Zijn ontmoeting met Caterham was geheel anders dan hij verwacht
had. Hij had den man slechts tweemaal in zijn leven gezien, eenmaal
aan een diner, en eens in de corridors van het Parlementsgebouw,
en zijn verbeeldingskracht had zich beziggehouden, niet met den
màn, doch met de creatie der nieuwsbladen en karikaturen, met den
Caterham uit de legende, "Jack de Reuzendooder," "Perseus" en al
die andere nonsens. Doch nu kwam de persoonlijkheid van vleesch
en bloed dit alles omverwerpen. Dit was niet het gelaat uit de
caricaturen en afbeeldingen, doch het gelaat van een afgewerkt man
die aan slapeloosheid leed, gerimpeld en lusteloos, en met geel in
het wit zijner oogen, en een beetje verzwakt om den mond. Zeker,
dit waren de roodbruine oogen, het zwarte haar, het gepronunceerde
arends-profiel van den grooten volksman, doch hier was eveneens iets
dat alle vóór-opgevatte geringschatting en rhetorica wegdreef. Deze man
was lijdende; hij leed acúut; en zijne zenuwen waren tot het uiterste
gespannen. Van het eerste oogenblik af aan zag hij eruit als de man
die zijn rol speelt. Een oogenblik later zag Redwood aan een enkel
gebaar, en aan een lichte beweging, dat hij zich met artsenijen op
de been hield. Hij bracht zijn duim naar zijn vestzak en na nog even
doorgepraat te hebben, wierp hij alle geheimhouding terzijde en liet
het tabletje tusschen zijn lippen doorglijden.
Bovendien, niettegenstaande zijne overspanning, niettegenstaande het
feit dat hij ongelijk had, en een dozijn jaren jonger dan Redwood,
voelde Redwood toch in hem die vreemde hoedanigheid, dat onverklaarbaar
iets--men zou het bij gebrek aan een beteren naam "persoonlijk
magnetisme" kunnen noemen--nog aanwezig hetwelk hem deze noodlottige
hoogte had doen bereiken. En ook hièrop had Redwood niet gerekend. Van
het eerste oogenblik af aan, overheerschte Caterham Redwood voor zoover
het den loop en de leiding van hun gesprek betrof. De aard van het
eerste gedeelte van hun samenspreking, de toon en de leiding er van
gingen van hem uit. En dat gebeurde alsof het zoo vanzelf sprak. Al
Redwood's verwachtingen gingen in rook op toen hij voor hem stond. Zij
hadden elkaar de hand gedrukt vóór Redwood zich nog goed bewust was,
dat hij deze familiariteit had willen afwijzen; hij gaf van het begin
den toon van het gesprek aan, zeker en duidelijk, alsof zij samen
naar middelen zochten om een gemeenschappeltjke ramp te bezweren.
Als hij al eens een fout beging, was het wanneer zijne vermoeidheid
zijne aandacht een oogenblik de baas werd, en de gewoonte in
het publiek te spreken hem meêsleepte. Dan richtte hij zich
op--gedurende hun geheele conferentie stónden de beide mannen--en
staarde hij langs Redwood heen, en begon zich te verweren en zich
te rechtvaardigen. Eenmaal zei hij zelfs: "Mijne heeren!" Rustig
uiteenzettend, begon hij te praten...
Op sommige oogenblikken vergat Redwood zelfs, dat hij tegenover dezen
man stond als ondervrager, en werd hij niets dan de toehoorder van een
monoloog. Hij werd de begunstigde toeschouwer van een buitengewoon
verschijnsel. Hij voelde bijna iets van een specifiek verschil
tusschen zich zelf en dit wezen welks mooie stem als het ware om
hem heenvloeide, al maar doorpratend. Deze geest, die zich hier voor
hem uitte, was zoo machtig en toch tegelijk zoo klein. De naar zijn
doel stuwende energie, het persoonlijke gewicht, het onverbeterlijke
over het hoofd zien van zekere dingen, deden in Redwood's geest
een belachelijk en vreemd beeld geboren worden. Inplaats van als
een tegenstander, die een medemensch was, een man dien men moreel
verantwoordelijk kon stellen, en tot wien men redelijke verzoeken
kon richten, zag hij Caterham als iets, ja, als een monsterachtigen
rhinoceros, als het ware een beschaafden rhinoceros, voortgekomen uit
de wildernis van het democratische leven, een monster welks aanval
en verdediging onwederstaanbaar en onoverwinbaar waren. In al de
tegen elkaar indruischende woordenwisselingen van die netelige
zaak was hij de eerste. En verder? Deze man was een wezen, bij
uitnemendheid geschikt om zich een weg te banen door menigten van
menschen. Voor hem bestond er geen grover fout dan zelftegenspraak,
geen wetenschap zóó belangrijk als het verzoenen van met elkaar
strijdige "belangen." Economische werkelijkheid, topografische
behoeften, de nauwelijks aangeraakte mijnen van wetenschappelijke
hulpmiddelen bestonden voor hem evenmin, als spoorwegen of geweren
of land- en volkenkunde bestaan voor den rhinoceros waarop hij
in Redwood's verbeelding geleek. Wat alléén voor hem bestond waren
vergaderingen en kiesvereenigingen en stemmen--ja bovenal, stèmmen. Hij
was de geïncarneerde stem--millioènen stemmen.
