Hierna bracht Redwood een groot gedeelte van zijn tijd aan de
vensters door.
Doch de vensters lieten hem heel weinig zien van den gang der zaken
buiten. Het was altijd al een stille straat geweest en dien dag was
zij buitengewoon stil. Men zag er bijna geen enkel huurrijtuig,
en dien geheelen morgen ging er bijna niets anders voorbij dan
een winkeliers-karretje nu en dan. Af en toe gingen er menschen
voorbij--zonder dat er iets bijzonders aan hen te zien was,--nu en dan
een troepje kinderen, een kindermeisje en een vrouw die ging winkelen,
en zoo voort. Ze kwamen de straat af links of rechts, met een tergenden
schijn van onverschilligheid voor alles wat grooter en ruimer van
zin was dan zijzelven, zij kregen het door de politie bewaakte huis
met verbazing in het oog en verwijderden zich in tegenovergestelde
richting, waar de groote ranken van een reuzen hydrangea over de
straat hingen, en keken dan nog eens om en wezen.... Nu en dan ging
er een man naar een van de agenten toe om dezen iets te vragen en
kreeg dan een kort antwoord...
Aan den overkant schenen de huizen uitgestorven te zijn. Eenmaal
verscheen er een werkmeisje aan een slaapkamerraam en bleef een
tijdlang nieuwsgierig staan kijken, en het viel Redwood in, haar
teekens te geven. Een poosje bleef zij naar deze gebaren kijken alsof
zij haar interesseerden en maakte op haar beurt eenige gebaren terug,
toen keek ze plotseling over haar schouder en ging heen. Een oude
man kwam Nummer 37 uitstrompelen, de stoep af en ging zonder op te
kijken de straat af. Het eenige wat er gedurende tien minuten in de
straat te zien was, was een kat... En met dergelijke onbelangrijke
gebeurtenisjes rekte zich die oneindige en toch zoo gewichtige morgen.
Tegen twaalf uur begonnen de courantenjongens in de straat daar
dichtbij te schreeuwen; doch ook dit verstomde. Tègen hunne gewoonte
kwamen zij niet door Redwood's straat en hij begon te vermoeden dat
de politie het einde der straat had afgezet. Hij trachtte het raam
op te schuiven, doch dit haalde hem onmiddellijk een agent op den hals.
De klok der naburige kerk sloeg twaalf, en na een zee van tijd--één
uur.
Het was alsof ze hem wilden voor den gek houden met hem een lunch
voor te zetten.
Hij at een stukje en strooide het voedsel wat rond opdat ze het maar
weg zouden nemen, dronk nog al wat whiskey, nam een stoel en ging
weder voor het venster zitten. De minuten rekten zich uit tot grijze
oneindigheden, en een tijdlang sliep hij...
Hij werd wakker met een vagen indruk van verwijderde ontploffingen. Hij
nam een trillen der vensterruiten waar als bij een aardbeving; dit
duurde een minuut of zoo en hield weder op. Toen, na een tijdje stilte,
herhaalde het zich nogmaals... Toen hield het weder op. Hij dacht dat
het eenvoudig het voorbijgaan van het een of ander zware voertuig in
de hoofdstraat zou zijn. Wat zou het anders kunnen wezen?...
Na eenigen tijd begon hij het te betwijfelen of hij dit geluid wel
gehoord had.
Hij hield eindelooze redeneeringen met zichzelf.
Waarom hadden ze hem eigenlijk gevangen genomen? Caterham was pas
twee dagen áán--juist lang genoeg--om zijn koe bij de horens te
grijpen! Zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn Reuzen Netel! Toen
dit refrein hem eenmaal in zijn hoofd zat, kon hij het niet weder
kwijtraken. Wat kon Caterham eigenlijk doen? Hij was een godsdienstig
man. Hierdoor kon hij niet zonder geldige redenen geweld gebruiken.
Zijn Netel uitrukken! Misschien dat ze de Prinses zouden gevangen nemen
en haar buitenslands sturen. Dan konden moeilijkheden volgen met zijn
zoon. En in dàt geval--! Maar waarom was hijzèlf gearresteerd? Waarom
was het noodzakelijk hem omtrent een dergelijk iets onwetend te
laten? Het leek wel alsof er--iets meer--iets gewichtigs achterzat.
Misschien dat ze àl de reuzen wilden oppakken! Allemaal tegelijk. Daar
was al op gedoeld in de verkiezingstoespraken. En dan?
Zonder twijfel hadden ze Cossar ook al opgepakt.
