijn. Eenmaal

verscheen er een werkmeisje aan een slaapkamerraam en bleef een

tijdlang nieuwsgierig staan kijken, en het viel Redwood in, haar

teekens te geven. Een poosje bleef zij naar deze gebaren kijken alsof

zij haar interesseerden en maakte op haar beurt eenige gebaren terug,

toen keek ze plotseling over haar schouder en ging heen. Een oude

man kwam Nummer 37 uitstrompelen, de stoep af en ging zonder op te

kijken de straat af. Het eenige wat er gedurende tien minuten in de

straat te zien was, was een kat... En met dergelijke onbelangrijke

gebeurtenisjes rekte zich die oneindige en toch zoo gewichtige morgen.

Tegen twaalf uur begonnen de courantenjongens in de straat daar

dichtbij te schreeuwen; doch ook dit verstomde. Tègen hunne gewoonte

kwamen zij niet door Redwood's straat en hij begon te vermoeden dat

de politie het einde der straat had afgezet. Hij trachtte het raam

op te schuiven, doch dit haalde hem onmiddellijk een agent op den hals.

De klok der naburige kerk sloeg twaalf, en na een zee van tijd--één

uur.

Het was alsof ze hem wilden voor den gek houden met hem een lunch

voor te zetten.

Hij at een stukje en strooide het voedsel wat rond opdat ze het maar

weg zouden nemen, dronk nog al wat whiskey, nam een stoel en ging

weder voor het venster zitten. De minuten rekten zich uit tot grijze

oneindigheden, en een tijdlang sliep hij...

Hij werd wakker met een vagen indruk van verwijderde ontploffingen. Hij

nam een trillen der vensterruiten waar als bij een aardbeving; dit

duurde een minuut of zoo en hield weder op. Toen, na een tijdje stilte,

herhaalde het zich nogmaals... Toen hield het weder op. Hij dacht dat

het eenvoudig het voorbijgaan van het een of ander zware voertuig in

de hoofdstraat zou zijn. Wat zou het anders kunnen wezen?...

Na eenigen tijd begon hij het te betwijfelen of hij dit geluid wel

gehoord had.

Hij hield eindelooze redeneeringen met zichzelf.

Waarom hadden ze hem eigenlijk gevangen genomen? Caterham was pas

twee dagen áán--juist lang genoeg--om zijn koe bij de horens te

grijpen! Zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn Reuzen Netel! Toen

dit refrein hem eenmaal in zijn hoofd zat, kon hij het niet weder

kwijtraken. Wat kon Caterham eigenlijk doen? Hij was een godsdienstig

man. Hierdoor kon hij niet zonder geldige redenen geweld gebruiken.

Zijn Netel uitrukken! Misschien dat ze de Prinses zouden gevangen nemen

en haar buitenslands sturen. Dan konden moeilijkheden volgen met zijn

zoon. En in dàt geval--! Maar waarom was hijzèlf gearresteerd? Waarom

was het noodzakelijk hem omtrent een dergelijk iets onwetend te

laten? Het leek wel alsof er--iets meer--iets gewichtigs achterzat.

Misschien dat ze àl de reuzen wilden oppakken! Allemaal tegelijk. Daar

was al op gedoeld in de verkiezingstoespraken. En dan?

Zonder twijfel hadden ze Cossar ook al opgepakt.

Caterham was een godsdienstig man. Dààr hield Redwood zich aan

vast. Het was of de achtergrond van zijn brein een zwart gordijn was,

en op dit gordijn verscheen en verdween telkens weder een woord--een

woord, geschreven in vurige letters. Hij vocht voortdurend om het woord

niet te zien. Het was alsof het telkens begon op het voorhangsel te

komen en niet voleindigd werd.

Eindelijk zag hij het onder de oogen. "Slachting!" Daar stond het

woord in zijn volle bruutheid.

Neen! Neen! Neen! Dat was onmogelijk! Caterham was een man met

godsdienstige principes, een beschaafd man. En bovendien het kòn toch

niet, dat het werk van al deze jaren, dat al deze hoop met één slag

vernietigd werd!

Redwood sprong op, en liep de kamer op en neêr. Hij praatte in

zichzelf; hij riep luide: "Neen!"