En nu, in deze geweldige crisis met de Reuzen, die wel geleden hadden,
doch niet verslagen waren, praatte dit stem-monster.
Het was zoo duidelijk dat hij zelfs nù nog alles te leeren had. Hij
wist niet dat er physieke en economische wetten waren, grootheden
en reacties die de geheele menschheid, al stemt ze ook "nemine
contradicente" niet kan weg-stemmen, en waaraan men alleen ten koste
van algeheele vernietiging kan ongehoorzaam worden. Hij wist niet,
dat er moreele wetten zijn, die niet verbogen kunnen worden door
welk oogbedrog ook, of die slechts gebogen worden om met wrekende
hevigheid terug te springen. Het werd Redwood duidelijk, dat deze man
als hij voor schroot of den Dag des Oordeels gesteld werd, zich zou
verschuilen achter de een of andere op eigenaardige manier verdraaide
"stemming van het Lagerhuis."
Wat zijn geest zelfs op dit oogenblik het meest bezig hield, waren
niet de machten die de sterkte ginds in het zuiden bezet hielden,
niet nederlaag of dood, doch den indruk dien dit alles op zijne
"Meerderheid" zou maken, (de eenige, groote werkelijkheid in zijn
leven.) Hij moest de Reuzen verslaan of zelf van het politiek tooneel
verdwijnen. Hij was nog geenszins geheel wanhopig. In dit uur van
algeheel falen, met bloed en ramp op zijn geweten, en de rijke belofte
van nog meer vreeselijke rampen; terwijl de reusachtige krachten der
wereld zich hoog boven hem verhieven en over hem heen vielen, was
hij nog in staat te gelooven dat als hij zijn stem maar uitzette,
en uitlegde en nog eens weder uitlegde, hij zijn macht weder zou
kunnen herstellen. Zonder twijfel zat hij in de klem, en was hij moe
en lijdend, maar als hij zich er maar bovenop kon houden, als hij
maar kon blijven sprèken--
Terwijl hij praatte leek het Redwood toe alsof hij naar voren trad en
zich weder terugtrok, alsof hij zich uitzette en inkromp. Redwood's
aandeel in wat er gezegd werd, was van zeer ondergeschikt belang,
en niet anders als het ware dan wiggen, plotseling tusschen zijn
phrases geschoven.
"Onzin mijnheer." "Neen." "Dàt voorstel geeft natuurlijk
niets." "Waarom begon u er dan mee?"
Het is twijfelachtig of Caterham hem wel hoorde. Caterham's rede
omvloeide dergelijke onderbrekingen als een snelle stroom een
rots. Daar stond deze wonderbare man, op zijn officieele haardkleed,
pratend, al maar pratend met enorme kracht en vaardigheid, pratend
alsof een oogenblik rust in zijn rede, in zijne uitleggingen, in zijn
voorstelling van een standpunt, van overwegingen en middelen, den
een of anderen vijandigen invloed gelegenheid zou geven zich te doen
gelden--zich in wóórden uit te drukken,--het eenige wat hij begrijpen
kon. Daar stond hij temidden der lichtelijk verwelkte pracht van dat
officieele vertrek waarin de eene man na den ander was ondergegaan
door het geloof dat een zekere handigheid in het bemiddelen de beste
manier was om een keizerrijk te regeeren...
Hoe meer deze man praatte, hoe sterker Redwood doordrongen werd van
de verbazende oppervlakkigheid van dezen woordenvloed. Besefte deze
man wel dat, terwijl hij daar stond te praten, de geheele groote
wereld voortleefde; dat het niet te keeren getij van groei al maar
voortstroomde, dat er nog andere uren bestonden dan die welke men in
het Parlement doorbracht met praten, en dat de hand der Wrekers van
het vergoten Bloed gewapend was? Buiten tikte één enkel reuzenblad
van een Virginische meelbloem, dat het geheele vertrek verduisterde,
tegen de ruiten, zonder dat iemand er op lette.