Caterham was een godsdienstig man. Dààr hield Redwood zich aan
vast. Het was of de achtergrond van zijn brein een zwart gordijn was,
en op dit gordijn verscheen en verdween telkens weder een woord--een
woord, geschreven in vurige letters. Hij vocht voortdurend om het woord
niet te zien. Het was alsof het telkens begon op het voorhangsel te
komen en niet voleindigd werd.
Eindelijk zag hij het onder de oogen. "Slachting!" Daar stond het
woord in zijn volle bruutheid.
Neen! Neen! Neen! Dat was onmogelijk! Caterham was een man met
godsdienstige principes, een beschaafd man. En bovendien het kòn toch
niet, dat het werk van al deze jaren, dat al deze hoop met één slag
vernietigd werd!
Redwood sprong op, en liep de kamer op en neêr. Hij praatte in
zichzelf; hij riep luide: "Neen!"
Zóó krankzinnig zou de menschheid toch zeker niet zijn--'t kòn
niet! Het was onmogelijk, het was niet te gelooven, het kòn niet. Wat
voor nut kon het hebben de menschen-reuzen te dooden, waar de tijd
van het reusachtige in al de lager-staande dingen nu onherroepelijk
aangebroken was? Zóó krankzinnig kònden ze niet zijn.
"Ik moet dit uit mijn hoofd zetten," zei hij luid, "ik moet dit
denkbeeld absoluut uit mijn hoofd zetten!"
Hij zweeg plotseling. Wat was dat?
Nu was hij er toch zeker van dat de ruiten gerateld hadden. Hij ging
naar het venster om in de straat te kijken. Aan den overkant zàg hij
de onmiddellijke bevestiging van wat zijne ooren gehoord hadden. Voor
een slaapkamerraam, op nummer 35 stond een vrouw, met een handdoek in
de hand, en aan het venster van de eetzaal van nummer 37 zag hij een
man staan achter een groote vaas overvoed venus-haar, en beiden keken
ongerust en nieuwsgierig naar boven. Hij zag nu maar al te duidelijk
dat de agenten op straat het ook gehoord hadden. Het kwam dus niet
voort uit zijne verbeelding.
Hij wendde zich om naar de duisterwordende kamer.
"Kanonnen," zei hij.
Hij bleef staan peinzen.
"Kanonnen?"
Men bracht hem sterke thee, zooals hij die gewoon was te
drinken. Blijkbaar had men zijn huishoudster hierin geraadpleegd. Nadat
hij zijn thee had uitgedronken was hij te rusteloos om nog langer
aan het venster te zitten, en hij liep de kamer op en neer. Hij begon
langzamerhand geregelder te denken.
Deze kamer was al vierentwintig jaar zijn studeerkamer geweest. Zij
was gemeubeld bij zijn trouwen, en al de zwaardere meubels dateerden
van dien tijd, de groote dubbele schrijftafel, de draai-stoel, de
luie-stoel bij het vuur, de draaiende boekenstander, de vaste rij
genummerde vakjes die de nis aan het eind van het vertrek vulden. Het
kleurige Turksche tapijt, de kleeden uit den lateren tijd van
Victoria's regeering, en gordijnen die nu verschoten waren tot een
mooie waardige kleurschakeering, en het roode en gele koper blonk
prachtig vóór den gloed van het vuur. Electrische lampjes hadden de
plaats ingenomen van de petroleum-lamp van vroeger dagen; dit was de
voornaamste verandering, die het oorspronkelijke meubilair ondergaan
had. Doch tusschen al deze dingen had zijn omgaan met het Voedsel
allerlei sporen achtergelaten. Langs den eenen wand, boven den dado,
was een drukke groepeering van foto's en photogravures in lijsten,
die zijn eigen zoon en Cossar's zonen en andere Bomvoedsel-kinderen
voorstelden op verschillende leeftijden en temidden van verschillende
omgevingen. Zelfs het peinzende gezicht van den jongen Caddles kon men
weervinden in deze verzameling. In den hoek stond een bosje reusachtige
grashalmen uit een weide bij Cheasing-Eyebright, en op de schrijftafel
lagen ledige manekoppen zoo groot als hoeden. De gordijn-roeden waren
grasstengels. En de reusachtige schedel van het groote varken van
Oakham hing met den snuit naar beneden als een massieve ivoren schouw,
met een Chineesche pul in elke oogholte, boven het vuur...
Redwood ging naar de foto's en keek in het bijzonder naar de foto's
van zijn zoon.