Zóó krankzinnig zou de menschheid toch zeker niet zijn--'t kòn

niet! Het was onmogelijk, het was niet te gelooven, het kòn niet. Wat

voor nut kon het hebben de menschen-reuzen te dooden, waar de tijd

van het reusachtige in al de lager-staande dingen nu onherroepelijk

aangebroken was? Zóó krankzinnig kònden ze niet zijn.

"Ik moet dit uit mijn hoofd zetten," zei hij luid, "ik moet dit

denkbeeld absoluut uit mijn hoofd zetten!"

Hij zweeg plotseling. Wat was dat?

Nu was hij er toch zeker van dat de ruiten gerateld hadden. Hij ging

naar het venster om in de straat te kijken. Aan den overkant zàg hij

de onmiddellijke bevestiging van wat zijne ooren gehoord hadden. Voor

een slaapkamerraam, op nummer 35 stond een vrouw, met een handdoek in

de hand, en aan het venster van de eetzaal van nummer 37 zag hij een

man staan achter een groote vaas overvoed venus-haar, en beiden keken

ongerust en nieuwsgierig naar boven. Hij zag nu maar al te duidelijk

dat de agenten op straat het ook gehoord hadden. Het kwam dus niet

voort uit zijne verbeelding.

Hij wendde zich om naar de duisterwordende kamer.

"Kanonnen," zei hij.

Hij bleef staan peinzen.

"Kanonnen?"

Men bracht hem sterke thee, zooals hij die gewoon was te

drinken. Blijkbaar had men zijn huishoudster hierin geraadpleegd. Nadat

hij zijn thee had uitgedronken was hij te rusteloos om nog langer

aan het venster te zitten, en hij liep de kamer op en neer. Hij begon

langzamerhand geregelder te denken.

Deze kamer was al vierentwintig jaar zijn studeerkamer geweest. Zij

was gemeubeld bij zijn trouwen, en al de zwaardere meubels dateerden

van dien tijd, de groote dubbele schrijftafel, de draai-stoel, de

luie-stoel bij het vuur, de draaiende boekenstander, de vaste rij

genummerde vakjes die de nis aan het eind van het vertrek vulden. Het

kleurige Turksche tapijt, de kleeden uit den lateren tijd van

Victoria's regeering, en gordijnen die nu verschoten waren tot een

mooie waardige kleurschakeering, en het roode en gele koper blonk

prachtig vóór den gloed van het vuur. Electrische lampjes hadden de

plaats ingenomen van de petroleum-lamp van vroeger dagen; dit was de

voornaamste verandering, die het oorspronkelijke meubilair ondergaan

had. Doch tusschen al deze dingen had zijn omgaan met het Voedsel

allerlei sporen achtergelaten. Langs den eenen wand, boven den dado,

was een drukke groepeering van foto's en photogravures in lijsten,

die zijn eigen zoon en Cossar's zonen en andere Bomvoedsel-kinderen

voorstelden op verschillende leeftijden en temidden van verschillende

omgevingen. Zelfs het peinzende gezicht van den jongen Caddles kon men

weervinden in deze verzameling. In den hoek stond een bosje reusachtige

grashalmen uit een weide bij Cheasing-Eyebright, en op de schrijftafel

lagen ledige manekoppen zoo groot als hoeden. De gordijn-roeden waren

grasstengels. En de reusachtige schedel van het groote varken van

Oakham hing met den snuit naar beneden als een massieve ivoren schouw,

met een Chineesche pul in elke oogholte, boven het vuur...

Redwood ging naar de foto's en keek in het bijzonder naar de foto's

van zijn zoon.

Zij riepen hem tallooze herinneringen in het geheugen terug, die

hij haast vergeten had, uit de dagen toen het Voedsel nog pas in de

geboorte was; hij dacht aan Bensington's bloode verschijning, aan

Bensington's nicht Jeanne, aan Cossar en aan den nachtelijken arbeid

op de Proef-Hoeve. Deze dingen kwamen hem nu weder erg klein en helder

en duidelijk voor den geest, als dingen die men op een zonnigen dag

door een verrekijker ziet. En dan was er die reusachtige kinderkamer,

de kindertijd van den reus, de eerste pogingen om te spreken, en de

eerste duidelijke teekenen van affectie van het reuzen-kind.