Redwood verlangde naar het slot van deze wondere alleenspraak, om te
kunnen gaan naar een plaats waar hij weder gezonde rede en oordeel zou
hooren, naar het belegerde kamp, naar de sterke vesting der toekomst,
waar de Zonen nu bij elkaar waren, in al de glorie hunner grootheid. Om
daarheen te kunnen gaan had hij al dit gepraat geduldig aangehoord. Hij
kreeg het eigenaardige gevoel, dat zoo deze alleenspraak niet spoedig
eindigde, hij er door zou meê gesleept worden, dat hij moest kampen
tegen den indruk dien Caterham's stem op hem maakte, zooals men kampt
tegen de werking van een slaapmiddel. De feiten waren veranderd,
en vervormden zich nog steeds onder die betoovering.
Wat zei die man toch?
Daar Redwood het den Kinderen van het Voedsel moest overbrengen,
begreep hij dat het tot op zekere hoogte van belang was ernaar te
luisteren.
Hij zou beter moeten luisteren en zijn neiging om zich te laten
afleiden door de dingen om hem heen, zoo veel mogelijk moeten
beheerschen.
Hij hoorde veel praten over "bloedschuld." Dat was alleen maar terwille
van de welsprekendheid. Dus dat kwam er minder op aan. En dan?
Hij stelde een verdrag voor!
Hij stelde voor, dat de nog overgebleven Kinderen van het Voedsel
zouden capituleeren en ergens afzonderlijk zouden gaan wonen en een
eigen maatschappij vormen. De geschiedenis kon op meer dergelijke
maatregelen wijzen. "Wij zouden hun grondgebied kunnen aanwijzen--"
"Waar?" viel Redwood hem in de rede, zich verwaardigend om te praten.
Caterham greep naar de vraag als een concessie. Hij wendde zijn gelaat
naar Redwood, en zijn stem werd overredend. Dat zou men later kunnen
bepalen. Hij moest opmerken, dat dit een punt van ondergeschikt
belang was. Toen ging hij voort met vaststellen: "En behalve over
hetgeen zij zelf behoeven op de plaats waar zij zijn, moeten wij de
absolute beschikking hebben over het Voedsel, en al de Vruchten van
het Voedsel moeten verdelgd worden--"
Redwood bemerkte dat hij zelf ook aan het onderhandelen raakte:
"En de Prinses?"
"Die staat erbuiten."
"Neen," zei Redwood, kampend om weder tot het oude standpunt terug
te keeren. "Dat is belachelijk!"
"Daar spreken we later nog wel over. In elk geval zijn wij het er
over eens, dat het fabriceeren van het Voedsel moet ophouden--"
"Ik heb niets toegegeven. Ik heb niets gezegd--"
"Maar het gaat toch niet aan, op één planeet twéé menschensoorten te
hebben, een groot en een klein! Denk eens aan wat er gebeurd is! Bedenk
dat het nog slechts een voorproefje is van wat er gebeuren zal als
dit Voedsel ongestoord zijn gang gaat! Denk eens aan al wat u al
over deze aarde gebracht hebt! Als er een ras van Reuzen moet zijn,
dat steeds aangroeit en zich vermenigvuldigt--"
"Ik kan daar niet over gaan redeneeren," zei Redwood. "Ik moet
naar onze kinderen. Ik wil naar mijn zoon. Daarom ben ik naar u toe
gekomen. Zeg me kort en goed wat uwe voorwaarden zijn."
Caterham hield weder een redevoering over zijne voorwaarden.
Den Kinderen van het Voedsel zou een groot eigen grondgebied afgestaan
worden--misschien in Noord-Amerika of in Afrika--waarop zij hun leven
konden leven zooals zij dit zelven wenschten.
"Maar dat is onzin," zei Redwood. "Op dit oogenblik zijn er overal
al Reuzen. Over geheel Europa--overal!"
"Wij zouden een internationaal verdrag kunnen sluiten. Het is niet
onmogelijk. Iets dergelijks is al besproken... Doch op dit terrein
kunnen zij hun leven leven zooals zij dit zelven wenschen. Zij mogen
doen wat zij willen; zij mogen maken wat zij willen. Wij zullen het
apprecieeren, als zij allerlei dingen voor ons willen maken. Zij
kunnen er zeer gelukkig zijn. Bedenk dit eens!"