Zij riepen hem tallooze herinneringen in het geheugen terug, die
hij haast vergeten had, uit de dagen toen het Voedsel nog pas in de
geboorte was; hij dacht aan Bensington's bloode verschijning, aan
Bensington's nicht Jeanne, aan Cossar en aan den nachtelijken arbeid
op de Proef-Hoeve. Deze dingen kwamen hem nu weder erg klein en helder
en duidelijk voor den geest, als dingen die men op een zonnigen dag
door een verrekijker ziet. En dan was er die reusachtige kinderkamer,
de kindertijd van den reus, de eerste pogingen om te spreken, en de
eerste duidelijke teekenen van affectie van het reuzen-kind.
Kanonnen?
Het drong zich aan hem op, onwederstaanbaar en overweldigend, dat
daarbuiten, ver van deze vervloekte stilte en geheimzinnigheid, zijn
zoon en Cossar's zonen en al deze heerlijke eerste vruchten van een
grootscher eeuw aan het vechten waren--op dàt oogenblik zelfs--aan het
vechten waren om het leven! Zelfs op dat oogenblik was het mogelijk
dat zijn zoon in de een of andere groote moeilijkheid zat, gewond
en vermeesterd....
Hij wendde zich plotseling van de foto's af en liep gesticuleerend
het vertrek op en neer.
"Het kàn niet," riep hij uit. "Het is onmogelijk. Het kàn zoo niet
eindigen!"
"Wat was dat?"
Hij bleef als verstijfd staan.
Het beven der ramen was weder begonnen, en toen was er plotseling een
doffe plof gevolgd--een ontzettende ontploffing die het geheele huis
deed dreunen. Dat moest erg dichtbij geweest zijn. Een oogenblik lang
leek het hem alsof iets het huis boven hem geraakt had--een enorme
drukking waarop een gerinkel van vallend glas volgde en toen een
stilte die eindelijk eindigde in een duidelijk hoorbaar geluid van
dravende voeten beneden op straat.
Deze voeten schudden hem uit zijne verstijving wakker. Hij wendde
zich naar het venster en zag dat de ruiten gebarsten waren.
Zijn hart klopte hevig, als voelde hij dat nu de crisis, de
eindbeslissing en de bevrijding gekomen was. En toen viel de
plotselinge gedachte aan de gevangenschap, die hem machteloos maakte,
weder om hem heen als een gordijn!
Buiten zag hij niets behalve dat de kleine electrische lamp aan den
overkant niet brandde; hij hoorde niets na de eerste aanduiding
van wilde verwarring. En hij kon niets verders gewaar worden om
dit mysterie te verklaren of nog te vergrooten, behalve dat er een
oogenblik later een roodachtig, heen en weer bewegende gloed in de
lucht zichtbaar werd in het zuid-oosten. Dit licht werd telkens helder
en verdween weder. Als het verdween twijfelde hij eraan of het eerst
wel opgekomen was. Het was langzamerhand in de kamer gegleden met het
schemerduister. Het werd het voornaamste feit in dien langen nacht,
vol spanning. Soms leek het hem dat het beefde als flikkerende vlammen
en dan weder verbeeldde hij zich dat het niets anders was dan de gewone
reflectie der avond-lantarens. Het groeide aan en werd weder minder,
al die uren lang, en verdween niet éér voor het vervloeide in den
aanbrekenden dageraad. Beteekende dit--? Wat hàd het te beduiden? Hij
was er bijna zeker van dat het een brand was, dichtbij of verwijderd,
doch hij kon zelfs niet zeggen of het rook was of wolken die langs
de lucht zeilden. Doch tegen één uur begonnen er zoeklichten te
flikkeren door dien rossigen schijn, die den geheelen nacht bleven
heen en weder glijden. Dit óók kon allerlei beteekenen. Wat kòn het
beduiden. Wat betéékende het? Het eenige wat hij had om zijn geest
bezig te houden, waren deze vuilgevlekte rustelooze lucht en de indruk
van een geweldige ontploffing. Verder deed zich geen geluid vernemen,
geen verder heen en weer gedraaf, niets dan geschreeuw dat evengoed
van dronken lieden op een afstand kon komen....
Hij draaide zijn lichten niet op; hij bleef voor zijn tochtige gebroken
ruiten staan, en leek den agent, die telkens eens in de kamer kwam
kijken en hem aanried om wat te gaan rusten, een kommervol, klein
donker omlijnd mannetje toe.
Den geheelen nacht bleef Redwood voor het venster staan, keek op naar
het verwarde voorbijdrijven der wolken, en niet vóór den dageraad,
gaf hij aan zijne vermoeidheid toe en ging hij liggen op het veldbed
dat men voor hem gespreid had tusschen zijn schrijftafel en het steeds
lager vlammende vuur in den haard, onder den kop van het groote varken.