Kanonnen?

Het drong zich aan hem op, onwederstaanbaar en overweldigend, dat

daarbuiten, ver van deze vervloekte stilte en geheimzinnigheid, zijn

zoon en Cossar's zonen en al deze heerlijke eerste vruchten van een

grootscher eeuw aan het vechten waren--op dàt oogenblik zelfs--aan het

vechten waren om het leven! Zelfs op dat oogenblik was het mogelijk

dat zijn zoon in de een of andere groote moeilijkheid zat, gewond

en vermeesterd....

Hij wendde zich plotseling van de foto's af en liep gesticuleerend

het vertrek op en neer.

"Het kàn niet," riep hij uit. "Het is onmogelijk. Het kàn zoo niet

eindigen!"

"Wat was dat?"

Hij bleef als verstijfd staan.

Het beven der ramen was weder begonnen, en toen was er plotseling een

doffe plof gevolgd--een ontzettende ontploffing die het geheele huis

deed dreunen. Dat moest erg dichtbij geweest zijn. Een oogenblik lang

leek het hem alsof iets het huis boven hem geraakt had--een enorme

drukking waarop een gerinkel van vallend glas volgde en toen een

stilte die eindelijk eindigde in een duidelijk hoorbaar geluid van

dravende voeten beneden op straat.

Deze voeten schudden hem uit zijne verstijving wakker. Hij wendde

zich naar het venster en zag dat de ruiten gebarsten waren.

Zijn hart klopte hevig, als voelde hij dat nu de crisis, de

eindbeslissing en de bevrijding gekomen was. En toen viel de

plotselinge gedachte aan de gevangenschap, die hem machteloos maakte,

weder om hem heen als een gordijn!

Buiten zag hij niets behalve dat de kleine electrische lamp aan den

overkant niet brandde; hij hoorde niets na de eerste aanduiding

van wilde verwarring. En hij kon niets verders gewaar worden om

dit mysterie te verklaren of nog te vergrooten, behalve dat er een

oogenblik later een roodachtig, heen en weer bewegende gloed in de

lucht zichtbaar werd in het zuid-oosten. Dit licht werd telkens helder

en verdween weder. Als het verdween twijfelde hij eraan of het eerst

wel opgekomen was. Het was langzamerhand in de kamer gegleden met het

schemerduister. Het werd het voornaamste feit in dien langen nacht,

vol spanning. Soms leek het hem dat het beefde als flikkerende vlammen

en dan weder verbeeldde hij zich dat het niets anders was dan de gewone

reflectie der avond-lantarens. Het groeide aan en werd weder minder,

al die uren lang, en verdween niet éér voor het vervloeide in den

aanbrekenden dageraad. Beteekende dit--? Wat hàd het te beduiden? Hij

was er bijna zeker van dat het een brand was, dichtbij of verwijderd,

doch hij kon zelfs niet zeggen of het rook was of wolken die langs

de lucht zeilden. Doch tegen één uur begonnen er zoeklichten te

flikkeren door dien rossigen schijn, die den geheelen nacht bleven

heen en weder glijden. Dit óók kon allerlei beteekenen. Wat kòn het

beduiden. Wat betéékende het? Het eenige wat hij had om zijn geest

bezig te houden, waren deze vuilgevlekte rustelooze lucht en de indruk

van een geweldige ontploffing. Verder deed zich geen geluid vernemen,

geen verder heen en weer gedraaf, niets dan geschreeuw dat evengoed

van dronken lieden op een afstand kon komen....

Hij draaide zijn lichten niet op; hij bleef voor zijn tochtige gebroken

ruiten staan, en leek den agent, die telkens eens in de kamer kwam

kijken en hem aanried om wat te gaan rusten, een kommervol, klein

donker omlijnd mannetje toe.

Den geheelen nacht bleef Redwood voor het venster staan, keek op naar

het verwarde voorbijdrijven der wolken, en niet vóór den dageraad,

gaf hij aan zijne vermoeidheid toe en ging hij liggen op het veldbed

dat men voor hem gespreid had tusschen zijn schrijftafel en het steeds

lager vlammende vuur in den haard, onder den kop van het groote varken.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 92 / 103 题