"Mits er niet meerdere Kinderen komen?"
"Juist. De Kinderen zijn voor ons. En op deze wijze, mijnheer,
zullen wij de wereld redden, wij zullen haar geheel vrijwaren voor de
vruchten uwer vreeselijke ontdekking. Het is nog niet te laat voor
ons. Doch tevens willen wij gaarne deze practische noodzakelijkheid
verzachten met wat toe te geven. Op dit oogenblik reeds zijn wij
bezig de plaatsen waar hunne granaten gisteren insloegen, uit te
branden en dicht te maken. We zullen het overwinnen. Geloof me,
we zullen het onderdrukken. Doch op die wijze, zonder wreedheid,
zonder onrechtvaardigheid--"
"En als de Kinderen hier eens niet in kunnen treden?"
Voor de eerste maal keek Caterham Redwood recht in de oogen.
"Zij moèten!"
"Ik geloof niet dat zij het doen zullen."
"Waarom zouden zij niet toestemmen?" vroeg Caterham, met
warm-geschakeerde verbazing.
"En als ze het eens niet doen?"
"Wat rest ons dan nog behalve strijd? Wij mògen het zóó niet
voort laten gaan. Wij mógen niet, mijnheer. Hebben jullie,
mannen der wetenschap dan geen verbeeldingskracht? Hebt ge geen
mededoogen? Wij kunnen onze aarde niet laten vertrappen door een
steeds aangroeiende kudde van zulke monsters en door monsterachtigen
plantengroei zooals uw Voedsel veroorzaakt heeft. Wij kùnnen niet,
en ik herhaal nog eens, wij mógen het niet! Ik vraag u, mijnheer,
wat rest ons dan nog dan oorlog? En bedenk wel--wat nu gebeurd is
was nog pas een begin! Dit was een schermutseling. Niets anders
dan een gevecht met politie. Gelooft u me, niets anders dan een
gevecht met de politie. Laat u niet misleiden door perspectief,
door de grootheid van deze nieuwere dingen en wezens. Achter ons
staat de natie--staat de menschheid. Achter de duizenden die gevallen
zijn, staan millioenen. Zoo ik niet teruggedeinsd was voor nog meer
bloedvergieten, mijnheer, zouden zich achter onze eerste aanvallen,
nieuwe aanvallen vormen, zelfs op dit oogenblik. Of wij dit Voedsel
al of niet kunnen uitroeien, zonder eenigen twijfel kunnen wij uwe
zonen dooden! U bouwt te veel op de dingen die gisteren gebeurd zijn,
op de gebeurtenissen van een twintig jaren, op één slag. U hebt geen
begrip van den langzamen gang der Geschiedenis. Ik stel u dit verdrag
voor terwille van de menschenlevens, nièt omdat het het onvermijdelijk
einde kan afwenden. Zoo u denkt dat uw armelijke paar dozijn Reuzen
de geheele kracht van ons volk en van al de met ons verbonden natiën
die ons ter hulp zullen snellen, kunnen weerstaan; als u denkt dat u
de Menschheid kunt veranderen in één slag, in één enkele generatie,
en den aard der natuur en de lichaamsbouw van den Mensch--" Hij stak
een arm uit. "Ga naar hen toe, Mijnheer! Nù dadelijk! En zie hoe zij,
om al het kwaad dat zij aangericht hebben, neerhurken tusschen hunne
gewonden--"
Hij zweeg, alsof hij toevallig een blik op Redwood's zoon geslagen had.
Een tijdlang zwegen de beide mannen.
"Ga naar hen toe," zei hij.
"Ja, dat is juist wat ik wil."
"Ga dan nù..."
Hij wendde zich af, drukte op het knopje van een schel; en buiten
klonk, als antwoord, onmiddellijk een geluid van deuren die zich
openden en voeten die kwamen aansnellen.
Het gesprek was geëindigd. De comedie was afgespeeld. En plotseling
scheen Caterham in te krimpen, te verschrompelen tot een man, met
een geel gezicht, uitgeput, van middelbare lengte en van middelbaren
leeftijd. Hij deed een schrede voorwaarts, alsof hij uit de lijst van
een schilderij trad, en met een voorwenden van die vriendelijkheid die
loert achter al den openlijken strijd van ons ras, stak hij Redwood
de hand toe.
En alsof dit zoo van zelf sprak, drukte Redwood hem ten tweeden male
de hand.